Meer dan honderd jaar geleden schreef H.P. Blavatsky kort maar krachtig
over de natuur toen ze ons op het hart drukte: ‘Help de natuur
en werk met haar mee, want de natuur zal u dan als een van haar scheppers
beschouwen en zich voor u neerbuigen’ (De
Stem van de Stilte, Fragment I). Dit is onze belangrijke taak:
te leven in harmonie met de natuur die ons hier bracht en ons als reïncarnerende
ego’s door de eeuwen heen de weg wijst. De natuur zwoegt niet
onnodig; integendeel ze volgt de weg van de minste weerstand. Ze streeft
niet naar het overleven van de sterksten, maar naar een harmonische
wisselwerking van alles.
We bewegen ons in een kosmische hiërarchie waarvan alle delen
het grotere geheel weerspiegelen — microkosmossen zijn van de
macrokosmos. We kunnen ons het heelal voorstellen als een klok. De ouderwetse
raderen ervan zijn in een harmonische verhouding met elkaar verbonden
en zetten daardoor de wijzers in beweging. Daar zijn de beweginkjes
van seconden, die groeien tot minuten, uren, dagen, levens, enz., alle
met elkaar verbonden en gegroepeerd in een hiërarchisch verband.
Blavatsky spreekt in haar meesterwerk De
Geheime Leer over drie grondstellingen die een basis vormen
voor de meer verborgen leringen van de oude wijsheid. De tweede grondstelling
omschrijft ze als ‘de algemene geldigheid van die wet van periodiciteit,
van eb en vloed, van neergang en opkomst, die de natuurwetenschap op
alle gebieden van de natuur heeft waargenomen en beschreven’ (1:46-7).
De wet van de cyclussen is de wet van de zich herhalende activiteiten
van de natuur. Het woord ‘cyclus’ komt van het Griekse kyklos
en betekent cirkel, wiel, ring, schijf, bol; ook iedere volledige ronde
of serie gebeurtenissen die zich herhaalt of wordt herhaald, of een
reeks jaren of een terugkerend tijdvak, vooral een reeks waarin bepaalde
gebeurtenissen of verschijnselen zich in dezelfde volgorde en met dezelfde
tussenruimten herhalen. In esoterische zin is een cyclus niet als een
ring ‘die in zichzelf terugkeert, maar meer correct als een schroefdraad
die een spiraalvorm heeft: aan de onderkant begint, om zichzelf heendraait
en omhooggaat.’1 Deze beschrijving
van het begrip evolutie staat tegenover een eenvoudige wenteling die
slechts een voortdurend ronddraaien zonder vooruitgang is. Alle hiërarchieën
bewegen zich spiraalsgewijs: hun beweging gaat gepaard met vooruitgang.
Dit kunnen we niet alleen zien in de dag-tot-dagcyclus, maar ook in
de leven-tot-levencyclus, en dit gaat oneindig voort door de verschillende
zichtbare levensvormen heen:
We zijn vertrouwd met de groeicyclus van zaad tot
bloem en van bloem tot zaad; de cyclus van verandering van kale takken
in de winter tot de glanzende knop, de goudgroene sluier van het voorjaar,
en dan het volle blad van de zomer en het ruisen van de goudbruine
herfstbladeren. We letten op de vogel en het nest, het ei en het jonge
vogeltje. Groei, verandering en voortplanting zijn allemaal aanduidingen
van wat we het leven noemen. . . . De open spiraal leidt naar buiten
de ruimte in, naar de kosmos en naar een bewustzijn dat ruimer is
dan dat wat we nu bezitten. Zo wordt het leven steeds rijker, ruimer
en mooier.
— E.W. Preston, Life and Its Spirals,
blz. 5
Cyclussen geven een gestage vooruitgang naar vervolmaking in de natuur
weer, een ingeboren eigenschap van het bestaan.
Het uiteindelijke doel van iedere cyclus wordt wel vergeleken met
de uroboros, de slang die zijn eigen staart inslikt. De door
de slang gevormde cirkel
toont de cyclus van de eeuwigheid of de grote evolutiespiraal
. . . Dit is de cirkel van noodzakelijkheid van de Egyptenaren, het
pad van de talrijke reïncarnaties van de ziel . . . Zijn staart
die in zijn mond schuift [betekent een] onophoudelijk draaien van
de cirkel, of het periodiek tevoorschijn komen en verdwijnen van het
gemanifesteerde heelal. Dit staat in vrijwel iedere bijbel. Johannes
spreekt over de grote draak die met zijn staart een derde van de sterren
naar de aarde veegde. Dit betekent dat in de loop van deze grote evolutie
de slang ego’s naar omlaag naar deze aarde bracht. . . . Hij
symboliseert volmaaktheid in de vorm van een cirkel, omdat die de
meest volmaakte vorm is, en ons ook in zijn verschillende verbanden
de grote leer laat zien dat het heelal op basis van getallen was gebouwd,
. . . en wordt bestuurd of geleid volgens een nu eens verstoorde en
dan weer herstelde harmonie.
— E.C. Krupp, Echoes of the Ancient
Skies, blz. 173
Alle cyclussen zijn met elkaar verbonden en verweven, hiërarchisch
en numeriek. Zij zijn inderdaad de ingeboren levensritmes. Wij vormen
een eenheid met onszelf, met de mensheid, met onze aarde en met onze
kosmos.
De meesten van ons zijn bekend met de passage in Prediker:
‘Alles heeft zijn uur, en elk ding onder de hemel heeft zijn tijd’
(3:1). Dit is niet een overbodig gezegde dat slechts betekent dat er
een juiste tijd is voor alles wat er gebeurt, maar de betekenis is eerder
dat alles inderdaad op het juiste moment gebeurt; dat er orde ten grondslag
ligt aan schijnbare onregelmatigheid, toevalligheid, verwardheid of
chaos. Nog niet zolang geleden werd het verloop van het leven en het
werk van de mens geregeld door de voortgaande cyclus van de seizoenen,
en was de verhouding van de boer met de aarde heilig. De cyclussen van
de plantengroei zijn duidelijk sterk verbonden met de seizoenen, evenals
het leven van de mens. De aarde wordt vruchtbaar gemaakt door regen
uit de hemel, de verbintenis van aarde en hemel – symbolisch van
stof en geest. Het mannelijke zaad wordt in de vrouwelijke bodem geplant
— vader zon en moeder aarde werken samen in het verborgene, achter
de sluier van onze directe waarnemingen, om het zichtbare leven voort
te brengen. De zon (en maan) worden zo gezien als de schenkers van tijd
omdat de tijd naar hun bewegingen wordt gemeten (maan betekent zelfs
‘maat’), met de zon als de regelaar van de cyclus van de
seizoenen. L.H. Bailey waarschuwt in The Holy Earth dat ‘een
nuttig contact met de aarde de mens niet boven de natuur plaatst, maar
hem de positie geeft van een hogere intelligentie die in de natuur werkt
als een bewust en daarom verantwoordelijk onderdeel in een evolutieplan
dat een voortgaande schepping betreft’ (blz. 53).
Als kind
hadden we een veel hechter contact met de aarde. Ongeremd groeven we
met onze handen erin, en lieten modder tussen onze tenen zompen, we
aten stukjes gras, lieten kluiten aarde uiteenspatten en verzamelden
alle trofeeën van de dag, de gevonden dingen van de natuur
die ’s avonds uit onze zakken kwamen. Maar als volwassenen verliezen
velen van ons die nauwe band met de grond, de aarde, de planten, het
gesteente en het leven van insecten en dieren — zeer tot ons nadeel.
Het is alsof de mensen hebben geprobeerd afstand te nemen van de functies
en cyclussen van de natuur, in een poging om afgescheiden te
worden of erboven te staan. Zoals dr Krupp, directeur van het
Griffith Observatorium in Hollywood opmerkt:
We hebben ons met succes ingespannen ons te beschermen
tegen de elementen en we zijn erin geslaagd de hemel buiten te sluiten.
Daarbij hebben we ons ook verwijderd van een van de grondbestanddelen
van onze cultuur. . . .
Wat aan de hemel gebeurde was voor onze voorouders
zinnebeeld. Het had betekenis. Het symboliseerde de beginselen die
volgens hen hun leven regelden en ook de kracht achter die beginselen.
Er waren machten aan de hemel. De getijden trilden mee met de fasen
van de maan; de seizoenen vielen op hun plaats in harmonie met de
zon en de sterren; de wereld en haar bewoners schonken aandacht aan
de seizoenen. De verstedelijkte bevolking van nu is dit gevoel van
samenhang tussen wat aan de hemel en in hun leven gebeurt [grotendeels]
kwijtgeraakt, maar enkele volkeren die oude tradities volgen kennen
het nog.
— Echoes of the Ancient Skies,
blz. 1-2
Zelfs de meeste kerkelijke feestdagen hebben hun nauwe verband met
de klok van de natuur verloren. Die vieringen zouden ons eraan moeten
herinneren dat we een bepaald stadium doorlopen van het indrukwekkende
organisme van de kosmos.
Bij de verdeling van het jaar kunnen de vier jaargetijden de volgende
stadia weergeven:
Lente — vuur (etherisch), ochtend, jeugd, oosten, zaaien.
Zomer — lucht (gasvormig), middag, adolescentie, zuiden, groeien.
Herfst — water (vloeibaar), avond, volwassenheid, westen, oogsten.
Winter — aarde (vast), nacht, ouderdom of geboorte, noorden,
bewerken van de grond.
Als de vier delen van het jaar hebben de jaargetijden astronomisch
afwisselend betrekking op een dag-en-nachtevening en een zonnestilstand,
maar geografisch vinden ze in de twee halfronden op verschillende data
plaats. Het is algemeen gebruik het jaar met de lente-evening te laten
beginnen. Zo hebben we de lente-evening die omstreeks 21 maart begint,
de zomerzonnestilstand die rond 21 juni begint, de herfstevening die
ongeveer 21 september begint en de winterzonnestilstand die rond 21
december begint. Dit zijn esoterische data en hun onderlinge verbanden
hebben grote symbolische betekenis. G. de Purucker zegt hierover: ‘Alle
esoterische gedenkdagen, zoals de vier heilige jaargetijden . . . waren
gebaseerd op de wetenschap die het lot van de mens in verband brengt
met het verloop van de hemellichamen in hun baan.’
Op hun beurt houden de jaargetijden verband met de grotere kosmische
bewegingen, berekend vanuit het perspectief van de aarde. De seizoensveranderingen
van de zon, en natuurlijk de seizoenen zelf, zijn een gevolg van de
aswenteling en het draaien van de aarde in de ruimte. Die houden verband
met grote cyclussen zoals de messiaanse cyclus van 2160 jaar; 12 daarvan
vormen het grote siderische jaar van 25.920 jaar en zo verder tot de
yuga’s of tijdperken van de mensheid, het leven van de aarde en
van het zonnestelsel. Al die cyclussen waren aan de Ouden bekend; zij
wisten hoe ze het leven van de mens moesten ordenen volgens de berekeningen
van de kosmische klok van de natuur die onfeilbaar is. ‘Die klok
is het hemelgewelf; de zon, de maan, de zeven (heilige) planeten . .
. en de sterren, zijn de ‘wijzers’ die de tijdcyclussen
markeren.’2
Als we nadenken
over deze onderwerpen krijgen we meer begrip en eerbied voor sommige
kringlopen van de kosmos en een grootser beeld van de diepe band die
wij mensen hebben met de kern van het bestaan, dat zich als het heelal
manifesteert dat wij rondom en in ons zien en voelen. Plato heeft gezegd
dat
de bewegingen die met het goddelijke deel in ons
verwant zijn, de gedachten en de draaiingen van het heelal zijn; ieder
mens hoort daar dus aandacht aan te schenken en . . . . door de harmonieën
en draaiingen van de wereld te leren kennen, hoort hij het intelligente
deel — overeenkomstig het ongerepte karakter ervan — naar
het voorbeeld te maken van dat wat door de intelligentie wordt waargenomen
[ons goddelijke deel], en daardoor de vervulling bereiken van het
beste in het leven dat de goden de mensen hebben voorgelegd, voor
zowel dit als het volgende leven.
— Timaeus, § 90
We zouden ernaar moeten streven als die oude volkeren te zijn, van
wie het hele leven een geestelijk bestaan was — en niet alleen
een bestaan, maar een offer, waarbij iedere handeling op de een of andere
manier een heilig offeren betekende. Het gevoel verbonden te
zijn met de aarde en de natuur is iets dat we slechts van binnenuit
hoeven op te roepen zodra we weer naar buiten gaan en blijven stilstaan
om met al onze zintuigen de cyclussen van de natuur waar te nemen die
ons wezen en ons leven omringen en geheel doordringen.
Noten
- William Q. Judge, Echoes of the Orient, 1:492.
- G. de Purucker, Beginselen van de Esoterische
Filosofie, blz. 238.