Uit een lezing voor een bijeenkomst van wetenschappers,
artsen en onderwijskundigen in april 2002 te Council Grove, Kansas.
Er is in het hart van ieder mens een honger die door
niets kan worden gestild – een honger naar een grotere waarheid
dan waarvan de mensen in het algemeen weet hebben, een honger naar
het ware, een honger naar het verhevene. De oorsprong van dit verlangen
is het heimwee veroorzaakt door de herinnering van de ziel aan ons
geestelijk thuis, waaruit wij voortkwamen en waarheen wij nu terugkeren.
Het is de nostalgie van de ziel, van de geest-ziel van de mens.
– G. de Purucker, Levensvragen,
blz. 3
Het motto van The Theosophical Society, satyan nasti paro dharmah,
kan ruwweg worden vertaald als: ‘Er is geen religie hoger dan
de waarheid.’ Een waardig gevoel – deze wereld hongert naar
waarheid. Maar wat is zij, waar moeten we haar zoeken, en hoe kunnen
wij haar herkennen als we haar tegenkomen? Als we geestelijk hongerig
zijn dan is waarheid het voedsel dat we nodig hebben. Als we pijn hebben,
vinden we waarheid in alles wat ons lijden vermindert. Als we echter
heel erg veel pijn hebben, maken we ons niet meer druk over de kwaliteit
van wat we vinden. In de meest ruime zin geldt dat hoe gezonder we zijn
en hoe meer we heel zijn, des te dieper de waarheid die we kunnen ervaren
en omarmen – en het ontdekken en volgen van waarheid is
het goddelijk pad.
Met het begrip waarheid begeven we ons ongetwijfeld op glad ijs, maar
in het algemeen gesproken geeft de theosofie aan dat een idee alleen
dan waar is, als het op elk gebied en op elk moment waar is. Daarom
worden we aangemoedigd om de oude en moderne religies, wetenschappen
en filosofieën te bestuderen en deze ‘met een onbevooroordeelde
geest met elkaar te vergelijken’ om aldus door hun oppervlakkige
verschillen heen te zien en te zoeken naar de bron van waarheid waaruit
ze allemaal voortvloeien. De theosofische filosofie moedigt ons ook
aan diep in onze eigen gebruiken te graven om zo de gemeenschappelijke
wortels daarvan in de oude wijsheid te ontdekken. Ieder spiritueel beginsel
kan worden verklaard door middel van ontelbare voorbeelden die aan het
gedachtegoed van de wereld kunnen worden ontleend. Door voortdurend
te verwijzen naar oude religieuze stelsels liet H.P. Blavatsky ons zien
dat we dezelfde geestelijke en stoffelijke oorsprong hebben –
wat Martin Luther King jr. ‘de onderling verweven structuur
van de werkelijkheid’ noemde. Als we ons realiseren hoeveel
‘zondvloeden’, drie-eenheden en maagdelijke geboortes we
in de tradities van over de hele wereld kunnen vinden, wordt het duidelijk
dat hoe universeler een symbool is, hoe meer waarheid het belichaamt.
Laat ik u iets vertellen over mijn eigen zoektocht naar waarheid, heelheid
en bewustzijn. Ik heb leren begrijpen dat theos-sophia ‘goddelijke
wijsheid’ betekent, maar toen ik opgroeide wist ik niet dat goddelijke
wijsheid iets was waarmee een gewoon mens zich werkelijk kan verbinden.
Toen ik klein was, waren God en sinterklaas onderling verwisselbaar,
ze stonden allebei ver van me af en beiden waren ze toegerust met magische
vermogens waarmee ze mij konden zien. Hoewel mij werd geleerd dat God
alomtegenwoordig is, was ik me niet bewust van alle kloven die ik tussen
het goddelijke en mijzelf voelde, totdat op zekere dag alles instortte.
Op de muur van de kerk waar ik kwam stond met grote gouden letters:
‘God Is Liefde.’ Het was de bedoeling van die woorden om
troost te geven, maar ik werd erdoor gedeprimeerd: waarom zou een liefhebbende
God ziekte en haat toestaan (laat staan scheppen)? Wat is er mis met
dit beeld?
Op goed geluk begon ik naar antwoorden te zoeken. Reïncarnatie
leek een mogelijkheid, maar ik begreep niet helemaal waar het over ging
(en de extreme armoede in India, waar bijna iedereen in reïncarnatie
gelooft, verontrustte me). Karma leek op een bepaalde manier wel zinvol,
maar riep evenveel vragen als antwoorden bij me op. De manier waarop
ik het zag was dat als het monotheïsme kon worden beschouwd als
één enkel kosmisch koekje, polytheïsme gelijk stond
met een heleboel kleine kosmische koekjes. Wat voor verschil zou het
maken? Langzaam verzamelde ik stukjes waarheid die aannemelijk leken,
maar die zweefden als het ware samen in de ruimte met daarbij een heleboel
vraagtekens.
Jarenlang waren mijn man en ik samen op zoek, en we baanden ons een
weg door religieuze literatuur en New-Age-groepen en stuitten daarbij
hier en daar op een paar hints, maar nooit een sluitsteen die alles
samenhield, die het mystieke met het wetenschappelijke, filosofische
en praktische verbond. Toen werd ik zwanger. Toen mijn dochter werd
geboren, voelde ik plotseling een sterke drang om te weten waar ze vandaan
kwam. De theosofische premisse dat ieder mathematisch punt in de ruimte
potentieel een evoluerende vonk van bewustzijn is, en dat er niet zoiets
bestaat als dode materie was voor mij een enorme eye-opener. Omdat ik
van nature een beetje animistisch was aangelegd (ik praatte tegen planten
en zo), klopte dat met dat waarvan ik altijd had gevoeld dat het waar
is. Maar als ik nu terugkijk is het duidelijk dat ik in eerste instantie
alleen begreep dat dit van toepassing was op de natuurrijken die lager
waren dan het menselijke (waarschijnlijk omdat ik al die jaren had gehoord
over een alomtegenwoordig, almachtig en alwetend wezen boven
ons). Wat het glazen plafond tussen mij en de oneindigheid deed ontploffen,
was het idee dat er naar alle kanten een ontelbaar aantal verschillende
graden van bewustzijn in de natuur was. Net zoals het menselijke bewustzijn
ver uitgaat boven dat van een amoebe, zo zijn er wezens van wie het
bewustzijn het onze verre te boven gaat, in elke mate en gradatie die
maar mogelijk is. En toen begreep ik het: er zijn geen gapende kloven
in het heelal, geen afgronden tussen het goddelijke en de mensheid,
en er is in ruimte en tijd geen absoluut einde.
Iedere plek in de ruimte, ieder aspect van ieder bestaansgebied (grof
of fijn) is een evoluerend aspect van goddelijk bewustzijn dat is verbonden
in een grootse levende keten van zijn. Toen ik dit begreep, vond ik
verbinding met de voorwaartse bewegingsrichting van alle dingen: niet
alleen groeit ieder aspect van de natuur en gaat het in ontwikkeling
vooruit, maar de natuur zelf evolueert, de aarde evolueert, het universum
evolueert. Mijn oude statische beeld van een enorme alleswetende god
viel uiteen in miljarden stukjes – of misschien kan ik beter zeggen,
mijn godsbeeld werd met nieuw leven bezield. In plaats van omringd te
zijn door dingen, was ik omringd door ademende en groeiende
wezens – godheden – en samen waren we op weg op
het pad van het universele leven. Het goddelijke werd de basis van het
zijn, niet een veraf, gefixeerd ideaalbeeld dat alleen via een lange
reis was te bereiken.
In mijn geest pasten de cyclussen van karma en reïncarnatie plotseling
vloeiend in de wielen en raderen van dit eeuwige leerproces. Onvolmaaktheden
en mislukkingen werden nu omschreven als onafgemaakte zaken en tijdelijke
gevolgen – niet als een complot van een duivel of een liefdeloze
God. En fouten? Ze zijn een noodzakelijk deel van de leercurve van het
bewustzijn. De lege ruimte die tussen mij en God had bestaan werd plotseling
gevuld met heelallen van tussenliggende bewustzijnen, en onmiddellijk
voelde ik mij zowel verder van het goddelijke af als er dichterbij:
dichterbij omdat er geen plaats is om heen te gaan, en verderaf omdat
ik die ervaring en dat inzicht niet iedere seconde kan vasthouden. En
dus is het goddelijk pad voor mij een rondcirkelen rondom zijn en worden.
. . .
Het gebrek aan waarheid in ons leven leidt tot werkelijk lijden, maar
dat komt niet door een gebrek aan informatie – want als we een
willekeurige groep mensen zouden vragen een lijst te maken van geestelijke
deugden, zouden ze er geen moeite mee hebben om een hele waslijst daarvan
op te stellen. Het is alsof ons pad is verduisterd, alsof we de wegwijzer
naar de heelheid van onze ervaring hebben verloren. Maar als we die
als individu zijn kwijtgeraakt, heeft de wereld als geheel deze toch
voor ons bewaard. Mythologieën en religies van over de hele wereld
hebben een verhaal voor ons bewaard dat op hoofdpunten zo gelijkluidend
is dat het wel op een gemeenschappelijke werkelijkheid moet wijzen,
en dit kan onze gids worden. Er wordt steeds weer verteld hoe het goddelijke
een deel van zijn eigen natuur geeft om het heelal te worden of voort
te brengen. Deze tradities onthullen hoe het universele het bijzondere
wordt, hoe onsterfelijkheid sterfelijkheid voortbrengt, of hoe het Ene
het vele wordt.
Zoals de kleuren van het spectrum onzichtbaar zijn totdat ze door een
prisma worden gescheiden, evenzo blijft onze innerlijke natuur onzichtbaar
totdat zij wordt gedifferentieerd door zelfbewuste bespiegeling. Wij
zijn meerdimensionale wezens in een voortdurende staat van wording en
we worden daarbij onophoudelijk gevoed door onze goddelijke natuur.
Maar zoals ons aardse lichaam de temperatuur van een vulkanische uitbarsting
niet kan verdragen, zo is onze psyche of ziel niet bestand tegen de
enorme kracht van zuivere geest zonder de beschermende lagen die tussen
haar en die kracht instaan. Deze lagen van bewustzijn zijn zelf rijken
of werelden van zijn waar iedere eeuwigheidspelgrim op zijn evolutiereis
doorheen moet gaan om deze in zijn eigen wezen te verwerkelijken. Ieder
aspect in de volgende opsomming vertegenwoordigt een beginsel van onze
natuur en ook van de zielen, werelden en voertuigen in de ons omringende
natuur.
Het goddelijke: de universele gemeenschappelijke schakel
met het onkenbare mysterie, met de innerlijke en uiterlijke kosmos,
‘ik ben’.
Geest: het voertuig voor rechtstreekse goddelijke gewaarwording,
niet-rationeel, intuïtief, de zetel van onvoorwaardelijke liefde.
Denkvermogen: de denker, rationeel denken, zelfbewust nadenken,
het ego, ‘ik ben ik’.
Verlangen: aspiratie, gehechtheid, irrationeel, kleurloos,
motivatie.
Vitaliteit: levenskracht, de adem van de geest op alle niveaus
tot uitdrukking gebracht, de stralende kracht van het goddelijke.
Het astrale: model, blauwdruk.
Het fysieke: stoffelijk, exclusief.
Deze ‘landkaart’ van de menselijke natuur is een van de
syntheses die men in de grote tradities van de wereld kan vinden. Zij
schetst, heel in het algemeen, stadia van geest tot stof die alle wezens
in potentie in zich hebben. We kunnen haar gebruiken om ons te oriënteren,
om te kiezen waar we het brandpunt van ons bewustzijn op willen richten.
Zij is even onzichtbaar maar even effectief als lengte- en breedtegraden:
in één opzicht bestaan ze niet werkelijk, maar toch voorzien
ze ons van een heleboel nuttige informatie als we precies willen bepalen
waar we ons bevinden. Spirituele evolutie gaat over het verwerkelijken
en het zuiveren van ieder van deze rijken opdat ze transparant worden
voor de goddelijke geest. We kunnen ons dit schema voorstellen als een
soort schets van onze geestelijke reis, of als slechts één
octaaf ervan. In een oneindig heelal kunnen we ons indenken dat er een
oneindig aantal octaven erboven en daaronder bestaan, ingebed, genesteld,
en opgevouwen, maar zonder enige werkelijke grenzen. Ieder beginsel
is zelf praktisch oneindig, met een enorme variatie.
De opsomming van onze zevenvoudige natuur kan ook door cirkels worden
gesymboliseerd, zolang we maar in gedachte houden dat we op geen enkele
manier proberen de oneindigheid te omvatten. Het goddelijke kan door
zowel de buitenste als de binnenste cirkel worden aangeduid, en het
hangt ervan af of we de binnenste cirkel als het meest fysieke, nauwe
en beperkte gebied beschouwen, of ons deze voorstellen als het meest
goddelijke, waaruit stromen van inspiratie voortvloeien die alle andere
gebieden van ons wezen van leven voorzien. In dat geval kunnen we dit
centrum beschouwen als het licht van het bewuste gewaarzijn dat zich
uitbreidt en weer samentrekt. Of we kunnen het geheel als een zaad beschouwen
dat op ieder gebied meer en nieuwe zaden voortbrengt.
Bij het bestuderen van zulke werkingen zijn alle aspecten van ons denken
betrokken. H.P. Blavatsky zei eens dat de theosofie is voor ‘mensen
die kunnen denken, of voor mensen die zichzelf ertoe kunnen aanzetten
om na te denken’, maar ze waarschuwde ons ook om niet te hard
van stapel te lopen en het denken en de intuïtie op een gedisciplineerde
en geleidelijke manier te ontwikkelen. Als we het pad van de jñanayogi
volgen, en het goddelijke door wijsheid en kennis aan ons wordt onthuld,
betreden we een oud pad van kennis dat van de goden, wijzen en mysteriescholen
tot in het heden loopt. Zulke studies leiden tot een verfijning van
onze innerlijke natuur op een manier die door gewone studie niet kan
worden bereikt.
En het wonderlijke ervan is dat waarheid zichzelf voortdurend ontsluiert.
Als we ernaar hunkeren, moeten we onze waarnemingen verscherpen, beter
luisteren, dieper kijken. Soms is wat we verborgen of geheim noemen
meer het gevolg van onze eigen tekortkomingen dan van een opzettelijke
actie om het te verbergen. Luister naar het volgende verhaal, één
van mijn lievelingsverhalen, van een onbekende auteur: Langgeleden toen
de telegraaf het snelste communicatiemiddel voor de lange afstand was,
solliciteerde een jongen naar een baan als morse-telegrafist. Hij reageerde
op een advertentie en ging een groot, druk kantoor met een hoop herrie
en gekletter binnen, waaronder op de achtergrond het geluid van de telegraaf.
Op de balie van de receptie stond een bord dat aangaf dat sollicitanten
een formulier moesten invullen en moesten wachten tot ze werden opgeroepen
om binnen te komen. De jongeman vulde zijn formulier in en ging bij
de andere sollicitanten in de wachtkamer zitten. Een paar minuten later
stond hij op, liep naar de deur van het kantoortje aan de andere kant
van de wachtruimte en ging naar binnen. Natuurlijk veerden de andere
sollicitanten toen op en vroegen zich af wat er gaande was. Ze begonnen
onder elkaar te mopperen en namen aan dat de jongeman zich vergiste
en zou worden afgewezen. Binnen een paar minuten kwam de werkgever met
de jongeman het kantoor uit en zei: ‘Heren, dank u dat u vanmorgen
hierheen bent gekomen, maar de vacature is vervuld. De hele tijd dat
jullie hier zaten, tikte de telegraaf het volgende bericht in morse:
‘Als u dit bericht verstaat, kom dan gelijk naar binnen. U krijgt
de baan.’ Niemand van u heeft het gehoord of begrepen, behalve
deze jongeman. Hij krijgt de baan.’ Het verhaal doet ons denken
aan iets wat R.D. Laing eens zei: ‘Het bereik van wat we denken
en doen is beperkt door wat we nalaten op te merken. En omdat we dat
wat we niet opmerken niet opmerken, is er weinig wat we kunnen doen
om te veranderen tot we gaan merken hoezeer onze gedachten en daden
worden gevormd doordat we bepaalde dingen niet opmerken.’
Het is aan ieder van ons om dat te ontdekken en dan dat deel van het
goddelijk pad te volgen dat we onbelemmerd in ons kunnen opnemen. Spirituele
groei betreft het verruimen van ons bewustzijn, en schema’s zoals
dat van de zeven beginselen kunnen ons daarbij helpen. Het gevaar is
echter dat we ons in het begin wel realiseren dat een schema niet de
werkelijkheid zelf is, maar dat vervolgens vergeten. We weten allemaal
dat als we een stadsplattegrond moeten gebruiken om bij een feestje
te komen, dat feestje niet plaatsvindt op de plattegrond. Maar als we
de heilige geschriften gebruiken als hulpmiddel om het goddelijke te
bereiken, vervagen de grenzen. De grote boodschappers van de mensheid
maakten er geen aanspraak op de uiteindelijke godheid te zijn,
maar wezen altijd naar verderop, en het is onze taak de wijzende vinger
niet te verwarren met de maan, of de kaart met het feestje. Telkens
wanneer iemand naar zijn of haar leraar verwijst om te bewijzen dat
iets waar is, of met een of ander heilig geschrift voor mijn neus wappert
om de waarheid van iets aan te tonen, zie ik dat de kaart die naar de
schat moet leiden wordt verward met de schat zelf. Maar het uitwisselen
van onze plattegronden betekent in de richting van de waarheid wijzen,
en betreft niet het definiëren van de waarheid.
Het doel van H.P. Blavatsky was om aan te tonen dat er orde is in het
universum, en om ons te helpen onze rechtmatige plaats daarin te vinden.
Om dit te bereiken moeten we meer vertrouwen op onze eigen geestelijke
intuïtie, onze heimelijke zielenroerselen, en we moeten dan ontdekken
dat het onze plicht is om het goddelijk pad te gaan – waarheen
dit ons ook voert. Heilige geschriften zijn voor ons in deze tijd even
actueel als duizenden jaren geleden, omdat we ieder individueel dezelfde
zijwegen volgen en dezelfde processen doorlopen als degenen die ze voor
het eerst hebben opgeschreven. Het is een voorrecht en een eer om hen
in hun voetstappen te volgen.