Hoe edeler een ziel, des te meer objecten van mededogen.
– Francis Bacon
Voor de mens maakt het heel veel uit wat voor beeld
hij heeft van zichzelf en van de wereld om hem heen, want hoe we handelen
hangt rechtstreeks samen met onze gedachten daarover.
Veel mensen beperken het blikveld van hun denken tot alleen de fysieke
wereld die door fysieke instrumenten kan worden bestudeerd. Deze denkwijze
betekent dat de mens wordt gezien als niet méér dan een
waterzak waarin een beperkt aantal scheikundige elementen reageren –
een weinig inspirerende visie. Maar ook de opvatting dat een onveranderlijke
toestand van gelukzaligheid het hoogste heil zou zijn, is nogal beperkt.
Dit soort statische onsterfelijkheid betekent een eindpunt waarin geen
verdere groei of ontwikkeling mogelijk is.
De oude wijsheid geeft een heel ander beeld van de werkelijkheid. In
De Stem van de Stilte zegt H.P. Blavatsky: ‘Het denken
is de vernietiger van het werkelijke. Laat de discipel de vernietiger
vernietigen’ (blz.1). In de beschrijving van het ontstaan van
de kosmos en van de mens in haar Geheime Leer wordt voortdurend
verwezen naar het werkelijke als een diepere achtergrond van onze fysieke
wereld. Een van de kerngedachten die naar voren worden gebracht is de
fundamentele eenheid van alle bestaan. In de uiterlijke wereld lijkt
alles gescheiden; op innerlijke gebieden is er een verbondenheid van
alles. Door ons meer te verbinden met de diepste kern van ons die het
denken overstijgt, voelen we intuïtief meer aan van die krachten
van mededogen die het heelal bijeenhouden.
Onlangs ontmoette ik tijdens een wandeling een verstandelijk gehandicapte
en zijn begeleider die op een bankje langs het wandelpad zaten. Ik was
ze nooit eerder tegengekomen. De jongen stak spontaan zijn hand naar
mij uit als begroeting. Toen ik hem de hand schudde, pakte hij met zijn
andere hand mijn pols en leidde mijn hand naar die van zijn begeleider
om ook zijn hand te schudden. Zonder woorden werd een verbondenheid
bezegeld, en een klein stukje eenheid ervaren. Verstandelijk gehandicapten
zijn niet geestelijk gehandicapt, en door dit kleine voorval
kreeg ik het gevoel dat veel mensen door hun denken maar al te vaak
scheidsmuren tussen elkaar zien, die echter illusies zijn.
Tegenover de gedachte van afgescheidenheid staat het idee van verbondenheid.
In een oefening in het Tibetaanse boeddhisme om ons gevoel van mededogen
tegenover andere wezens te laten groeien, wordt aangeraden om voor elk
levend wezen de liefde te voelen zoals die van een moeder voor haar
kind. Daarbij wordt als reden opgegeven dat in de oneindig lange cyclus
van wedergeboorten ieder wezen ooit onze moeder is geweest en ons liefde
heeft geschonken en dat we aan die liefde zouden moeten denken en de
wens dienen te hebben om die ook terug te schenken.1
Op het eerste gezicht lijkt deze gedachte misschien wat overdreven,
maar hoe nauw zijn wij mensen onderling verbonden, met hoeveel wezens
hebben wij banden? Eenvoudige wiskunde kan ons hierbij misschien een
beetje helpen. Laten we ons fysieke lichaam beschouwen. Dat heeft banden
met twee ouders, die ieder op hun beurt twee ouders hebben, en over
drie generaties hebben we banden met acht overgrootouders. Over tien
generaties is dit aantal al 1024, en over twintig generaties al meer
dan een miljoen. Gaan we dertig generaties terug dan is het aantal voorouders
in onze fysieke afstammingslijn ruim een miljard. Als we uitgaan van
25 jaar gemiddeld per generatie, dan betreft dit een periode van 750
jaar. Als we nog verder teruggaan in de tijd zou voor ieder mens in
minder dan duizend jaar dus gemakkelijk een aantal voorouders kunnen
worden geteld dat de hele wereldbevolking van mensen omvat. Dit wijst
op een veel grotere mate van verbondenheid dan we ons misschien hebben
gerealiseerd.
Onze zevenvoudige samenstelling is ook een voorbeeld van mededogen,
omdat deze aangeeft dat er in de mens hogere lagen zijn dan die van
het denken, en dat de mens veel lijden voor zichzelf en anderen kan
vermijden door zijn denken meer te richten op de universele essentie
in hem of haar dan op het nastreven van genot of bezit voor zichzelf
alleen. Het vijfde beginsel in onze zevenvoudige indeling – het
denkvermogen – heeft te maken met het ik-bewustzijn, terwijl het
zesde beginsel, buddhi, het orgaan van geestelijk bewustzijn is. Buddhi
geeft ons een intuïtief besef van onze eenheid en verbondenheid;
in dit beginsel wortelt ons mededogen en ons gevoel voor harmonie. De
Geheime Leer geeft een beschrijving van de wetten van de natuur,
en in verband daarmee zegt G. de Purucker dat
de natuur uiterst rechtvaardig is in al haar regels
en werkingen, omdat ze volstrekt meedogend is. Vergeet niet dat mededogen
wetmatigheid en harmonie betekent, de ordelijke werkingen van oorzaken
en gevolgen. De kern van het wezen van de natuur is mededogen.
– Aspecten van de Occulte Filosofie, blz. 652
Hij verwijst hier naar karma, het denkbeeld dat alle oorzaken hun natuurlijke
gevolgen hebben. Karma is niet iets buiten ons: we zijn nu wat we zijn
omdat we zelf de daarvoor essentiële oorzaken hebben gelegd. Soms
lijden we doordat we de gevolgen ondergaan van vroeger disharmonisch
handelen, en als we karma bestuderen, begrijpen we misschien beter waarom
de dingen ons overkomen. Als we gaan inzien dat karma een sleutel is
tot groei, dan kunnen we meer bewust aan onze toekomst werken. Helaas
zijn er veel mensen die van deze leer van hoop een van buiten komend
noodlot hebben gemaakt, waardoor ze geneigd raken tot passiviteit in
plaats van hun verantwoordelijkheid zelf op zich te nemen.
Een gedachte die hiermee rechtstreeks verband houdt is dat de mens
een vrije wil heeft. Wij kunnen keuzen maken. Alles in het heelal is
voortdurend in beweging. Wij veranderen voortdurend omdat we een energiestroom
zijn, een bewustzijnsstroom. Onze keuzevrijheid hangt op haar beurt
direct samen met onze eigen verantwoordelijk. We maken in het leven
keuzen, en ondergaan de gevolgen daarvan, en leren.
De verbondenheid van alle wezens wordt in De Geheime Leer
(1:632) tot uitdrukking gebracht in de hiërarchie van mededogen,
die G. de Purucker samenvat in een negen niveaus2:
1) adi-buddhi, of de kosmische essentie van goddelijke intelligentie;
2) mahabuddhi, mahat (universeel denkvermogen), of de eerste logos;
3) universeel licht en leven, of de tweede logos, in het Sanskriet daiviprakriti,
‘goddelijke stof’ genoemd; 4) de zonen van licht, logoi
van het leven, of de derde logos; 5) de dhyani- of hemelse boeddha’s;
6) de hemelse bodhisattva’s; 7) de bovenaardse of bovenmenselijke
bodhisattva’s; 8) de manushya- of menselijke boeddha’s;
en 9) mensen. Deze hiërarchie betreft de bewustzijnskant van de
opbouw van ons zonnestelsel, soms de architecten genoemd in tegenstelling
tot de bouwers of de zonne-hiërarchie van de stofkant. Hoewel de
hier gebruikte termen overwegend aan de boeddhistische traditie zijn
ontleend, zijn er parallellen in andere culturen. De Grieken, bijvoorbeeld,
noemden de hiërarchie van mededogen de Gouden Keten van Hermes,
en beschreven de manifestatie als een reeks logoi of goddelijke
‘woorden’.
Een bodhisattva (‘hij van wie de aard in essentie hemelse wijsheid
of bodhi is’) is een geestelijk ontwaakt mens, in wie het denkvermogen
volledig is ontwikkeld en wordt beschenen door zijn goddelijk-geestelijke
natuur. In plaats van zijn beloning in het nirvana van een lagere graad
te aanvaarden, blijft hij op aarde uit mededogen met de belichaamde
wezens en wordt een nirmanakaya, dat wil zeggen een volledig mens met
uitzondering van het astrale en fysieke lichaam. Om hun medemensen te
helpen brengen de nirmanakaya’s voortdurend offers, waarbij ze
vanuit een hoger gebied omlaag reiken naar het onze dat voor hen een
gebied van duisternis is, een soort onderwereld. Zij hebben zich vroeger
door eigen inspanningen aan de aantrekkingen van dat soort gebieden
ontworsteld, maar kunnen vrijwillig incarneren in sterfelijke lichamen
om de mensheid bij zijn ontwikkeling te helpen. Dat er verschillen zijn
in de manier waarop termen zoals boeddha en bodhisattva in de theosofie
en in sommige scholen van het boeddhisme worden gebruikt, komt duidelijk
tot uiting in De Stem van de Stilte:
De titel ‘boeddha’s van mededogen’
wordt door het volk met eenzelfde eerbied gegeven aan bodhisattva’s
die nadat ze de rang van arhat hebben verworven . . . weigeren nirvana
in te gaan . . . en naar de andere oever over te steken’, omdat
het dan niet meer in hun macht zou liggen de mensen zelfs maar een
klein beetje te helpen, voorzover karma dat toelaat. Ze blijven liever
onzichtbaar (in de geest, om zo te zeggen) in de wereld om een bijdrage
te leveren aan de verlossing van de mensen door hun aan te sporen
de goede wet te volgen, dat wil zeggen, hen naar het pad van rechtvaardigheid
te leiden. Het behoort tot het exoterische noordelijke boeddhisme,
al zulke grote figuren als heiligen te vereren en zelfs gebeden tot
hen te richten, zoals de Grieken en de katholieken die richten tot
hun heiligen en schutspatronen; deze gedragslijn vindt in de esoterische
leringen echter geen steun. – blz. 97, noot
34
In dit overzicht van de hiërarchie van mededogen staat de mens
helemaal onderaan. De leringen in de Geheime Leer zijn hulpmiddelen
voor de mens om zijn bewustzijn te verruimen; men zou ze kunnen beschouwen
als trampoline’s met behulp waarvan we iets hoger kunnen zien
dan de beperkte wereld waarmee we ons gewoonlijk bezighouden. Dat het
omhoogreiken door ons soms met veel moeite gepaard gaat dat weten we.
Maar het is interessant dat dit ook geldt voor de dhyan-chohans die
omlaag willen reiken naar het stoffelijke gebied waar wij mensen opereren.
Een algemene benaming voor deze wezens is kumara’s, van het Sanskriet
ku, ‘met moeite’, en mara, ‘sterfelijk’.
Met andere woorden de kumara’s moeten zich inspannen en een offer
brengen om ons stoffelijke gebied te bereiken, opdat ze ons kunnen helpen.
Evenzo moeten wij een offer brengen om ons te verheffen en het beperkte,
sterfelijke deel van ons niet langer het brandpunt van onze aandacht
te laten zijn.
In de hindoeliteratuur vinden we tal van namen om geestelijk-intellectuele
wezens mee aan te duiden die een rol spelen in de hiërarchie van
mededogen. Termen als kumara’s, asura’s, manasaputra’s,
agnishvatta’s, rudra’s, daitya’s en maruts hebben
elk hun eigen betekenisnuance. Over de maruts, geestelijke helpers in
de RigVeda, zegt De Geheime Leer:
Het Vayu Purana zegt en de Harivansa
bevestigt dat de maruts – de oudste en onbegrijpelijkste van
alle secundaire of lagere goden in de RigVeda – in
elk manvantara (ronde) zeven keer zeven (of 49 keer)
worden geboren; dat zij in elk manvantara, vier keer
zeven (of achtentwintig keer) tot bevrijding komen, maar dat
hun plaatsen worden ingenomen door personen die in dat karakter
worden herboren.’ Wat zijn de maruts in hun esoterische
betekenis en wie zijn die personen ‘die in dat karakter
worden geboren’? In de RigVeda en in andere Veda’s
worden de maruts voorgesteld als de stormgoden en de vrienden
en bondgenoten van Indra; ze zijn de ‘zonen van hemel en
aarde’. . . . In de RigVeda is de naam Siva onbekend,
maar wordt de god Rudra genoemd, wat een woord is dat voor Agni
de vuurgod, wordt gebruikt, terwijl de maruts daarin zijn zonen worden
genoemd. – 2:698
Als wordt gezegd dat de maruts in elk manvantara zeven keer zeven (of
49 keer) worden geboren, lijken ze een rol te vervullen die vergelijkbaar
is met die van de dhyani-boeddha’s, dhyani-bodhisattva’s
en bovenmenselijke of bovenaardse bodhisattva’s. Als we de RigVeda
erop naslaan, vinden we dat de maruts worden omschreven als ‘uit
zichzelf verlicht’ (1:37:2) en als ‘zichtbare helpers in
deze tijd van moeilijkheden’ (5:87:6). We lezen ook: ‘Ze
beschermen alle mensen uit eigen beweging’ (5:52:2), ‘komen
als oude vrienden’ (5:54:16); en ‘hebben hemel en aarde
doen groeien en uitbreiden: ze verheugen zich in offers’ (1:85:1).
De exoterische interpretatie is dat de maruts als stormgoden zich verheugen
als mensen offers aan hen brengen. Maar zou het niet kunnen betekenen
dat ze zich verheugen om zelf het offer te kunnen brengen om
de mensen te helpen en daartoe een lichaam aan te nemen? Het volgende
vers (6:66:4) lijkt dit te bevestigen: ‘Ze schrikken niet terug
voor de geboorte . . . Wanneer ze tevoorschijn zijn gestroomd, schitterend,
naar eigen verkiezing, besprenkelen ze hun lichamen met hun eigen glans.’
De hele hiërarchie van mededogen heeft uiteindelijk als doel om
in de woorden van G. de Purucker ‘het vergankelijke te verheffen
tot het onvergankelijke, het onvolmaakte tot het volmaakte, het sterfelijke
tot onsterfelijkheid, of met andere woorden de persoonlijke mens te
verheffen om de individuele mens te worden, om van de mens een god te
maken’ (Beginselen van de Esoterische Filosofie, blz.
297); De Geheime Leer heeft hetzelfde doel. Grace Knoche zei
het als volgt: ‘Laten we opnieuw moet vatten, vol vertrouwen dat
Zij die achter de schermen werken hun taak altijd vervullen.’
En laten ook wij ons inspannen om aan het genoemde doel te werken zodat
mededogen in de wereld als kracht kan groeien.
Noten
- Zie Pabongka Rinpoche, Liberation in the Palm
of your Hand, (1991), blz. 566, 609.
- G. de Purucker, Beginselen van de Esoterische
Filosofie, blz. 296, zie ook de Encyclopedic Theosophical
Glossary (online op www.theosociety.org).