Meditatie over universele broederschap
Bas Rijken van Olst

 

Wat wordt er met meditatie bedoeld? Een algemene definitie van meditatie zou zijn: een gerichte concentratie op en aanhoudende aandacht voor een bepaald onderwerp. Voor iedere vorm van meditatie in de theosofie wordt altruïsme als begeleidende voorwaarde aanbevolen. Als we onze aandacht richten met als intense motivatie om onze medemensen te willen helpen, schakelen we in ons bewustzijn al automatisch naar een niveau dat een bereik heeft dat verdergaat dan het persoonlijke ego. Het motief en het doel en het middel zijn dan één.

Een aspect van universele broederschap is dat het een natuurfeit is. We zijn allemaal met elkaar verbonden; toch handelen we niet altijd op een broederlijke manier. In De Sleutel tot de Theosofie zegt Blavatsky:

Als het handelen van de een inwerkt op het leven van allen, en dat is inderdaad een wetenschappelijke gedachte, dan kan de werkelijke menselijke solidariteit, die de grondslag vormt van de verheffing van de mensheid, alleen worden bereikt doordat alle mannen, broeders, en alle vrouwen, zusters worden, en allen in hun dagelijks leven ware broeder- en zusterliefde in praktijk brengen. – blz. 218

Als we beter beseften dat we één zijn, zouden we veel meer handelen in overeenstemming met deze universele broederschap. Elk handelen is òf voor ons beperkte, persoonlijke zelf, òf voor het grotere geheel. Door de horizon van het persoonlijke zelf te verruimen, kunnen we innerlijk groeien en de beperkingen van ons kleine zelf overwinnen? Op deze manier betreden we een ruimer bewustzijn. Het werken voor het grotere geheel betekent automatisch dat we de eerste pāramitā, ‘geven’ (dāna), zullen beoefenen. De pāramitā’s vormen een essentieel onderdeel van de training van de mahāyāna-boeddhisten; in haar Stem van de Stilte beveelt Blavatsky het beoefenen ervan aan om zo beter in staat te zijn onze medemensen te helpen.

Door het beoefenen van dāna, ‘geven’ we onze energie aan dat grotere geheel dat ons dan voor ogen staat. Dit grotere geheel kunnen we geleidelijk uitbreiden. Onze familieleden kunnen ertoe behoren; de mensen in onze straat; iedereen die we ontmoeten op ons werk of bij het boodschappen doen; alle mensen waarmee we te maken krijgen. We werken dan volgens de gedachte dat de andere mensen of andere wezens facetten zijn van dat grotere geheel waar wij deel van uitmaken en waar we om geven.

Het klinkt misschien alsof dit allemaal heel gemakkelijk is, maar in de dagelijkse praktijk hebben we zoveel gewoonten die tegen deze werkwijze ingaan dat we soms niet weten waar we moeten beginnen. We willen wel veranderen, maar vervallen vaak toch weer in dezelfde fout. Soms worden we bijvoorbeeld ten onrechte van iets beschuldigd. Het is vooral erg als dit door een vriend of familielid gebeurt. Om dan rustig te blijven kan moeilijk zijn. Soms lukt het ons inderdaad om in ons bewustzijn, in onze geest of ziel, kalm te blijven, maar ons lichaam reageert nog wèl volgens een oud en achterhaald patroon. De valse beschuldiging kan dan leiden tot bijvoorbeeld maag- of darmklachten of – als het een langdurig meningsverschil betreft – tot ernstiger lichamelijke kwalen. In al die gevallen moet men natuurlijk een arts raadplegen; maar de werkelijke oorzaken van problemen liggen vaak in het denken.

We kunnen altijd proberen zoveel mogelijk in ons hogere zelf te leven en de ander met liefde te beschouwen, en tegelijkertijd onszelf sterker te maken, zodat de ander ons steeds minder zal kunnen raken. Dit proces werkt van bovenaf. Als we meer harmonisch in onze hogere delen leven zal het lichaam uiteindelijk die harmonie volgen. Soms gebeurt dit pas in een volgend leven. Juist denken en juist handelen leiden tot een gezond lichaam.

Dit hangt nauw samen met de tweede pāramitā, śīla, die wordt omschreven als ‘de sleutel tot harmonie in woord en daad’. In haar toelichting schrijft Blavatsky:

   Angst, discipel, doodt de wil en houdt elke handeling tegen. Als de pelgrim tekortschiet in de deugd śīla, struikelt hij en verwonden karmische kiezelstenen zijn voeten op het rotspad.    – De Stem van de Stilte, blz. 51

Karma en rechtvaardigheid zijn nauw met elkaar verbonden. Nils Amnéus spreekt in Het Levensraadsel heel indringend over karma:

Ieder die zelfzuchtig handelt in de hoop daar beter van te worden, bewijst met zijn daad dat hij niet in de wet van oorzaak en gevolg gelooft. Hij kan er lippendienst aan bewijzen maar met zijn daad zegt hij eigenlijk: ‘Ik weet zeker dat ik niet zal hoeven te lijden onder de kwalijke gevolgen van mijn daad. Er is misschien helemaal geen gevolg en als dat wel het geval is kan ik het ontlopen.’    – blz. 231

Als een ander ten onrechte beschuldigingen tegen ons uit, zijn daarvoor natuurlijk oorzaken. Vaak spelen angst en onwetendheid hierbij een rol. De ander denkt misschien dat we hem of haar niet voldoende waarderen of zijn inspanningen onderwaarderen. Op den duur zal de verbindende kracht van liefde elke spanning oplossen. In bijna alle gevallen is daarmee enige tijd gemoeid; soms kan pas in een volgend leven de harmonie worden hersteld. Maar het is aan ons om waar we dat kunnen in dit leven, liefst vandaag nog, alles eraan te doen om harmonie te bereiken of te herstellen. We zien hier dat een andere pāramitā, ‘geduld’ (kshānti), daarbij van groot nut kan zijn. Omdat de gevolgen van onze handelingen soms pas in een volgend leven tot uitdrukking komen is het belangrijk om bij wat we nu doen reeds een langetermijnvisie te ontwikkelen.

Dāmodar Māvalankar heeft in een drietal artikelen getiteld ‘Contemplatie’ in The Theosophist van 1884 aandacht gevraagd voor veel misverstanden die er over meditatie en contemplatie bestaan. In het onderstaande citaat sluit hij aan bij de gedachte dat iedere mens al zijn levensatomen ongeveer elke zeven jaar vernieuwt. Voor de atomen van ons fysieke lichaam is dit feit door de wetenschap bevestigd; de oude wijsheid doelt echter op levensatomen van de mens op alle gebieden: van het stoffelijke tot aan het geestelijke. Dit betekent dat de mens de kans heeft om zichzelf geleidelijk te vernieuwen door aan zijn levensatomen een krachtige positieve impuls te geven, waardoor in feite een nieuwe mens ontstaat. Dāmodar schrijft:

Is het streven van de aspirant naar yogavidyā [kennis van yoga] niet gericht op het bereiken van mukti [bevrijding] door zichzelf geleidelijk te verplaatsen van het grovere naar het aangrenzende meer etherische lichaam, tot alle sluiers van māyā [of illusie] achtereenvolgens zijn verwijderd en zijn ātma [essentiële zelf] één wordt met paramātma [universele zelf]? Denkt hij dat dit grootse resultaat door twee of vier uur contemplatie kan worden bereikt? Wordt gedurende de resterende twintig of vierentwintig uur dat de toegewijde zich niet opsluit in zijn kamer om te mediteren, dit proces van het uitzenden van atomen en hun vervanging stopgezet? Zo niet, hoe is hij dan van plan ze de hele tijd aan te trekken? Uit bovengenoemde opmerkingen wordt duidelijk dat zoals het fysieke lichaam onophoudelijk de aandacht vraagt om het binnendringen van ziekte te voorkomen, de innerlijke mens evenzo voortdurend moet worden bewaakt, zodat geen bewuste of onbewuste gedachte atomen kan aantrekken die ongunstig zijn voor zijn vooruitgang. Dit is de werkelijke betekenis van contemplatie. De belangrijkste factor bij het richten van het denken is WIL.
   . . . Zonder dat is al het andere nutteloos. En, om doeltreffend te zijn, moet het niet alleen een voorbijgaand besluit van het moment zijn, één enkel hevig verlangen van korte duur, maar een onwrikbaar en aanhoudend streven, zo ononderbroken en geconcentreerd mogelijk zonder één enkel moment te verslappen.
  – Dāmodar and the Pioneers of the Theosophical Movement, blz. 391

Dit citaat geeft aan hoezeer de training om zijn medemens beter te kunnen dienen kan worden geïntensiveerd. Als we anderen willen helpen, zijn we er niet bij gebaat als ons persoonlijke ego bij het minste uit het lood is geslagen. Als we snel verdrietig, bang of beledigd zijn, dan komt dit altijd door ons kleine ego. Door te denken aan ons hogere zelf, of aan de belangen en noden van anderen, kunnen we ons onmiddellijk hieruit verheffen. De pāramitā, ‘gelijkmoedigheid’ (virāga), speelt dus een belangrijke rol om ons kleine persoonlijke lichtgeraakte ego te verheffen naar een niveau van ‘gelijkmoedigheid ten opzichte van genot en leed’, en van het ‘overwinnen van de illusie’, zoals het in De Stem van de Stilte (blz. 46.) wordt beschreven.

Hoe logisch de volgorde van de pāramitā’s geordend zijn, blijkt wel als we de volgende van de lijst bekijken: ‘vīrya, de onverschrokken kracht die zich uit het slijk van aardse leugens al strijdend een weg baant naar de hoogste WAARHEID’. Abstract gesproken, maar ook in feite, is de hoogste waarheid dat wij allen met elkaar zijn verbonden. Deze pāramitā legt de nadruk erop dat we met heel ons wezen een inspanning leveren om de illusies te doorbreken: de illusie dat wij mensen afgescheiden van elkaar zijn; de illusie dat wij ons lichaam zijn; de illusie dat een deel van ons onsterfelijk is in de zin dat het nooit verandert.

Je zou ook kunnen zeggen dat deze pāramitā een innerlijke ommekeer aanbeveelt waarbij we ons denken niet langer richten op persoonlijke begeerten (onze menselijke-dierlijke ziel) maar op het in praktijk brengen van die dingen waarvan we instinctief en intuïtief beseffen dat ze tot ons betere deel horen. Deze ommekeer vindt plaats in ons denken, in ons bewustzijn. De wereld kon getuige zijn van een succesvol voorbeeld van zo’n ommekeer in Zuid-Afrika. In een televisie-interview zei Nelson Mandela dat iedereen om de noodzakelijke verandering tot stand te brengen zich boven zijn emoties moest verheffen en luisteren naar het gezonde verstand. Dat was de enige manier om een nieuw begin te maken en de geweldsspiraal te doorbreken.

In de inleiding van zijn Engelse vertaling van De Lankāvatāra Sūtra spreekt D.T. Suzuki eveneens over een ommekeer. Hij heeft het over

een belangrijke psychologische gebeurtenis die in de Lankā en andere mahāyāna-geschriften bekend staat als parāvritti. Parāvritti betekent letterlijk het ‘omhoogkeren’ of ‘terugkeren’ of een ‘verandering’; technisch gesproken is het een geestelijke verandering of transformatie die, vooral plotseling, in het denkvermogen plaatsvindt, en die ik ‘ommekeer’ heb genoemd.
   . . . Deze parāvritti vindt volgens de Lankā plaats in het ālaya-vijñāna of alles-bewarende-denkvermogen, dat achter ons individuele empirische bewustzijn zou bestaan. De ālaya is een metafysische entiteit, en geen psychologische analyse kan deze bereiken. Wat we gewoonlijk kennen van ālaya is de werking ervan door een relatief denkvermogen. Het mahāyāna noemt dit aspect van ālaya besmet of bezoedeld (klishṭa) en zegt ons dat we hiervan gezuiverd moeten worden om een parāvritti te ervaren om de uiteindelijke werkelijkheid te bereiken.
      – The Lankavatāra Sūtra, blz. xvii

Met andere woorden, hij spreekt over een ommekeer in ons bewustzijn van ons kleine en beperkte ‘relatieve denkvermogen’ naar een ‘alles-bewarend-denkvermogen’ dat geen door onze zintuigen of denken veroorzaakte beperkingen kent.

Het is misschien interessant om te vermelden dat sporen van een innerlijke ommekeer naar de diepste bron van ons bewustzijn eveneens in de Griekse oudheid zijn te vinden. De Griekse filosofen Parmenides en Empedocles verwijzen naar een bewustzijnsstaat die ze mētis noemen,

een intense alertheid en vaardige fijngevoeligheid, een bewustzijn van het moment (kairos) waardoor iemand kan vermijden verstrikt te raken in illusies en misleidingen. De methode die Empedocles aanbeveelt is om tegelijkertijd met alle zintuigen elk moment bewust waar te nemen, in plaats van af te dwalen in de mentale droomtoestand die buiten het nu ligt.1

De voorlaatste pāramitā wordt aangeduid met de term dhyāna, wat meditatie per se betekent. In boeddhistische literatuur wordt veel aandacht aan meditatie besteed. In Meditative States in Tibetan Buddhism2 wordt benadrukt dat meditatie twee aspecten heeft: het ontwikkelen van innerlijke kalmte, en het analytisch onderzoeken van een onderwerp of denkbeeld. Het boek noemt zes ‘vermogens’ (powers) die ‘nodig zijn voor meditatie’ (blz. 53-54): het horen, het denken, aandacht, zelfonderzoek, inspanning, volledige bekendheid. Het pad dat het bewustzijn vervolgens bewandelt leidt omhoog, eerst door het begeertenrijk, dan door vier concentraties (lagen) in het gebied van de vormen, en vervolgens door vier niveaus van het vormloze gebied, die worden aangeduid met namen zoals ‘grenzeloze ruimte’ en ‘grenzeloos bewustzijn’. Deze weg beschrijft een terugkeer naar de bron of essentie waaruit ieder mens is voortgekomen. Het boek verwijst ook naar die abstracte gebieden waaruit een heelal in zijn diepste kern is ontstaan. De Geheime Leer beschrijft die weg in omgekeerde volgorde, en volgt het ontstaan van een heelal van de diepste, meest abstracte kiem tot de uiteindelijke en meest grove lagen van ons fysieke zonnestelsel en de wezens die daarin leven.

Door steeds dieper in onszelf te graven, zullen er steeds sluiers worden weggenomen, beperkingen wegvallen, grenzen tussen ons en onze medemensen zullen steeds onwerkelijker worden als we in ons bewustzijn naar het grenzeloze reiken. Universele verbondenheid en broederschap worden werkelijker. Universele broederschap betekent het zich één weten met iedere medemens, met de hele mensheid, met het hele zonnestelsel.

In zijn toelichting op de laatste pāramitā, ‘intuïtieve wijsheid’ (prajñā) spreekt G. de Purucker eveneens over een innerlijke ‘ommekeer’:

Om de ware aard van prajñā te begrijpen en geestelijk aan te voelen is het noodzakelijk de opvatting van ‘deze zijde’ op te geven en met geestelijk begrip over te gaan naar de ‘andere oever’ (pāra), of de andere benaderingswijze van de dingen. Aan ‘deze zijde’ zijn we verwikkeld in een bewustzijnssfeer van verstandelijke analyses en bijzonderheden, die een wereld wordt van gehechtheid en van onderscheid op een lager niveau. Wanneer we deze innerlijke ‘ommekeer’ tot stand brengen, dit verheffen van ons bewustzijn naar de mystieke ‘andere oever’ van het zijn, dan stappen we met min of meer succes een wereld van bovenzinnelijke werkelijkheden binnen van waaruit we de dingen kunnen zien in hun oorspronkelijke en geestelijke eenheid, achter de māyā van de bedrieglijke sluiers van de veelvormigheid; kunnen we doordringen tot de essentiële aard van deze werkelijkheden en ze leren kennen zoals ze werkelijk zijn.
      – Bron van het Occultisme, blz. 53

We zien dus dat de pāramitā’s veel meer zijn dan een abstract rijtje deugden die men maar heeft te volgen. Het zijn vanzelfsprekende en noodzakelijke deugden door middel waarvan we kunnen bijdragen aan universele broederschap. Gedachten over universele broederschap kunnen een innerlijke ommekeer in ons denken teweegbrengen. Een citaat uit Annemarie Schimmel’s Mystical Dimensions of Islam zegt het heel beknopt:

In Turkije wordt het als volgt gezegd:

Sharī‘a [de religieuze wet]: Wat van jou is is van jou, wat van mij is is van mij.
Tarīqa [het mystieke pad]: Wat van jou is is van jou, wat van mij is is ook van jou.
Ma‘rifa [gnosis]: Er is noch een van mij noch een van jou.      – blz. 99

 

Noten:

  1. Zie de boekbespreking van Reality door Peter Kingsley, Sunrise, mei/jun 2005, blz. 73.
  2. Leah Zahler ed., Wisdom Publications, Londen, 1983.

 

 
Andere artikelen over occultisme, meditatie, yoga, gebed, paranormale vermogens
 

Uit het tijdschrift Sunrise sep/okt 2005

© 2005 Theosophical University Press Agency