Over ‘God’
K.H.

 

   [Geschreven door één van H.P. Blavatsky’s leraren in 1881-82 aan A.O. Hume, een Engelsman geïnteresseerd in occulte filosofie. K.H. bespreekt Hume’s vragen over God en levert ook commentaar op een manuscript waarin Hume zich krachtig uitsprak voor het noodzakelijke bestaan van God als een ‘hoogste, almachtig, intelligent wezen’; verkort uit De Mahatma Brieven aan A.P. Sinnett, Brief 10 en 22.    – Red.]

Noch onze filosofie, noch wijzelf geloven in een god en allerminst in een, wiens persoonlijk voornaamwoord met een hoofdletter H moet worden geschreven. Onze filosofie valt onder de definitie van Hobbes. Ze is bij uitstek de wetenschap van gevolgen door hun oorzaken en van oorzaken door hun gevolgen, en omdat het ook de wetenschap is van dingen afgeleid van een eerste beginsel, zoals Bacon het definieert, moeten wij dit beginsel eerst kennen vóór we het aannemen of zelfs de mogelijkheid ervan accepteren. . . . We weten dat er planetaire en andere spirituele levens zijn en wij weten dat er in ons stelsel niet zoiets als God bestaat, persoonlijk of onpersoonlijk. Parabrahm is niet een god, maar absolute, onveranderlijke wet en Īśvara is het gevolg van avidyā en māyā, onwetendheid gebaseerd op de grote begoocheling. Het woord ‘God’ werd uitgevonden om de onbekende oorzaak aan te duiden van die gevolgen die de mens bewonderde of vreesde zonder ze te begrijpen, en omdat wij beweren . . . die oorzaak en oorzaken te kennen, zijn we in staat te verklaren dat er geen God of goden achter staan.

Het godsbegrip is geen aangeboren, maar een aangeleerd idee, . . . Maar terwijl wij aan alle verschijnselen die uit de oneindige en onbegrensde ruimte, duur en beweging, voortkomen, stoffelijke, natuurlijke, waarneembare en bekende (voor ons althans) oorzaken toekennen, kennen de theïsten er spirituele, bovennatuurlijke en onbegrijpelijke en onbekende oorzaken aan toe. De God van de theologen is eenvoudig een denkbeeldige macht . . . Ons hoofddoel is de mensheid van deze nachtmerrie te verlossen, de mens het goede te leren ter wille van het goede, en met zelfvertrouwen door het leven te gaan in plaats van op een theologische kruk te steunen, die ontelbare eeuwen de directe oorzaak was van vrijwel alle menselijke ellende. . . . Wil men ons ene leven, onveranderlijk en onbewust in zijn eeuwigheid, aanvaarden en beschouwen als God, dan mag men dat doen en zo aan nog een totaal verkeerde benaming vasthouden. Maar dan zal men met Spinoza moeten zeggen, dat er geen andere substantie bestaat en voor ons denkbaar is dan God . . . en daardoor wordt men pantheïst. . . . Als we de theïst vragen, is uw God een vacuüm, ruimte of stof, dan antwoorden zij nee. Toch houden ze vol dat hun God de stof doordringt, hoewel hijzelf geen stof is. Als we spreken over ons Ene Leven zeggen we ook dat dit elk atoom van de stof doordringt, ja de essentie ervan is; en dat het daarom niet alleen overeenkomst vertoont met de stof maar ook alle eigenschappen ervan bezit, enz. – het is dus stoffelijk, ja de materie zelf. . . . Hoe zou een hoog intelligente mensheid, de mens de kroon van de rede, zich uit een blinde, niet-intelligente wet of kracht hebben kunnen ontwikkelen! Maar als we zó redeneren, kan ik op mijn beurt vragen hoe geboren idioten, redeloze dieren en de rest van de ‘schepping’ kunnen zijn geschapen door, of zijn ontwikkeld uit absolute Wijsheid, als deze laatste een denkend, intelligent wezen is, de schepper en heerser van het Heelal? . . . ‘Zal God die het oog heeft gemaakt niet kunnen zien? Zal God die het oor heeft gemaakt zelf niet horen?’ Maar door zo te redeneren zou men moeten toegeven dat door het scheppen van een idioot, God een idioot moet zijn; en dat hij die zoveel redeloze wezens maakte, zoveel fysieke en morele monsters, zelf een redeloos wezen moet zijn. . . .

. . . onze leer over het ene leven is identiek aan die van de Advaitī [aanhanger van de niet-dualistische Vedānta-school van het hindoeïsme] met betrekking tot parabrahm. En geen waarachtige filosofisch geschoolde Advaiti zal zich ooit een agnosticus noemen, want hij weet dat hij parabrahm is en in elk opzicht identiek aan het universele leven en de universele ziel – de macrokosmos is de microkosmos en hij weet dat er geen God is afgescheiden van hemzelf, geen schepper en geen wezen. . . .

. . . Intelligentie, zoals die bij onze dhyāni-chohans [spiritueel ontwikkelde wezens] wordt gevonden, is een vermogen dat slechts een organisch of bezield wezen kan toebehoren – hoe onweegbaar, of liever onzichtbaar de stof van hun structuur ook is. Intelligentie sluit de noodzaak van denken in; om te denken moet men ideeën hebben; ideeën veronderstellen zintuigen, die fysiek stoffelijk zijn, en hoe kan iets stoffelijks tot zuivere geest behoren? Als men hiertegen inbrengt dat het denken geen eigenschap van de stof kan zijn, zouden we willen vragen, waarom niet? We moeten een onweerlegbaar bewijs van deze veronderstelling hebben vóór we haar kunnen aanvaarden. De theoloog zouden we willen vragen wat zijn God ervan weerhield, die toch de schepper van alles zou zijn – aan de stof het vermogen tot denken te schenken; en als hierop wordt geantwoord dat het Hem blijkbaar niet behaagde dat te doen, dat het zowel een mysterie als een onmogelijkheid is, dan zouden we erop staan te vernemen waarom het meer onmogelijk is dat de stof geest en denken voortbrengt, dan dat de geest of het denken van God de stof voortbrengt en schept.

. . . Terwijl we de theïstische theorie met minachting afwijzen, verwerpen we evenzeer de mechanistische theorie, die leert dat bewustzijnstoestanden door het rangschikken van de hersenmoleculen worden teweeggebracht; en we hebben al even weinig respect voor die andere hypothese – dat moleculaire beweging door bewustzijn wordt voortgebracht. Waar geloven we dan wel in? Wel, . . . we geloven alleen in stof, in stof als de zichtbare natuur en stof in haar onzichtbaarheid, als de onzichtbare, overal aanwezige, almachtige Proteus, met haar onophoudelijke beweging die haar leven is en die de natuur aan zichzelf onttrekt, want zij is het grote geheel waarbuiten niets kan bestaan. Want, zoals [d’Holbach] terecht beweert, ‘beweging is een wijze van bestaan die noodzakelijkerwijs uit de essentie van de stof voortvloeit; dat de stof beweegt door haar eigen bijzondere energieën; dat haar beweging te danken is aan de kracht die eigen is aan de stof; dat de verscheidenheid van beweging en de daaruit voortvloeiende verschijnselen voortkomen uit de verscheidenheid van de eigenschappen en de combinaties die oorspronkelijk in de oermaterie worden gevonden’ waarvan de natuur de verzameling is en waarvan uw wetenschap minder weet dan een van onze Tibetaanse Yak-drijvers weet van de metafysica van Kant.

Het bestaan van de stof is dus een feit; het bestaan van beweging is ook een feit, hun zelfstandige bestaan en eeuwigdurendheid of onvernietigbaarheid is een derde feit. En de gedachte aan zuivere geest als een Wezen of een Bestaan – welke naam u daaraan ook wilt geven – is een hersenschim, iets wat volslagen absurd is.

.    .    .

. . . Er zijn enkele hedendaagse filosofen die het bestaan van een Schepper willen afleiden uit beweging. Wij zeggen en bevestigen dat die beweging – de universele eeuwigdurende beweging die nooit ophoudt of haar snelheid vergroot of verkleint, zelfs niet tijdens de pauzes tussen de pralaya’s, of ‘nachten van Brahmā’, maar doorgaat als een in beweging gezette molen, of er iets te malen is of niet (want pralaya betekent het tijdelijke verlies van elke vorm, maar in geen geval de vernietiging van kosmische stof die eeuwig is) – wij zeggen dat deze eeuwigdurende beweging de enige eeuwige en ongeschapen godheid is die wij kunnen erkennen. God te zien als een intelligente Geest en tegelijkertijd zijn absolute onstoffelijkheid te aanvaarden, staat gelijk met zich iets niet-bestaands voor te stellen, een ijle leegte; God te zien als een Wezen, een Ego, en zijn intelligentie om bepaalde redenen onder een korenmaat te zetten – is de grootst mogelijke onzin; hem met verstand te begiftigen betekent, gezien het blinde brute kwaad, een duivel van hem te maken – een heel gemeen soort God. De Mozaïsche godheid is zonder twijfel een Wezen dat, hoe gigantisch ook, ruimte inneemt en lengte, breedte en dikte heeft; ‘Niet-zijn’ en louter een beginsel, brengt ons onmiddellijk bij het boeddhistisch atheïsme, of het primitieve akosmisme van de Vedānta. Wat achter en voorbij de vorm- en bestaanswerelden ligt, in werelden en sferen in hun meest vergeestelijkte toestand – (en u wilt misschien zo goed zijn ons te zeggen waar dat voorbij kan zijn, omdat het Heelal oneindig en grenzeloos is) is iets waar niemand naar hoeft te zoeken . . .

Intussen kunnen we zeggen dat het beweging is die de natuurwetten regeert; en dat zij ze regeert zoals de mechanische impuls die aan stromend water is gegeven en die het voortstuwt in één rechte lijn, of langs honderden zijkanalen die het op zijn weg ontmoet, of deze kanalen natuurlijke groeven zijn of kunstmatig door mensenhanden zijn gemaakt. En wij beweren dat overal waar leven en bestaan is, in welke gespiritualiseerde vorm ook, er geen plaats is voor moreel bestuur, en nog veel minder voor een moreel Bestuurder – een Wezen dat tegelijkertijd geen vorm heeft, en geen ruimte inneemt! . . . Als u mij vraagt, ‘Vanwaar dan de onveranderlijke wetten? – wetten kunnen zichzelf niet maken’ – dan wil ik u op mijn beurt vragen – ‘en vanwaar hun veronderstelde Schepper? – een schepper kan zichzelf niet scheppen of maken’. Als de hersenen zichzelf niet maakten, want hiermee zou men beweren dat de hersenen handelden vóór ze bestonden, hoe zou dan intelligentie, het resultaat van geordende hersenen, kunnen handelen vóór haar schepper was gemaakt?

. . . Kijk om u heen en zie de ontelbare manifestaties van leven, die zo oneindig veelvormig zijn; van leven, van beweging, van verandering. Wat is daarvan de oorzaak? Uit welke onuitputtelijke bron kwamen ze voort en door welke macht? Uit het onzichtbare en subjectieve zijn ze ons kleine gebied van het zichtbare en objectieve binnengekomen. Deze kinderen van ākāśa, concrete evoluties vanuit de ether, werden door kracht waarneembaar gemaakt en Kracht zal hen eens weer uit het zicht van de mens doen verdwijnen. . . . Als we uitgaan van een volkomen eenvormigheid van werkingen in de hele wereld, dan zou er in alle natuurrijken een volledige gelijkheid van vormen, kleuren, en eigenschappen zijn. Het is beweging met de daaruit voortvloeiende strijd, neutralisatie, vereffening en wisselwerking, waaraan de heersende oneindige verscheidenheid te danken is. . . .

De moeilijkheid het feit te verklaren dat ‘niet-intelligente krachten hoog intelligente wezens zoals wijzelf kunnen doen ontstaan’ vindt haar oplossing in de eeuwige voortgang van de cyclussen en in het evolutieproces dat zijn werk steeds vervolmaakt terwijl het zich voltrekt. . . . De opvatting dat stof en geest volkomen verschillend en beide eeuwig zijn, kon beslist nooit in mijn hoofd zijn opgekomen, hoe weinig ik er ook van mag weten, want het is een van de elementaire en fundamentele leringen van het occultisme, dat de twee één zijn, en alleen verschillen in hun respectieve manifestaties, en dan nog slechts in de beperkte waarnemingssfeer van de wereld van de zintuigen. . . . Geest wordt de uiterste sublimatie van de stof genoemd, en stof de kristallisatie van de geest. En er kan geen betere illustratie worden gegeven dan in het zeer eenvoudige verschijnsel van ijs, water, damp en de uiteindelijke verspreiding van de laatste, een verschijnsel dat zich in omgekeerde volgorde herhaalt in opeenvolgende manifestaties en dan de val van de geest in de stof wordt genoemd. . . . Zonder geest of Kracht kon zelfs dat wat de wetenschap aanmerkt als ‘niet-levende’ stof, de zogenaamde minerale bestanddelen die de planten voeden, nooit vorm hebben aangenomen. Er komt een ogenblik in het bestaan van elke molecule en elk stof-atoom dat, door de een of andere oorzaak, de laatste vonk van geest of beweging of leven (noem het zoals u wilt) wordt teruggetrokken, en op hetzelfde ogenblik wordt met een snelheid die die van een gedachteflits overtreft, het atoom of de molecule of een groep moleculen vernietigd om tot zijn oorspronkelijke zuiverheid van intra-kosmische stof terug te keren. Zij worden tot de moederbron aangetrokken met een snelheid zoals die van een bolletje kwikzilver dat tot de hoofdmassa wordt aangetrokken. Stof, kracht, en beweging zijn de drie-eenheid van de fysieke objectieve natuur, zoals de drievoudige eenheid van geest-stof [geest, stof en hun achterliggende één-zijn] die is van de spirituele of subjectieve natuur. Beweging is eeuwig omdat de geest eeuwig is. Maar men kan zich nooit een wijze van beweging voorstellen die niet in verband staat met stof.

En nu uw buitengewone hypothese dat het Kwaad met zijn daaruit voortvloeiende zonde en lijden niet het resultaat is van de stof, maar mogelijk het wijze bestel van de morele Bestuurder van het Heelal. Zo begrijpelijk als de gedachte u mag toeschijnen, omdat u bent opgevoed met de noodlottige dwaling van de christenen, – ‘de wegen van de Heer zijn ondoorgrondelijk’ – zo volslagen onbegrijpelijk is ze voor mij. Moet ik nog eens herhalen dat de beste adepten het Heelal duizenden jaren lang hebben doorzocht en nergens ook maar het geringste spoor van zo’n Machiavellistische plannenmaker hebben gevonden – maar overal dezelfde onveranderlijke, onverbiddelijke wet. . . .

U zegt dat het er niets toe doet of deze wetten de uitdrukking zijn van de wil van een met rede begaafde bewuste God, zoals u denkt, of de onvermijdelijke attributen van een niet met rede begaafde, onbewuste ‘God’, zoals ik denk. Ik zeg dat het er alles toe doet, en omdat u vurig gelooft dat deze fundamentele vragen (van geest en stof – van God of geen God) ‘blijkbaar ons beider begrip te boven gaan’ – met andere woorden, dat ik noch onze grootste adepten meer kunnen weten dan u, wat ter wereld zou ik u dan kunnen leren?

 
Andere artikelen over christendom
 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/apr 2006

© 2006 Theosophical University Press Agency