Bronnen van kennis
Elisabeth Prent

 

Het leven zelf is een verheven avontuur, een voortdurende reeks sluiers, die de pelgrim de één na de ander wegneemt. En elke evolutionaire inwijding is een onthulling in de zin van een ontsluiering, hoewel dit, vreemd genoeg, een nieuwe versluiering betekent. En waarom? Omdat telkens als we een nieuw licht ontvangen, we tijdelijk erdoor worden verblind; de toename in kennis verblindt ons tijdelijk voor alles wat nog hoger is. En we moeten de nieuwe onthulling doormaken tot we beseffen dat het een nieuwe versluiering is, en dan gaan we verder naar een hogere onthulling.
      – Bron van het Occultisme, blz. 590-1

Over de hele wereld weerklinkt uit veel overleveringen dat ieder van ons een pelgrim is; en aan het einde van de reis hoopt de pelgrim op iets speciaals: misschien vergiffenis, hulp in tijden van verdriet, pijn of ziekte, een of andere onthulling, of een uitbreiding van bewustzijn. Vaak doorstaan mensen ontberingen om hun doel te bereiken; hun verlangen naar de beloofde beloning weegt op tegen wat ze zich hebben ontzegd. De drang om de reis te beginnen komt in ieder geval van binnenuit, en door deze reis te ondernemen wordt de aansluiting met de spirituele/goddelijke kanten van onze samengestelde natuur sterker. Het resultaat kan niet worden gewogen of gemeten; niettemin vinden we in het oude Egypte de afbeelding van het hart van de overledene dat wordt afgewogen tegen het veertje van de Waarheid. Een hart dat minder weegt geeft aan dat het denken, spreken en handelen van iemand tijdens zijn leven op aarde in overeenstemming waren met zijn hogere natuur. Deze allegorie laat zien dat het leven zelf de pelgrimstocht is – het volgen van een bepaalde weg leidt tenslotte naar een gelukzalige bestaanstoestand. We kunnen in ons leven ervoor kiezen een deur te openen die leidt naar vrede en vrijheid voor alle wezens, maar deze deur is niet zo gemakkelijk te vinden.

Zoals we scholen en universiteiten nodig hebben voor de algemene opleiding van onze kinderen, evenzo waren er eeuwenlang scholen voor de vorming en groei van onze ziel, voor de ontwikkeling van ons vermogen om inzicht te verkrijgen in onze eigen natuur en haar wetten. De mensheid is op het pad nooit zonder hulp of alleen geweest, maar ze werd altijd geleid en onderricht door leraren. Volgens theosofische geschriften werden de eerste mysteriescholen lang geleden gesticht toen de mensen als gevolg van zelfzucht het contact met hun hogere natuur waren kwijtgeraakt. Het stichten van deze scholen gaf de zekerheid dat de wijsheidsleringen voor toekomstige generaties werden bewaard. Iedere mysterieschool was een brandpunt van het spirituele licht dat dreigde zwakker te worden of uit te gaan. De leraren van deze scholen behoorden tot de hiërarchie van mededogen: zij hadden hun eigen vooruitgang opgeofferd omdat ze de hartenkreet van de mensen hoorden en de pijn wilden helpen verzachten. De methode was om elke leerling te laten beseffen wat alle wezens in hun diepste kern zijn: goddelijke wezens, vonken van het eeuwige licht, kinderen van de ene Vader. Toen het beeld van hun ware natuur scherper was geworden, ontwaakte het hogere denken van de leerlingen en begon hen op het pad te leiden; de groei naar harmonisch denken en handelen kon beginnen.

We hebben gezegd dat vanuit de broederschap een boodschapper of afgezant naar de wereld wordt gestuurd met het doel opnieuw een grondtoon van spirituele waarheid aan te slaan wanneer een oprechte roep uit het hart van de mensheid komt. . . . Wanneer de golven van materialisme hoog oprijzen . . . in die tijden dat ontaarding en moreel verval onder de mensen de overhand hebben, doet de broederschap . . . een speciale poging om tenminste een begin te maken met een periode van spirituele vruchtbaarheid.    – G. de Purucker, De Esoterische Traditie, blz. 606

Door de hele geschiedenis van de mensheid heen zijn er boodschappers verschenen wanneer het verlangen naar contact met de hogere delen van onze natuur zuiver en oprecht is. De voornaamste stimulans voor dit contact ligt in ons binnenste omdat we graag willen drinken uit de bron om met de hulp van een leraar het zaadje te doen ontkiemen dat in ons hart slaapt. De leraar kan de taak niet voor ons vervullen, maar kan wegwijzers verschaffen waardoor we het hoofd kunnen bieden aan onze vele problemen en ze tenslotte kunnen overwinnen. Zoals vruchtbare grond samen met de ijver van de tuinman elk zaadje in staat stelt bloemen met een bijzondere geur, kleur en schoonheid voort te brengen, zo kan de leraar als een tuinman helpen de groei van de menselijke ziel te bevorderen. Zo’n leraar kan in verschillende vormen verschijnen: als een boeddha, een avatara zoals Jezus of Krishna, een tulku, mahatma, of een andere boodschapper. Er zijn ook heilige geschriften, afkomstig van verschillende grote leraren, die ons kunnen inspireren en aanwijzingen kunnen geven. Maar voor iedereen hangt het succes op het pad alleen af van zijn vastberaden wil om zelfstandig aan het werk te gaan en de eerste sport van de ladder te betreden.

Het initiatief om het pad met succes te gaan volgen hangt van onszelf af, alle andere zaken zijn prikkels van buitenaf om onze eigen zelfgeleide groei te stimuleren en te handhaven indien we ‘ogen hebben om te zien en oren om te horen’. Het terrein voor ons werk is het dagelijks leven, alle kleine plichten die zich van de ochtend tot de avond voordoen – thuis, op kantoor, tegenover buren en hen die we onderweg ‘toevallig’ tegenkomen. De uitdagingen zijn talrijk: Hoe kan ik helpen, hoe kan ik meelevend, broederlijk zijn? Hoe moet ik me gedragen om innerlijk zuiver te zijn? Wenken en instructies over hoe men inzicht kan verkrijgen in deze waarheden kunnen in alle culturen worden aangetroffen. In het Dhammapada (vers 11,12), bijvoorbeeld, zegt de Boeddha:

Zij die het niet-werkelijke aanzien voor het werkelijke en het werkelijke voor het niet-werkelijke en zo het slachtoffer worden van onjuiste denkbeelden, bereiken nooit het wezen van de werkelijkheid.

Na zich bewust te zijn geworden van het werkelijke als het werkelijke en van het niet-werkelijke als het niet-werkelijke, bereiken ze het werkelijke door op die manier juist te denken.

De Tao Te Ching raadt ons aan:

Handel zonder te handelen, kom op voor het niet voor zichzelf opkomen, ontdek de smaak in het smakeloze, behandel het kleine als het grote en het weinige als het vele. Beantwoord onrecht met goede daden. Pak het moeilijke aan als het nog gemakkelijk is, en het grote als het nog klein is. De moeilijkste dingen hebben hun oorsprong in het gemakkelijke, en de grootste aangelegenheden in wat klein is. Daarom hoeft de wijze nooit het grote aan te pakken, en bereikt zo grootsheid.    – hfst. 63

En in de hele wereld vinden we de gulden regel tot uitdrukking gebracht: wat u wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander.

De geschriften en overleveringen van de wereld leggen uit hoe ethisch handelen een brug kan worden die leidt van onze lagere natuur naar een steeds groter begrip van onze hogere natuur, van het voorbijgaande naar het blijvende, van het bedrieglijke naar het ware, van de duisternis naar het licht, van het persoonlijke naar het onpersoonlijke, van gedreven worden door aardse verlangens naar onderscheid maken tussen goed en kwaad, van een op sensatie gericht leven naar een evenwichtige toestand waarin de tegenpolen hun juiste plaats krijgen en de lagere natuur in dienst komt te staan van de hogere.

 

Uit het tijdschrift Sunrise lente 2007

© 2007 Theosophical University Press Agency


 
Soms zijn het de kleinste dingen waar we troost in vinden en het grote in ontdekken. ‘Zo boven, zo beneden’ zegt de Hermetische universele wet van analogie. We zien het grote in het kleine en het kleine in het grote. Een kaars of een ster – elk brengt een vlam over naar de toekomst en verlicht onze weg. In de werveling van water dat wegstroomt in een putje zien we het beeld van een zich ontwikkelend melkwegstelsel.
Bloem in een muur vol scheuren,
Ik pluk je uit de spleten weg,
Ik houd je hier met wortel en al in mijn hand,
Bloempje – maar indien ik kon begrijpen
Wat je bent, met wortel en al, en alles welbeschouwd,
Dan ken ik God en de mens.
     – Alfred, Lord Tennyson
Op onze tocht door ons leven ontmoeten we ontelbare ‘dingen’. We zien talloze beelden, van het reusachtig grote tot het uiterst kleine. Allemaal komen die uit één Leven, uit één Bron. Het zijn aanwijzingen die ons ertoe brengen de grote vragen te stellen; wegwijzers voor ons om bij stil te staan en ons te verbazen over de eenheid en harmonie die alle dingen van nature eigen zijn.
     – S.J.O.