Het leven zelf is een verheven avontuur, een voortdurende
reeks sluiers, die de pelgrim de één na de ander wegneemt.
En elke evolutionaire inwijding is een onthulling in de zin van een
ontsluiering, hoewel dit, vreemd genoeg, een nieuwe versluiering betekent.
En waarom? Omdat telkens als we een nieuw licht ontvangen, we tijdelijk
erdoor worden verblind; de toename in kennis verblindt ons tijdelijk
voor alles wat nog hoger is. En we moeten de nieuwe onthulling doormaken
tot we beseffen dat het een nieuwe versluiering is, en dan gaan we
verder naar een hogere onthulling.
– Bron
van het Occultisme, blz. 590-1
Over de hele wereld weerklinkt uit veel overleveringen dat ieder van
ons een pelgrim is; en aan het einde van de reis hoopt de pelgrim op
iets speciaals: misschien vergiffenis, hulp in tijden van verdriet,
pijn of ziekte, een of andere onthulling, of een uitbreiding van bewustzijn.
Vaak doorstaan mensen ontberingen om hun doel te bereiken; hun verlangen
naar de beloofde beloning weegt op tegen wat ze zich hebben ontzegd.
De drang om de reis te beginnen komt in ieder geval van binnenuit, en
door deze reis te ondernemen wordt de aansluiting met de spirituele/goddelijke
kanten van onze samengestelde natuur sterker. Het resultaat kan niet
worden gewogen of gemeten; niettemin vinden we in het oude Egypte de
afbeelding van het hart van de overledene dat wordt afgewogen tegen
het veertje van de Waarheid. Een hart dat minder weegt geeft aan dat
het denken, spreken en handelen van iemand tijdens zijn leven op aarde
in overeenstemming waren met zijn hogere natuur. Deze allegorie laat
zien dat het leven zelf de pelgrimstocht is – het volgen van een
bepaalde weg leidt tenslotte naar een gelukzalige bestaanstoestand.
We kunnen in ons leven ervoor kiezen een deur te openen die leidt naar
vrede en vrijheid voor alle wezens, maar deze deur is niet zo gemakkelijk
te vinden.
Zoals we scholen en universiteiten nodig hebben voor de algemene opleiding
van onze kinderen, evenzo waren er eeuwenlang scholen voor de vorming
en groei van onze ziel, voor de ontwikkeling van ons vermogen om inzicht
te verkrijgen in onze eigen natuur en haar wetten. De mensheid is op
het pad nooit zonder hulp of alleen geweest, maar ze werd altijd geleid
en onderricht door leraren. Volgens theosofische geschriften werden
de eerste mysteriescholen lang geleden gesticht toen de mensen als gevolg
van zelfzucht het contact met hun hogere natuur waren kwijtgeraakt.
Het stichten van deze scholen gaf de zekerheid dat de wijsheidsleringen
voor toekomstige generaties werden bewaard. Iedere mysterieschool was
een brandpunt van het spirituele licht dat dreigde zwakker te worden
of uit te gaan. De leraren van deze scholen behoorden tot de hiërarchie
van mededogen: zij hadden hun eigen vooruitgang opgeofferd omdat ze
de hartenkreet van de mensen hoorden en de pijn wilden helpen verzachten.
De methode was om elke leerling te laten beseffen wat alle wezens in
hun diepste kern zijn: goddelijke wezens, vonken van het eeuwige licht,
kinderen van de ene Vader. Toen het beeld van hun ware natuur scherper
was geworden, ontwaakte het hogere denken van de leerlingen en begon
hen op het pad te leiden; de groei naar harmonisch denken en handelen
kon beginnen.
We hebben gezegd dat vanuit de broederschap een boodschapper
of afgezant naar de wereld wordt gestuurd met het doel opnieuw een
grondtoon van spirituele waarheid aan te slaan wanneer een oprechte
roep uit het hart van de mensheid komt. . . . Wanneer de golven van
materialisme hoog oprijzen . . . in die tijden dat ontaarding en moreel
verval onder de mensen de overhand hebben, doet de broederschap .
. . een speciale poging om tenminste een begin te maken met een periode
van spirituele vruchtbaarheid. – G. de Purucker,
De Esoterische Traditie,
blz. 606
Door de hele geschiedenis van de mensheid heen zijn er boodschappers
verschenen wanneer het verlangen naar contact met de hogere delen van
onze natuur zuiver en oprecht is. De voornaamste stimulans voor dit
contact ligt in ons binnenste omdat we graag willen drinken uit de bron
om met de hulp van een leraar het zaadje te doen ontkiemen dat in ons
hart slaapt. De leraar kan de taak niet voor ons vervullen, maar kan
wegwijzers verschaffen waardoor we het hoofd kunnen bieden aan onze
vele problemen en ze tenslotte kunnen overwinnen. Zoals vruchtbare grond
samen met de ijver van de tuinman elk zaadje in staat stelt bloemen
met een bijzondere geur, kleur en schoonheid voort te brengen, zo kan
de leraar als een tuinman helpen de groei van de menselijke ziel te
bevorderen. Zo’n leraar kan in verschillende vormen verschijnen:
als een boeddha, een avatara zoals Jezus of Krishna, een tulku, mahatma,
of een andere boodschapper. Er zijn ook heilige geschriften, afkomstig
van verschillende grote leraren, die ons kunnen inspireren en aanwijzingen
kunnen geven. Maar voor iedereen hangt het succes op het pad alleen
af van zijn vastberaden wil om zelfstandig aan het werk te gaan en de
eerste sport van de ladder te betreden.
Het initiatief om het pad met succes te gaan volgen hangt van onszelf
af, alle andere zaken zijn prikkels van buitenaf om onze eigen zelfgeleide
groei te stimuleren en te handhaven indien we ‘ogen hebben om
te zien en oren om te horen’. Het terrein voor ons werk is het
dagelijks leven, alle kleine plichten die zich van de ochtend tot de
avond voordoen – thuis, op kantoor, tegenover buren en hen die
we onderweg ‘toevallig’ tegenkomen. De uitdagingen zijn
talrijk: Hoe kan ik helpen, hoe kan ik meelevend, broederlijk zijn?
Hoe moet ik me gedragen om innerlijk zuiver te zijn? Wenken en instructies
over hoe men inzicht kan verkrijgen in deze waarheden kunnen in alle
culturen worden aangetroffen. In het Dhammapada (vers 11,12),
bijvoorbeeld, zegt de Boeddha:
Zij die het niet-werkelijke aanzien voor het werkelijke
en het werkelijke voor het niet-werkelijke en zo het slachtoffer worden
van onjuiste denkbeelden, bereiken nooit het wezen van de werkelijkheid.
Na zich bewust te zijn geworden van het werkelijke
als het werkelijke en van het niet-werkelijke als het niet-werkelijke,
bereiken ze het werkelijke door op die manier juist te denken.
De Tao Te Ching raadt ons aan:
Handel zonder te handelen, kom op voor het niet voor
zichzelf opkomen, ontdek de smaak in het smakeloze, behandel het kleine
als het grote en het weinige als het vele. Beantwoord onrecht met
goede daden. Pak het moeilijke aan als het nog gemakkelijk is, en
het grote als het nog klein is. De moeilijkste dingen hebben hun oorsprong
in het gemakkelijke, en de grootste aangelegenheden in wat klein is.
Daarom hoeft de wijze nooit het grote aan te pakken, en bereikt zo
grootsheid. – hfst. 63
En in de hele wereld vinden we de gulden regel tot uitdrukking gebracht:
wat u wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander.
De geschriften en overleveringen van de wereld leggen uit hoe ethisch
handelen een brug kan worden die leidt van onze lagere natuur naar een
steeds groter begrip van onze hogere natuur, van het voorbijgaande naar
het blijvende, van het bedrieglijke naar het ware, van de duisternis
naar het licht, van het persoonlijke naar het onpersoonlijke, van gedreven
worden door aardse verlangens naar onderscheid maken tussen goed en
kwaad, van een op sensatie gericht leven naar een evenwichtige toestand
waarin de tegenpolen hun juiste plaats krijgen en de lagere natuur in
dienst komt te staan van de hogere.