Theosophical University Press Agency

pagina achteruit Inhoud deel 1 pagina vooruit

Aanvullende feiten en uitleg over de bollen en monaden

Op twee mededelingen in Esoteric Buddhism dient de aandacht te worden gevestigd, en de meningen van de schrijver moeten worden geciteerd. Op blz. 49 wordt gezegd:

. . . de spirituele monaden . . . voltooien hun bestaan als mineralen niet volledig op bol A, en daarna op bol B, enz. Ze doorlopen de hele cirkel verschillende keren als mineralen, en dan weer een aantal keren als planten, en verschillende keren als dieren. We zien er met opzet voorlopig van af om op getallen in te gaan, enz.

Dit was een wijze gedragslijn, met het oog op de grote geheimhouding die betreffende cijfers en getallen wordt bewaard. Deze terughoudendheid wordt nu gedeeltelijk losgelaten; maar het zou misschien beter zijn geweest als de werkelijke getallen over de ronden en evolutiecyclussen destijds óf volledig waren onthuld, óf volledig waren geheimgehouden. Sinnett begreep dit probleem heel goed toen hij zei (blz. 140):

De bezitters van occulte kennis zijn, om redenen die voor een buitenstaander niet gemakkelijk zijn in te zien, bijzonder weinig geneigd om feiten mee te delen die verband houden met de kosmogonie, hoewel het voor de niet-ingewijde moeilijk is te begrijpen waarom ze moeten worden achtergehouden.

Dat er zulke redenen waren, is duidelijk. Toch zijn de meeste verwarde denkbeelden van sommige oosterse en westerse onderzoekers te wijten aan deze terughoudendheid. De problemen die het aanvaarden van de twee beschouwde leringen in de weg stonden, schenen groot, juist omdat gegevens waarop men zich kon baseren, ontbraken. Maar zo was het nu eenmaal. Want getallen die behoren tot de occulte berekeningen mogen, zoals de meesters vaak hebben verklaard, buiten de kring van door gelofte gebonden chela’s niet worden gegeven, en ook zij mogen de regels niet overtreden.

Om dit te verduidelijken kan de gegeven leer worden uitgebreid, zonder de wiskundige kant ervan aan te roeren, en kunnen enkele duistere punten worden opgehelderd. Omdat de evolutie van de bollen en die van de monaden zo nauw met elkaar samenhangen, zullen we de twee leringen als één enkele behandelen. Wat de monaden betreft, vragen we de lezer te bedenken dat de oosterse filosofie het westerse theologische dogma van een nieuwgeschapen ziel voor iedere baby die wordt geboren, verwerpt, want dat is bij de werkwijze van de natuur zowel onfilosofisch als onmogelijk. Er moet in elk nieuw manvantara een beperkt aantal monaden zijn die zich tot steeds grotere volmaaktheid ontwikkelen, doordat ze achtereenvolgens veel verschillende persoonlijkheden in zich opnemen. Dit is volstrekt noodzakelijk met het oog op de leringen over wedergeboorte, karma, en de geleidelijke terugkeer van de menselijke monade naar haar bron – absolute goddelijkheid. Hoewel dus de menigten van meer of minder gevorderde monaden bijna ontelbaar zijn, zijn ze toch eindig, zoals alles in dit heelal van differentiatie en eindigheid.

Zoals is te zien in het dubbele diagram van de menselijke ‘beginselen’ en de opgaande bollen van de wereldketens (zie blz. 183), is er een eeuwige aaneenschakeling van oorzaken en gevolgen, en een volledige analogie die door alle evolutielijnen heen loopt, en deze met elkaar verbindt. De ene doet de andere ontstaan – zowel bollen als persoonlijkheden.

Diagram 2

Diagram 2

Maar laten we beginnen bij het begin.

Zojuist gaven we de algemene schets van het proces waardoor de opeenvolgende planeetketens worden gevormd. Om toekomstige misvattingen te voorkomen, worden enkele nadere bijzonderheden gegeven, die ook licht zullen werpen op de geschiedenis van de mensheid op onze eigen keten, die is voortgekomen uit die van de maan.

In het bovenstaande diagram stelt figuur 1 de ‘maanketen’ van zeven planeten voor bij het begin van haar zevende of laatste ronde, terwijl figuur 2 de toekomstige ‘aardketen’ voorstelt, die echter nog niet bestaat. De zeven bollen van elke keten worden in de volgorde van hun cyclus aangegeven met de letters A tot G; de bollen van de aardketen worden bovendien gemerkt met een kruis (+), het symbool van de aarde.

We herinneren de lezer eraan dat de monaden die een cyclus langs een zevenvoudige keten doorlopen, in zeven klassen of hiërarchieën worden ingedeeld, overeenkomstig hun respectieve stadia van evolutie, bewustzijn en verdienste. Laten we dan hun volgorde van verschijnen op planeet A in de eerste ronde nagaan. De tijdruimten tussen het verschijnen van deze hiërarchieën op een bepaalde bol zijn zo geregeld dat wanneer klasse 7, de laatste, op bol A verschijnt, klasse 1, de eerste, juist is overgegaan naar bol B, en zo verder, stap voor stap, de hele keten rond.

Wanneer in de zevende ronde op de maanketen klasse 7, de laatste, bol A verlaat, begint die bol, in plaats van in slaap te vallen, zoals in voorafgaande ronden, te sterven (zijn planetaire pralaya in te gaan).1 Al stervende draagt hij, zoals gezegd, zijn ‘beginselen’ of levenselementen en energie, enz., het ene na het andere over aan een nieuw ‘laya-centrum’, dat begint met de vorming van bol A van de aardketen. Een soortgelijk proces vindt achtereenvolgens plaats voor elk van de bollen van de ‘maanketen’, die elk een nieuwe bol van de ‘aardketen’ vormen. Onze maan was de vierde bol van de reeks, en bevond zich op hetzelfde waarnemingsgebied als onze aarde. Maar bol A van de maanketen is niet helemaal ‘dood’ zolang de eerste monaden van de eerste klasse van bol G of Z, de laatste van de ‘maanketen’, niet het nirvana hebben bereikt dat ze tussen de twee ketens te wachten staat; en dit geldt ook, zoals gezegd, voor alle andere bollen, die elk de overeenkomstige bol van de ‘aardketen’ doen ontstaan.

Wanneer bol A van de nieuwe keten gereed is, incarneert de eerste klasse of hiërarchie van monaden van de maanketen in het laagste natuurrijk op die bol, en dat gaat zo achtereenvolgens door. Het gevolg daarvan is dat tijdens de eerste ronde alleen de eerste klasse van monaden het menselijk ontwikkelingsstadium bereikt, omdat de tweede klasse op elke planeet later aankomt, en geen tijd heeft om dat stadium te bereiken. Zo bereiken de monaden van klasse 2 het beginstadium van de mens pas in de tweede ronde, en zo verder tot het punt halverwege de vierde ronde. Maar op dit punt – en in deze vierde ronde, waarin het menselijk stadium volledig zal worden ontwikkeld – wordt de ‘deur’ naar het mensenrijk gesloten, en vanaf dat moment is het aantal ‘menselijke’ monaden, d.w.z. monaden in het menselijk ontwikkelingsstadium, compleet. Want de monaden die op dit tijdstip het menselijk stadium niet hadden bereikt, zullen – omdat de mensheid zelf verder evolueert – zóver achter zijn dat ze het menselijk stadium pas aan het einde van de zevende en laatste ronde zullen bereiken. Ze zullen dus op deze keten geen mensen zijn, maar ze zullen de mensheid van een toekomstig manvantara vormen en worden beloond door ‘mensen’ op een hogere keten te worden, en zo hun karmische compensatie te ontvangen. Hierop bestaat maar één uitzondering, om heel goede redenen, waarover later meer. Maar dit geeft de verklaring voor het verschil tussen de rassen.

Zo wordt duidelijk hoe volmaakt de analogie is tussen de processen van de natuur in de kosmos en in de individuele mens. Laatstgenoemde doorloopt zijn levenscyclus, en sterft. Zijn ‘hogere beginselen’, die in de ontwikkeling van een planeetketen overeenkomen met de rondgaande monaden, komen in devachan, dat overeenkomt met het ‘nirvana’ en de toestanden van rust tussen twee ketens. De lagere ‘beginselen’ van de mens vallen na verloop van tijd uiteen en worden door de natuur opnieuw gebruikt voor het vormen van nieuwe menselijke beginselen, en hetzelfde proces vindt plaats bij het uiteenvallen en het vormen van werelden. De analogie is dus de betrouwbaarste gids voor het begrijpen van de occulte leringen.

Dit is een van de ‘zeven mysteries van de maan’, en wordt nu onthuld. De Japanse yamabushi, de mystici van de Lao-tse sekte, en de ascetische monniken van Kyoto, de zen-do, noemen de zeven ‘mysteries’ de ‘zeven juwelen’. Maar de Japanse en de Chinese boeddhistische asceten en ingewijden zijn zo mogelijk nog terughoudender met het meedelen van hun ‘kennis’ dan de hindoes.

Maar de lezer moet de monaden niet uit het oog verliezen, en hij moet worden ingelicht over hun aard, voor zover dit is toegestaan, zonder dat er inbreuk wordt gemaakt op de diepste mysteries. De schrijfster maakt helemaal geen aanspraak op het laatste of beslissende woord hierover.

De vele monaden kunnen globaal in drie grote categorieën worden ingedeeld:

1. De meest ontwikkelde monaden (de maangoden of ‘maangeesten’, in India de pitri’s genoemd); deze hebben tot taak in de eerste ronde de hele drievoudige cyclus van het mineralen-, het planten-, en het dierenrijk in hun meest etherische, wazige en rudimentaire vormen te doorlopen, om zich in de aard van de nieuwgevormde keten te hullen, en deze in zich op te nemen. Ze bereiken op bol A in de eerste ronde het eerst de menselijke vorm (als er op het bijna subjectieve gebied ook maar enige vorm kan bestaan). Ze leiden en vertegenwoordigen dus het menselijk element tijdens de tweede en derde ronde, en ontwikkelen ten slotte hun schaduwen aan het begin van de vierde ronde voor de tweede categorie, of degenen die na hen komen.

2. De monaden die het eerst het menselijk stadium tijdens de drieënhalve ronden bereiken, en mensen worden.2

3. De achterblijvers; de vertraagde monaden, die als gevolg van karmische belemmeringen het menselijk stadium tijdens deze cyclus of ronde helemaal niet zullen bereiken, op één uitzondering na, waarover elders zal worden gesproken, zoals al werd toegezegd.

De evolutie van de uiterlijke vorm of het lichaam rond de astrale vorm wordt teweeggebracht door de aardse krachten, evenals in het geval van de lagere natuurrijken; maar de evolutie van de innerlijke of ware mens is zuiver spiritueel. Nu is het niet meer een doorgang van de onpersoonlijke monade door veel en verschillende vormen van stof – hoogstens in het bezit van instinct en bewustzijn op een heel ander gebied – zoals in het geval van uiterlijke evolutie, maar een reis van de ‘pelgrim-ziel’ door verschillende toestanden, niet alleen van stof, maar van zelfbewustzijn en zelfwaarneming, of van visie door bewuste waarneming.3

De monade komt uit haar toestand van spirituele en verstandelijke onbewustheid, slaat de eerste twee gebieden over – die te dicht bij het absolute liggen om enige wisselwerking met iets op een lager gebied toe te laten – en gaat direct naar het gebied van het denken. Maar er is geen gebied in het heelal dat, in zijn bijna eindeloze gradaties van de eigenschappen van waarneming en zelfwaarneming, een grotere speelruimte of een ruimer werkterrein biedt dan dit gebied. Dit heeft op zijn beurt een geschikt kleiner gebied voor elke ‘vorm’, vanaf de mineraalmonade tot het moment dat die monade zich door evolutie heeft ontwikkeld tot de goddelijke monade. Maar ze blijft al die tijd dezelfde monade, en verschilt slechts in haar incarnaties, tijdens haar steeds elkaar opvolgende cyclussen van gedeeltelijke of totale verduistering van de geest, of gedeeltelijke of totale verduistering van de stof – twee tegengestelde polen – terwijl ze opstijgt naar de gebieden van het vergeestelijkte verstand, of afdaalt in de diepten van de stoffelijkheid.

We keren nu terug naar Esoteric Buddhism. Over de enorme periode die ligt tussen het mineralentijdperk op bol A en het tijdperk van de mens4, wordt daarin gezegd:

De volledige ontwikkeling van het mineralentijdperk op bol A baant de weg voor de ontwikkeling van de planten, en zodra deze begint, vloeit de levensimpuls van de mineralen over naar bol B. Wanneer dan de ontwikkeling van de planten op bol A is voltooid en die van de dieren begint, vloeit de levensimpuls van de planten over naar bol B, en de mineralenimpuls gaat door naar bol C. Ten slotte komt dan de levensimpuls van de mens op bol A.5

Drie ronden lang gaat dit zo door, dan treedt er in het proces een vertraging op, en dit komt ten slotte tot stilstand op de drempel van onze bol in de vierde ronde, want nu is het tijdperk van de mens (van de echte fysieke mensen van de toekomst), het zevende, bereikt. Dit is duidelijk, want, zoals gezegd, ‘. . . er zijn evolutieprocessen die aan het mineralenrijk voorafgaan, en zo gaat er een evolutiegolf – gaan zelfs verschillende evolutiegolven – vooraf aan de mineralengolf bij haar rondgang langs de sferen’.6

En nu moeten we citeren uit een ander artikel, ‘The mineral monad’ uit Five Years of Theosophy, blz. 273-8.7

Er zijn zeven natuurrijken. De eerste groep omvat drie graden van elementalen, of krachtcentra in wording – vanaf het eerste stadium van differentiatie van [uit] mulaprakriti [of beter gezegd pradhana, oorspronkelijke homogene stof] tot de derde graad ervan – d.w.z. van volkomen onbewustheid tot semi-gewaarwording. De tweede of hogere groep omvat de natuurrijken van plant tot mens. Het mineralenrijk vormt dus het middelste of keerpunt in de graden van de ‘monadische essentie’, als men deze beschouwt als een evoluerende energie. Drie stadia [subfysiek] aan de elementale kant; het mineralenrijk; drie stadia aan de objectieve fysieke8 kant – dit zijn de [eerste of voorlopige] zeven schakels van de evolutieketen.9

Het zijn ‘voorlopige schakels’ omdat ze voorbereidend zijn, en hoewel ze feitelijk tot de natuurlijke evolutie behoren, zouden ze toch nauwkeuriger worden omschreven als schakels van de subnatuurlijke evolutie. Dit proces komt in het derde stadium tot stilstand, bij de drempel van het vierde. Dan wordt het, op het gebied van de natuurlijke evolutie, het eerste werkelijk naar de mens voerende stadium, en vormt met de drie elementalenrijken, de tien, het getal van de sefiroth. Op dit punt begint:

Een neerdalen van de geest in de stof, dat overeenkomt met een opgang in de fysieke evolutie; een wederopstijgen uit de diepste diepten van stoffelijkheid (het mineraal) naar haar vroegere toestand, met een daarmee gepaard gaand verdwijnen van concrete organismen – omhoog naar nirvana, het punt waar gedifferentieerde stof verdwijnt.10

Het wordt dus duidelijk waarom dat wat in Esoteric Buddhism terecht ‘evolutiegolf’, en mineralen-, planten-, dieren- en mensen-‘impuls’, wordt genoemd, in de vierde cyclus of ronde bij de deur van onze bol tot staan komt. Op dit punt zal de kosmische monade (buddhi) zich verenigen met en tot voertuig worden van de atmische straal, d.w.z. buddhi zal ontwaken tot een bewust waarnemen van atman, en zo de eerste sport beklimmen van een nieuwe zevenvoudige ladder van evolutie, die haar ten slotte zal leiden tot de tiende tak (geteld van beneden naar boven) van de sefiroth-boom, de Kroon.

Alles in het heelal volgt de wet van analogie. ‘Zo boven, zo beneden’; de mens is de microkosmos van het heelal. Dat wat plaatsvindt op het spirituele gebied, herhaalt zich op het kosmische gebied. Het concrete volgt het voorbeeld van het abstracte; het laagste moet overeenkomen met het hoogste; het stoffelijke met het spirituele. Overeenkomend met de Kroon van de sefiroth (of de hoogste triade) zijn er dus de drie elementalenrijken, die voorafgaan aan het mineralenrijk (zie het diagram op blz. 277 in Five Years of Theosophy) en die, om de taal van de kabbalisten te gebruiken, in de kosmische differentiatie overeenstemmen met de werelden van vorm en stof, van de superspirituele tot die van de archetypen.

Wat is een ‘monade’? En welk verband heeft deze met een atoom? Het hiernavolgende antwoord is gebaseerd op de verklaringen die naar aanleiding van deze vragen worden gegeven in het hierboven geciteerde artikel van de schrijfster: ‘The mineral monad’.

Het antwoord op de tweede vraag luidt:

Ze heeft geen enkel verband met het atoom of de molecule zoals de wetenschap die tegenwoordig opvat. De monade kan noch worden vergeleken met het micro-organisme dat ooit tot de polygastrische infusoriën werd gerekend, en nu als plantaardig wordt beschouwd, en onder de algen wordt gerangschikt, noch is ze volledig dezelfde als de monas van de peripatetici. Fysiek, of in haar samenstelling, verschilt de mineraalmonade natuurlijk van de menselijke monade, die niet fysiek is en waarvan de samenstelling niet door scheikundige symbolen en elementen kan worden weergegeven.11

Kortom, zoals de spirituele monade één, universeel, grenzeloos en onverdeeld is, hoewel haar stralen dat vormen wat wij in onze onwetendheid de ‘individuele monaden’ van mensen noemen, evenzo is de mineraalmonade, die aan de tegenovergestelde kant van de cirkel staat, ook één – en uit haar ontstaan de talloze fysieke atomen, die de wetenschap als geïndividualiseerd begint te beschouwen.

Hoe zou men anders het spiraalsgewijze ontwikkelingsproces van de vier natuurrijken wiskundig kunnen verklaren? De ‘monade’ is de combinatie van de laatste twee ‘beginselen’ in de mens, het zesde en het zevende, en strikt genomen is de uitdrukking ‘menselijke monade’ alleen van toepassing op de tweeledige ziel (atma-buddhi), en niet slechts op haar hoogste spirituele levenschenkende beginsel (atman). Maar omdat de spirituele ziel, indien deze van laatstgenoemde (atman) is gescheiden, geen bestaan – geen zijn – zou kunnen hebben, werd deze zo genoemd. In het mineralen-, het planten-, en het dierenrijk verschilt de monadische (of beter gezegd kosmische) essentie (als zo’n term is toegestaan) wat betreft haar ontwikkelingsstadium. Toch is die essentie door de hele reeks cyclussen heen dezelfde, van het laagste elementalenrijk tot het devarijk toe.

Het zou heel misleidend zijn zich voor te stellen dat een monade een afzonderlijke entiteit is die langzaam haar weg vervolgt langs een duidelijk afgebakend pad door de lagere levensrijken, om dan na ontelbare transformaties tot bloei te komen in een mens; kortom, dat de monade van een Humboldt teruggaat op de monade van een atoom hoornblende. In plaats van ‘de mineraalmonade’ te zeggen, zou het in de natuurwetenschap, die onderscheid maakt tussen alle atomen, beter zijn om te spreken van ‘de monade die zich manifesteert in die vorm van prakriti die men het mineralenrijk noemt’. Het atoom, zoals dit wordt voorgesteld in de gebruikelijke wetenschappelijke hypothese, is niet een deeltje van iets, bezield door iets spiritueels en bestemd om na eeuwigheden tot mens uit te groeien. Het is een concrete manifestatie van de universele energie die zelf nog niet geïndividualiseerd is; een reeks opeenvolgende manifestaties van de ene universele monas. De oceaan van stof verdeelt zich pas in zijn potentiële en samenstellende druppels als de levensimpuls het evolutiestadium van de mens bereikt. De neiging om zich te scheiden in individuele monaden ontwikkelt zich geleidelijk, en wordt in de hogere dieren bijna bereikt. De peripatetici pasten het woord monas in pantheïstische zin toe op de hele kosmos. De occultisten, die deze gedachte voor het gemak overnemen, maken een onderscheid in de ontwikkelingsstadia van de evolutie van het abstracte naar het concrete, door middel van termen zoals de ‘mineraal-, planten-, dieren-, enz. monade’. De term betekent alleen maar dat de golf van spirituele evolutie dat bepaalde segment van haar cyclus doorloopt. De ‘monadische essentie’ begint zich in het plantenrijk nauwelijks waarneembaar te differentiëren tot individueel bewustzijn. Omdat de monaden niet samengesteld zijn, zoals Leibniz terecht stelde, worden ze in hun verschillende graden van differentiatie bezield door de spirituele essentie waaruit de monade in feite bestaat, en niet door de verzameling atomen die slechts het voertuig en de substantie is waarin de hogere en lagere graden van bewustzijn werken.12

Leibniz stelde zich de monaden voor als elementaire en onvernietigbare eenheden met het vermogen om ten opzichte van andere eenheden te geven en te ontvangen, en zo alle spirituele en fysieke verschijnselen te bepalen. Hij bedacht de term apperceptie (bewuste gewaarwording) die, samen met (niet gewaarwording, maar veeleer) zenuwwaarneming, de toestand uitdrukt van het monadische bewustzijn door alle natuurrijken heen tot aan de mens.

Strikt metafysisch beschouwd is het dus misschien verkeerd om atma-buddhi een monade te noemen, omdat ze in de materialistische opvatting tweeledig is en dus samengesteld. Maar omdat stof geest is, en omgekeerd, en omdat het ondenkbaar is dat het heelal en de godheid die het bezielt gescheiden van elkaar kunnen bestaan, geldt dit ook voor atma-buddhi. Omdat laatstgenoemde het voertuig is van eerstgenoemde, staat buddhi in dezelfde betrekking tot atman, als Adam-Kadmon – de kabbalistische logos – tot ain sof, of mulaprakriti tot parabrahman.

Nu nog iets meer over de maan.

Men zou kunnen vragen wat de ‘maanmonaden’ zijn, waarover eerder werd gesproken. De beschrijving van de zeven klassen van pitri’s volgt later, maar nu kan enige algemene toelichting worden gegeven. Het zal iedereen duidelijk zijn dat het monaden betreft die hun levenscyclus op de maanketen, die lager staat dan de aardketen, hebben voltooid, en op laatstgenoemde zijn geïncarneerd. Hieraan kunnen nog enkele details worden toegevoegd, hoewel deze te dicht bij verboden terrein komen om volledig te kunnen worden behandeld. Het volledige mysterie wordt alleen aan de adepten onthuld, maar er kan worden meegedeeld dat onze satelliet slechts het grofstoffelijk lichaam van zijn onzichtbare beginselen is. Omdat er 7 ‘aarden’ zijn, zijn er ook 7 ‘manen’, waarvan alleen de laatste zichtbaar is. Hetzelfde geldt voor de zon, waarvan het zichtbare lichaam een maya wordt genoemd, een weerspiegeling, evenals het lichaam van de mens. ‘De werkelijke zon en de werkelijke maan zijn even onzichtbaar als de werkelijke mens’, zegt een occulte spreuk.

Er kan worden opgemerkt dat die Ouden toch zo dwaas niet waren toen ze voor het eerst met het idee van ‘de zeven manen’ kwamen. Want hoewel dit denkbeeld nu uitsluitend wordt opgevat als een sterrenkundige tijdmaatstaf in een heel materialistische vorm, kan men toch achter de vorm nog de sporen van een diepzinnig filosofische gedachte herkennen.

In werkelijkheid is de maan in maar één opzicht de satelliet van de aarde, namelijk dat de maan fysiek om de aarde draait. Maar in elk ander opzicht is de aarde de satelliet van de maan, en niet omgekeerd. Hoe verrassend deze bewering misschien ook lijkt, ze wordt door de wetenschap bevestigd. Haar juistheid blijkt uit de getijden, uit de periodieke veranderingen in veel ziekteverschijnselen, die samenvallen met de maanfasen. Ze is aantoonbaar in de plantengroei, en heel opvallend bij de menselijke zwangerschap en bevruchting. De betekenis van de maan en haar invloed op de aarde werden in elke oude religie erkend, vooral in de joodse, en ze werden door veel waarnemers van psychische en fysieke verschijnselen opgemerkt. Maar voor zover het de wetenschap bekend is, is de invloed van de aarde op de maan beperkt tot de fysieke aantrekking, die haar in haar baan doet ronddraaien. En als een tegenstander van het occultisme zou volhouden dat alleen al dit feit voldoende bewijs is dat de maan ook op andere gebieden de satelliet van de aarde is, dan zou men kunnen antwoorden met de vraag of een moeder die voortdurend om de wieg van haar kind loopt terwijl ze daarover waakt, ondergeschikt aan, of afhankelijk van, haar kind is. Hoewel ze in één opzicht zijn satelliet is, is ze toch zeker ouder en vollediger ontwikkeld dan het kind waarover ze waakt.

Bij het vormen van de aarde zelf en bij het bevolken daarvan met mensen speelt de maan dus de grootste en belangrijkste rol. De ‘maanmonaden’ of pitri’s, de voorouders van de mens, worden in feite de mens zelf. Ze zijn de ‘monaden’ die aan de evolutiecyclus beginnen op bol A, en die, terwijl ze de planeetketen rondgaan, de menselijke vorm ontwikkelen, zoals zojuist is uiteengezet. Bij het begin van het menselijk stadium in de vierde ronde op deze bol ‘zweten’ ze hun astrale dubbel uit de ‘aapachtige’ vormen die ze hadden ontwikkeld in ronde 3. En deze ijle, fijnere vorm dient als het model waaromheen de natuur de fysieke mens opbouwt. Deze ‘monaden’ of ‘goddelijke vonken’ zijn dus de ‘maanvoorouders’, de pitri’s, zelf. Want deze ‘maangeesten’ moeten ‘mensen’ worden, opdat hun ‘monaden’ een hoger gebied van activiteit en zelfbewustzijn kunnen bereiken, nl. het gebied van de manasaputra’s. Deze schenken in het laatste deel van het derde wortelras de ‘redeloze’ omhulsels, die door de pitri’s zijn geschapen en bezield, hun ‘denkvermogen’.

Zoals de ‘monaden’ of ego’s van mensen van de zevende ronde van onze aarde – naar het voorbeeld van onze eigen bollen A, B, C, D, enz., die hun levenskracht hebben afgestaan – andere laya-centra (bestemd om op een nog hoger bestaansgebied te leven en te werken) zullen hebben bezield en daardoor tot leven gewekt, evenzo zullen de aardse ‘voorouders’ degenen scheppen die hun meerderen zullen worden.

Het wordt nu duidelijk dat er in de natuur een drieledig evolutieplan bestaat voor het vormen van de drie periodieke upadhi’s, of beter gezegd drie afzonderlijke evolutieplannen, die in ons stelsel op elk punt onontwarbaar zijn verweven en vermengd. Dit zijn de monadische (of spirituele), de verstandelijke, en de fysieke evolutie. Deze drie zijn de eindige aspecten of de weerspiegelingen op het gebied van de kosmische illusie van atman, het zevende beginsel, de ene werkelijkheid.

1. De monadische evolutie heeft, zoals de naam al zegt, te maken met de groei en ontwikkeling van de monade tot nog hogere stadia van activiteit, en gaat samen met:

2. De verstandelijke evolutie, vertegenwoordigd door de manasa-dhyani’s (de zonnedeva’s, of de agnishvatta-pitri’s), die de mens verstand en bewustzijn geven13 en:

3. De fysieke evolutie, vertegenwoordigd door de chhaya’s van de maanpitri’s, waaromheen de natuur het huidige fysieke lichaam vaste vorm heeft gegeven. Dit lichaam dient als voertuig voor de ‘groei’ (om een misleidend woord te gebruiken) en voor de omzetting – door middel van manas en als gevolg van het opstapelen van ervaringen – van het eindige in het oneindige, van het voorbijgaande in het eeuwige en absolute.

Elk van deze drie stelsels heeft zijn eigen wetten, en wordt bestuurd en geleid door verschillende groepen van de hoogste dhyani’s of ‘logoi’. Elk is vertegenwoordigd in de samenstelling van de mens, de microkosmos van de grote macrokosmos; en de vereniging van deze drie stromen in hem maakt hem tot het samengestelde wezen dat hij nu is.

‘De natuur’, de fysieke evolutiekracht, zou zonder hulp nooit verstand kunnen ontwikkelen – ze kan alleen ‘redeloze vormen’ scheppen, zoals men zal zien in deel 2, ‘Het ontstaan van de mens’. De ‘maanmonaden’ kunnen geen vorderingen maken, omdat ze nog niet voldoende contact hebben gehad met de door de ‘natuur’ geschapen vormen om door middel daarvan ervaring te kunnen opdoen. De manasadhyani’s overbruggen deze kloof, en ze vertegenwoordigen in deze ronde de evolutiekracht van verstand en denkvermogen, de schakel tussen ‘geest’ en ‘stof’.

Men moet bedenken dat de monaden die in de eerste ronde aan de evolutiecyclus op bol A beginnen, zich in heel verschillende ontwikkelingsstadia bevinden. De zaak wordt dus wat gecompliceerd. Laten we deze nu samenvatten.

De meest ontwikkelde monaden (de maanmonaden) bereiken het menselijk kiemstadium in de eerste ronde; ze worden tegen het einde van de derde ronde aardse, hoewel heel etherische mensen, blijven op de bol tijdens de ‘verduisterings’periode als de zaden voor de toekomstige mensheid in de vierde ronde, en worden zo de pioniers van de mensheid bij het begin van de huidige vierde ronde. Anderen bereiken het menselijk stadium pas tijdens latere ronden, d.w.z. in de tweede, de derde, of in de eerste helft van de vierde ronde. En ten slotte zullen de meest vertraagden, d.w.z. diegenen die na het keerpunt halverwege de vierde ronde nog gebruikmaken van diervormen, tijdens dit manvantara helemaal geen mensen worden. Ze zullen pas bij het afsluiten van de zevende ronde de grens van het menszijn bereiken, om na pralaya op hun beurt in een nieuwe keten te worden binnengeleid – door oudere pioniers, de voorouders van de mensheid, of de zaad-mensheid (sishta), namelijk de mensen die aan het einde van deze ronden aan het hoofd van allen zullen staan.

De lezer heeft nauwelijks verdere toelichting nodig over de rol die in het evolutieplan door de vierde bol en de vierde ronde wordt gespeeld.

Uit de voorgaande diagrammen, die met de nodige aanpassingen kunnen worden toegepast op de ronden, de bollen of de rassen, kan men zien dat het vierde lid van een reeks een unieke plaats inneemt. In tegenstelling tot de andere heeft de vierde op hetzelfde gebied geen tweede bol naast zich, en hij vormt dus het steunpunt van de ‘balans’ die door de hele keten wordt weergegeven. Dit is de bol waar de evolutionaire aanpassingen uiteindelijk plaatsvinden, de wereld van de karmische weegschalen, de rechtszaal, waar de balans wordt opgemaakt die de toekomstige weg van de monade bepaalt tijdens de haar resterende incarnaties in de cyclus. En daarom kunnen monaden het mensenrijk niet langer binnengaan nadat dit keerpunt in de grote cyclus is gepasseerd – d.w.z. na het punt halverwege het vierde ras in de vierde ronde op onze bol. Wat deze cyclus betreft is de deur gesloten en de balans opgemaakt. Want als het anders zou zijn – als er een nieuwe ziel zou zijn geschapen voor ieder van de talloze miljarden mensen die zijn gestorven, en als er geen reïncarnatie zou zijn geweest – dan zou het ongetwijfeld moeilijk worden om ruimte te bieden aan de ontlichaamde ‘geesten’, en de herkomst en de oorzaak van het lijden zouden nooit kunnen worden verklaard. Het ontstaan van het materialisme en het atheïsme, als protest tegen de beweerde goddelijke orde van de dingen, moet worden toegeschreven aan onbekendheid met occulte leringen en aan het opdringen van onjuiste opvattingen onder het mom van religieus onderwijs.

De enige uitzondering op de zojuist genoemde regel vormen de ‘rassen zonder spraak’, waarvan de monaden al in het menselijk stadium verkeren, want deze ‘dieren’ kwamen later dan de mens, en stammen zelfs half van hem af. De laatste afstammelingen van eerstgenoemden zijn de mensapen en de andere apen. Deze ‘menselijke verschijningsvormen’ zijn in feite niets anders dan vervormde kopieën van de vroege mensheid. Hieraan zal echter uitvoerig aandacht worden besteed in het volgende deel.

De Toelichting zegt ongeveer het volgende:

1. ‘Elke vorm op aarde, en elk stofje (atoom) in de ruimte, volgt bij zijn streven naar zelfvorming zoveel mogelijk het model dat daarvoor in dehemelse mensis gegeven. . . . Zijn involutie en evolutie (nl. van het atoom), zijn uiterlijke en innerlijke groei en ontwikkeling, hebben alle één en hetzelfde doel – de mens; de mens als de hoogste fysieke en uiteindelijke vorm op deze aarde; de monade, in haar absolute totaliteit en haar ontwaakte toestand – als de culminatie van de goddelijke incarnaties op aarde.

2. ‘De dhyani’s (pitri’s) zijn zij die hun bhuta (dubbel) uit zichzelf hebben ontwikkeld, en dit rupa (vorm) is het voertuig van die monaden (zevende en zesde beginsel) geworden die hun cyclus van transmigratie in de drie voorafgaande kalpa’s (ronden) hadden voltooid. Daarna werden zij (de astrale dubbelen) de mensen van het eerste mensenras van de ronde. Maar ze waren onvolkomen, en zonder rede.’

Dit zal in de volgende delen worden toegelicht. Intussen heeft de mens – of beter gezegd zijn monade – vanaf het eerste begin van deze ronde op aarde bestaan. Maar tot aan ons eigen vijfde ras hebben de uiterlijke vormen die deze goddelijke astrale dubbelen omhulden, zich in elk onderras gewijzigd en geconsolideerd. Tegelijkertijd veranderden de vorm en de fysieke bouw van de fauna, omdat deze moesten worden aangepast aan de steeds wisselende levensomstandigheden op deze bol tijdens de geologische perioden van zijn wordingscyclus. En zo zullen ze blijven veranderen, in elk wortelras en elk hoofd-onderras, tot aan het laatste van het zevende wortelras in deze ronde.

3. ‘De innerlijke, nu verborgen, mens was toen (in het begin) de uiterlijke mens. Als nakomeling van de dhyani’s (pitri’s) was hij ‘de zoon, gelijk zijn vader’. Zoals de lotus in zijn uiterlijke gedaante geleidelijk de vorm aanneemt van het erbinnen gelegen model, zo ontwikkelde de vorm van de mens zich aanvankelijk van binnen naar buiten. Na de cyclus waarin de mens zich begon voort te planten op de manier van het tegenwoordige dierenrijk, vond het tegenovergestelde plaats. De menselijke foetus volgt nu in zijn gedaanteveranderingen alle vormen die het fysieke omhulsel van de mens tijdens de drie kalpa’s (ronden) had aangenomen bij de aarzelende pogingen van de redeloze, want onvolmaakte, en zich blindelings bewegende stof, om een plastische vorm rond de monade op te bouwen. In het huidige tijdperk is het fysieke embryo een plant, een reptiel, een dier, voordat het ten slotte een mens wordt, die op zijn beurt in zichzelf zijn eigen etherische tegenhanger ontwikkelt. In het begin raakte die tegenhanger (de astrale mens), die zonder rede was, verwikkeld in het netwerk van de stof.’

Maar deze ‘mens’ behoort tot de vierde ronde. Zoals we hebben aangetoond, is de monade tijdens de drie voorafgaande ronden door alle overgangsvormen en door alle natuurrijken gegaan en gereisd, en is erin gevangen geweest. Maar de monade die menselijk wordt, is niet de mens. In deze ronde worden eenheden van welk natuurrijk dan ook – afgezien van een hierna te noemen uitzondering – niet langer bezield door monaden die bestemd zijn om in hun volgende stadium menselijk te worden, maar alleen door de lagere elementalen van hun verschillende rijken.14 De genoemde uitzondering betreft de hoogste zoogdieren na de mens, de mensapen15, die bestemd zijn om tijdens ons huidige ras uit te sterven, wanneer hun monaden zullen worden bevrijd en de astrale menselijke vormen (of de hoogste elementalen)16 van het zesde en het zevende ras zullen binnengaan, en daarna de laagste menselijke vormen van de vijfde ronde.

De laatste menselijke monade die incarneerde deed dit vóór het begin van het vijfde wortelras. De cyclus van metempsychose is voor de menselijke monade gesloten, want we zijn in de vierde ronde en in het vijfde wortelras. De lezer moet bedenken – tenminste als hij het boek Esoteric Buddhism kent – dat de stanza’s die in dit deel en in deel 2 volgen, alleen spreken over de ontwikkeling in onze vierde ronde. Laatstgenoemde is de cyclus van het keerpunt, waarna de stof, die haar dieptepunt heeft bereikt, begint omhoog te streven en met elk nieuw ras en met elke nieuwe cyclus verder wordt vergeestelijkt. De lezer moet daarom ervoor oppassen geen tegenstrijdigheid te zien als die er niet is, want in Esoteric Buddhism wordt gesproken over de ronden in het algemeen, terwijl hier alleen de vierde, of onze tegenwoordige, ronde wordt bedoeld. Toen ging het om de vorming, nu om de hervorming en vervolmaking door evolutie.

Om dit hoofdstuk over verschillende, maar onvermijdelijke misvattingen te besluiten, verwijzen we nog naar een verklaring in Esoteric Buddhism die een heel noodlottige invloed op het denken van veel theosofen heeft gehad. Eén ongelukkige zin uit het zojuist genoemde boek wordt voortdurend naar voren gebracht om te bewijzen dat de leer materialistisch is. Op blz. 48 van de 5de druk zegt de schrijver in verband met de ontwikkeling van de organismen op de bollen dat ‘het mineralenrijk zich evenmin tot het plantenrijk zal ontwikkelen . . . als de aarde, vóór ze daartoe een impuls ontving, de mens uit de aap kon ontwikkelen’.

Of deze zin letterlijk de gedachte van de schrijver weergeeft, of alleen maar (zoals wij denken) een schrijffout is, zal wel altijd een open vraag blijven.

We waren echt verbaasd te constateren dat Esoteric Buddhism door sommige theosofen zo slecht was begrepen dat ze op grond daarvan geloofden dat het boek de evolutieleer van Darwin, vooral de theorie van de afstamming van de mens van een aapachtige voorvader, volledig ondersteunde. Zoals een lid schrijft: ‘Ik neem aan dat u zich realiseert dat driekwart van de theosofen en zelfs buitenstaanders denken dat, zover het de evolutie van de mens betreft, het darwinisme en de theosofie het volkomen eens zijn.’ We hebben ons zoiets nooit gerealiseerd, en daartoe geeft Esoteric Buddhism, zover we weten, ook weinig aanleiding. We hebben herhaaldelijk verklaard dat de evolutie, zoals onderwezen door Manu en Kapila, de basis vormde van de moderne leringen, maar noch het occultisme noch de theosofie hebben ooit de wilde theorieën van de huidige darwinisten ondersteund – en wel allerminst die over de afstamming van de mens van een aap. Hierover later meer. Men hoeft alleen maar blz. 57 van de 5de druk van Esoteric Buddhism op te slaan, om daar de mededeling te vinden dat ‘de mens behoort tot een natuurrijk dat duidelijk gescheiden is van dat van de dieren’. Met zo’n duidelijke en ondubbelzinnige verklaring voor ogen is het erg vreemd dat zorgvuldige lezers zich zo hebben laten misleiden, tenzij ze de schrijver ervan willen beschuldigen in grove tegenspraak met zichzelf te zijn.

Elke ronde herhaalt op een hogere trap het evolutiewerk van de voorafgaande ronde. Met uitzondering van enkele van de zojuist genoemde hogere mensapen, is de toevloed van monaden, of de innerlijke evolutie, tot het volgende manvantara geëindigd. Het kan niet vaak genoeg worden herhaald dat de volledig ontwikkelde menselijke monaden eerst hun bestemming moeten vinden, vóór de nieuwe oogst van kandidaten op deze bol verschijnt bij het begin van de volgende cyclus. Er is dus een rustperiode, en daarom verschijnt de mens tijdens de vierde ronde op aarde eerder dan de dieren. We zullen dit hieronder toelichten.

Men houdt echter nog steeds vol dat de schrijver van Esoteric Buddhism altijd al ‘het darwinisme heeft gepredikt’. Bepaalde passages schijnen deze conclusie ongetwijfeld te ondersteunen. Bovendien zijn de occultisten bereid een deel van de hypothesen van Darwin als juist te erkennen, namelijk wat betreft de later gegeven details en de secundaire evolutiewetten, en voor de periode na het keerpunt van het vierde ras. Over wat er heeft plaatsgevonden, kan de natuurwetenschap in feite niets weten, want zulke zaken liggen geheel buiten haar onderzoeksterrein. Maar de occultisten hebben nooit erkend, en zullen nooit erkennen, dat de mens in deze of in een andere ronde een aap was, of dat hij er ooit een zou kunnen zijn, hoe ‘aapachtig’ hij misschien ook is geweest. Daarvoor wordt juist ingestaan door de autoriteit van wie de schrijver van Esoteric Buddhism zijn informatie ontving.

Men confronteert de occultisten wel eens met de volgende regels uit het bovengenoemde boek: ‘Het is genoeg om aan te tonen dat we ons met evenveel recht een levensimpuls kunnen voorstellen die een mineraalvorm doet ontstaan – en dat moeten we wel doen, als we over deze zaken willen praten – als dat dezelfde soort impuls dient om een ras van apen te verheffen tot een ras van rudimentaire mensen’ (blz. 46). De occultisten antwoorden degenen die deze passage naar voren brengen als bewijs van ‘onmiskenbaar darwinisme’, door te verwijzen naar de verklaring van de meester (de ‘leraar’ van Sinnett), die deze regels zou tegenspreken, indien ze waren geschreven in de geest die men eraan toekent. Een afschrift van deze brief werd, samen met andere, twee jaar geleden (1886) naar de schrijfster gezonden, voorzien van kanttekeningen om daaruit in De geheime leer te citeren. De brief begint met een beschouwing over het probleem waarop de westerse onderzoeker stuit als hij sommige eerder meegedeelde feiten in overeenstemming probeert te brengen met de evolutie van de mens uit het dier, d.w.z. uit het mineralen-, planten- en dierenrijk, en raadt de onderzoeker aan om zich te houden aan de leer van de analogie en van de overeenkomsten. Dan brengt de brief kort het mysterie ter sprake dat de deva’s, en zelfs de goden, door toestanden moeten heengaan die, zoals was afgesproken, zouden worden aangeduid als ‘immetallisatie, inherbatie, inzoönisatie en ten slotte incarnatie’, en verklaart dit door te wijzen op de onvermijdelijkheid van mislukkingen, zelfs in de etherische rassen van de dhyani-chohans. Daarover zegt de brief:

‘Maar, omdat deze ‘mislukten’ spiritueel te ver gevorderd zijn om met geweld uit het dhyani-chohanschap te worden teruggeworpen in de maalstroom van een nieuwe oorspronkelijke evolutie door de lagere natuurrijken . . .’ Daarna wordt alleen maar een wenk gegeven over het mysterie in de allegorie van de gevallen asura’s, dat in deel 2 uitvoerig zal worden verklaard. Wanneer karma hen in het menselijk evolutiestadium heeft bereikt, ‘zullen ze dit tot de laatste druppel toe moeten drinken uit de bittere beker van vergelding. Dan worden ze een actieve kracht en vermengen zich met de elementalen, of gevorderde entiteiten uit het zuivere dierenrijk, om geleidelijk de menselijke soort volledig te ontwikkelen.’17

Zoals we zien, gaan deze dhyani-chohans niet zoals de lagere pitri’s door de drie natuurrijken heen, en ze incarneren ook niet in de mens vóór het derde wortelras. De leer luidt als volgt:

In de eerste ronde en het eerste ras op bol D, onze aarde, was de mens een etherisch wezen (een maan-dhyani, als mens), niet verstandelijk maar heel spiritueel; en was dat overeenkomstig de wet van analogie ook in het eerste ras van de vierde ronde. In elk van de daaropvolgende rassen en onderrassen . . . groeit hij steeds meer uit tot een omhuld of geïncarneerd wezen, maar is nog altijd overwegend etherisch. . . . Hij is geslachtloos en ontwikkelt, evenals dieren en planten, enorme lichamen, in overeenstemming met zijn grovere omgeving.

2de ronde. Hij (de mens) is nog altijd gigantisch en etherisch, maar hij wordt lichamelijk steviger en verdicht zich tot een meer fysieke mens. Toch is hij nog steeds minder verstandelijk dan spiritueel (1), want de evolutie van het verstand verloopt langzamer en moeizamer dan die van het fysieke omhulsel . . .

3de ronde. Hij heeft nu een volkomen vast of stevig lichaam, en aanvankelijk de vorm van een reuzenaap; hij is nu meer verstandelijk, of beter gezegd sluw, dan spiritueel. Op de neergaande boog heeft hij nu een punt bereikt waar zijn oorspronkelijke spiritualiteit door zijn opkomende verstandelijkheid wordt verduisterd of overschaduwd (2). In de laatste helft van de derde ronde wordt zijn reuzengestalte kleiner, en krijgt zijn lichaam meer structuur, en hij wordt verstandelijker, hoewel nog steeds meer een aap dan een deva. . . . (Dit alles wordt vrijwel precies herhaald in het derde wortelras van de vierde ronde.)

4de ronde. In deze ronde maakt het verstand een enorme ontwikkeling door. De (tot nu toe) stomme rassen verkrijgen onze (tegenwoordige) menselijke spraak op deze bol, waarop vanaf het vierde ras de taal wordt vervolmaakt en de kennis toeneemt. Halverwege de vierde ronde (vanaf het vierde, of Atlantische, wortelras) passeert de mensheid het keerpunt van de kleine manvantarische cyclus . . . terwijl de wereld vol is met de gevolgen van verstandelijke activiteit en verminderde spiritualiteit. . . .’18

Dit komt uit de authentieke brief; nu volgen de latere opmerkingen en toegevoegde verklaringen van dezelfde hand in de vorm van voetnoten.

‘(1) . . . De oorspronkelijke brief bevatte algemene leringen – een ‘overzicht in vogelvlucht’ – en gaf geen details. . . . Als men zou spreken over ‘de fysieke mens’, terwijl men de uiteenzetting beperkt tot de eerste ronden, zou men terugkeren tot de wonderbaarlijke en plotseling verschijnende ‘rokken van vellen’. . . . Hier werd bedoeld: de eerste ‘natuur’, het eerste ‘lichaam’, het eerste ‘denkvermogen’ op het eerste waarnemingsgebied, op de eerste bol, in de eerste ronde. Want karma en evolutie hebben

‘. . . in onze bouw zulke vreemde uitersten gelegd!
Uit verschillende naturen19, wonderlijk gemengd . . .’

(2) Lees hiervoor: hij heeft nu het punt bereikt (naar analogie, en als het derde wortelras in de vierde ronde) waar zijn (nl. van de ‘engel’mens) oorspronkelijke spiritualiteit wordt verduisterd en overschaduwd door zijn opkomende menselijke verstandelijkheid, en u heeft heel in het kort de juiste interpretatie. . . .’

Dit zijn de woorden van de leraar – tekst, woorden en zinnen tussen haakjes, en verklarende voetnoten. Het spreekt vanzelf dat de betekenis van termen zoals ‘objectiviteit’ en ‘subjectiviteit’, ‘stoffelijkheid’ en ‘spiritualiteit’, enorm verschilt wanneer ze worden toegepast op verschillende bestaans- en waarnemingsgebieden. Dit alles moet in relatieve zin worden opgevat. En het is daarom niet verwonderlijk dat een schrijver die wordt overgelaten aan zijn eigen speculaties, en die nog onervaren is in deze diepzinnige leringen, een fout maakt, al was hij nog zo leergierig. In de ontvangen brieven was het verschil tussen de ‘ronden’ en de ‘rassen’ ook onvoldoende omschreven, en iets dergelijks was vóór die tijd ook niet nodig, omdat de gewone leerling in het Oosten het verschil ogenblikkelijk zou hebben ontdekt. Bovendien, om een brief van de meester (188-) te citeren, ‘waren de leringen onder protest meegedeeld. . . . Ze waren zogezegd smokkelwaar . . . en toen ik nog maar met één correspondent te maken had, had de andere, de heer . . ., de zaak dusdanig verward dat er niet veel méér kon worden gezegd zonder de wet te overtreden.’ Theosofen ‘die dit aangaat’ zullen wel begrijpen wat hier wordt bedoeld.

Dit alles komt erop neer dat in de ‘brieven’ nooit iets was gezegd dat de bewering kon rechtvaardigen dat de occulte leer ooit de belachelijke hedendaagse theorie heeft verkondigd (of dat een adept hierin heeft geloofd) over de afstamming van de mens van een gemeenschappelijke voorouder van de mens en de mensaap – een antropoïde van de huidige diersoort – tenzij deze bewering figuurlijk wordt bedoeld. Tot op de dag van vandaag zijn er veel meer ‘aapachtige mensen’ in de wereld dan ‘mensachtige apen’ in de bossen. De aap is in India heilig, omdat de ingewijden zijn oorsprong goed kennen, hoewel die onder een dichte sluier van allegorieën verborgen is. Hanuman is de zoon van Pavana (Vayu, ‘de god van de wind’) bij Añjana, een monster genaamd Kesari, hoewel van zijn afstamming verschillende versies worden gegeven. De lezer die dit in gedachte houdt, zal de volledige verklaring van deze vindingrijke allegorie op verschillende plaatsen in deel 2 vinden. De ‘mensen’ van het derde ras (die zich scheidden) waren ‘goden’ door hun spiritualiteit en zuiverheid, hoewel als mens redeloos, en nog zonder verstand.

Deze ‘mensen’ van het derde ras – de voorouders van de Atlantiërs – waren aapachtige, in verstandelijk opzicht redeloze reuzen, evenals de wezens die tijdens de derde ronde de mensheid vertegenwoordigden. Deze moreel niet verantwoordelijke ‘mensen’ van het derde ras schiepen door vrije relaties met lager staande diersoorten die ontbrekende schakel die eeuwen later (pas in het tertiair) de verre voorouder werd van de eigenlijke aap zoals we die nu in de familie van de pithecoïden aantreffen.20

De eerder gegeven leringen, hoe onbevredigend, vaag en fragmentarisch die ook waren, verkondigden dus niet dat de ‘mens’ uit de ‘aap’ was geëvolueerd. De schrijver van Esoteric Buddhism beweert dit ook nergens met zoveel woorden in zijn boek; maar door zijn voorliefde voor de moderne wetenschap gebruikt hij uitdrukkingen die zo’n conclusie misschien zouden rechtvaardigen. De mens die aan het vierde – het Atlantische – ras is voorafgegaan, kon denken en reeds spreken, hoewel hij er fysiek toch als een ‘reusachtige aap’ kan hebben uitgezien – ‘de schijn van een mens zonder de bezieling van een mens’.21 Het ‘Lemurisch-Atlantische ras’ had een hoge beschaving, en als men de overlevering gelooft, die historisch betrouwbaarder is dan de speculatieve verhalen die nu daarvoor doorgaan, dan stond dit ras hoger dan wij met al onze wetenschappen en met de huidige gedegenereerde beschaving: dit geldt in ieder geval voor de Lemuro-Atlantiër van het einde van het derde ras.

En nu keren we terug naar de stanza’s.

Noten

  1. Het occultisme deelt de perioden van rust (pralaya) in verschillende soorten in: er is de individuele pralaya van elke bol, als de mensheid en het leven overgaan naar de volgende bol; er zijn zeven kleine pralaya’s in elke ronde; er is de planetaire pralaya, wanneer zeven ronden zijn voltooid; de zonne-pralaya, wanneer het hele stelsel ten einde is; en ten slotte de universele maha- of Brahma-pralaya bij het afsluiten van de ‘eeuw van Brahma’. Dit zijn de belangrijkste pralaya’s of ‘perioden van vernietiging’. Er zijn veel andere, kleine pralaya’s, maar daarmee houden we ons nu niet bezig.
  2. We zijn gedwongen hier het misleidende woord ‘mensen’ te gebruiken, en dit is een duidelijk bewijs dat een Europese taal weinig geschikt is om deze subtiele verschillen uit te drukken.
    Het spreekt vanzelf dat deze ‘mensen’ niet leken op de mensen van nu, noch wat vorm noch wat aard betreft. Waarom worden ze dan toch ‘mensen’ genoemd? Omdat er geen andere term in enige westerse taal bestaat die bij benadering het bedoelde denkbeeld juist weergeeft. Het woord ‘mensen’ geeft tenminste nog aan dat deze wezens ‘manu’s’ waren, denkende wezens, hoeveel ze ook in vorm en intellect van ons verschilden. Maar in werkelijkheid waren ze, wat spiritualiteit en verstand betreft, eerder ‘goden’ dan ‘mensen’.
    Hetzelfde probleem met de taal ontmoet men bij het beschrijven van de ‘stadia’ waar de monade doorheen gaat. Metafysisch gesproken is het natuurlijk absurd om te spreken over de ‘ontwikkeling’ van een monade, of te zeggen dat ze ‘mens’ wordt. Maar elke poging om bij het gebruiken van een taal als de onze de metafysische nauwkeurigheid van de formuleringen te behouden, zou minstens drie extra delen van dit boek nodig maken, en een grote hoeveelheid herhalingen met zich meebrengen, en dat zou uitermate vermoeiend zijn. Het spreekt vanzelf dat een monade noch vorderingen kan maken, noch zich kan ontwikkelen, of zelfs kan worden beïnvloed door de veranderingen van toestand die ze doormaakt. Ze is niet van deze wereld of dit gebied, en kan alleen worden vergeleken met een onvernietigbare ster van goddelijk licht en vuur, die op onze aarde is neergeworpen als een reddingsplank voor de persoonlijkheden waarin ze woont. Laatstgenoemden moeten zich eraan vastklampen, en, door deel te hebben aan haar goddelijke natuur, onsterfelijkheid verkrijgen. Aan zichzelf overgelaten zal de monade zich aan niemand vastklampen, maar, evenals de ‘plank’, door de rusteloze stroom van evolutie naar een andere incarnatie worden gedreven.
  3. Zie afdeling 3, hfst. 15, ‘Goden, monaden, en atomen’, blz. 675ev.
  4. De uitdrukking ‘tijdperk van de mens’ wordt hier gebruikt wegens de noodzaak om dat vierde natuurrijk, dat op het dierenrijk volgt, een naam te geven. Maar in werkelijkheid is de ‘mens’ op bol A tijdens de eerste ronde geen mens, maar alleen zijn oervorm of dimensieloze beeld uit de astrale gebieden.
  5. Blz. 48-9, 5de druk, 1885.
  6. Op.cit., blz. 49.
  7. H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, 2:243-6.
  8. ‘Fysiek’ betekent hier gedifferentieerd voor kosmische doeleinden en kosmisch werk; die ‘fysieke kant’ is, hoewel objectief voor bewuste waarneming door wezens uit andere gebieden, toch geheel subjectief voor ons op ons gebied.
  9. Five Years of Theosophy, blz. 276; H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, 2:245.
  10. Five Years of Theosophy, blz. 276; H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, 2:245.
  11. Five Years of Theosophy, blz. 273-4; H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, 2:243.
  12. Voor de laatste twee alinea’s vgl. H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, 2:243-4.
  13. Zie de ‘Conclusie’ in deel 2, blz. 494-505.
  14. De natuur herhaalt zich nooit, daarom bestonden de mensapen van nu niet vóór het midden van het mioceen, toen ze, evenals alle mengrassen, in de loop van de tijd steeds meer en steeds duidelijker de neiging begonnen te vertonen om terug te keren tot het type van hun eerste voorouder, de reusachtige zwarte en gele Lemuro-Atlantiër. Het is zinloos om naar de ‘ontbrekende schakel’ te zoeken. Over miljoenen en miljoenen jaren zullen onze huidige rassen, of beter gezegd hun fossielen, door de wetenschappers van het dan ten einde lopende zesde wortelras als een ras van kleine onbetekenende apen worden beschouwd – een uitgestorven soort van het genus homo.
  15. Deze mensapen vormen een uitzondering, omdat ze niet door de natuur waren bedoeld, maar het rechtstreekse voortbrengsel en de schepping zijn van de ‘redeloze’ mens. De hindoes kennen aan de apen en mensapen een goddelijke oorsprong toe, omdat de mensen van het derde ras goden waren van een ander gebied, die ‘redeloze’ stervelingen waren geworden. Dit onderwerp is al 12 jaar geleden in Isis ontsluierd aangeroerd, en wel zo duidelijk als toen mogelijk was. In deel 2 daarvan, blz. 327-8, wordt de lezer verwezen naar de brahmanen, als hij de reden zou willen weten van de eerbied die ze voor de apen hebben. Want dan zou hij (de lezer) ‘misschien te weten komen – als de brahmaan hem een verklaring waardig zou achten – dat de hindoe in de aap alleen ziet wat Manu wilde dat hij erin zou zien: de vormverandering van de soort die het nauwst verwant is aan de menselijke familie, een bastaardtak die vóór de laatste vervolmaking van de menselijke stam daarop was geënt. Hij zou verder te weten kunnen komen dat volgens de opvatting van de ontwikkelde ‘heiden’ de spirituele of innerlijke mens iets anders is dan zijn aardse fysieke omhulsel. Die fysieke natuur, die grote combinatie van samenhangende fysieke krachten die langzaam op weg is naar volmaking, moet gebruikmaken van het beschikbare materiaal; al voortgaande schept ze telkens nieuwe vormen. Ten slotte zet ze de kroon op haar werk bij de mens, en alleen hem biedt ze aan als een waardige tabernakel om door de goddelijke geest te worden overschaduwd.’
    Bovendien wordt in een voetnoot op dezelfde bladzijde een Duits wetenschappelijk boek genoemd. De voetnoot zegt dat een wetenschapper uit Hannover (Julius Wiegand) in 1872 ‘een boek had uitgegeven, getiteld Über die Auflösung der Arten durch natürliche Zuchtwahl, waarin hij met grote scherpzinnigheid aantoont dat Darwin het helemaal mis had door de mens te laten afstammen van de aap. Hij beweert dat de aap zich daarentegen uit de mens heeft ontwikkeld; dat de mensheid in het begin door haar schoonheid van gestalte, regelmaat van gelaatstrekken, schedelontwikkeling, gevoelsadel, heldhaftige drijfveren, en door de grootsheid van haar ideële opvattingen, moreel en fysiek de grondvorm was van ons huidige ras, en van de menselijke waardigheid. Dit is zuiver brahmaanse, boeddhistische en kabbalistische filosofie. Zijn boek is rijk geïllustreerd met diagrammen, tabellen, enz. Hij zegt dat de geleidelijke verlaging en ontaarding van de mens, zowel moreel als fysiek, gemakkelijk door de etnologische transformaties tot in onze tijd toe kan worden nagegaan. En zoals één gedeelte al tot apen is ontaard, zo zal de beschaafde mens van deze tijd ten slotte, op basis van de werking van de onvermijdelijke wet van noodzakelijkheid, eveneens door soortgelijke nakomelingen worden opgevolgd. Indien we de toekomst kunnen beoordelen naar het heden, dan schijnt het beslist mogelijk te zijn dat een zo niet-spirituele en materialistische groep als onze natuurkundigen ten slotte eerder apen dan serafijnen zullen worden.’ Maar hoewel de apen van de mens afstammen, is het beslist niet waar dat de menselijke monade, die eenmaal het peil van de mensheid heeft bereikt, ooit weer in de vorm van een dier zal incarneren.
  16. Deze ‘elementalen’ zullen op hun beurt menselijke monaden worden, maar pas in het volgende grote planeet-manvantara.
  17. Noot vert.: Vgl. De mahatma brieven aan A.P. Sinnett, blz. 95.
  18. Noot vert.: Vgl. De mahatma brieven aan A.P. Sinnett, blz. 95-6.
  19. Hier worden bedoeld de naturen van de zeven hiërarchieën of klassen van pitri’s en dhyani-chohans, waaruit onze aard en ons lichaam zijn samengesteld.
  20. Als de lezer denkt dat dit in strijd is met die andere bewering dat de dieren later kwamen dan de mens, dan wordt hij eraan herinnerd dat alleen de zoogdieren met placenta worden bedoeld. In die tijd waren er dieren waarvan de huidige dierkunde zelfs niet droomt, en de manieren van voortplanting kwamen niet overeen met de denkbeelden die de moderne fysiologie over dit onderwerp heeft. Zulke onderwerpen zijn niet zo geschikt om in het openbaar te bespreken, maar er is geen sprake van tegenstrijdigheid of onmogelijkheid.
  21. Shakespeare, Henry IV, 5de bedrijf, 4de toneel.

De geheime leer, 1:199-220
isbn 9789491433238, gebonden, 4de herziene druk 2019, bestel boek

© 2019 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag