H.P. Blavatsky begint het eerste hoofdstuk van
Isis Unveiled (1:1) met de volgende woorden:
Er bestaat ergens in deze wijde wereld
een heel oud boek – zo oud dat onze hedendaagse oudheidkundigen
een onbepaalde tijd over zijn bladzijden zouden kunnen nadenken en
het toch niet geheel eens worden over de aard van het materiaal waarop
het is geschreven. Het is het enige oorspronkelijke exemplaar dat
nu bestaat. Het oudste Hebreeuwse document over occulte kennis –
de Siphrah Dzeniouta – werd eruit samengesteld, en
dat in een tijd toen het eerstgenoemde al werd beschouwd als een literair
overblijfsel.
Vervolgens omschrijft ze een van de illustraties
in het boek die het emaneren van Adam uit de goddelijke essentie voorstelt.1
In De Geheime Leer (1:26-7) schrijft Blavatsky:
Dit ‘heel oude boek’ is het
origineel waaruit de vele delen van Kiu-ti werden samengesteld.
Niet alleen dit laatstgenoemde en de Siphrah Dzeniouta, maar
zelfs de Sepher Jezirah, dat door de hebreeuwse kabbalisten
werd toegeschreven aan hun aartsvader Abraham(!), het boek Shu-king,
China’s oorspronkelijke bijbel, de heilige boeken van de Egyptische
Thoth-Hermes, de Purana’s in India, het Chaldeeuwse Boek
van de Getallen en de Pentateuch zelf, zijn allemaal
ontleend aan dat ene oorspronkelijke boekje. Volgens de traditie werd
het opgeschreven in het Senzar, de geheime priestertaal,
naar de woorden van de goddelijke wezens die het bij het eerste begin
van het vijfde (ons) ras dicteerden aan de zonen van het licht in
Midden-Azië.
In een artikel met als titel ‘The Secret
Books of ‘Lam-Rim’ and Dzyan’, dat pas na haar overlijden
werd gepubliceerd, zegt Blavatsky dat het Boek van Dzyan, waarop
De Geheime Leer is gebaseerd, een van de delen is van Kiu-te:
Het Boek van Dzyan – van
het Sanskrietwoord ‘dhyana’ (mystieke meditatie) –
is het eerste deel van de toelichtingen op de zeven geheime boeken
van Kiu-te, en een verklarende woordenlijst op de openbare
werken van dezelfde naam. Vijfendertig delen van Kiu-te zijn
voor exoterisch gebruik en ten dienste van de leken in de bibliotheek
van ieder klooster als eigendom van de Tibetaanse Gelugpa-lama’s
te vinden, alsmede veertien boeken met toelichtingen en aantekeningen
daarop door de ingewijde leraren.
Strikt genomen zou men deze vijfendertig
delen ‘de volksuitgave’ van de geheime leer moeten noemen,
vol mythen, sluiers en dwalingen; de veertien delen Toelichtingen
daarentegen – met hun vertalingen, aantekeningen en een uitvoerige
verklarende lijst van occulte termen, uitgewerkt volgens een klein
archaïsch werk, het Boek van de geheime wijsheid van de wereld
– bevatten een samenvatting van alle occulte wetenschappen.
Deze worden, naar het schijnt, geheim en afzonderlijk bewaard en berusten
onder de Teshu Lama van Shigatse. De Boeken van Kiu-te zijn
betrekkelijk jong, omdat ze in de loop van de laatste duizend jaar
zijn geredigeerd, terwijl de oudste delen van de Toelichtingen
onmetelijk oud zijn . . .2
G. de Purucker maakt de volgende opmerkingen over
het Boek van Dzyan:
Het Boek van Dzyan als een tastbare rol
of boek of manuscript, . . . is, zoals H.P.B. zegt, niet erg oud,
waarschijnlijk ongeveer duizend jaar en maakt deel uit van een min
of meer algemeen bekende, zelfs exoterisch bekende reeks Tibetaanse
werken, Kiu-ti genaamd . . . De inhoud echter van het Boek van Dzyan,
wat eenvoudig de Tibetaanse of Mongoolse uitspraak van het Sanskrietwoord
dhyana is, is heel oud, zelfs zeer archaïsch en voert terug tot
in Atlantische tijden en zelfs nog verder terug wat de leringen betreft.
. . .
Het Boek van Dzyan is geschreven in het
Tibetaans, althans een deel of het grootste deel ervan, het is doorspekt
met heel wat exoterisch materiaal, maar het echt occulte deel van
het Boek van Dzyan is een van de eerste uit de Kiu-ti boeken en handelt
hoofdzakelijk over kosmogonie en later, geloof ik, in mindere mate
over het ontstaan of het begin van de mensheid.3
Blavatsky stelt dat de stanza’s van Dzyan,
zoals weergegeven in De Geheime Leer, een moderne vertaling
zijn die teksten en verklaringen samenvoegt zodat ze makkelijker te
begrijpen zijn. Ze spreekt van Tibetaanse en Senzarversies van de stanza’s,
en zegt dat uittreksels worden gegeven uit Chinese, Tibetaanse en Sanskrietvertalingen
van de oorspronkelijke Senzartoelichtingen en verklaringen.4
Ze verklaart dat Senzar, de mysterietaal van voorhistorische tijden,
‘de taal is die nu SYMBOLIEK wordt genoemd’.5
Een voorbeeld ervan is de reeks figuren uit ‘een archaïsch
handschrift’ die op de eerste bladzijden van de proloog worden
beschreven (GL 1:31-6) en het aanbreken van een nieuw manvantara
voorstellen.
In de inleiding van De Geheime Leer (1:6-7)
schrijft Blavatsky:
Tot de grootste bezwaren tegen de juistheid
en betrouwbaarheid van het hele boek, en tevens de ernstigste, zal
men de inleidende STANZA’S rekenen: ‘Hoe
kunnen de daarin voorkomende beweringen worden gecontroleerd?’
. . . Het boek van Dzyan (of ‘Dzan’) is volslagen onbekend
aan onze taalkundigen, of in ieder geval hebben zij er onder de tegenwoordige
naam nooit van gehoord.
Ondanks alle informatie die Blavatsky verschafte,
bleef de echte identiteit van de openbare boeken van Kiu-te
tot meer dan 80 jaar na haar dood een mysterie. Het bestaan van zulke
boeken werd in twijfel getrokken en ze werden vaak als een verzinsel
afgewezen. In 1975 heeft H.J. Spierenburg6
echter de Boeken van Kiu-te geïdentificeerd als de Tibetaans
boeddhistische tantra’s – de juiste transliteratie van de
Tibetaanse titel is rGyud-sde, maar ‘Kiu-te’ is
een goede benadering van de uitspraak. In 1981 is een andere theosoof
en wetenschapper, David Reigle, onafhankelijk tot dezelfde conclusie
gekomen over de identiteit van de Boeken van Kiu-te.7
Hij schrijft:
Zoals [Blavatsky] zei, worden ze inderdaad
aangetroffen in de bibliotheek van ieder Tibetaans Gelugpa klooster,
en ook in die van de andere sekten (Kargyudpa, Nyingmapa en Sakyapa),
en ze zijn inderdaad heel occulte werken; ze worden door de hele Tibetaans
boeddhistische traditie beschouwd als de belichaming van de geheime
leringen van Boeddha. . . . alleen de spelling van de term heeft eerdere
pogingen tot identificatie belemmerd.8
De spelling ‘Kiu-te’ (of Khiu-te) is
overgenomen uit de geschriften van de Kapucijner monnik Horace della
Penna. Blavatsky citeert zijn uiterst negatieve opvattingen over de
Boeken van Kiu-te in het artikel ‘The Secret Books of
‘Lam-Rim’ and Dzyan’, en ze worden weerlegd door de
‘Chohan-Lama’, ‘het hoofd van de archiefbewaarders
van de geheime bibliotheken van de dalai en Tashilunpo lama’s-rimpoche’,
in het artikel ‘Tibetan Teachings’, dat op verzoek van Blavatsky
werd geschreven maar pas na haar dood werd gepubliceerd.9
De heilige Tibetaans boeddhistische geschriften
bestaan uit twee afdelingen: de Kanjur, die het Woord van de Boeddha
bevat, en de Tanjur, die toelichtingen bevat. Reigle gelooft dat het
Boek van Dzyan het Mula (wortel-) Kalachakra Tantra
zou kunnen zijn – dat ontbreekt. In plaats van ‘verloren’
te zijn, werd het waarschijnlijk uit de buitenwereld teruggetrokken,
evenals verschillende andere esoterische werken zijn teruggetrokken
of verkort.10 Aangezien Blavatsky beweert
dat het Boek van Dzyan ‘het eerste deel [is] van de toelichtingen
op de zeven geheime boeken van Kiu-te’, is het van betekenis
dat het Laghu- (verkorte) Kalachakra Tantra,
die nog wèl beschikbaar is, altijd als eerste van de
Boeken van Kiu-te wordt geplaatst in uitgaven van de Kanjur.
Het Kalachakra Tantra is het enige boeddhistische tantra waarvan
de inhoud op de kosmogonie en antropogenie van De Geheime Leer
lijkt. Volgens Reigle is ‘dzyan’ een Tibetaanse fonetische
weergave van het Sanskrietwoord jñana (wijsheid), het resultaat
van dhyana (meditatie), en ‘jñana’ is de titel van
het vijfde en laatste hoofdstuk van het Kalachakra Tantra.
Geen van de stanza’s die Blavatsky uit het Boek van Dzyan
aanhaalt is echter tot nu toe aangetroffen in het verkorte Kalachakra
Tantra of in verzen uit het Wortel-Kalachakra Tantra die
in andere boeddhistische geschriften worden geciteerd.
Blavatsky stelt dat het Kalachakra het eerste en
belangrijkste werk in de Gyut (rGyud) afdeling van de Kanjur is, de
afdeling van mystieke kennis.11 Het Kalachakra
Tantra wordt beschouwd als het hoogtepunt van Boeddha’s esoterische
leer, en het is het enige tantra dat direct afkomstig zou zijn uit Sambhala
– dat in theosofische literatuur als het hoofdkwartier van de
Broederschap van adepten wordt beschouwd. Bovendien is de panchen (of
tashi) lama de speciale bewaker van Kalachakra, en zijn klooster, Tashilunpo,
vlakbij Shigatse, is het belangrijkste centrum geweest voor het bestuderen
van Kalachakra in Tibet. Blavatsky vermeldt dat de geheime delen van
Kiu-te berusten onder de tashi lama, met wie haar adept-leraren
nauw verbonden waren. In een brief aan Franz Hartmann uit 1886 schrijft
ze:
Er is aan gene zijde van de Himalaya een
kern van adepten van verschillende nationaliteiten; en de teschu lama
kent hen en zij werken samen, en enkelen van hen zijn bij hem en blijven,
wat hun ware aard betreft, zelfs voor de meeste lama’s onbekend
. . . Mijn Meester en K.H. en verscheidene anderen die ik persoonlijk
ken, zijn daar, en komen en gaan . . .12
In de inleiding van De Stem van de Stilte
zegt Blavatsky dat het werk een vertaling is van uittreksels uit Het
Boek van de Gulden Voorschriften, dat tot dezelfde reeks behoort
als het Boek van Dzyan. In De Stem wordt de vraag
gesteld: ‘Wilt u een yogi van de ‘tijdcyclus’ worden?’
(blz. 27) – ‘tijdcyclus’ of ‘wiel van tijd’
is de letterlijke vertaling van kalachakra. De Stem geeft aan
dat om zo’n yogi te worden, men zich niet op zelfzuchtige wijze
van de wereld moet afzonderen maar het pad van meedogende dienstbaarheid
aan de mensheid zou moeten volgen:
Zaai liefderijke daden en u zult de vruchten
ervan oogsten. Door het niet-verrichten van een barmhartige daad,
verricht men een daad die neerkomt op een doodzonde. . . .
Zult u zich van handelen onthouden? Op
die manier zal uw ziel haar vrijheid niet verwerven. Om nirvana te
bereiken moet men tot zelfkennis komen, en zelfkennis is het kind
van liefdevolle daden. (blz. 28-9)
In 1927 gaven Alice Leighton Cleather en Basil
Crump een herdruk van De Stem van de Stilte uit onder auspiciën
van de Chinese Buddhist Research Society in Peking. In hun voorwoord
zeggen ze dat ze het werk hebben ondernomen op verzoek van de (negende)
panchen lama, ‘als de enige waarheidsgetrouwe uiteenzetting in
het Engels van de hartenleer van het mahayana en zijn edele
ideaal van zelfopoffering voor de mensheid’. De panchen lama schreef
voor die uitgave een korte boodschap over het pad van bevrijding. David
Reigle zegt dat de tijd van de negende panchen lama (1883-1937) een
nieuwe groeiperiode voor de kalachakraleringen leek te betekenen. Tijdens
zijn uitgebreide reizen richtte hij nieuwe kalachakrascholen op in kloosters
in Tibet en Mongolië.
Tijdens zijn verblijf in Peking, China,
heeft hij aan de redacteuren van De Stem van de Stilte een
kleine Kalachakraverhandeling aangeboden, en enkele jaren later, in
1932, heeft hij daar de kalachakra-inwijding aan een enorme menigte
gegeven. Deze grote openbare inwijdingen zijn bedoeld om kandidaten
te kwalificeren om een begin te maken met het bestuderen en beoefenen
van het Kalachakra Tantra, of, volgens de huidige dalai lama,
in ieder geval een karmische band te vormen met de kalachakraleringen.13
De dalai lama gaf de kalachakra-inwijding in Madison,
Wisconsin, in juli 1981, de eerste keer dat ze in het westen was gegeven.
Reigle hoopt dat een Sanskriet- of Tibetaans manuscript
van het Boek van Dzyan in de nabije toekomst beschikbaar zal
worden gesteld, want hierdoor zou de scepcis van de academische gemeenschap
tegenover de theosofie aanzienlijk worden verminderd.14
We kunnen erop vertrouwen dat Het Boek van Dzyan zal worden
vrijgegeven zodra de tijd ervoor rijp is, want de mahatma’s ‘weten
het beste welke kennis het meest geschikt is voor de mensheid in een
bepaald stadium van haar evolutie’.15
Verwijzingen
- Zie De
Mahatma Brieven aan A.P. Sinnett, blz. 51; De Geheime
Leer, 1:26.
- H.P. Blavatsky: Collected Writings,
14:422.
- Aspecten
van de Occulte Filosofie, blz. 458-9.
- De
Geheime Leer, 1:52-3.
- Op. cit., 1:337. Zie ook: Aspecten van
de Occulte Filosofie, blz. 446-7; John Algeo, Senzar: The
mystery of the mystery language, Theosophical History Centre,
1988.
- H.J. Spierenburg, The Buddhism of H.P.
Blavatsky, PLP, 1991, blz. 135-50.
- David Reigle, The Books of Kiu-te or The
Tibetan Buddhist Tantras: A preliminary analysis, Wizards Bookshelf,
1983; David Reigle, ‘New Light on the Book of Dzyan’,
in: Symposium on H.P. Blavatsky’s Secret Doctrine,
Wizards Bookshelf, 1984, blz. 54-67. Zie ook Robert Hütwohl,
‘The Practical Vision of Sri Kalacakra’, The High
Country Theosophist, april 1997, blz. 9-19, dec. 1997, blz. 13.
- Reigle, The Books of Kiu-te, blz.
1.
- Collected Writings, 6:94-112. Zie ook
Jean Overton Fuller, Blavatsky and Her Teachers, East-West
Publications, 1988, blz. 111-2.
- Zie De Geheime Leer, 1:7-19, 98-9,
296-9.
- Collected Writings, 14:402; De
Geheime Leer 1:82vn.
- Charles J. Ryan, H.P.
Blavatsky en de Theosofische Beweging, blz. 115-6. Zie ook:
Collected Writings, 14:425; Theosophical Glossary (1892),
blz. 305.
- Reigle, The Books of Kiu-te, blz.
37.
- The High Country Theosophist, feb.
1995, blz. 29-32, dec. 1995, blz. 246-9.
- Collected Writings, 6:265.
Theosofie,
het Theosofisch Genootschap, theosofen
Uit Impuls
(Nieuwsbrief voor leden van het Theosofisch Genootschap), maart 1999,
nr. 7.
©
1998 Theosophical University Press Agency