Bron van het occultisme / G. de Purucker

Een moderne presentatie van de oude universele wijsheid
gebaseerd op
De Geheime Leer van H.P. Blavatsky

geredigeerd door Grace F. Knoche

isbn 9070328720, gebonden, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever
iets worden overgenomen.

© 2006   Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

 

   
      Inhoudsopgave     

 

De hemelzodiak en de geboorte van een zonnestelsel


H.P. Blavatsky zegt terecht dat onze hele bestemming, zelfs de bestemming van het zonnestelsel en van iedere planeetketen daarin, in de dierenriem staat geschreven en daarom natuurlijk ook in zijn twaalf sterrenbeelden, tekens, huizen of woningen; deze vier termen zijn bijna volledig verwisselbaar en zijn van toepassing op de twaalf delen waarin de dierenriem is verdeeld.* Ik kan hieraan toevoegen dat deze twaalf huizen geen delen zijn van ons zonnestelsel, noch van onze planeetketen.

*Vgl. De Geheime Leer: ‘Cyclische evolutie en karma’ (1:703) en ‘De dierenriem en zijn ouderdom’ (1:718).

De dierenriem is die groep sterrenbeelden die de oude astrologie in twaalf delen verdeelde en die, gezien vanaf de aarde, ons zonnestelsel als een gordel omringt. Elk van deze sterrenbeelden, die samen de twaalf huizen van de dierenriem vormen, is een sterrenhoop die karmisch verenigd zijn door oude banden van lotsbestemming, en die elk hun eigen kenmerkende svabhava hebben – met andere woorden, hun eigen spirituele elektriciteit of fohatisch magnetisme. De dierenriem bevat dus twaalf verschillende soorten kosmisch fohatisch magnetisme, die alle van elkaar verschillen, maar van nature behoren tot en besloten zijn in het meeromvattende spirituele magnetisme of fohat van ons melkwegstelsel of thuisheelal.

In feite heeft iedere monade in het eindeloze bestaan haar eigen kenmerkende spirituele magnetisme, haar eigen magnetische tweepoligheid, die haar individualiteit is. Geen twee mensen zijn identiek: waren ze dat wel, dan zouden er geen twee zijn maar één. Ieder levensatoom heeft eveneens zijn eigen spirituele individualiteit of magnetisme. Het fysieke lichaam van de mens, ja zijn hele constitutie, heeft ook een eigen spiritueel-magnetische svabhava, zoals elk organisme dat heeft, bijvoorbeeld een planeetketen of sterrengroep zoals een sterrenbeeld. Ieder huis van de dierenriem heeft ook zijn eigen svabhava, en daarom zijn karakteristieke mahat of kosmische intelligentie. Met andere woorden, de dierenriem omvat twaalf verschillende polen, d.w.z. polariteiten van spiritueel-intellectueel magnetisme of fohatische elektriciteit, en elk daarvan brengt zijn eigen soort invloeden voort door de emanaties die deze om zich heen uitstort en die zich in de ruimte uitstrekken.

De hele gordel van de dierenriem is een deel van het melkwegstelsel, een verzameling sterrenbeelden waarmee ons zonnestelsel met al zijn begeleidende planeetketens op een bijzondere manier karmisch is verbonden. Dat is de reden dat ze allemaal in groepen zijn verenigd in ons thuisheelal.

Laten we nog eens de geboorte van een zonnestelsel nagaan. De tijd komt dat de neerdalende krachten met hun begeleidende etherische substanties een sluimerend layacentrum in het hart van het melkwegstelsel bezielen. Door de kracht van deze binnentrekkende levensstromen uit hogere gebieden verlaat het kosmische zaad van het toekomstige zonnestelsel zijn rustplaats in de ruimte, en volgt eeuwenlang een grillige baan door het melkwegstelsel, her- en derwaarts getrokken door de aantrekkingskracht van de verschillende sterrengroepen of individuele zonnen.

De Geheime Leer (1:232) geeft de volgende levendige beschrijving van de omzwervingen van de komeet door de diepten van de melkweg:

Geboren in de onpeilbare diepten van de Ruimte, uit het homogene element dat de wereldziel wordt genoemd, begint elke plotseling in het bestaan geworpen kern van kosmische materie haar leven onder de meest vijandige omstandigheden. In de loop van talloze eeuwen moet zij zich een plaats in de oneindigheden veroveren. Zij cirkelt rond en rond tussen meer verdichte en al vaste lichamen, beweegt zich met horten en stoten, aangetrokken naar en door een bepaald punt of centrum en probeert, zoals een schip dat in een vaargeul vol met riffen en blinde klippen is terechtgekomen, andere lichamen te vermijden, die haar beurtelings aantrekken en afstoten. Veel vergaan, hun massa’s vallen uiteen door de invloed van grotere massa’s; wanneer ze zijn geboren binnen een stelsel, gebeurt dit voornamelijk in de onverzadigbare magen van verschillende zonnen. . . . Degene die langzamer bewegen en in een elliptische baan worden voortgestuwd, zijn vroeg of laat gedoemd tot vernietiging. Andere, die parabolische banen doorlopen, ontsnappen gewoonlijk door hun snelheid aan vernietiging.

In hetzelfde boek (1:131) citeert HPB een oud commentaar dat verklaart dat Martanda, onze zon, ‘de levenslucht van zijn broeders in zijn maag ademde (zoog)’, in een poging ze te verslinden,* en daarom werd verbannen naar het midden van het rijk, en dat zijn jongere broeders, de planeten, om hem heen draaien om op een afstand te kunnen blijven tot de tijd komt dat ze hem veilig kunnen naderen.

*Dit verslinden vindt plaats op alle gebieden van het kosmische leven, maar het gaat om een verslinden van lichamen, van voertuigen, niet van monaden of ego’s. Die kometen die als gevolg van karmische aantrekkingen uit vroegere manvantara’s onweerstaanbaar tot de verschillende zonnen worden aangetrokken en worden vernietigd, zijn mislukkingen, maar alleen in die zin dat ze onvoldoende ontwikkeld of voorbereid zijn om op het gebied van onze bol D te bestaan. De mislukking is niet het gevolg van een spiritueel tekort van de monade. Als de monaden van een solaire of planetaire komeet (of een mens, want er is een sterke analogie) worden gehinderd in het proces van wederbelichaming op dit gebied, dan worden alleen de voertuigen ‘verslonden’, want de monaden of ego’s zijn ogenblikkelijk vrij en beginnen een nieuwe komeet of (menselijk) lichaam te bouwen.

Het is goed te bedenken dat een zon tijdens het proces van de kosmische evolutie niet alleen probeert zijn jongere broeders, de planeten, te verslinden, maar ook tracht ze te helpen. Het is een paradox. Wat onszelf betreft, als wij de zon zouden naderen, dan zou ons fysieke lichaam bliksemsnel worden vernietigd, want het zou niet alleen worden ontbonden in atomen, maar deze atomen zouden zelf worden uiteengerukt, uit elkaar worden gescheurd. Dit wordt bedoeld als er wordt gezegd dat de zon een weldadige kracht is, maar ook een vernietiger of ‘verslinder’ kan zijn. Maar de tijd zal komen dat ieder van ons het hart van de zon volkomen veilig kan binnengaan en dat kan doen omdat de kern van ons eigen wezen een deel is van de zonne-essentie.

De kosmische kiem of komeet die wel ontsnapt aan vernietiging, zet haar zwerftochten voort en bereikt tenslotte haar doel dat, in het geval van onze eigen embryonale zon en zijn slapende planeetketens, die groep sterrenbeelden was die wij de dierenriem noemen. Duidelijker gezegd, ons embryonale zonnestelsel, dat toen nog een zwervende pelgrim-komeet was, bereikte het gebied in de ruimte binnen het melkwegstelsel waar het zich vroeger als een zonnestelsel met zijn familie van planeetketens bevond. Eenmaal binnen de besloten ring van de dierenriem en voortaan onderworpen aan de machtige spiritueel-magnetische fohatische emanaties van twaalfvoudige aard, begint de pelgrim-komeet tot rust te komen. Dan gaat ze langzaam van het komeetstadium over in het nevelstadium, neemt in de loop van de eeuwen geleidelijk in omvang toe en wordt stoffelijker en grover van samenstelling, omdat ze de ontelbare aantallen van haar vroegere lagere levensatomen opneemt die ze op dit gebied had achtergelaten toen aan haar vorige bestaan als zonnestelsel een einde was gekomen.

Terwijl ze dit proces van verdichting ondergaat, verzamelt ze allerlei soorten etherische stof, gedeeltelijk uit wat de wetenschap de donkere nevelvlekken noemt, die slechts slapende stof zijn in de vijfde, zesde of zevende toestand van onderaf geteld; en vergaart zo geleidelijk door aangroei en aantrekking steeds meer materie die tot dit gebied behoort.

Nu ze min of meer haar vaste plaats heeft, is ze gevangen binnen de twaalf polaire fohatische aantrekkingskrachten van de dierenriem in het begin van haar bestaan als nevelvlek. Ze gaat door verscheidene nevelfasen, wordt voortdurend vaster, dichter, en straalt steeds helderder omdat de negenenveertig vuren* door haar heen werken. Wanneer ze een zichtbare nevelvlek is geworden, hoewel nog van stof die niet geheel van ons fysieke gebied is, maar van etherische substanties die tot de twee of drie hoogste toestanden van fysieke stof behoren – evenals de substantie van onze zichtbare zon – zien we in deze immense nevelvlek hier en daar levende kernen binnen haar gebied. De grootste en machtigste hiervan wordt later het lichaam van de zon; de kleinere kernen zijn de respectieve planeetketens in hun eerste ronde. Zo begint een zonnestelsel en zo wordt het verheven levensdrama van het nieuwe zonnemanvantara ingeluid.

*Vgl. De Gebeime Leer, 1:317, 379.

Nadat deze fase is bereikt, wordt de substantie van de nevelvlek langzaam geabsorbeerd of opgeslokt, gedeeltelijk door de zon en gedeeltelijk door de verschillende kleinere levende kernen die het begin van de planeetketens zijn. Elk trekt uit de omringende zonnenevel die levensatomen aan en neemt ze in zich op die in het vorige zonnemanvantara deel ervan uitmaakten; op deze manier verdicht en versterkt iedere levende kern van solaire of planetaire aard haar structuur of lichaam.

In de loop van de geboorte van een zonnestelsel bestaat er niet alleen een intense aantrekking tussen deze verschillende bol-kernen, maar ook een even sterke afstoting als gevolg van de fohatische vitaliteit van het levende wezen dat zich in en door elke bol manifesteert als zijn eigen Brahma.

In de eerste perioden van de vorming van het zonnestelsel, vóór de huidige prachtige en symmetrische toestand van de dingen in dit stelsel ontstond, begon de zon, die de grootste was van de toen betrekkelijk vast geworden lichamen in de nevelvlek, alle andere delen van de nevelvlek sterk aan te trekken in een poging die andere kleinere en lagere verdichtingen in zich op te nemen. Er bestond toen een onderlinge aantrekking en afstoting tussen het centrum of de zon en de verder afgelegen en zich verdichtende punten. Dit resulteerde in de eerste wentelingen van de planeten om de zon. De planeten vochten tegen de machtige aantrekking van de zon, en er waren gevechten in de ruimte tussen de zon met zijn verschrikkelijke aantrekkingskracht en de planeten die zich probeerden veilig te stellen in hun vlucht; en omdat ze zich niet konden bevrijden van de zwaartekracht – nauwkeuriger gezegd, van zowel de spirituele, psychomagnetische als fysieke invloed – van de grote zon, draaiden ze om hem heen in cirkel- en later in ellipsvormige banen, en zo vormde het zonnestelsel zich.

 


Bron van het occultisme, blz. 137-41

© 2006  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag