De hemelzodiak en de geboorte van een zonnestelsel
H.P. Blavatsky zegt terecht dat onze hele bestemming, zelfs de bestemming
van het zonnestelsel en van iedere planeetketen daarin, in de dierenriem
staat geschreven en daarom natuurlijk ook in zijn twaalf sterrenbeelden,
tekens, huizen of woningen; deze vier termen zijn bijna volledig verwisselbaar
en zijn van toepassing op de twaalf delen waarin de dierenriem is verdeeld.*
Ik kan hieraan toevoegen dat deze twaalf huizen geen delen zijn van
ons zonnestelsel, noch van onze planeetketen.
*Vgl. De Geheime Leer: ‘Cyclische
evolutie en karma’ (1:703) en ‘De
dierenriem en zijn ouderdom’ (1:718).
De dierenriem is die groep sterrenbeelden die de
oude astrologie in twaalf delen verdeelde en die, gezien vanaf de aarde,
ons zonnestelsel als een gordel omringt. Elk van deze sterrenbeelden,
die samen de twaalf huizen van de dierenriem vormen, is een sterrenhoop
die karmisch verenigd zijn door oude banden van lotsbestemming, en die
elk hun eigen kenmerkende svabhava hebben – met andere woorden,
hun eigen spirituele elektriciteit of fohatisch magnetisme. De dierenriem
bevat dus twaalf verschillende soorten kosmisch fohatisch magnetisme,
die alle van elkaar verschillen, maar van nature behoren tot en besloten
zijn in het meeromvattende spirituele magnetisme of fohat van ons melkwegstelsel
of thuisheelal.
In feite heeft iedere monade in het eindeloze bestaan
haar eigen kenmerkende spirituele magnetisme, haar eigen magnetische
tweepoligheid, die haar individualiteit is. Geen twee mensen zijn identiek:
waren ze dat wel, dan zouden er geen twee zijn maar één.
Ieder levensatoom heeft eveneens zijn eigen spirituele individualiteit
of magnetisme. Het fysieke lichaam van de mens, ja zijn hele constitutie,
heeft ook een eigen spiritueel-magnetische svabhava, zoals elk organisme
dat heeft, bijvoorbeeld een planeetketen of sterrengroep zoals een sterrenbeeld.
Ieder huis van de dierenriem heeft ook zijn eigen svabhava, en daarom
zijn karakteristieke mahat of kosmische intelligentie. Met andere woorden,
de dierenriem omvat twaalf verschillende polen, d.w.z. polariteiten
van spiritueel-intellectueel magnetisme of fohatische elektriciteit,
en elk daarvan brengt zijn eigen soort invloeden voort door de emanaties
die deze om zich heen uitstort en die zich in de ruimte uitstrekken.
De hele gordel van de dierenriem is een deel van
het melkwegstelsel, een verzameling sterrenbeelden waarmee ons zonnestelsel
met al zijn begeleidende planeetketens op een bijzondere manier karmisch
is verbonden. Dat is de reden dat ze allemaal in groepen zijn verenigd
in ons thuisheelal.
Laten we nog eens de geboorte van een zonnestelsel
nagaan. De tijd komt dat de neerdalende krachten met hun begeleidende
etherische substanties een sluimerend layacentrum in het hart van het
melkwegstelsel bezielen. Door de kracht van deze binnentrekkende levensstromen
uit hogere gebieden verlaat het kosmische zaad van het toekomstige zonnestelsel
zijn rustplaats in de ruimte, en volgt eeuwenlang een grillige baan
door het melkwegstelsel, her- en derwaarts getrokken door de aantrekkingskracht
van de verschillende sterrengroepen of individuele zonnen.
De Geheime Leer (1:232) geeft de volgende
levendige beschrijving van de omzwervingen van de komeet door de diepten
van de melkweg:
Geboren in de onpeilbare diepten van de Ruimte, uit
het homogene element dat de wereldziel wordt genoemd, begint elke
plotseling in het bestaan geworpen kern van kosmische materie haar
leven onder de meest vijandige omstandigheden. In de loop van talloze
eeuwen moet zij zich een plaats in de oneindigheden veroveren. Zij
cirkelt rond en rond tussen meer verdichte en al vaste lichamen, beweegt
zich met horten en stoten, aangetrokken naar en door een bepaald punt
of centrum en probeert, zoals een schip dat in een vaargeul vol met
riffen en blinde klippen is terechtgekomen, andere lichamen te vermijden,
die haar beurtelings aantrekken en afstoten. Veel vergaan, hun massa’s
vallen uiteen door de invloed van grotere massa’s; wanneer ze
zijn geboren binnen een stelsel, gebeurt dit voornamelijk in de onverzadigbare
magen van verschillende zonnen. . . . Degene die langzamer bewegen
en in een elliptische baan worden voortgestuwd, zijn vroeg of laat
gedoemd tot vernietiging. Andere, die parabolische banen doorlopen,
ontsnappen gewoonlijk door hun snelheid aan vernietiging.
In hetzelfde boek (1:131) citeert HPB een oud commentaar
dat verklaart dat Martanda, onze zon, ‘de levenslucht van
zijn broeders in zijn maag ademde (zoog)’, in een
poging ze te verslinden,* en daarom werd verbannen naar het midden van
het rijk, en dat zijn jongere broeders, de planeten, om hem heen draaien
om op een afstand te kunnen blijven tot de tijd komt dat ze hem veilig
kunnen naderen.
*Dit verslinden vindt plaats op alle gebieden van het
kosmische leven, maar het gaat om een verslinden van lichamen, van
voertuigen, niet van monaden of ego’s. Die kometen die als gevolg
van karmische aantrekkingen uit vroegere manvantara’s onweerstaanbaar
tot de verschillende zonnen worden aangetrokken en worden vernietigd,
zijn mislukkingen, maar alleen in die zin dat ze onvoldoende ontwikkeld
of voorbereid zijn om op het gebied van onze bol D te bestaan. De
mislukking is niet het gevolg van een spiritueel tekort van de monade.
Als de monaden van een solaire of planetaire komeet (of een mens,
want er is een sterke analogie) worden gehinderd in het proces van
wederbelichaming op dit gebied, dan worden alleen de voertuigen ‘verslonden’,
want de monaden of ego’s zijn ogenblikkelijk vrij en beginnen
een nieuwe komeet of (menselijk) lichaam te bouwen.
Het is goed te bedenken dat een zon tijdens het proces
van de kosmische evolutie niet alleen probeert zijn jongere broeders,
de planeten, te verslinden, maar ook tracht ze te helpen. Het is een
paradox. Wat onszelf betreft, als wij de zon zouden naderen, dan zou
ons fysieke lichaam bliksemsnel worden vernietigd, want het zou niet
alleen worden ontbonden in atomen, maar deze atomen zouden zelf worden
uiteengerukt, uit elkaar worden gescheurd. Dit wordt bedoeld als er
wordt gezegd dat de zon een weldadige kracht is, maar ook een vernietiger
of ‘verslinder’ kan zijn. Maar de tijd zal komen dat ieder
van ons het hart van de zon volkomen veilig kan binnengaan en dat
kan doen omdat de kern van ons eigen wezen een deel is van de zonne-essentie.
De kosmische kiem of komeet die wel ontsnapt aan
vernietiging, zet haar zwerftochten voort en bereikt tenslotte haar
doel dat, in het geval van onze eigen embryonale zon en zijn slapende
planeetketens, die groep sterrenbeelden was die wij de dierenriem noemen.
Duidelijker gezegd, ons embryonale zonnestelsel, dat toen nog een zwervende
pelgrim-komeet was, bereikte het gebied in de ruimte binnen het melkwegstelsel
waar het zich vroeger als een zonnestelsel met zijn familie van planeetketens
bevond. Eenmaal binnen de besloten ring van de dierenriem en voortaan
onderworpen aan de machtige spiritueel-magnetische fohatische emanaties
van twaalfvoudige aard, begint de pelgrim-komeet tot rust te komen.
Dan gaat ze langzaam van het komeetstadium over in het nevelstadium,
neemt in de loop van de eeuwen geleidelijk in omvang toe en wordt stoffelijker
en grover van samenstelling, omdat ze de ontelbare aantallen van haar
vroegere lagere levensatomen opneemt die ze op dit gebied had achtergelaten
toen aan haar vorige bestaan als zonnestelsel een einde was gekomen.
Terwijl ze dit proces van verdichting ondergaat,
verzamelt ze allerlei soorten etherische stof, gedeeltelijk uit wat
de wetenschap de donkere nevelvlekken noemt, die slechts slapende stof
zijn in de vijfde, zesde of zevende toestand van onderaf geteld; en
vergaart zo geleidelijk door aangroei en aantrekking steeds meer materie
die tot dit gebied behoort.
Nu ze min of meer haar vaste plaats heeft, is ze
gevangen binnen de twaalf polaire fohatische aantrekkingskrachten van
de dierenriem in het begin van haar bestaan als nevelvlek. Ze gaat door
verscheidene nevelfasen, wordt voortdurend vaster, dichter, en straalt
steeds helderder omdat de negenenveertig vuren* door haar heen werken.
Wanneer ze een zichtbare nevelvlek is geworden, hoewel nog van stof
die niet geheel van ons fysieke gebied is, maar van etherische substanties
die tot de twee of drie hoogste toestanden van fysieke stof behoren
– evenals de substantie van onze zichtbare zon – zien we
in deze immense nevelvlek hier en daar levende kernen binnen haar gebied.
De grootste en machtigste hiervan wordt later het lichaam van de zon;
de kleinere kernen zijn de respectieve planeetketens in hun eerste ronde.
Zo begint een zonnestelsel en zo wordt het verheven levensdrama van
het nieuwe zonnemanvantara ingeluid.
*Vgl. De Gebeime Leer, 1:317, 379.
Nadat deze fase is bereikt, wordt de substantie
van de nevelvlek langzaam geabsorbeerd of opgeslokt, gedeeltelijk door
de zon en gedeeltelijk door de verschillende kleinere levende kernen
die het begin van de planeetketens zijn. Elk trekt uit de omringende
zonnenevel die levensatomen aan en neemt ze in zich op die in het vorige
zonnemanvantara deel ervan uitmaakten; op deze manier verdicht en versterkt
iedere levende kern van solaire of planetaire aard haar structuur of
lichaam.
In de loop van de geboorte van een zonnestelsel
bestaat er niet alleen een intense aantrekking tussen deze verschillende
bol-kernen, maar ook een even sterke afstoting als gevolg van de fohatische
vitaliteit van het levende wezen dat zich in en door elke bol manifesteert
als zijn eigen Brahma.
In de eerste perioden van de vorming van het zonnestelsel,
vóór de huidige prachtige en symmetrische toestand van
de dingen in dit stelsel ontstond, begon de zon, die de grootste was
van de toen betrekkelijk vast geworden lichamen in de nevelvlek, alle
andere delen van de nevelvlek sterk aan te trekken in een poging die
andere kleinere en lagere verdichtingen in zich op te nemen. Er bestond
toen een onderlinge aantrekking en afstoting tussen het centrum of de
zon en de verder afgelegen en zich verdichtende punten. Dit resulteerde
in de eerste wentelingen van de planeten om de zon. De planeten vochten
tegen de machtige aantrekking van de zon, en er waren gevechten in de
ruimte tussen de zon met zijn verschrikkelijke aantrekkingskracht en
de planeten die zich probeerden veilig te stellen in hun vlucht; en
omdat ze zich niet konden bevrijden van de zwaartekracht – nauwkeuriger
gezegd, van zowel de spirituele, psychomagnetische als fysieke invloed
– van de grote zon, draaiden ze om hem heen in cirkel- en later
in ellipsvormige banen, en zo vormde het zonnestelsel zich.
Bron
van het Occultisme, blz. 137-41
© 2006 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag