Raja-zonnen en het kosmische Ei van Brahma
De leer van de sferen omvat zowel de hele structuur, kenmerken en eigenschappen
als de oorsprong en bestemming van het zonnestelsel en alles daarin,
en daartoe behoren natuurlijk de tientallen verschillende planeetketens
die samen het rijk van de zon vormen. Deze leer heeft vier verschillende
aspecten die kort kunnen worden omschreven als:
1. Het universele zonnestelsel, waaronder een aantal
individuele zonnestelsels, alle ondergeschikt aan dezelfde raja-zon.
2. Ons zonnestelsel, een twaalfvoudige zonneketen
met zijn zeven (of twaalf) heilige planeten waarvan onze zon de oudere
broeder is. Dit tweede aspect betreft ook de spiritueel-psychische invloeden
die deze planeten* uitoefenen op onze planeetketen aarde, en de rol
die ze spelen bij haar vorming.
*In dit verband behoren noch Neptunus noch Uranus tot
ons zonnestelsel, evenmin als de later ontdekte planeet Pluto.
Dit zijn wat we ‘ingevangenen’ kunnen noemen, indringers
als het ware in ons zonnestelsel. Deze drie planeten behoren tot hun
eigen zonnestelsel, hoewel ze met ons zonnestelsel tot hetzelfde universele
zonnestelsel behoren. In het geheel van onderlinge betrekkingen in het
kosmische Ei van Brahma kan het gebeuren dat bepaalde planeten van één
zonnestelsel binnendringen en zichtbaar worden voor de bewoners van
een ander zonnestelsel, omdat beide tot één universeel
zonnestelsel behoren; en wanneer twee van zulke zonnestelsels elkaar
naderen wat plaats en evolutiestadium op de kosmische gebieden betreft,
zijn ze gedeeltelijk zichtbaar voor elkaar als gevolg van overeenkomst
van trillingen.
3. De planeetketen aarde zelf; dit aspect handelt
voornamelijk over de circulatie van de verschillende levensgolven door
de twaalf bollen van de hele keten en over de wijze waarop deze keten
– als voorbeeld van planeetketens in het algemeen – wordt
gebouwd en gevormd.
Iedere planeetketen is de zevenvoudige (of twaalfvoudige)
constitutie van een hemels wezen, dat voornamelijk in de hoogste bol
verblijft en waarvan de vitale invloed en geest elke bol doordringen
en daarom ook alle wezens of atomen die meehelpen om de verschillende
bollen van die keten te vormen. Zoals de mens zijn zeven beginselen
heeft, zo heeft op kosmische schaal elke planeetketen haar zeven (of
tien of twaalf) brandpunten of knooppunten van bewustzijn, die haar
respectieve bollen zijn.
4. Dat aspect van de leer dat misschien het meest
mystieke van de vier is en waarop HPB slechts zinspeelde toen ze in
zeer gesluierde taal schreef:
Wat Mars, Mercurius en ‘de vier andere planeten’
betreft, deze staan in een betrekking tot de Aarde, waarover geen
meester of vergevorderde occultist ooit zal spreken, en nog minder
de aard ervan zal verklaren.
– De Geheime Leer, 1:193
De neiging bestaat om het universele zonnestelsel
te verwarren met ons zonnestelsel. Die twee zijn niet één,
maar verschillende en in zekere zin geheel afzonderlijke delen van het
kosmische Ei van Brahma.
Het zonnestelsel waarmee de wetenschap zich bezighoudt,
is slechts het fysieke deel van ons kosmische Ei van Brahma en zelfs
dan nog alleen dat gedeelte van het fysieke deel dat met onze zintuigen
kan worden waargenomen. In werkelijkheid bestaat ons zonnestelsel op
zeven (of tien of twaalf) kosmische gebieden, die zich uitstrekken van
het hoogste of goddelijke via de onzichtbare werelden en rijken tot
ons fysieke of prithivi kosmische gebied. Dit kosmische ei is een uitgestrekte
verzameling van elkaar doordringende en onderling op elkaar inwerkende
gebieden of werelden, die alle zowel hun eigen bijzondere planeet-bollen
hebben met hun respectieve bewoners in verschillende graden van evolutionaire
ontwikkeling, als verschillende zonnen die op deze kosmische gebieden
bestaan.
De oude Griekse mystici en latere gnostici, die
de oude leer weergaven die in de mysteriën werd onderwezen, spraken
terecht van dit wereld-ei als van een reusachtig pleroma of volheid.
We kunnen het kosmische ei dus opvatten als een ‘lichaam’,
waarvan verreweg het grootste deel in de onzichtbare werelden bestaat
en waarvan wij slechts onvolmaakt het fysieke deel kennen. Dit kosmische
ei is ons universele zonnestelsel; en het bevat niet alleen ons eigen
zonnestelsel, maar ook een aantal andere die aan het onze verwant zijn
omdat ze uiteindelijk een identieke oorsprong en bestemming hebben.
Al deze zonnestelsels, die op elkaar inwerken en toch alle duidelijk
van elkaar zijn onderscheiden, komen voort uit een gemeenschappelijke
oerbron in ver achter ons liggende kosmische manvantara’s. Verder
staat dit kosmische ei onder leiding van een grootse zonneketen of spirituele
zon, die op grond van zijn superioriteit in ouderdom en spiritualiteit
in de esoterische filosofie een raja-zon wordt genoemd,7
een koning-zon of een raja-ster.
In De Geheime Leer (2:270-1vn), vinden
we de volgende belangrijke passage:
Deze ‘centrale zon’ van de occultisten
– die zelfs de wetenschap in sterrenkundige zin moet aanvaarden,
want deze kan niet ontkennen dat er in de sterrenruimte een centraal
lichaam in de melkweg bestaat, een onzichtbaar en geheimzinnig punt,
het altijd-verborgen centrum van aantrekking van onze zon en ons stelsel
– wordt door de occultisten van het oosten anders opgevat. Terwijl
de westerse en joodse kabbalisten (en zelfs enkele vrome hedendaagse
sterrenkundigen) beweren dat de godheid in het bijzonder in deze zon
aanwezig is – en de wilsuitingen van God daaraan toeschrijven
– beweren de oosterse ingewijden dat de ‘centrale zon’
– omdat de boven-goddelijke essentie van het onbekende
Absolute op elk gebied en op elke plaats gelijkelijk aanwezig is –
eenvoudig het centrum is van de universele levenselektriciteit, het
reservoir waarin die goddelijke straling, die bij het begin van iedere
schepping al is gedifferentieerd, is geconcentreerd. Hoewel
nog in een laya- of neutrale toestand, is het toch het ene
aantrekkende en ook het eeuwig uitstralende levenscentrum.
De ‘centrale zonnen’ waarop hier wordt
gedoeld zijn de raja-zonnen, waaromheen meer dan één kleiner
zonneheelal draait. Deze raja-zonnen of koning-sterren zijn in de onbegrensde
ruimten van de Ruimte verspreid in praktisch oneindige aantallen en
vele zijn helemaal niet in onze fysieke wereld. Maar er bestaat natuurlijk
niet één centraal stellair lichaam waaromheen de oneindigheid
wentelt.
Eén zonnestelsel kan zijn hele manvantara
van begin tot einde doorlopen, zijn zonnepralaya ingaan en doorlopen,
en dan aan een nieuw zonnemanvantara beginnen, terwijl andere zonnestelsels
van datzelfde kosmische ei al of niet hetzelfde doen. De tijdsperioden,
hoe lang ook voor een individueel zonnestelsel, zijn alle betrekkelijk
kort vergeleken met de enorme tijdsperioden van het universele zonnestelsel.
Zoals de planeetketens in ons zonnestelsel vele wederbelichamingen meemaken
in het zonnemanvantara, zo maakt ons zonnestelsel op dezelfde wijze
vele wederbelichamingen mee binnen het universele manvantara van het
kosmische Ei van Brahma.
Slechts één facet van de grote kosmische
mysteries wordt hier aangeroerd, en we zullen dit beter begrijpen als
we bedenken dat er zonnen en zonnen zijn. Sommige zonnen zijn in het
laatste deel van hun manvantara, aan het einde van dat manvantara van
majestueuze evolutionaire ontvouwing dat in de dageraad van ons eigen
melkweg-universum begon. Er zijn andere zonnen, die aan het begin van
een manvantara staan in plaats van aan het einde; en deze dalen af in
de stof in plaats van eruit op te stijgen. Beide typen zonnen spelen
hun respectieve kosmische rollen op het toneel van het manvantarische
leven; beide hebben echter wegen van activiteit die elkaar kruisen,
functies die soms identiek zijn; en beide leiden naar de gemeenschappelijke,
voor ons mensen volkomen ondoorgrondelijke vervulling van de manvantarische
tijd.
Het leven van het universele zonnestelsel is veel
langer dan dat van ons zonnestelsel met zijn zon en familie van jongere
broeders of planeten. Van tijd tot tijd beëindigt een van deze
planeetketens haar zevende ronde en gaat haar pralaya in, terwijl haar
beginselen daarna aan hun reis door de ruimte beginnen. Na verloop van
tijd wordt ze weer tot haar zonnestelsel aangetrokken als een planetaire
komeet, die geleidelijk haar eigen zon, en bijna, zo niet precies, haar
eigen vroegere baan hervindt. Zo doorloopt ook onze zon, of een van
de andere zonnen in ons universele zonnestelsel, zijn levensperiode,
trekt in en door de onzichtbare gebieden van de ruimte en keert terug
naar ons eigen universele zonnestelsel als een solaire komeet.
Het is belangrijk hier niet het universele zonnestelsel
te verwarren met het melkwegstelsel, dat natuurlijk een oneindig veel
groter stelsel van zonnen is en dat we misschien het melkwegstelsel
van zonnestelsels zouden kunnen noemen. Wanneer ik, zoals hierboven,
in verband met onze zon de uitdrukking universeel zonnestelsel gebruik,
bedoel ik een bepaalde groep zonnestelsels die nauw is verenigd tot
een enorme keten van zonnen waarvan slechts één zon, onze
zon, voor ons op dit kosmische gebied zichtbaar is.
Niet alleen zijn alle andere zonnen van ons eigen
universele zonnestelsel onzichtbaar, maar ook hun respectieve planeetketens,
omdat ons gezichtsvermogen door onze karmische ontwikkeling is beperkt
tot juist dit sub-subgebied van een kosmisch gebied. Een god met een
bewustzijn dat op vele subgebieden van een kosmisch gebied is ontwikkeld,
zou misschien alle zonnen zien en waarschijnlijk alle respectieve planeetketens
van al die zonnen van ons universele zonnestelsel. Wat een prachtig
schouwspel zou dat zijn!
Bron
van het Occultisme, blz. 142-5
© 2006 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag