Bron van het occultisme / G. de Purucker

Een moderne presentatie van de oude universele wijsheid
gebaseerd op
De Geheime Leer van H.P. Blavatsky

geredigeerd door Grace F. Knoche

isbn 9070328720, gebonden, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever
iets worden overgenomen.

© 2006   Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

 

   
      Inhoudsopgave     

 

Raja-zonnen en het kosmische Ei van Brahma


De leer van de sferen omvat zowel de hele structuur, kenmerken en eigenschappen als de oorsprong en bestemming van het zonnestelsel en alles daarin, en daartoe behoren natuurlijk de tientallen verschillende planeetketens die samen het rijk van de zon vormen. Deze leer heeft vier verschillende aspecten die kort kunnen worden omschreven als:

1. Het universele zonnestelsel, waaronder een aantal individuele zonnestelsels, alle ondergeschikt aan dezelfde raja-zon.

2. Ons zonnestelsel, een twaalfvoudige zonneketen met zijn zeven (of twaalf) heilige planeten waarvan onze zon de oudere broeder is. Dit tweede aspect betreft ook de spiritueel-psychische invloeden die deze planeten* uitoefenen op onze planeetketen aarde, en de rol die ze spelen bij haar vorming.

*In dit verband behoren noch Neptunus noch Uranus tot ons zonnestelsel, evenmin als de later ontdekte planeet Pluto. Dit zijn wat we ‘ingevangenen’ kunnen noemen, indringers als het ware in ons zonnestelsel. Deze drie planeten behoren tot hun eigen zonnestelsel, hoewel ze met ons zonnestelsel tot hetzelfde universele zonnestelsel behoren. In het geheel van onderlinge betrekkingen in het kosmische Ei van Brahma kan het gebeuren dat bepaalde planeten van één zonnestelsel binnendringen en zichtbaar worden voor de bewoners van een ander zonnestelsel, omdat beide tot één universeel zonnestelsel behoren; en wanneer twee van zulke zonnestelsels elkaar naderen wat plaats en evolutiestadium op de kosmische gebieden betreft, zijn ze gedeeltelijk zichtbaar voor elkaar als gevolg van overeenkomst van trillingen.

3. De planeetketen aarde zelf; dit aspect handelt voornamelijk over de circulatie van de verschillende levensgolven door de twaalf bollen van de hele keten en over de wijze waarop deze keten – als voorbeeld van planeetketens in het algemeen – wordt gebouwd en gevormd.

Iedere planeetketen is de zevenvoudige (of twaalfvoudige) constitutie van een hemels wezen, dat voornamelijk in de hoogste bol verblijft en waarvan de vitale invloed en geest elke bol doordringen en daarom ook alle wezens of atomen die meehelpen om de verschillende bollen van die keten te vormen. Zoals de mens zijn zeven beginselen heeft, zo heeft op kosmische schaal elke planeetketen haar zeven (of tien of twaalf) brandpunten of knooppunten van bewustzijn, die haar respectieve bollen zijn.

4. Dat aspect van de leer dat misschien het meest mystieke van de vier is en waarop HPB slechts zinspeelde toen ze in zeer gesluierde taal schreef:

Wat Mars, Mercurius en ‘de vier andere planeten’ betreft, deze staan in een betrekking tot de Aarde, waarover geen meester of vergevorderde occultist ooit zal spreken, en nog minder de aard ervan zal verklaren.
   – De Geheime Leer, 1:193

De neiging bestaat om het universele zonnestelsel te verwarren met ons zonnestelsel. Die twee zijn niet één, maar verschillende en in zekere zin geheel afzonderlijke delen van het kosmische Ei van Brahma.

Het zonnestelsel waarmee de wetenschap zich bezighoudt, is slechts het fysieke deel van ons kosmische Ei van Brahma en zelfs dan nog alleen dat gedeelte van het fysieke deel dat met onze zintuigen kan worden waargenomen. In werkelijkheid bestaat ons zonnestelsel op zeven (of tien of twaalf) kosmische gebieden, die zich uitstrekken van het hoogste of goddelijke via de onzichtbare werelden en rijken tot ons fysieke of prithivi kosmische gebied. Dit kosmische ei is een uitgestrekte verzameling van elkaar doordringende en onderling op elkaar inwerkende gebieden of werelden, die alle zowel hun eigen bijzondere planeet-bollen hebben met hun respectieve bewoners in verschillende graden van evolutionaire ontwikkeling, als verschillende zonnen die op deze kosmische gebieden bestaan.

De oude Griekse mystici en latere gnostici, die de oude leer weergaven die in de mysteriën werd onderwezen, spraken terecht van dit wereld-ei als van een reusachtig pleroma of volheid. We kunnen het kosmische ei dus opvatten als een ‘lichaam’, waarvan verreweg het grootste deel in de onzichtbare werelden bestaat en waarvan wij slechts onvolmaakt het fysieke deel kennen. Dit kosmische ei is ons universele zonnestelsel; en het bevat niet alleen ons eigen zonnestelsel, maar ook een aantal andere die aan het onze verwant zijn omdat ze uiteindelijk een identieke oorsprong en bestemming hebben. Al deze zonnestelsels, die op elkaar inwerken en toch alle duidelijk van elkaar zijn onderscheiden, komen voort uit een gemeenschappelijke oerbron in ver achter ons liggende kosmische manvantara’s. Verder staat dit kosmische ei onder leiding van een grootse zonneketen of spirituele zon, die op grond van zijn superioriteit in ouderdom en spiritualiteit in de esoterische filosofie een raja-zon wordt genoemd,7 een koning-zon of een raja-ster.

In De Geheime Leer (2:270-1vn), vinden we de volgende belangrijke passage:

Deze ‘centrale zon’ van de occultisten – die zelfs de wetenschap in sterrenkundige zin moet aanvaarden, want deze kan niet ontkennen dat er in de sterrenruimte een centraal lichaam in de melkweg bestaat, een onzichtbaar en geheimzinnig punt, het altijd-verborgen centrum van aantrekking van onze zon en ons stelsel – wordt door de occultisten van het oosten anders opgevat. Terwijl de westerse en joodse kabbalisten (en zelfs enkele vrome hedendaagse sterrenkundigen) beweren dat de godheid in het bijzonder in deze zon aanwezig is – en de wilsuitingen van God daaraan toeschrijven – beweren de oosterse ingewijden dat de ‘centrale zon’ – omdat de boven-goddelijke essentie van het onbekende Absolute op elk gebied en op elke plaats gelijkelijk aanwezig is – eenvoudig het centrum is van de universele levenselektriciteit, het reservoir waarin die goddelijke straling, die bij het begin van iedere schepping al is gedifferentieerd, is geconcentreerd. Hoewel nog in een laya- of neutrale toestand, is het toch het ene aantrekkende en ook het eeuwig uitstralende levenscentrum.

De ‘centrale zonnen’ waarop hier wordt gedoeld zijn de raja-zonnen, waaromheen meer dan één kleiner zonneheelal draait. Deze raja-zonnen of koning-sterren zijn in de onbegrensde ruimten van de Ruimte verspreid in praktisch oneindige aantallen en vele zijn helemaal niet in onze fysieke wereld. Maar er bestaat natuurlijk niet één centraal stellair lichaam waaromheen de oneindigheid wentelt.

Eén zonnestelsel kan zijn hele manvantara van begin tot einde doorlopen, zijn zonnepralaya ingaan en doorlopen, en dan aan een nieuw zonnemanvantara beginnen, terwijl andere zonnestelsels van datzelfde kosmische ei al of niet hetzelfde doen. De tijdsperioden, hoe lang ook voor een individueel zonnestelsel, zijn alle betrekkelijk kort vergeleken met de enorme tijdsperioden van het universele zonnestelsel. Zoals de planeetketens in ons zonnestelsel vele wederbelichamingen meemaken in het zonnemanvantara, zo maakt ons zonnestelsel op dezelfde wijze vele wederbelichamingen mee binnen het universele manvantara van het kosmische Ei van Brahma.

Slechts één facet van de grote kosmische mysteries wordt hier aangeroerd, en we zullen dit beter begrijpen als we bedenken dat er zonnen en zonnen zijn. Sommige zonnen zijn in het laatste deel van hun manvantara, aan het einde van dat manvantara van majestueuze evolutionaire ontvouwing dat in de dageraad van ons eigen melkweg-universum begon. Er zijn andere zonnen, die aan het begin van een manvantara staan in plaats van aan het einde; en deze dalen af in de stof in plaats van eruit op te stijgen. Beide typen zonnen spelen hun respectieve kosmische rollen op het toneel van het manvantarische leven; beide hebben echter wegen van activiteit die elkaar kruisen, functies die soms identiek zijn; en beide leiden naar de gemeenschappelijke, voor ons mensen volkomen ondoorgrondelijke vervulling van de manvantarische tijd.

Het leven van het universele zonnestelsel is veel langer dan dat van ons zonnestelsel met zijn zon en familie van jongere broeders of planeten. Van tijd tot tijd beëindigt een van deze planeetketens haar zevende ronde en gaat haar pralaya in, terwijl haar beginselen daarna aan hun reis door de ruimte beginnen. Na verloop van tijd wordt ze weer tot haar zonnestelsel aangetrokken als een planetaire komeet, die geleidelijk haar eigen zon, en bijna, zo niet precies, haar eigen vroegere baan hervindt. Zo doorloopt ook onze zon, of een van de andere zonnen in ons universele zonnestelsel, zijn levensperiode, trekt in en door de onzichtbare gebieden van de ruimte en keert terug naar ons eigen universele zonnestelsel als een solaire komeet.

Het is belangrijk hier niet het universele zonnestelsel te verwarren met het melkwegstelsel, dat natuurlijk een oneindig veel groter stelsel van zonnen is en dat we misschien het melkwegstelsel van zonnestelsels zouden kunnen noemen. Wanneer ik, zoals hierboven, in verband met onze zon de uitdrukking universeel zonnestelsel gebruik, bedoel ik een bepaalde groep zonnestelsels die nauw is verenigd tot een enorme keten van zonnen waarvan slechts één zon, onze zon, voor ons op dit kosmische gebied zichtbaar is.

Niet alleen zijn alle andere zonnen van ons eigen universele zonnestelsel onzichtbaar, maar ook hun respectieve planeetketens, omdat ons gezichtsvermogen door onze karmische ontwikkeling is beperkt tot juist dit sub-subgebied van een kosmisch gebied. Een god met een bewustzijn dat op vele subgebieden van een kosmisch gebied is ontwikkeld, zou misschien alle zonnen zien en waarschijnlijk alle respectieve planeetketens van al die zonnen van ons universele zonnestelsel. Wat een prachtig schouwspel zou dat zijn!

 


Bron van het occultisme, blz. 142-5

© 2006  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag