Bron van het occultisme / G. de Purucker

Een moderne presentatie van de oude universele wijsheid
gebaseerd op
De Geheime Leer van H.P. Blavatsky

geredigeerd door Grace F. Knoche

isbn 9070328720, gebonden, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever
iets worden overgenomen.

© 2006   Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

 

   
      Inhoudsopgave     

 

De lipika’s


Wie zijn die hoogst mysterieuze karmische middelaars of occulte middelaars in de natuur waaraan HPB de naam lipika’s* heeft gegeven, ontleend aan het Sanskriet?

*Lipika is afgeleid van een werkwoordswortel lip, die ‘schilderen, schetsen in kleur’ betekent, en heeft als afgeleide betekenis ‘tekenen of schrijven’ – een woord ontleend aan het oude gebruik om met een penseel te schrijven, zoals de Chinezen zelfs nu nog doen, en het betekent schrijven, optekenen en dus registreren.

Laat ik beginnen met bepaalde fragmenten uit haar geschriften te citeren. Het eerste is uit De Geheime Leer:

Er zijn drie hoofdgroepen van bouwers en evenveel van de planeetgeesten en de lipika’s; iedere groep is weer verdeeld in zeven subgroepen. . . . De ‘bouwers’ vertegenwoordigen de eerste ‘uit het denkvermogen geboren’ wezens, dus de oorspronkelijke rishi-prajapati’s, en ook de zeven grote goden van Egypte, van wie Osiris de voornaamste is; zij vertegenwoordigen de zeven Amshaspends van de Zoroastriërs, met Ormazd aan het hoofd, of de ‘zeven geesten van het gezicht’: de zeven sephiroth, gescheiden van de eerste triade, enz. . . .

De lipika’s . . . zijn de geesten van het Heelal, terwijl de bouwers alleen maar onze eigen planeetgoden zijn. Eerstgenoemden spelen een rol in het meest occulte gedeelte van het ontstaan van de Kosmos, dat hier niet kan worden gegeven. Of de adepten (zelfs de hoogste) deze orde van engelen voor wat betreft hun drie graden volledig kennen, of alleen de laagste graad daarvan, die in verband staat met de annalen van onze wereld, kan de schrijfster niet zeggen. Zij zou geneigd zijn het laatste te veronderstellen. Over de hoogste graad wordt maar één ding geleerd: de lipika’s staan in verband met karma – omdat ze dit rechtstreeks vastleggen. . . .

De esoterische betekenis van de eerste zin van de sloka is dat degenen die lipika’s zijn genoemd, de schrijvers van het karmische grootboek, een ondoordringbare versperring oprichten tussen het persoonlijke ego en het onpersoonlijke zelf, het noumenon en de oerbron van het eerstgenoemde. Vandaar de allegorie. Zij omgeven de gemanifesteerde wereld van de stof met de ring ‘verder niet’. Deze wereld is het (objectieve) symbool van het ene, dat op de gebieden van de illusie is verdeeld in het vele, van Adi (de ‘eerste’) of van Eka (de ‘ene’); en dit Ene is het collectieve aggregaat of het geheel van de belangrijkste scheppers of architecten van dit zichtbare heelal.    – 1:158-60

Het tweede citaat is uit Een Toelichting op de Geheime Leer:

De lipika’s komen voort uit mahat en worden in de kabbala de vier registrerende engelen genoemd; in India, de vier maharaja’s, zij die iedere gedachte en daad van de mens optekenen; ze worden door Johannes genoemd in de Openbaring, het levensboek. Ze houden rechtstreeks verband met karma en met wat de christenen de dag van het oordeel noemen; in het oosten werd dat de dag na het mahamanvantara genoemd, of de ‘Dag-wees-met-ons’. Dan wordt alles één, alle individualiteiten smelten samen tot één, toch kent elk zichzelf, inderdaad een geheimzinnige lering. Maar dan zal wat voor ons nu niet-bewustzijn of het onbewuste is, volstrekt bewustzijn zijn.

Vraag: Welk verband is er tussen de lipika’s en mahat?

Antw: Ze zijn een deel ervan, vier ontleend aan een van de zevenvouden die uit mahat voortvloeien. Mahat komt overeen met het vuur van Simon Magus, de geheime en gemanifesteerde goddelijke ideatie, tot getuige van zichzelf gemaakt in dit objectieve heelal door middel van de intelligente vormen die we om ons heen zien in wat de schepping wordt genoemd. Zoals alle andere emanaties zijn ze ‘wielen binnen wielen’. De lipika’s bevinden zich op het gebied dat overeenkomt met het hoogste gebied van onze keten van bollen. – blz. 127-8

Wanneer HPB erop wijst dat de lipika’s ‘de geesten van het heelal’ zijn, deelt ze ons tegelijk mee dat ze een hiërarchie vormen die zevenvoudig of zelfs twaalfvoudig is, en dat ze tot het allerhoogste gebied van een heelal behoren. Het zijn er niet slechts vier, zoals men zou kunnen opmaken uit een of twee van haar opmerkingen dat de lipika’s in de vier hoeken van de wereld staan. In werkelijkheid zijn er menigten van lipika’s, en de vier hoeken hebben betrekking op de polaire magnetismen in een bol of keten of zonnestelsel, die elkaar kruisen en het mystieke noorden, zuiden, oosten en westen voortbrengen. Dat komt door de concentratie van energiebrandpunten in deze windrichtingen.

Elk heelal heeft zijn eigen hiërarchie van lipika’s, die naar zowel hun aard als hun functies duidelijk moeten worden onderscheiden van de lagere hiërarchieën van demiurgische of wereld-vormende wezens, de bouwers. In feite kunnen we over de lipika’s spreken als de hoogste groep van de architecten; en een van de redenen dat ze de middelaars van karma worden genoemd is dat ze, werkend onder de impuls van die universele en geheimzinnige wet, het bouwkundige of karmische plan van de structuur van een heelal vastleggen, wanneer het uit zijn mahapralaya ontwaakt. Zodra de lipika’s het plan hebben geschetst en het door kosmische ideatie op de lagere hiërarchieën van bouwers hebben afgedrukt, beginnen die op hun beurt onmiddellijk aan het bouwen van de wereld.

Waar het hier om gaat is dat juist omdat de lipika’s de middelaars van karma en de allerhoogste groep van kosmische architecten zijn, zij de verheven intelligenties zijn die bijna automatisch de kosmische ideatie afdrukken op al wat ‘lager’ is dan zij, omdat het duidelijk is dat zowel kosmische ideatie als hun eigen kenmerken typisch een uitdrukking zijn van de karmische geschiedenis en achtergrond van zo’n heelal. Daarom zijn de lipika’s, de ‘schrijvers van het karmische grootboek’, de kosmische middelaars die verantwoordelijk zijn voor het begrenzen van de gemanifesteerde werelden met de diverse ringen-verder-niet, die slechts de karmische grenzen zijn die de verschillende werkingssferen van de lagere hiërarchieën en de daartoe behorende individuen bepalen en afbakenen.

De lipika’s, die als de machtigsten in hun eigen heelal worden beschouwd, vullen het met hun gecombineerde intelligentie en vitale krachten, zodat alle entiteiten daarin voortdurend zijn doordrongen van hun essentie. Daarom wordt alles wat binnen zo’n heelal plaatsvindt ogenblikkelijk en voor altijd ‘opgetekend’ of afgedrukt op de vitale essentie of de fluïden van de lipika’s. Dit feit bezorgt ze de naam optekenaars, omdat ze reageren op elke gedachte en daad en elk gevoel van de talloze menigten van wezens die deel van hen uitmaken; en daarom dragen de lipika’s in hun essentie een onuitwisbare afdruk van alles wat plaatsvindt in de hiërarchieën die onder hun invloed staan en die ze omsluiten met hun alomvattende vitaal-intelligente essentie of substantie. Het astrale licht van onze aarde, dat soms de astrale beeldengalerij wordt genoemd, is hiervan een voorbeeld. Omdat het astrale licht het lingasarira van de aarde is, valt het, evenals elk ander beginsel of element van onze aarde, volledig binnen de vitale essentie en het intelligente fluïdum van de lipika’s.

Wanneer het mahamanvantara van een heelal ten einde loopt, en de wereld geleidelijk wordt ingevouwen in de hogere kosmische gebieden, komt de tijd bij het begin van de mahapralaya dat alle lagere wezens en dingen één zijn geworden met de hoogste hiërarchieën van het heelal in en op zijn hoogste kosmische gebied. Met andere woorden, alle entiteiten zijn één geworden met de lipika’s zelf, dat wil zeggen, zijn opgenomen in hun essentie of substantie. Deze vervulling van de karmische bestemming wordt soms de Dag-wees-met-ons genoemd, wanneer ‘alles één wordt, alle individualiteiten één zijn geworden, en toch ieder zichzelf kent’.

Over een kleiner heelal, zoals onze planeetketen, zegt HPB: ‘De lipika’s bevinden zich op het gebied dat overeenkomt met het hoogste gebied van onze keten van bollen.’ Omdat de lipika’s een manvantara openen en sluiten en de eersten zijn die verschijnen en de laatsten die verdwijnen, als gevolg van het stapsgewijs ontvouwen en invouwen aan het begin en aan het einde van iedere periode van activiteit, zijn ze de middelaars van karma, want ze dragen alle karmische zaden in zich tot het volgende manvantara of mahamanvantara begint. En omdat ze het gehele karma van een heelal in zich hebben opgetekend, beginnen ze dat te emaneren pari passu met de evoluerende gebieden en hiërarchieën van dat heelal wanneer zijn nieuwe mahamanvantara begint.

We kunnen de grootse hiërarchie van de lipika’s opgebouwd denken uit zeven (of tien of twaalf) graden of lagere hiërarchieën. De hoogste drie functioneren in het bijzonder op de hoogste drie kosmische gebieden – of op de hoogste drie gebieden van een kleiner heelal zoals een planeetketen of zelfs een bol – terwijl de resterende vier lagere graden van lipika’s speciale functies hebben op de vier lagere kosmische gebieden. Omdat wij ons op bol D bevinden op het laagste kosmische gebied, zijn het de vier lagere, ondergeschikte hiërarchieën van lipika’s die ons in het bijzonder beïnvloeden en die het karma van onze vier lagere gebieden vastleggen. Dat is de reden dat exoterisch wordt gezegd dat het aantal lipika’s vier is – waarmee een occulte waarheid versluierd of verhuld wordt meegedeeld. In werkelijkheid zijn deze ‘vier’ lipika’s individueel de vier lagere subgraden of lagere hiërarchieën.

Elk kosmisch gebied is een analoge herhaling van alle andere gebieden en in het bijzonder van die welke daarboven staan op de hiërarchische ladder. Zelfs ons fysieke kosmische gebied heeft zijn menigte of hiërarchie van lipika’s, die haar oorsprong heeft op het hoogste of meest etherische subgebied daarvan; en het is de rechtstreekse functie en plicht van deze lipika’s om als de hoogste architecten op te treden bij het bouwen en beheren van dit fysieke gebied, en als de karmische optekenaars van alles wat erin en erop plaatsvindt in alle diverse onderverdelingen.

Het zijn juist deze lipika’s, die met hun intelligente vitale essentie elk kosmisch gebied doordringen en bezielen, die de natuurwetten voortbrengen, zoals wij ze noemen; en zo zien we opnieuw dat karma, een van de meest fundamentele van die natuurwetten, en de lipika’s verweven zijn en zelfs samenvloeien in een eenheid.

 


Bron van het occultisme, blz. 241-4

© 2006  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag