De lipika’s
Wie zijn die hoogst mysterieuze karmische middelaars
of occulte middelaars in de natuur waaraan HPB de naam lipika’s*
heeft gegeven, ontleend aan het Sanskriet?
*Lipika is afgeleid van een werkwoordswortel lip,
die ‘schilderen, schetsen in kleur’ betekent, en heeft als
afgeleide betekenis ‘tekenen of schrijven’ – een woord
ontleend aan het oude gebruik om met een penseel te schrijven, zoals
de Chinezen zelfs nu nog doen, en het betekent schrijven, optekenen
en dus registreren.
Laat ik beginnen met bepaalde
fragmenten uit haar geschriften te citeren. Het eerste is uit De
Geheime Leer:
Er zijn drie hoofdgroepen van bouwers en evenveel
van de planeetgeesten en de lipika’s; iedere groep is weer verdeeld
in zeven subgroepen. . . . De ‘bouwers’ vertegenwoordigen
de eerste ‘uit het denkvermogen geboren’ wezens, dus de
oorspronkelijke rishi-prajapati’s, en ook de zeven grote goden
van Egypte, van wie Osiris de voornaamste is; zij vertegenwoordigen
de zeven Amshaspends van de Zoroastriërs, met Ormazd aan het
hoofd, of de ‘zeven geesten van het gezicht’: de zeven
sephiroth, gescheiden van de eerste triade, enz. . . .
De lipika’s . . . zijn de geesten van het Heelal,
terwijl de bouwers alleen maar onze eigen planeetgoden zijn. Eerstgenoemden
spelen een rol in het meest occulte gedeelte van het ontstaan van
de Kosmos, dat hier niet kan worden gegeven. Of de adepten (zelfs
de hoogste) deze orde van engelen voor wat betreft hun drie graden
volledig kennen, of alleen de laagste graad daarvan, die in verband
staat met de annalen van onze wereld, kan de schrijfster niet zeggen.
Zij zou geneigd zijn het laatste te veronderstellen. Over de hoogste
graad wordt maar één ding geleerd: de lipika’s
staan in verband met karma – omdat ze dit rechtstreeks vastleggen.
. . .
De esoterische betekenis van de eerste zin van de
sloka is dat degenen die lipika’s zijn genoemd, de schrijvers
van het karmische grootboek, een ondoordringbare versperring oprichten
tussen het persoonlijke ego en het onpersoonlijke zelf,
het noumenon en de oerbron van het eerstgenoemde. Vandaar de allegorie.
Zij omgeven de gemanifesteerde wereld van de stof met de ring ‘verder
niet’. Deze wereld is het (objectieve) symbool van het ene,
dat op de gebieden van de illusie is verdeeld in het vele, van Adi
(de ‘eerste’) of van Eka (de ‘ene’); en dit
Ene is het collectieve aggregaat of het geheel van de belangrijkste
scheppers of architecten van dit zichtbare heelal. –
1:158-60
Het tweede citaat is uit
Een Toelichting op de Geheime Leer:
De lipika’s komen voort uit mahat en worden
in de kabbala de vier registrerende engelen genoemd; in India, de
vier maharaja’s, zij die iedere gedachte en daad van de mens
optekenen; ze worden door Johannes genoemd in de Openbaring,
het levensboek. Ze houden rechtstreeks verband met karma en met wat
de christenen de dag van het oordeel noemen; in het oosten werd dat
de dag na het mahamanvantara genoemd, of de ‘Dag-wees-met-ons’.
Dan wordt alles één, alle individualiteiten smelten
samen tot één, toch kent elk zichzelf, inderdaad een
geheimzinnige lering. Maar dan zal wat voor ons nu niet-bewustzijn
of het onbewuste is, volstrekt bewustzijn zijn.
Vraag: Welk verband is er tussen de lipika’s
en mahat?
Antw: Ze zijn een deel ervan, vier ontleend aan een
van de zevenvouden die uit mahat voortvloeien. Mahat komt overeen
met het vuur van Simon Magus, de geheime en gemanifesteerde goddelijke
ideatie, tot getuige van zichzelf gemaakt in dit objectieve heelal
door middel van de intelligente vormen die we om ons heen zien in
wat de schepping wordt genoemd. Zoals alle andere emanaties zijn ze
‘wielen binnen wielen’. De lipika’s bevinden zich
op het gebied dat overeenkomt met het hoogste gebied van onze keten
van bollen. – blz. 127-8
Wanneer HPB erop wijst
dat de lipika’s ‘de geesten van het heelal’ zijn,
deelt ze ons tegelijk mee dat ze een hiërarchie vormen die zevenvoudig
of zelfs twaalfvoudig is, en dat ze tot het allerhoogste gebied van
een heelal behoren. Het zijn er niet slechts vier, zoals men zou kunnen
opmaken uit een of twee van haar opmerkingen dat de lipika’s in
de vier hoeken van de wereld staan. In werkelijkheid zijn er menigten
van lipika’s, en de vier hoeken hebben betrekking op de polaire
magnetismen in een bol of keten of zonnestelsel, die elkaar kruisen
en het mystieke noorden, zuiden, oosten en westen voortbrengen. Dat
komt door de concentratie van energiebrandpunten in deze windrichtingen.
Elk heelal heeft zijn eigen
hiërarchie van lipika’s, die naar zowel hun aard als hun
functies duidelijk moeten worden onderscheiden van de lagere hiërarchieën
van demiurgische of wereld-vormende wezens, de bouwers. In feite kunnen
we over de lipika’s spreken als de hoogste groep van de architecten;
en een van de redenen dat ze de middelaars van karma worden genoemd
is dat ze, werkend onder de impuls van die universele en geheimzinnige
wet, het bouwkundige of karmische plan van de structuur van een heelal
vastleggen, wanneer het uit zijn mahapralaya ontwaakt. Zodra de lipika’s
het plan hebben geschetst en het door kosmische ideatie op de lagere
hiërarchieën van bouwers hebben afgedrukt, beginnen die op
hun beurt onmiddellijk aan het bouwen van de wereld.
Waar het hier om gaat is
dat juist omdat de lipika’s de middelaars van karma en de allerhoogste
groep van kosmische architecten zijn, zij de verheven intelligenties
zijn die bijna automatisch de kosmische ideatie afdrukken op al wat
‘lager’ is dan zij, omdat het duidelijk is dat zowel kosmische
ideatie als hun eigen kenmerken typisch een uitdrukking zijn van de
karmische geschiedenis en achtergrond van zo’n heelal. Daarom
zijn de lipika’s, de ‘schrijvers van het karmische grootboek’,
de kosmische middelaars die verantwoordelijk zijn voor het begrenzen
van de gemanifesteerde werelden met de diverse ringen-verder-niet, die
slechts de karmische grenzen zijn die de verschillende werkingssferen
van de lagere hiërarchieën en de daartoe behorende individuen
bepalen en afbakenen.
De lipika’s, die
als de machtigsten in hun eigen heelal worden beschouwd, vullen het
met hun gecombineerde intelligentie en vitale krachten, zodat alle entiteiten
daarin voortdurend zijn doordrongen van hun essentie. Daarom wordt alles
wat binnen zo’n heelal plaatsvindt ogenblikkelijk en voor altijd
‘opgetekend’ of afgedrukt op de vitale essentie of de fluïden
van de lipika’s. Dit feit bezorgt ze de naam optekenaars, omdat
ze reageren op elke gedachte en daad en elk gevoel van de talloze menigten
van wezens die deel van hen uitmaken; en daarom dragen de lipika’s
in hun essentie een onuitwisbare afdruk van alles wat plaatsvindt in
de hiërarchieën die onder hun invloed staan en die ze omsluiten
met hun alomvattende vitaal-intelligente essentie of substantie. Het
astrale licht van onze aarde, dat soms de astrale beeldengalerij wordt
genoemd, is hiervan een voorbeeld. Omdat het astrale licht het lingasarira
van de aarde is, valt het, evenals elk ander beginsel of element van
onze aarde, volledig binnen de vitale essentie en het intelligente fluïdum
van de lipika’s.
Wanneer het mahamanvantara
van een heelal ten einde loopt, en de wereld geleidelijk wordt ingevouwen
in de hogere kosmische gebieden, komt de tijd bij het begin van de mahapralaya
dat alle lagere wezens en dingen één zijn geworden met
de hoogste hiërarchieën van het heelal in en op zijn hoogste
kosmische gebied. Met andere woorden, alle entiteiten zijn één
geworden met de lipika’s zelf, dat wil zeggen, zijn opgenomen
in hun essentie of substantie. Deze vervulling van de karmische bestemming
wordt soms de Dag-wees-met-ons genoemd, wanneer ‘alles één
wordt, alle individualiteiten één zijn geworden, en toch
ieder zichzelf kent’.
Over een kleiner heelal,
zoals onze planeetketen, zegt HPB: ‘De lipika’s bevinden
zich op het gebied dat overeenkomt met het hoogste gebied van onze keten
van bollen.’ Omdat de lipika’s een manvantara openen en
sluiten en de eersten zijn die verschijnen en de laatsten die verdwijnen,
als gevolg van het stapsgewijs ontvouwen en invouwen aan het begin en
aan het einde van iedere periode van activiteit, zijn ze de middelaars
van karma, want ze dragen alle karmische zaden in zich tot het volgende
manvantara of mahamanvantara begint. En omdat ze het gehele karma van
een heelal in zich hebben opgetekend, beginnen ze dat te emaneren pari
passu met de evoluerende gebieden en hiërarchieën van
dat heelal wanneer zijn nieuwe mahamanvantara begint.
We kunnen de grootse hiërarchie
van de lipika’s opgebouwd denken uit zeven (of tien of twaalf)
graden of lagere hiërarchieën. De hoogste drie functioneren
in het bijzonder op de hoogste drie kosmische gebieden – of op
de hoogste drie gebieden van een kleiner heelal zoals een planeetketen
of zelfs een bol – terwijl de resterende vier lagere graden van
lipika’s speciale functies hebben op de vier lagere kosmische
gebieden. Omdat wij ons op bol D bevinden op het laagste kosmische gebied,
zijn het de vier lagere, ondergeschikte hiërarchieën van lipika’s
die ons in het bijzonder beïnvloeden en die het karma van onze
vier lagere gebieden vastleggen. Dat is de reden dat exoterisch wordt
gezegd dat het aantal lipika’s vier is – waarmee een occulte
waarheid versluierd of verhuld wordt meegedeeld. In werkelijkheid zijn
deze ‘vier’ lipika’s individueel de vier lagere subgraden
of lagere hiërarchieën.
Elk kosmisch gebied is
een analoge herhaling van alle andere gebieden en in het bijzonder van
die welke daarboven staan op de hiërarchische ladder. Zelfs ons
fysieke kosmische gebied heeft zijn menigte of hiërarchie van lipika’s,
die haar oorsprong heeft op het hoogste of meest etherische subgebied
daarvan; en het is de rechtstreekse functie en plicht van deze lipika’s
om als de hoogste architecten op te treden bij het bouwen en beheren
van dit fysieke gebied, en als de karmische optekenaars van alles wat
erin en erop plaatsvindt in alle diverse onderverdelingen.
Het zijn juist deze lipika’s,
die met hun intelligente vitale essentie elk kosmisch gebied doordringen
en bezielen, die de natuurwetten voortbrengen, zoals wij ze noemen;
en zo zien we opnieuw dat karma, een van de meest fundamentele van die
natuurwetten, en de lipika’s verweven zijn en zelfs samenvloeien
in een eenheid.
Bron
van het Occultisme, blz. 241-4
© 2006 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag