Elementalen, de nakomelingen van de kosmische elementen
Vuur, lucht, water en aarde waren alleen maar
het zichtbare omhulsel, de symbolen van de bezielende, onzichtbare
zielen of geesten – de kosmische goden, die werden vereerd door
de onwetenden en eenvoudigen en die eerbiedig werden erkend door hen
die wijzer waren. De waarneembare onderafdelingen van de
noumenale elementen werden op hun beurt bezield door de zogenaamde
elementalen, de ‘natuurgeesten’ van lagere rangen. –
De Geheime Leer, 1:505
Elke kosmische essentie of elk kosmisch element
is, wanneer het zich heeft ontwikkeld, een enorme verzameling elementaire
levens, die in de theosofische terminologie elementalen worden genoemd
– bewoners van de respectieve kosmische elementen. Met andere
woorden, de elementalen van een kosmische essentie zijn haar kinderen
en behoren daarom tot de svabhava van hun ouder en belichamen deze.
Dat geldt voor alle kosmische essenties van het gemanifesteerde heelal,
zodat er elementalen zijn die aan elk van de kosmische gebieden ontspringen,
van prithivi of de aarde tot aan het hoogste of adi-tattva.
Een ander en meer vertrouwd gebruik van het woord
elementalen betreft wezens of entiteiten die in het allereerste begin
van hun evolutionaire groei verkeren op de ladder van levens in een
heelal. Als we dit toepassen op de element-beginselen van de menselijke
constitutie, kunnen we ook de juiste toepassing vinden op kosmische
schaal. Er zijn bijvoorbeeld elementalen die uit onze buddhi worden
geboren, uit ons manas, en andere uit onze kama, enz.
Het woord elementalen kan ook worden gebruikt voor
alle entiteiten lager dan het mensenrijk. Meer in het bijzonder slaat
het woord echter op de eerste entiteiten die in en uit de zeven elementen
van de natuur ontstaan vóór andere, verder gevorderde
entiteiten zich gaan manifesteren. Op de hiërarchische ladder hebben
we dus ten eerste de drie elementalenrijken, dan de elementalen die
zich in het mineralenrijk manifesteren, dan die in het plantenrijk,
vervolgens die zich als dier manifesteren, gevolgd door de ‘vervolmaakte’
elementalen die we mensen noemen. De drie elementalenrijken worden zo
genoemd omdat ze de eerste families of rassen van wezens zijn die in
de kosmische elementen ontstaan voordat meer gevorderde entiteiten zich
kunnen manifesteren, en ze leggen de grondslag waarop de verder ontwikkelde
structuur van een wereld wordt gebouwd door entiteiten uit hogere rijken.
Er zijn zeven gebieden of natuurrijken en deze manifesteren
zich in verschillende vormen. Van één kant beschouwd noemen
we ze loka’s en tala’s; van een andere kant gezien zeggen
we dat de natuur uit zeven tattva’s en bhuta’s, of zeven
beginselen en elementen, bestaat. Het is zo dat elk element alle andere
elementen in zich bevat, opgesloten in zijn kern, tot het juiste terrein
en de juiste tijd in de ruimte wordt bereikt zodat deze latente elementen
kunnen verschijnen.
De kosmische tattva’s ontvouwen zich achtereenvolgens
en brengen zo de hiërarchieën voort die door de overeenkomstige
loka’s en tala’s worden gevormd: eerst is er adi-tattva,
waaruit het tweede of anupapadaka-tattva voortvloeit, maar dit behoudt
intussen een bepaald deel van het eerste tattva. Uit het tweede tattva
ontvouwt zich het derde, akasa-tattva, dat niet alleen zijn eigen overheersende
svabhavische substanties en krachten bevat, maar eveneens een deel van
het tweede en ook van het eerste kosmische tattva. Dit gaat zo door
tot het zevende en laatste. Wanneer de tijd van de kosmische pralaya
nadert, keert het hele proces van ontvouwing door emanatie zich om –
het heelal begint nu aan het proces van invouwing of verdwijning door
‘straling’.
Elk van deze elementen of rijken of gebieden of
loka’s – noem ze zoals u wilt – van de innerlijke
en de uiterlijke natuur, omvat zijn eigen bewoners, d.w.z. is samengesteld
uit monaden, monadische centra, die in graad van evolutie verschillen,
en variëren van zelfbewustzijn tot louter bewustzijn, en verder
omlaag tot passief niet-zelf-bewustzijn. Hoe hoger op de schaal van
het leven, des te edeler en spiritueler de bewoners van deze rijken
worden. De hoogste zijn zeer machtig; sommige elementalen staan zo hoog
– niet wat betreft hun evolutiestadium maar door hun oorsprong
– dat ze als de nakomelingen van een van de kosmische elementen
deelhebben aan de kosmische wijsheid waarvan ze als entiteiten de levensatomen
zijn. Er zijn andere elementalen waarvan de oorsprong zo laag in de
stoffelijke gebieden is, dat ze instinctief vijandig staan tegenover
mensen en dat sommige zelfs zeer kwaadaardig zijn, niet uit verkiezing,
of opzettelijk, maar door hun aard; andere daarentegen zijn de mensheid
goedgezind en zijn zelfs heilzaam. Enkele hebben een quasi-menselijke
vorm, maar de meeste zijn niet-menselijk van vorm, sommige zijn reusachtig
van afmeting, titanen, met dienovereenkomstige vermogens. De grote meerderheid
van deze elementalen is slechts quasi-bewust.
Er zijn veel rassen en families van elementalen
en ook veel onderrassen en onderfamilies. Ze zijn in feite de bouwstenen
van de natuur. De natuur zelf bestaat eruit; want geen enkele entiteit,
waar ook, kan zich van het onbegrensde Al losmaken. Ze zijn de onontwikkelde
levensatomen van de verschillende kosmische elementen; en deze wezens
zijn door mystieke en ingewijde schrijvers uit verschillende landen
met verschillende namen aangeduid. De Vuurfilosofen van Europa zeiden
dat er vier hoofdelementen in het heelal bestaan en dat daaruit respectievelijk
werden geboren: de salamanders van het vuur, de sylfen van de lucht,
de undinen van het water, en de gnomen van de aarde.* Dit zijn maar
namen, maar de gedachte die hier wordt beschreven is volkomen juist:
uit de essentiële elementen van het heelal worden de entiteiten
geboren die door hun wezenskenmerken tot die elementen behoren.
*De sylfen of natuurgeesten van de atmosfeer, de vayu-elementalen,
worden in het algemeen beschouwd als de gevaarlijkste voor de mens omdat
ze zich op een gebied bevinden dat nauw overeenkomt met het kama-gebied
van de astrale wereld. De gnomen of prithivi-elementalen zijn minder
gevaarlijk, omdat ze te zwaar zijn. De undinen of elementalen van apas-tattva
zijn ook minder gevaarlijk, omdat ze niet zover geëvolueerd zijn
als de sylfen. De vuur-elementalen of salamanders, de wezens die geboren
worden uit taijasa-tattva, zijn eveneens niet zo schadelijk omdat ze,
hoewel verder ontwikkeld dan de sylfen of vayu-elementalen, nauwer verbonden
zijn met de manasische gebieden van de astrale wereld.
In feite zijn er zeven elementen in de kosmos, geen
vier, maar over de drie hogere wordt in exoterische geschriften nooit
in detail gesproken. De vier waar gewoonlijk wel over wordt gesproken
zijn gemanifesteerd of rupa, en bezitten vorm; en de drie hogere klassen
zijn arupa, vormloos. Daarom zijn sommige van deze elementen die het
weefsel van het heelal vormen verheven van aard; sommige zijn grof en
stoffelijk; er zijn er ook van tussenliggende aard. Omdat er een spiritueel
element bestaat en een verstandelijk, een psychisch, een astraal en
een fysiek, die samen de totale substantie van het zichtbare en het
onzichtbare heelal vormen, hebben de elementalen die oorspronkelijk
aan deze zeven moeder-substanties of elementen ontsprongen in elk van
de gevallen deel aan de svabhava van de bron van het zijn waaruit ze
zijn voortgekomen.*
*Vgl. De Gebeime Leer, 1:321vn:
‘. . . omdat de mens is samengesteld uit al de grote elementen:
vuur, lucht, water, aarde en ether, voelen de elementalen
die respectievelijk tot die elementen behoren, zich aangetrokken tot
de mens, omdat ze in essentie met hem overeenkomen. Het element dat
in een bepaalde constitutie overheerst, zal tijdens het hele leven
het heersende element zijn. Als bijvoorbeeld in de mens het aardse,
gnoom-element de overhand heeft, zullen de gnomen hem ertoe brengen
om edele metalen, geld en rijkdom, enz., te vergaren.’
Dat is de reden dat sommige van deze elementalen
een ongeëvenaarde wijsheid bezitten, omdat ze ontspringen aan de
spirituele en verstandelijke gebieden van het heelal; sommige zijn buitengewoon
boosaardig tegenover de mens; er zijn er die zeer verstandelijk zijn,
terwijl andere helemaal niet verstandelijk zijn; sommige zijn zuiver
instinctief. Al deze adjectieven zijn maar woorden die wat kwaliteit
en soort betreft met de nodige reserve op deze elementalen worden toegepast.
In alle gevallen ontstaan ze als de levensatomen van de moeder-substanties
waaruit ze voortkomen. Omdat het elementale wezens zijn, onbewuste godsvonken
bij wijze van spreken, levensatomen van de oorspronkelijke substanties,
missen ze een spiritueel ego; of, om de woorden van HPB te gebruiken,
ze zijn ‘elementale wezens zonder goddelijke geest’. Daarom
werden ze gewoonlijk zielloos genoemd, d.w.z. zonder een ontwikkelde
ziel; en dat is in het algemeen juist, omdat alleen evolutie het tot
nu toe ongemanifesteerde spirituele ego in de mens, of in wezens gelijkwaardig
aan de mens, tevoorschijn brengt. Het goddelijke is evenzeer aanwezig
in het hart van ieder elementaal wezen als in het hart van een god.
Maar zolang die kern van goddelijkheid niet tot manifestatie is gebracht,
zodat de entiteit daarna door de innerlijke spirituele vlam als ego
wordt geleid, zegt men dat ze geen spirituele ziel bezit.
Er zijn heel wat interessante legenden, vertellingen
en romantische verhalen over elementalen geschreven, en sommige beschrijven
zelfs de vereniging van mensen met de mooie en in sommige gevallen op
een automatische manier wijze, maar zielloze, elementale wezens van
de kosmos.* In de Perzische mythologie kunnen zelfs de Peri’s
aan de poorten van het Paradijs daar niet binnentreden voor ze een zelfbewuste
spirituele ziel hebben ontwikkeld. Ze kunnen de hemel niet binnengaan
omdat ze geen zelfbewust strevende kern bezitten die hen aantrekt tot
de sfeer van bewuste geest. Ze kunnen niet verdergaan omdat ze de wachtwoorden
niet kunnen geven. Ze kennen die niet, want ze hebben hun ring-verder-niet
al bereikt. Alleen de bezoedelde en vermoeide, maar niettemin succesvolle
menselijke pelgrim-ziel kan de laatste beproeving aan de poorten van
de hemel doorstaan, en daar binnengaan; en die beproeving vereist een
geëvolueerd spiritueel zelfbewustzijn.
*Zie bijv. de mystieke legende Undine van baron
De la Motte-Fouqué.
Elk elementaal levensatoom van een van deze kosmische
elementen is een entiteit die haar opwaartse evolutiereis naar zelfbewuste
goddelijkheid begint. Al deze entiteiten en al hun vele klassen, rassen
of families streven ernaar om in het volgende manvantara mensen te worden,
en zullen dat ook zijn.* Maar niet in dit manvantara, want de deur die
toegang geeft tot het mensenrijk is in het huidige manvantara al gesloten
– omdat het laagste punt in de stof door de evoluerende levensgolven
is bereikt – en ook omdat we al zijn begonnen aan de reis omhoog
langs de lichtende boog, en terugkeren naar het goddelijke. Elk van
deze elementalen zal in toekomstige grote manvantara’s van het
heelal eerst een halfbewuste entiteit worden, dan een quasi-bewuste
entiteit of een mens, en zal zich nog later ontwikkelen tot een god,
een supergod, enz., steeds verder.
*De soort manvantara die hier wordt bedoeld is het zonnemanvantara,
wat echter een dubbelzinnige term is. Zoals elders is verklaard, heeft
de term zonnemanvantara twee toepassingen: ten eerste slaat hij op de
hele levenscyclus van onze zon en dus van het hele zonnestelsel –
gewoonlijk een mahamanvantara genoemd; en ten tweede op de levenscyclus
van één enkele planeetketen, die ook een zonnemanvantara
wordt genoemd, omdat zo’n levenscyclus wanneer hij zijn loop begint
een nieuw kosmisch subgebied binnengaat, en dus daagt er als het ware
een nieuwe zon voor elk zo’n planeetketen-manvantara.
In een ver achter ons liggend kosmisch manvantara
waren wij mensen elementalen, en we hebben op het ogenblik het eerste
zwakke licht van spiritualiteit ontwikkeld. We beginnen de werking van
de goddelijke vlam in ons al te voelen – al is het misschien onvolmaakt
– en dat is de invloed van de innerlijke god.
Deze elementale wezens ontspringen voortdurend en
overal in de onbegrensde Ruimte aan de zeven moeder-substanties, en
beginnen zo aan hun reis; aan het andere einde van de evolutionaire
pelgrimstocht verdwijnen grote aantallen volledig ontwikkelde goden
uit het gezicht; ze volgen het kosmische pad dat naar een steeds grotere
luister leidt en ontwikkelen zich aldus tot nog verhevener wezens. Er
is een voortdurende stroom van leven: van elementale levensatomen tot
goden.
Waardoor worden deze levensatomen vanuit de kosmische
elementen tot leven geroepen? Gedachten – gedachten van de supergoden
en goden; van daimonen en helden; van mensen en dieren – want
gedachten zijn bezielde energieën. En omdat de natuur is verdeeld
in zeven elementale of kosmische substanties, hebben alle klassen van
wezens hun oorsprong in een van deze zeven moeder-substanties of rivieren
van leven.
In elk zonnestelsel, zoals ook in het onze met zijn
zeven (of twaalf) heilige planeten, brengen deze stromen van leven zich
tot uitdrukking door planeten op te bouwen, en elke planeet komt overeen
met een van de kosmische elementen. We vinden deze leer belichaamd in
de neoplatonische leringen zoals Proclus* die heeft verwoord:
*Naar Engelse vert. Thomas Taylor, On the Timaeus
of Plato, Boek III, blz. 426.
De pythagoreeërs zeggen echter dat de elementen
in de hemelen op twee manieren kunnen worden beschouwd, op één
manier inderdaad voorafgaande aan de zon en op een andere manier daarna:
want de maan is etherische aarde. . . . Maar ze zeggen dat de planeet
Mercurius etherisch water is, Venus lucht en de zon vuur. En verder
dat Mars hemels vuur is, Jupiter hemelse lucht, Saturnus hemels water,
en de onveranderlijke sfeer hemelse aarde. Terwijl ze zo’n indeling
verkondigen, maken ze vuur en aarde overal tot uitersten, maar verenigen
de etherische naturen door middelaars, namelijk door Venus en Mercurius:
want deze beide hebben een samenvoegende en verenigende kracht. Maar
ze verbinden de hemelse naturen door Saturnus en Jupiter: want door
deze is dat wat gehelen verbindt, en dat wat van gelijke aard is,
in harmonie met alle dingen. Wat we nu zeggen komt echter overeen
met wat door vele [pythagorische leerstukken] wordt overgebracht.
Want dat deze manier van indelen niet platonisch is, kunnen we opmaken
uit het feit dat Plato de zon onmiddellijk boven de maan plaatst,
en daarna Venus en dan Mercurius.
Het is daarom noodzakelijk om te begrijpen dat alle
elementen in elk van de hemelse sferen aanwezig zijn, omdat ook in
de ondermaanse elementen elk deelheeft aan de overige. Want vuur heeft
deel aan aarde; want, omdat het zo gemakkelijk beweegt, zou het zeer
snel verdwijnen als het in het geheel geen stabiliteit bezat. En aarde
heeft deel aan vuur; want omdat ze moeilijk beweegt, heeft ze warmte
nodig om weer tot leven te komen en zich te herstellen. Als dit geldt
voor deze ondermaanse elementen, moeten alle elementen zoveel te meer
aanwezig zijn in elk van de hemelse sferen, hoewel sommige hemellichamen
meer deelhebben aan vuur, andere aan lucht, andere aan water en nog
andere aan aarde.
Dat is de leer in het kort: mystiek, wonderlijk,
verheven. Bedenk dat elk elementaal, hetzij op kosmische of microkosmische
schaal, een lerend, groeiend, evoluerend wezen is. Zijn hart of kern
is een monade die, terwijl ze door haar spirituele elementaal als haar
‘lichaam’ werkt, vanuit zichzelf haar andere sluiers voortbrengt.
De mens was in een ver achter ons liggend kosmisch manvantara zo’n
elementaal en door geleidelijke evolutionaire groei is hij nu een mens
geworden; en naarmate de menselijke monade in toekomstige eeuwen uit
haar eigen essentie haar hogere latente krachten en vermogens tot ontwikkeling
en zelfexpressie blijft brengen, zal de mens evolueren tot een god.
Dat geldt evenzo voor alle andere entiteiten op de kosmische schaal
van leven: zij alle leren en groeien, en elk is in een of ander kosmisch
manvantara begonnen als een niet-zelfbewuste godsvonk en is bestemd
met het voortwentelen van het levenswiel een zelfbewuste god te worden,
en van het god-zijn verder te gaan naar zich steeds uitbreidende gebieden
van ervaring die nu het begrip of de intuïtie van de mens nog volstrekt
te boven gaan.
Bron
van het Occultisme, blz. 256-62
© 2006 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag