Bron van het occultisme / G. de Purucker

Een moderne presentatie van de oude universele wijsheid
gebaseerd op
De Geheime Leer van H.P. Blavatsky

geredigeerd door Grace F. Knoche

isbn 9070328720, gebonden, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever
iets worden overgenomen.

© 2006   Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

 

   
      Inhoudsopgave     

 

Elementalen, de nakomelingen van de kosmische elementen


Vuur, lucht, water en aarde waren alleen maar het zichtbare omhulsel, de symbolen van de bezielende, onzichtbare zielen of geesten – de kosmische goden, die werden vereerd door de onwetenden en eenvoudigen en die eerbiedig werden erkend door hen die wijzer waren. De waarneembare onderafdelingen van de noumenale elementen werden op hun beurt bezield door de zogenaamde elementalen, de ‘natuurgeesten’ van lagere rangen.    – De Geheime Leer, 1:505

Elke kosmische essentie of elk kosmisch element is, wanneer het zich heeft ontwikkeld, een enorme verzameling elementaire levens, die in de theosofische terminologie elementalen worden genoemd – bewoners van de respectieve kosmische elementen. Met andere woorden, de elementalen van een kosmische essentie zijn haar kinderen en behoren daarom tot de svabhava van hun ouder en belichamen deze. Dat geldt voor alle kosmische essenties van het gemanifesteerde heelal, zodat er elementalen zijn die aan elk van de kosmische gebieden ontspringen, van prithivi of de aarde tot aan het hoogste of adi-tattva.

Een ander en meer vertrouwd gebruik van het woord elementalen betreft wezens of entiteiten die in het allereerste begin van hun evolutionaire groei verkeren op de ladder van levens in een heelal. Als we dit toepassen op de element-beginselen van de menselijke constitutie, kunnen we ook de juiste toepassing vinden op kosmische schaal. Er zijn bijvoorbeeld elementalen die uit onze buddhi worden geboren, uit ons manas, en andere uit onze kama, enz.

Het woord elementalen kan ook worden gebruikt voor alle entiteiten lager dan het mensenrijk. Meer in het bijzonder slaat het woord echter op de eerste entiteiten die in en uit de zeven elementen van de natuur ontstaan vóór andere, verder gevorderde entiteiten zich gaan manifesteren. Op de hiërarchische ladder hebben we dus ten eerste de drie elementalenrijken, dan de elementalen die zich in het mineralenrijk manifesteren, dan die in het plantenrijk, vervolgens die zich als dier manifesteren, gevolgd door de ‘vervolmaakte’ elementalen die we mensen noemen. De drie elementalenrijken worden zo genoemd omdat ze de eerste families of rassen van wezens zijn die in de kosmische elementen ontstaan voordat meer gevorderde entiteiten zich kunnen manifesteren, en ze leggen de grondslag waarop de verder ontwikkelde structuur van een wereld wordt gebouwd door entiteiten uit hogere rijken.

Er zijn zeven gebieden of natuurrijken en deze manifesteren zich in verschillende vormen. Van één kant beschouwd noemen we ze loka’s en tala’s; van een andere kant gezien zeggen we dat de natuur uit zeven tattva’s en bhuta’s, of zeven beginselen en elementen, bestaat. Het is zo dat elk element alle andere elementen in zich bevat, opgesloten in zijn kern, tot het juiste terrein en de juiste tijd in de ruimte wordt bereikt zodat deze latente elementen kunnen verschijnen.

De kosmische tattva’s ontvouwen zich achtereenvolgens en brengen zo de hiërarchieën voort die door de overeenkomstige loka’s en tala’s worden gevormd: eerst is er adi-tattva, waaruit het tweede of anupapadaka-tattva voortvloeit, maar dit behoudt intussen een bepaald deel van het eerste tattva. Uit het tweede tattva ontvouwt zich het derde, akasa-tattva, dat niet alleen zijn eigen overheersende svabhavische substanties en krachten bevat, maar eveneens een deel van het tweede en ook van het eerste kosmische tattva. Dit gaat zo door tot het zevende en laatste. Wanneer de tijd van de kosmische pralaya nadert, keert het hele proces van ontvouwing door emanatie zich om – het heelal begint nu aan het proces van invouwing of verdwijning door ‘straling’.

Elk van deze elementen of rijken of gebieden of loka’s – noem ze zoals u wilt – van de innerlijke en de uiterlijke natuur, omvat zijn eigen bewoners, d.w.z. is samengesteld uit monaden, monadische centra, die in graad van evolutie verschillen, en variëren van zelfbewustzijn tot louter bewustzijn, en verder omlaag tot passief niet-zelf-bewustzijn. Hoe hoger op de schaal van het leven, des te edeler en spiritueler de bewoners van deze rijken worden. De hoogste zijn zeer machtig; sommige elementalen staan zo hoog – niet wat betreft hun evolutiestadium maar door hun oorsprong – dat ze als de nakomelingen van een van de kosmische elementen deelhebben aan de kosmische wijsheid waarvan ze als entiteiten de levensatomen zijn. Er zijn andere elementalen waarvan de oorsprong zo laag in de stoffelijke gebieden is, dat ze instinctief vijandig staan tegenover mensen en dat sommige zelfs zeer kwaadaardig zijn, niet uit verkiezing, of opzettelijk, maar door hun aard; andere daarentegen zijn de mensheid goedgezind en zijn zelfs heilzaam. Enkele hebben een quasi-menselijke vorm, maar de meeste zijn niet-menselijk van vorm, sommige zijn reusachtig van afmeting, titanen, met dienovereenkomstige vermogens. De grote meerderheid van deze elementalen is slechts quasi-bewust.

Er zijn veel rassen en families van elementalen en ook veel onderrassen en onderfamilies. Ze zijn in feite de bouwstenen van de natuur. De natuur zelf bestaat eruit; want geen enkele entiteit, waar ook, kan zich van het onbegrensde Al losmaken. Ze zijn de onontwikkelde levensatomen van de verschillende kosmische elementen; en deze wezens zijn door mystieke en ingewijde schrijvers uit verschillende landen met verschillende namen aangeduid. De Vuurfilosofen van Europa zeiden dat er vier hoofdelementen in het heelal bestaan en dat daaruit respectievelijk werden geboren: de salamanders van het vuur, de sylfen van de lucht, de undinen van het water, en de gnomen van de aarde.* Dit zijn maar namen, maar de gedachte die hier wordt beschreven is volkomen juist: uit de essentiële elementen van het heelal worden de entiteiten geboren die door hun wezenskenmerken tot die elementen behoren.

*De sylfen of natuurgeesten van de atmosfeer, de vayu-elementalen, worden in het algemeen beschouwd als de gevaarlijkste voor de mens omdat ze zich op een gebied bevinden dat nauw overeenkomt met het kama-gebied van de astrale wereld. De gnomen of prithivi-elementalen zijn minder gevaarlijk, omdat ze te zwaar zijn. De undinen of elementalen van apas-tattva zijn ook minder gevaarlijk, omdat ze niet zover geëvolueerd zijn als de sylfen. De vuur-elementalen of salamanders, de wezens die geboren worden uit taijasa-tattva, zijn eveneens niet zo schadelijk omdat ze, hoewel verder ontwikkeld dan de sylfen of vayu-elementalen, nauwer verbonden zijn met de manasische gebieden van de astrale wereld.

In feite zijn er zeven elementen in de kosmos, geen vier, maar over de drie hogere wordt in exoterische geschriften nooit in detail gesproken. De vier waar gewoonlijk wel over wordt gesproken zijn gemanifesteerd of rupa, en bezitten vorm; en de drie hogere klassen zijn arupa, vormloos. Daarom zijn sommige van deze elementen die het weefsel van het heelal vormen verheven van aard; sommige zijn grof en stoffelijk; er zijn er ook van tussenliggende aard. Omdat er een spiritueel element bestaat en een verstandelijk, een psychisch, een astraal en een fysiek, die samen de totale substantie van het zichtbare en het onzichtbare heelal vormen, hebben de elementalen die oorspronkelijk aan deze zeven moeder-substanties of elementen ontsprongen in elk van de gevallen deel aan de svabhava van de bron van het zijn waaruit ze zijn voortgekomen.*

*Vgl. De Gebeime Leer, 1:321vn:
‘. . . omdat de mens is samengesteld uit al de grote elementen: vuur, lucht, water, aarde en ether, voelen de elementalen die respectievelijk tot die elementen behoren, zich aangetrokken tot de mens, omdat ze in essentie met hem overeenkomen. Het element dat in een bepaalde constitutie overheerst, zal tijdens het hele leven het heersende element zijn. Als bijvoorbeeld in de mens het aardse, gnoom-element de overhand heeft, zullen de gnomen hem ertoe brengen om edele metalen, geld en rijkdom, enz., te vergaren.’

Dat is de reden dat sommige van deze elementalen een ongeëvenaarde wijsheid bezitten, omdat ze ontspringen aan de spirituele en verstandelijke gebieden van het heelal; sommige zijn buitengewoon boosaardig tegenover de mens; er zijn er die zeer verstandelijk zijn, terwijl andere helemaal niet verstandelijk zijn; sommige zijn zuiver instinctief. Al deze adjectieven zijn maar woorden die wat kwaliteit en soort betreft met de nodige reserve op deze elementalen worden toegepast. In alle gevallen ontstaan ze als de levensatomen van de moeder-substanties waaruit ze voortkomen. Omdat het elementale wezens zijn, onbewuste godsvonken bij wijze van spreken, levensatomen van de oorspronkelijke substanties, missen ze een spiritueel ego; of, om de woorden van HPB te gebruiken, ze zijn ‘elementale wezens zonder goddelijke geest’. Daarom werden ze gewoonlijk zielloos genoemd, d.w.z. zonder een ontwikkelde ziel; en dat is in het algemeen juist, omdat alleen evolutie het tot nu toe ongemanifesteerde spirituele ego in de mens, of in wezens gelijkwaardig aan de mens, tevoorschijn brengt. Het goddelijke is evenzeer aanwezig in het hart van ieder elementaal wezen als in het hart van een god. Maar zolang die kern van goddelijkheid niet tot manifestatie is gebracht, zodat de entiteit daarna door de innerlijke spirituele vlam als ego wordt geleid, zegt men dat ze geen spirituele ziel bezit.

Er zijn heel wat interessante legenden, vertellingen en romantische verhalen over elementalen geschreven, en sommige beschrijven zelfs de vereniging van mensen met de mooie en in sommige gevallen op een automatische manier wijze, maar zielloze, elementale wezens van de kosmos.* In de Perzische mythologie kunnen zelfs de Peri’s aan de poorten van het Paradijs daar niet binnentreden voor ze een zelfbewuste spirituele ziel hebben ontwikkeld. Ze kunnen de hemel niet binnengaan omdat ze geen zelfbewust strevende kern bezitten die hen aantrekt tot de sfeer van bewuste geest. Ze kunnen niet verdergaan omdat ze de wachtwoorden niet kunnen geven. Ze kennen die niet, want ze hebben hun ring-verder-niet al bereikt. Alleen de bezoedelde en vermoeide, maar niettemin succesvolle menselijke pelgrim-ziel kan de laatste beproeving aan de poorten van de hemel doorstaan, en daar binnengaan; en die beproeving vereist een geëvolueerd spiritueel zelfbewustzijn.

*Zie bijv. de mystieke legende Undine van baron De la Motte-Fouqué.

Elk elementaal levensatoom van een van deze kosmische elementen is een entiteit die haar opwaartse evolutiereis naar zelfbewuste goddelijkheid begint. Al deze entiteiten en al hun vele klassen, rassen of families streven ernaar om in het volgende manvantara mensen te worden, en zullen dat ook zijn.* Maar niet in dit manvantara, want de deur die toegang geeft tot het mensenrijk is in het huidige manvantara al gesloten – omdat het laagste punt in de stof door de evoluerende levensgolven is bereikt – en ook omdat we al zijn begonnen aan de reis omhoog langs de lichtende boog, en terugkeren naar het goddelijke. Elk van deze elementalen zal in toekomstige grote manvantara’s van het heelal eerst een halfbewuste entiteit worden, dan een quasi-bewuste entiteit of een mens, en zal zich nog later ontwikkelen tot een god, een supergod, enz., steeds verder.

*De soort manvantara die hier wordt bedoeld is het zonnemanvantara, wat echter een dubbelzinnige term is. Zoals elders is verklaard, heeft de term zonnemanvantara twee toepassingen: ten eerste slaat hij op de hele levenscyclus van onze zon en dus van het hele zonnestelsel – gewoonlijk een mahamanvantara genoemd; en ten tweede op de levenscyclus van één enkele planeetketen, die ook een zonnemanvantara wordt genoemd, omdat zo’n levenscyclus wanneer hij zijn loop begint een nieuw kosmisch subgebied binnengaat, en dus daagt er als het ware een nieuwe zon voor elk zo’n planeetketen-manvantara.

In een ver achter ons liggend kosmisch manvantara waren wij mensen elementalen, en we hebben op het ogenblik het eerste zwakke licht van spiritualiteit ontwikkeld. We beginnen de werking van de goddelijke vlam in ons al te voelen – al is het misschien onvolmaakt – en dat is de invloed van de innerlijke god.

Deze elementale wezens ontspringen voortdurend en overal in de onbegrensde Ruimte aan de zeven moeder-substanties, en beginnen zo aan hun reis; aan het andere einde van de evolutionaire pelgrimstocht verdwijnen grote aantallen volledig ontwikkelde goden uit het gezicht; ze volgen het kosmische pad dat naar een steeds grotere luister leidt en ontwikkelen zich aldus tot nog verhevener wezens. Er is een voortdurende stroom van leven: van elementale levensatomen tot goden.

Waardoor worden deze levensatomen vanuit de kosmische elementen tot leven geroepen? Gedachten – gedachten van de supergoden en goden; van daimonen en helden; van mensen en dieren – want gedachten zijn bezielde energieën. En omdat de natuur is verdeeld in zeven elementale of kosmische substanties, hebben alle klassen van wezens hun oorsprong in een van deze zeven moeder-substanties of rivieren van leven.

In elk zonnestelsel, zoals ook in het onze met zijn zeven (of twaalf) heilige planeten, brengen deze stromen van leven zich tot uitdrukking door planeten op te bouwen, en elke planeet komt overeen met een van de kosmische elementen. We vinden deze leer belichaamd in de neoplatonische leringen zoals Proclus* die heeft verwoord:

*Naar Engelse vert. Thomas Taylor, On the Timaeus of Plato, Boek III, blz. 426.

De pythagoreeërs zeggen echter dat de elementen in de hemelen op twee manieren kunnen worden beschouwd, op één manier inderdaad voorafgaande aan de zon en op een andere manier daarna: want de maan is etherische aarde. . . . Maar ze zeggen dat de planeet Mercurius etherisch water is, Venus lucht en de zon vuur. En verder dat Mars hemels vuur is, Jupiter hemelse lucht, Saturnus hemels water, en de onveranderlijke sfeer hemelse aarde. Terwijl ze zo’n indeling verkondigen, maken ze vuur en aarde overal tot uitersten, maar verenigen de etherische naturen door middelaars, namelijk door Venus en Mercurius: want deze beide hebben een samenvoegende en verenigende kracht. Maar ze verbinden de hemelse naturen door Saturnus en Jupiter: want door deze is dat wat gehelen verbindt, en dat wat van gelijke aard is, in harmonie met alle dingen. Wat we nu zeggen komt echter overeen met wat door vele [pythagorische leerstukken] wordt overgebracht. Want dat deze manier van indelen niet platonisch is, kunnen we opmaken uit het feit dat Plato de zon onmiddellijk boven de maan plaatst, en daarna Venus en dan Mercurius.

Het is daarom noodzakelijk om te begrijpen dat alle elementen in elk van de hemelse sferen aanwezig zijn, omdat ook in de ondermaanse elementen elk deelheeft aan de overige. Want vuur heeft deel aan aarde; want, omdat het zo gemakkelijk beweegt, zou het zeer snel verdwijnen als het in het geheel geen stabiliteit bezat. En aarde heeft deel aan vuur; want omdat ze moeilijk beweegt, heeft ze warmte nodig om weer tot leven te komen en zich te herstellen. Als dit geldt voor deze ondermaanse elementen, moeten alle elementen zoveel te meer aanwezig zijn in elk van de hemelse sferen, hoewel sommige hemellichamen meer deelhebben aan vuur, andere aan lucht, andere aan water en nog andere aan aarde.

Dat is de leer in het kort: mystiek, wonderlijk, verheven. Bedenk dat elk elementaal, hetzij op kosmische of microkosmische schaal, een lerend, groeiend, evoluerend wezen is. Zijn hart of kern is een monade die, terwijl ze door haar spirituele elementaal als haar ‘lichaam’ werkt, vanuit zichzelf haar andere sluiers voortbrengt. De mens was in een ver achter ons liggend kosmisch manvantara zo’n elementaal en door geleidelijke evolutionaire groei is hij nu een mens geworden; en naarmate de menselijke monade in toekomstige eeuwen uit haar eigen essentie haar hogere latente krachten en vermogens tot ontwikkeling en zelfexpressie blijft brengen, zal de mens evolueren tot een god. Dat geldt evenzo voor alle andere entiteiten op de kosmische schaal van leven: zij alle leren en groeien, en elk is in een of ander kosmisch manvantara begonnen als een niet-zelfbewuste godsvonk en is bestemd met het voortwentelen van het levenswiel een zelfbewuste god te worden, en van het god-zijn verder te gaan naar zich steeds uitbreidende gebieden van ervaring die nu het begrip of de intuïtie van de mens nog volstrekt te boven gaan.

 


Bron van het occultisme, blz. 256-62

© 2006  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag