De tattva’s en de zeven zintuigen van de mens
De tattva’s staan in dezelfde volgorde
als de zeven macro- en microkosmische krachten en worden in de esoterische
leer als volgt gegeven:
(1) Adi
tattva, de oorspronkelijke universele
kracht, die bij het begin van manifestatie, of periode van ‘schepping’,
uit het eeuwige onveranderlijke sat,
de grondslag van alles,
tevoorschijn komt. Het komt overeen met het aurische omhulsel of het
Ei van Brahma, dat zowel elke hemelbol als ieder mens, ieder dier
of ieder ding omgeeft. Het is het voertuig dat potentieel alles bevat
– geest en substantie, kracht en stof. In de esoterische kosmogonie
is adi tattva de kracht waarvan we zeggen dat ze uit de eerste of
ongemanifesteerde logos voortkomt.
(2) Anupapadaka
tattva, de eerste differentiatie op het
gebied van het zijn – de eerste is een ideële – of
dat wat door transformatie uit iets hogers dan zichzelf wordt geboren.
Volgens de occultisten komt deze kracht voort uit de tweede logos.
(3) Akasa
tattva; in alle exoterische
filosofieën en religies is dit het uitgangspunt. Akasa tattva
wordt daarin verklaard als etherische kracht, ether. Jupiter, de ‘hoogste’
god, werd daarom Pater Aether genoemd; Indra, ooit de hoogste god
in India, is het etherische of hemelse uitspansel; hetzelfde geldt
voor Uranus, enz. De bijbelse God van de christenen wordt ook de Heilige
Geest, Pneuma, ijle lucht of wind genoemd. De occultisten noemen dit
de kracht van de derde logos, de scheppende kracht in het reeds gemanifesteerde
universum.
(4) Vayu
tattva, het luchtgebied waar de substantie
gasvormig is.
(5) Taijasa
tattva, het gebied van onze atmosfeer,
lichtgevend (van tejas, licht).
(6) Apas
tattva, waterachtige of vloeibare substantie
of kracht.
(7) Prithivi
tattva, vaste aardse substantie, de aardse
geest of kracht, de laagste van alle.
Deze stemmen alle overeen
met onze beginselen en met de zeven zintuigen en krachten in de mens.
De activiteit van ons lichaam hangt af van het tattva of de kracht
die in ons is voortgebracht of opgewekt.
–
HPB, ES Instructions 3; CW 12:611-2
De kosmische tattva’s worden meestal in deze
volgorde gegeven, maar soms worden vayu en taijasa van plaats verwisseld.
De reden hiervan is dat elk tattva, dat een kosmisch gebied of element
is, zevenvoudig is en daarom alle andere tattva’s als subtattva’s
ofwel subgebieden in zich sluit; toch wordt elk kosmisch tattva natuurlijk
door zijn eigen svabhava* gekenmerkt.
*In de tabel op blz.
253 verwees ik naar het taijasa-subtattva, dat deel van het kosmische
vayu dat we het vayu-taijasa kunnen noemen; en op overeenkomstige wijze
naar het vayu-subtattva, dat deel van het kosmische taijasa dat we het
taijasa-vayu kunnen noemen. Een mens kan bijvoorbeeld door karmische
kenmerken tot het taijasa-tattva behoren en toch zijn vayu-stadium doormaken,
het taijasa-vayu, en we zouden van hem kunnen zeggen dat hij tijdelijk
een vayu-mens is. In deze tabel bekeken we de tattva’s in de volgorde
van hun kosmische ontvouwing van het minder stoffelijke tot het meer
stoffelijke, en daarom kwam taijasa vóór vayu, omdat vuur,
zelfs op aarde, etherischer is dan lucht. Maar er zijn andere manieren
om het ontrollen van het heelal vanuit zijn innerlijke substantie te
bekijken.
Bepaalde mystieke filosofen zeiden bijvoorbeeld
dat het allereerste omhulsel van adi-tattva was omgeven door zijn sluier,
evenals brahman is omgeven door zijn kosmische sluier pradhana, Brahma
door zijn sluier prakriti, enz. Bovendien gaven deze hindoefilosofen
deze sluier op grond van zijn verdichting ten opzichte van de monade
die hij omgeeft, de naam aarde, goddelijke aarde, goddelijke prithivi.
We kunnen anupapadaka-tattva, het tweede in de normale volgorde, dus
zien als een soort goddelijke prithivi of ‘aarde’ voor het
bewustzijn dat het omgeeft, en deze aarde is zijn lichaam.
Daarom is de volgorde van de tattva’s niet
altijd dezelfde – de ene schrijver noemt ze op in de volgorde
waarin het heelal zich ontvouwt van het goddelijke tot de fysieke wereld;
een ander ziet een tattva in zijn tweevoudige aspect, als beginsel èn
sluier; en weer een ander verwisselt een of twee plaatsen in de reeks
afhankelijk van het standpunt dat hij inneemt wanneer hij schrijft.
In één of twee kosmogonieën,
zoals die van de oude Hebreeën en van Thales, de Griekse filosoof,
verschenen de kosmische wateren, de wateren van de Ruimte, het eerst,
en werd deze prakriti of omhullende sluier beschouwd als waterig van
aard; als we namelijk opzien naar de uitgestrekte diepten van de Ruimte,
kunnen we ons deze even gemakkelijk voorstellen als ‘kristallijnen
wateren’, als ‘lucht’ of als ‘onzichtbaar vuur’.
Over de zeven zintuigen van de mens, die elk zijn
afgeleid van één van de zeven elementen of tattva’s
waaruit het heelal bestaat, zegt HPB in haar ES Instructions
1 het volgende:
Onze zeven zintuigen komen overeen met elk ander
zevental in de natuur en in onszelf. Fysiek, hoewel onzichtbaar, heeft
het menselijke aurische omhulsel (het vruchtvlies van de fysieke mens
op elke leeftijd) zeven lagen, evenals de kosmische Ruimte en onze
fysieke opperhuid. Overeenkomstig onze mentale en fysieke toestand
van zuiverheid of onzuiverheid opent deze aura voor ons vergezichten
naar andere werelden, òf sluit ons helemaal af voor alles wat
zich buiten deze driedimensionale wereld van stof bevindt.
Elk van onze zeven fysieke zintuigen (waarvan er
twee nog onbekend zijn aan de profane wetenschap) en ook elk van onze
zeven bewustzijnstoestanden – namelijk (1) de wakende, (2) de
wakend-dromende, (3) de natuurlijke slaap, (4) de kunstmatig opgewekte
of trance-slaap, (5) de psychische, (6) de boven-psychische, en (7)
de zuiver spirituele toestand – komt overeen met een van de
zeven kosmische gebieden, ontwikkelt en gebruikt een van de zeven
hogere zintuigen, en staat bij het gebruik ervan op het aards-spirituele
gebied in direct verband met het kosmische en goddelijke krachtcentrum
dat het heeft doen ontstaan en zijn rechtstreekse schepper is. Elk
ervan staat ook in verband met en rechtstreeks onder invloed van een
van de zeven heilige planeten. Deze behoorden tot de kleine mysteriën,
waarvan de volgelingen mystai (de gesluierden) werden genoemd, omdat
ze de dingen slechts door een nevel, als het ware met ‘gesloten
ogen’, mochten waarnemen, terwijl de ingewijden of ‘zieners’
van de grote mysteriën epoptai (zij die de dingen ongesluierd
zien) werden genoemd. – CW 12:532
Zelfs de vijf normale zintuigen die we nu bezitten
zijn nog onvolledig ontwikkeld. Geleidelijk aan wordt elk daarvan gevoeliger,
beter in staat om de aard en functies van het omringende heelal te interpreteren,
en als kanaal te dienen voor het inwonende bewustzijn. Bedenk dat de
mens een bewustzijnsstroom is die in voertuigen werkt en, bij wijze
van spreken, in deze voertuigen geschikte kamers en vertrekken, deuren
en ramen bouwt, om zijn eigen vermogens te manifesteren en van buiten
naar binnen die prikkels en reacties te ontvangen waarvan de natuur
wil dat hij deze ontvangt.
Vijf zintuigen hebben zich tot nu toe min of meer
volmaakt gemanifesteerd, en ze zijn in deze volgorde ontstaan: ten eerste
het gehoor uit akasa of aether; vervolgens het gevoel uit vayu of lucht;
dan het gezichtsvermogen uit vuur of beter gezegd licht, tejas of taijasa
genoemd; ten vierde de smaak uit apas of water; ten vijfde en als laatste
de reuk uit aarde of prithivi. Van al deze is de smaak het grofste en
meest stoffelijke; maar het reukvermogen en zijn reacties op de bewustzijnsstroom
zijn van nog lagere aard dan die van de smaak. Er zullen zich nog twee
zintuigen in ons ontwikkelen en zich door een geschikt fysiek orgaan
tot uitdrukking brengen vóór het manvantara van deze huidige
ronde op deze bol zijn cyclus heeft doorlopen. Al deze zintuigen zijn
functies van het inwonende bewustzijn.
Sinds de middeleeuwen hebben we ons in een kleinere
cyclus vanuit het prithivi-tattva achtereenvolgens opgewerkt naar het
water- of apas-tattva, naar het lucht- of vayu-tattva, dan naar het
vuur- of taijasa-tattva, en nu gaan we geleidelijk en langzaamaan het
aether- of akasa-tattva binnen – zij het nog heel onvolmaakt,
meer als een voorproefje van wat er in het zevende ras zal gebeuren;
in al deze doorliepen we en doorlopen we kleine cyclussen, en de uitvindingen
die worden gedaan komen daarmee overeen. Wat de mens voortbrengt houdt
daarmee gelijke tred; en het zal helemaal van de instelling van de mens
afhangen of deze nieuwe ontdekkingen ten goede of ten kwade zullen worden
gebruikt. In het laatste geval gaan we omlaag en stikken we in onze
eigen kwalijke uitwasemingen. Als ze voor weldadige doeleinden worden
gebruikt, zal de hele mensheid vooruitgaan. Overal om ons heen zijn
er tekenen van een veranderende tijd, nu er in het menselijke doen en
laten een nieuw getij opkomt.
Na de val van het Romeinse Rijk leefde de mens voor
het grootste deel op het land, in prithivi-tattva, en ging nauwelijks
de zee op. Daarna begon hij uitgebreider en met meer kundigheid over
de wateren te reizen – apas-tattva treedt op de voorgrond. Daarna
werd gebruikgemaakt van stoom (damp, ‘lucht’, gas) –
het vayu-element; en in latere eeuwen ging men de lucht zelf in. Nu
de mens met rasse schreden het hoogtepunt van zijn ervaringen met het
lucht-element nadert, treedt hij daaruit om de subtielere tattva’s
binnen te gaan. De mens gebruikt op steeds uitgebreidere schaal vuur
(het taijasa-element), elektriciteit, explosieven, waaronder allerlei
verschrikkingen van vuur – in samenhang met de lucht omdat hij
zich daaruit verheft. Tenslotte openbaart de ether (akasa) zich in de
werken van de mens, zoals blijkt uit de draadloze telegrafie en de radio,
enz. Dit alles toont aan dat er kleinere cyclussen zijn binnen grotere,
die in algemene trekken de processen van de grotere herhalen.
De twee toekomstige zintuigen zijn bijna niet te
beschrijven, omdat het zintuig dat op het huidige vijfde, de reuk, volgt,
zijn aanwezigheid zelfs nog niet heeft gemanifesteerd, behalve dat de
werking ervan nu en dan instinctief wordt gevoeld. Het zal iets hebben
van de aard van het vermogen of het zintuig dat bij het gevoel hoort;
maar in plaats van een fysiek voelen, zal het een innerlijk zintuig
zijn, en er zijn zelfs nu mensen die zich af en toe intuïtief of
instinctief ervan bewust zijn – schaduwen van komende gebeurtenissen.
Zoals het gevoel de verbinding legt met de buitenwereld, zo zullen die
twee andere zintuigen op de opgaande boog zich respectievelijk op dezelfde
gebieden bevinden als het gehoor en het gevoel; maar omdat ze in een
meer ontwikkeld wezen bestaan, zullen ze zich eerst door een inwendig
fysiek orgaan manifesteren. Wat we een ingeving noemen dat iets goed
of verkeerd is, of dat we iets wel of niet moeten doen, is een vage
aanduiding van het zesde zintuig. Dat is echter geen intuïtie want
het staat lager dan de intuïtie: het is een ingeving of een gevoel
van dingen die komen gaan. In één opzicht zou men het
een vorm van helderziendheid kunnen noemen.
En het zevende zintuig, dat overeenkomt met het
gehoor op het fysieke gebied, zal ook een akasische ontwikkeling zijn.
Het is het laatste zintuig dat door evolutie in het fysieke lichaam
van de mens tevoorschijn wordt gebracht, en zal daarom een innerlijk
vermogen tot uitdrukking brengen, dat zal ontwaken door contact met
de laagste graden van akasa. Wat dit vermogen zal zijn, afgezien van
de aard en de plaats van het orgaan door middel waarvan het zal werken,
wordt het best benaderd door de intuïtie, volledig ontwikkeld voorzover
dat op deze planeet in dit manvantara mogelijk is: ogenblikkelijk, altijd
gereed, regelmatig werkend, naar verkiezing uit te schakelen of te gebruiken.
Ieder zintuiglijk vermogen, en dus ook ieder zintuig-orgaan
als instrument daarvan in het lichaam, is een vermogen van onze bewustzijnsstroom;
een zintuiglijk vermogen kan in de evolutie niet verschijnen, en daarom
kan zich geen zintuig-orgaan in het lichaam manifesteren, vóór
dat deel van de bewustzijnsstroom zich als zodanig tot uitdrukking heeft
gebracht. De Atlantiërs, bijvoorbeeld, waren zich in hun beginperiode
slechts instinctief bewust van wat reuk is. Ze gebruikten dit vermogen
bijna onbewust, zoals de mens tegenwoordig het zesde zintuig en het
zesde vermogen bijna onbewust gebruikt, en zich slechts af en toe vaag
ervan bewust is en zegt: ‘Ik had een ingeving’. Het vermogen
gaat van het onzichtbare naar het zichtbare en schept voor zichzelf
het geschikte orgaan dat zich precies zo ontwikkelt als het innerlijke
vermogen zich op zijn gebied ontwikkelt.
Het is misschien goed hieraan enkele woorden toe
te voegen over de guna’s, omdat die soms worden verward met de
kosmische essenties of tattva’s. De guna’s of ‘eigenschappen’,
gewoonlijk vermeld als sattva, rajas en tamas, zijn de drie fundamentele
en universeel werkzame vormen van bewustzijn van de menigten wezens
die het heelal opbouwen. Uit sattva vloeien de twee andere vormen van
bewustzijn voort, rajas of activiteit, en tamas of inactiviteit, algemeen
gesproken. De combinatie van deze twee eigenschappen, die elkaar niet
neutraliseren maar samen iets vormen dat hoger is dan elk afzonderlijk,
is wat wordt bedoeld met sattva – dat wat ‘werkelijk’
is. Het is de toestand waarin de verheven goden leven.
Wanneer het heelal zich in manvantarische manifestatie
bevindt, overheerst de rajas-eigenschap, hoewel natuurlijk ook tamas
en sattva aanwezig zijn. Als het heelal in pralaya is, waarin dan oneindige
rust en vrede heersen, is de overheersende eigenschap het hoogste tamas,
maar rajas is aanwezig, zij het betrekkelijk latent. Zo wordt in de
veda’s en ook in de Wetten van Manu verklaard dat, voordat
de manifestatie begint, het heelal in de tamas-toestand verkeert, in
volkomen rust. Natuurlijk zijn de hoogste beginselen van het heelal
dan in de sattva-toestand, terwijl de rajas-eigenschap tijdens de pralaya
latent is.
De filosofie van de hindoes schrijft met betrekking
tot haar trimurti of triade van Brahma-Vishnu-Siva de sattva-guna of
-eigenschap gewoonlijk aan Brahma toe; de rajas-eigenschap aan Vishnu;
en de tamas-eigenschap aan Siva. Toch is de sattva-eigenschap, tijdens
zowel het manvantara als de pralaya, steeds aanwezig. Zo zijn de goden,
hoewel eeuwig actief, niettemin vredig omdat ze zijn vervuld van wijsheid;
ze doen hun werk moeiteloos, wonderbaarlijk kalm en onverstoorbaar.
Verder is elk van de guna’s – omdat
het heelal fundamenteel één is en alle dingen erin onderling
zijn verweven en op elkaar inwerken – zelf drievoudig, anders
zou elk van de drie universele eigenschappen volkomen afzonderlijk en
los van de twee andere bestaan, en dan zouden er drie absoluten zijn.
Het zijn geen absoluten, maar alle drie zijn betrekkelijk; en wanneer
rajas en tamas verenigd zijn en elkaar in evenwicht houden zonder hun
individualiteit te verliezen, manifesteren ze elk de aanwezigheid van
hun gemeenschappelijke oorsprong, sattva.
Het is bij sommige oriëntalisten die de esoterische
betekenis van deze guna’s niet begrijpen, gebruikelijk tamas slechts
te zien als traagheid, duisternis en kwaad, maar dat is volkomen onjuist;
want er bestaat zowel een sattva-tamas als een tamas-tamas; en dezelfde
soort opmerking kan worden gemaakt met betrekking tot de rajas- en de
sattva-eigenschap of -guna.
Daarom wordt elk van de kosmische essenties of tattva’s
gekenmerkt door de aanwezigheid en inherente activiteit van de drie
guna’s, waarbij elk werkt in samenhang met de andere twee. Alle
mensen zouden zich moeten inspannen om vooral de sattva-eigenschap tot
uitdrukking te brengen, want dat betekent dat de twee eigenschappen,
rajas en tamas, in evenwicht zijn in ons karakter en samenwerken, en
niet, zoals vaak voorkomt, dat een van beide overheerst en er geen evenwicht
is.
Bron
van het Occultisme, blz. 263-9
© 2006 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag