Het triadische leven van Vader Zon
Men moet bedenken dat in iedere kosmogonie een
drie-eenheid van werkers aan het hoofd staat – Vader,
geest; Moeder, natuur of stof; en het gemanifesteerde heelal, de Zoon
of het gevolg van die twee.
– Isis Ontsluierd [Isis
Unveiled, 2:420-1]
Het leven van de zon, als eenheid beschouwd, bezielt
zijn hele rijk met de vitale emanaties die van alle delen van de zonneketen
uitgaan. Dit zonneleven kunnen we voorlopig als zevenvoudig beschouwen;
de hogere drie aspecten of gebieden zijn spiritueel en de lagere vier
gebieden etherisch, en daarvan zijn de laagste delen duidelijk fysiek
van aard. De hogere drie aspecten van leven-bewustzijn van de zon worden
vaak Brahma-Vishnu-Siva genoemd, wat in de menselijke beginselen overeenkomt
met atman-buddhi-manas. Deze triade is daarom betrekkelijk arupa, vloeit
zelf voort uit de hoogste delen van de constitutie van de zon en vormt
zo het volledige tienvoudige (of eigenlijk twaalfvoudige) zonnewezen.
Een dergelijke triade, waarvan gewoonlijk wordt
gezegd dat ze in essentie solair is, was in alle oude religies en filosofische
stelsels bekend; en er werden verschillende namen aan gegeven. Deze
verschillende triaden hebben niet allemaal betrekking op dezelfde kosmische
gebieden; niettemin komt een lagere triade op haar eigen gebieden overeen
met een triade die men zich op hogere gebieden kan denken. De Egyptische
triade Osiris-Isis-Horus bijvoorbeeld, komt in veel opzichten overeen
met de hindoetriade Brahma-Vishnu-Siva en ook met de christelijke drie-eenheid.
Toch heeft deze laatste triade een grotere overeenkomst – en dat
geldt voor elk van de drie gebieden ervan – met Parabrahman-mulaprakriti,
Brahman-pradhana, en Brahma (Purusha)-prakriti van de hindoefilosofie:
de Vader komt overeen met Parabrahman-mulaprakriti; de Heilige Geest
met Brahman-pradhana, en de Zoon met Brahma (Purusha)-prakriti.
Terloops kan worden opgemerkt dat deze volgorde
van de zogenaamde emanatie van de drie-eenheid Vader-Heilige Geest-Zoon
– uit het prilste christelijke denken stamt, waaraan de Grieks-orthodoxe
kerk, trouw aan de heidense traditie waaruit het christendom voortkwam,
zich altijd heeft gehouden. De Kerk van Rome echter heeft zelfs al heel
vroeg de voorkeur eraan gegeven de laatste twee personen van de drie-eenheid
te beschouwen als voortgekomen uit de Vader, en wel in de volgorde eerst
de Zoon en dan de Heilige Geest, wat door de diverse kerken in het westen
is aangenomen. Dit verschil in standpunt was een van de voornaamste
redenen van het theologische schisma tussen de Grieks-orthodoxe en de
Roomse Kerk en heeft de filioque-controverse doen ontstaan – een
Latijns woord dat ‘en uit de zoon’ betekent – waarbij
de gedachte was dat de Heilige Geest uit de Vader en uit de Zoon
voortkwam.
Al deze triaden zijn in feite zonnetriaden wanneer
ze juist worden begrepen. Parabrahman-mulaprakriti en eveneens de Vader
van de christelijke drie-eenheid zijn in feite de eerste kosmische logos;
Brahman-pradhana en ook de Heilige Geest zijn de tweede kosmische logos;
en Brahma (Purusha)-prakriti en de Zoon zijn de derde kosmische logos.
Anderzijds heeft de Egyptische triade Osiris-Isis-Horus haar oorsprong
in of emaneert uit de derde kosmische logos, evenals de hindoetriade
Brahma-Vishnu-Siva.
Deze opmerkingen worden alleen gemaakt om aan te
tonen dat er een reeks nauwkeurige overeenkomsten bestaat tussen de
zonnegoden zoals die bij diverse oude volkeren werden onderwezen. Ook
al hebben al deze triaden alleen betrekking op ons zonnestelsel,
ze zouden met evenveel recht kunnen worden toegepast op het universele
zonnestelsel; in dat geval moet men ze zich natuurlijk als veel groter
en verhevener voorstellen.
De feiten van de natuur gelden voor verschillende
gebieden, en het stelsel van triaden is evenzeer een feit op de goddelijke
en spirituele als op de verstandelijke gebieden. Wanneer we ze echter
in gedachten rechtstreeks toepassen op ons zonnestelsel, kunnen we zien
dat al deze triaden, zoals ze in hun respectieve tijdperken en landen
werden vereerd, in feite dezelfde zonnetriade zijn onder verschillende
namen, en dat ze zijn voortgekomen uit de derde kosmische logos, de
derde logos van ons zonnestelsel. Naar analogie van de structuur van
het heelal bestaat de triade in de menselijke constitutie dan uit: atman,
atman-buddhi, buddhi-manas.
Al zulke triadische eenheden zijn weerspiegelingen
of analoge herhalingen van de nog hogere kosmische triade die, door
haar diep abstracte karakter, zelden of nooit door het volk zo werd
vereerd als deze weerspiegelingen. Naar deze hoogste kosmische triade
werd slechts af en toe verwezen, zoals door Pythagoras toen hij over
de kosmische monade zei dat ze eeuwig in ‘stilte en duisternis’
is gehuld, waarmee hij bedoelde dat ze het gewone menselijke bevattingsvermogen
te boven gaat.
Ter illustratie: elke kosmos of elk heelal is een
wezen met tien beginselen, waarvan de hoogste drie beginselen de hemelse
triade vormen, waaruit de lagere zeven (of de gemanifesteerde eenheden)
van de tien emaneren. Deze zeven bestaan op hun beurt uit een hogere
triade en een lager viertal – en de Ouden hadden juist deze hogere
triade voor ogen wanneer ze spraken over hun triadische godheden, zoals
Brahma-Vishnu-Siva, Osiris-Isis-Horus, Vader-Heilige Geest-Zoon. Deze
tweede triade wordt dus gezien als de weerspiegeling van de eerste of
hemelse triade van een kosmos of Brahmanda.
Het is van belang op te merken dat de aard van de
tweede persoon van praktisch elk van deze triaden in de exoterische
religies en mythologieën als vrouwelijk werd afgeschilderd, zoals
Isis in de Egyptische triade. In feite waren deze vrouwelijke
eigenschappen van de tweede persoon oorspronkelijk ook van toepassing
op de christelijke drie-eenheid, want hoewel de Heilige Geest in naam
of titel schijnbaar mannelijk was, werd deze oorspronkelijk als een
vrouwelijke kosmische kracht of invloed beschouwd.14 Pas toen het christendom dogmatisch werd en in theologische vormen
verstarde, werd de vrouwelijke aard van de tweede persoon duidelijk
vermannelijkt.
Hoewel Vishnu in de hindoetriade Brahma-Vishnu-Siva
gewoonlijk als het prototype van een mannelijke godheid wordt beschouwd,
zijn veel van zijn kenmerken en functies vrouwelijk, zodat de geest
van die gedachte overheerst ondanks het feit dat het geslacht van de
naam van de tweede persoon mannelijk is.
Deze verschillende triaden kunnen worden beschouwd
als de vrouwelijke geest die emaneert uit de eerste persoon en die op
haar beurt, omdat ze vervuld is van de zaden van boven, de derde persoon
geboren doet worden; of als drie gelijkwaardige en op elkaar inwerkende
aspecten van het kosmische leven. Zo kunnen we zeggen dat in de menselijke
constitutie buddhi emaneert uit atman en vervolgens op haar beurt manas
geboren doet worden; of dat ze alle drie – atman, buddhi, manas
– gecoördineerd handelen en tegelijkertijd de hogere triade
van de mens zijn. De eerste manier toont hun oorspronkelijke ontstaan,
de tweede hoe ze als een eenheid samenwerken.
Het triadische leven van het zonnestelsel openbaart
zich als Vader Zon, en ons zonnestelsel is in zijn totaliteit een zonnemonade,
waarvan de zon het hart is. Vader Zon is het spirituele deel van dat
hart. Het is deze drievoudige spirituele energie die de zon voortbrengt;
het is niet de zon die haar doet ontstaan. Hoewel de zonnegod zich manifesteert
door zijn keten van twaalf bollen, woont hij ook in het hart van elk
van hen afzonderlijk, ongeveer zoals de menselijke ziel afzonderlijk
woont in de kern van de mens.
Vader Zon is een geschikte uitdrukking die verscheidene
punten van de leer op bevredigende wijze beschrijft. Niet alleen doelt
ze rechtstreeks op de zonnegodheid van ons zonnestelsel, maar ze kan
ook bij bepaalde gelegenheden worden gebruikt voor wat HPB de ‘astrologische
ster’ van een mens noemde:*
*De Geheime Leer, 1:632-3.
De ster waaronder een mens wordt geboren, zal volgens
de occulte leer altijd zijn ster blijven tijdens de hele cyclus van
zijn incarnaties in één manvantara. Maar dit is niet
zijn astrologische ster. De laatstgenoemde heeft betrekking op en
is verbonden met de persoonlijkheid, de eerstgenoemde met
de individualiteit. De ‘engel’
van die ster of de dhyani-boeddha zal òf de leidende òf
eenvoudig de aan het hoofd staande ‘engel’ zijn bij elke
nieuwe wedergeboorte van de monade, die deel uitmaakt van zijn
eigen essentie, hoewel zijn voertuig, de mens, voor altijd onbekend
met dit feit kan blijven.
De spirituele ster daarentegen, ‘de ster waaronder
een mens wordt geboren’, houdt een verheven mysterie in. Met die
zon of ster in ons thuisheelal of de melkweg, waarvan de goddelijke
monade van de mens het voortbrengsel is, is de mens dus gedurende de
bijna oneindige periode van het galactische manvantara door zeer nauwe
spirituele banden verbonden.
Bij andere gelegenheden heb ik, wanneer ik over
de zonnegodheid sprak, de uitdrukking Vader Zon gebruikt in verband
met de reis van de spirituele monade tijdens de buitenronden in, door
en vanuit de zonneketen, die al zijn bollen omvat. Zoals de menselijke
vader in zijn lichaam de passerende levenskiem bevat, die in de geschikte
omgeving het begin wordt van het lichaam van het kind in wording, zo
neemt de zon alle spirituele en ook andere monaden in zijn rijk (en
dat geldt eveneens voor bol D van de zonneketen, onze zichtbare zon)
in zich op en stuurt deze na verloop van tijd weer uit om hun buitenronden
langs de circulaties in de kosmos te voltooien. Voorzover het de zichtbare
bol van onze zon betreft, komen deze stromen van levens of monaden binnen
door zijn noordpool en worden ze via de zonnevlekken weer uit zijn hart
uitgestoten.
Het hart van Vader Zon is een straal van het absolute,
waarbij we het woord ‘absoluut’ in de theosofische betekenis
gebruiken. Als Vader Zon de volle invloed en macht van deze goddelijke
straal kon manifesteren, dan zou hij alle vermogens en alle krachten
bezitten die het heelal bevat. Niet alleen Vader Zon, maar ieder mens
heeft deze goddelijke straal in zich; en dat is zijn innerlijke god.
Wat we in het geval van de zon zien is slechts het fysieke omhulsel,
een bol van kosmische krachten, elektriciteit en superelektriciteit.
Een zon is ook vol psychische en spirituele krachten, die elk bij zijn
eigen gebied horen, want er is een innerlijke zon en een uiterlijke
zon.
Deze zonnegod is de spirituele en verstandelijke
ouder van de talloze menigten van entiteiten in het hele zonnestelsel.
Daaruit kwamen wij in het verre, verre verleden voort; en daarheen zullen
we terugkeren in de zeer verre toekomst, wanneer het einde van de evolutieperiode
van ons zonnestelsel nadert. Wanneer het laatste kosmische moment aanbreekt,
zal het hele zonnestelsel – goden, monaden, en atomen, zon, planeten,
en de diverse manen, zoals die dan bestaan – plotseling verdwijnen
als een schaduw die over een witte muur glijdt en niet meer wordt gezien.
De oorzaak van dit alles is het terugtrekken van
de vitaliteit uit elke atomaire entiteit in het hele gebied van de zonnekosmos;
en wanneer de vitaliteit eenmaal is verdwenen, valt de hele structuur
uiteen, ze verdwijnt, en het zonnestelsel met al zijn menigten entiteiten
komt in paranirvana.* Daar blijft het tot de kosmische klok het uur
aangeeft waarop een nieuw zonnestelsel uit de schoot van de Ruimte tevoorschijn
zal komen – het kind, het wederbelichaamde wezen, het karmische
gevolg van het zonnestelsel dat was.
*Wanneer wetenschappers speculeren over het veronderstelde
sterven van de zon en zich afvragen wanneer hij door verlies van warmte
zal uitdoven, zoals zij denken, zouden ze misschien een paar aanwijzingen
kunnen vinden in de woorden van HPB:
‘Nee, zeggen we; nee, zolang er nog één
mens is achtergebleven op aarde zal de zon niet worden gedoofd. Voordat
het uur van de ‘zonnepralaya’ aanbreekt op de wachttoren
van de eeuwigheid, zullen alle andere werelden van ons stelsel in
hun schimmige omhulsels langs de stille wegen van de eindeloze ruimte
bewegen. Vóór het aanbreekt zal Atlas, de machtige Titaan,
de zoon van Azië en de voedsterling van Aether, zijn zware manvantarische
last hebben laten vallen en – zijn gestorven; de Pleiaden, de
zeven stralende zusters, zullen na de zich verborgen houdende Sterope
[Merope] te hebben gewekt om met hen te treuren – zelf moeten
sterven om het verlies van hun vader. En Hercules zal door
het verplaatsen van zijn linkerbeen, in de hemelen van plaats
moeten veranderen en zijn eigen brandstapel moeten oprichten. Pas
dan, omringd door het vurige element dat door de toenemende duisternis
van de pralayische schemering breekt, zal Hercules, terwijl
hij de laatste adem uitblaast te midden van een algehele vuurzee,
eveneens de dood van onze zon teweegbrengen: door heen te gaan
zal hij de ‘centrale zon’
– het mysterieuze, het altijd verborgen centrum van aantrekking
van onze zon en ons stelsel – hebben ontsluierd. Fabeltjes?
Zuiver dichterlijke fantasie? Maar wanneer men weet dat de meest exacte
wetenschappen, de grootste wiskundige en astronomische waarheden door
de ingewijde priesters, de hiërofanten van het sanctum sanctorum
van de oude tempels, in de vorm van religieuze fabels de wereld werden
ingezonden naar het grote publiek, is het misschien niet zo verkeerd
om zelfs onder de resten van deze harlekinade van de verbeelding naar
universele waarheden te zoeken.’
– The Theosophist, sept.
1883, blz. 301; CW 5:162-3
In zijn verhandeling Over Isis
en Osiris (ix) vertelt Plutarchus, de oude Griekse filosoof, biograaf
en ingewijde, eens priester van de Delphische Apollo, dat boven de poort
van de tempel van Isis in Egypte de volgende mystieke woorden in onverwoestbare
steen waren gegraveerd:15
[Isis] ben ik; al wat was, al wat is, al wat ooit
zijn zal. En geen sterveling heeft ooit mijn kleed weggenomen.
Zoals men zal opmerken, verschilt onze weergave
van deze beroemde inscriptie enigszins van de wijze waarop die gewoonlijk
wordt gegeven: ‘. . . en geen sterveling heeft ooit mijn sluier
opgelicht’. Dit is een belangrijk verschil, omdat het een nieuwe
betekenis geeft aan de Griekse zin die werkelijk dichter bij de diep
esoterische betekenis komt van deze koninklijke uitspraak. Het is opmerkelijk
dat bij Plutarchus deze inscriptie eindigt met de woorden ‘mijn
kleed weggenomen’, terwijl Proclus, de bekende neoplatonische
filosoof, zegt dat ze ook nog de volgende woorden bevatte:*
*Naar Engelse vert. Thomas Taylor, On the Timaeus
of Plato, Boek I, blz. 82.
De vrucht die ik voortbracht werd de zon.
Men kan deze uitspraak op twee manieren verklaren.
De eerste is dat de eeuwige wijsheid of sophia, die er altijd was, er
nu is en er altijd zal zijn, de moeder-maagd is van de ingewijden: een
altijd vruchtbare moeder, die altijd een voortdurende en ononderbroken
reeks op een boeddha lijkende mensen voortbrengt. Dat is de oude wijsheid,
een altijd blijvende wijsheid, een voorstelling in menselijke woorden
van de werking, structuur en ware aard van het heelal – goddelijk,
spiritueel, astraal en fysiek. Zo was de mystieke Isis.
Wat is de vrucht die deze wijsheid voortdurend oplevert
door een proces van wording, van groei, van tevoorschijn brengen wat
zich binnenin ons bevindt? ‘Zonen van de zon’ – een
letterlijke waarheid! Want zoals ieder mens in de kern van zijn essentie
een zon is, bestemd om in toekomstige eonen een van de menigte van sterren
te worden waarmee de ruimten van de Ruimte is bezaaid, zo is de goddelijk-spirituele
monade, zelfs vanaf het eerste moment dat ze haar omzwervingen door
het universele Zijn begint, een embryozon en bovendien een kind van
een andere zon die toen in de ruimte bestond. Inwijding brengt in de
neofiet deze innerlijke, latente, stellaire energie uit de schoot van
de moeder-maagd tevoorschijn, Sophia, de oude wijsheid, die tegelijk
‘moeder’, ‘zuster’, ‘dochter’ en
‘vrouw’ is van de mens-god die door inwijding aldus tot
geboorte wordt gebracht. Hier ligt de sleutel tot het mysterie van de
maagdelijke geboorte.
De tweede betekenis van deze oude inscriptie is
de volgende: Isis, in het bijzonder in haar meer mystieke aspect van
Neith of Nephthys, is het kosmische akasa, eeuwig maagdelijk en toch
geeft ze altijd het aanzijn aan de universa die als juwelen aan de hemel
schitteren. Uit de diepten van de Ruimte – het kosmische akasa,
de maagdelijke Isis – worden de zonnen geboren; want de kosmische
godin-moeder van een zonnestelsel kan men terecht laten zeggen: ‘De
vrucht die ik voortbracht werd de zon.’ Zo’n zon is het
zaad – net als de eikel het zaad is van een eik – voor toekomstige
menigten zonnegoden. Osiris is de kosmische geest in zijn energetische
aspect, tegelijk de ‘vader’, ‘broeder’, ‘echtgenoot’
en ‘zoon’ van de godin Isis, het andere aspect van de kosmische
geest; net zoals de vurige levensgeest, waar die zich ook bevindt, zelfs
in een zaad, de drijvende kracht is die de evolutionaire tendensen tevoorschijn
brengt die innerlijk latent aanwezig zijn. Daarom wordt Osiris het kosmische
zaad genoemd en Isis is zijn goddelijke moeder.
Er is een derde manier om deze diepzinnige Egyptische
leer te beschouwen, waarin Isis de mystieke maan voorstelt en waarbij
elk van de kinderen van de maan op weg is om een zon te worden.
Ieder van ons is een kind van de zon: daaruit kwamen
we tevoorschijn in de verre eonen van het verleden en daarheen zullen
we terugkeren in de verre eonen van de toekomst, maar dan als goden.
Door inwijding zal, als de mens met succes de beproevingen doorstaat,
zijn geest zich verheffen van de aarde via de maan en de planeten naar
de portalen van de zon, doordringen tot zijn hart, dan nog dieper tot
in de onzichtbare rijken en gebieden en tenslotte terugkeren naar zijn
in trance verkerende lichaam dat op hem wacht en in leven werd gehouden
door de verheven magie van de hiërarchie van wijsheid en mededogen.
Gedurende enige tijd daarna zal zijn gelaat licht uitstralen, zal zijn
lichaam een glans vertonen; en dat is de betekenis van het archaïsche
gezegde dat na de trance van drie dagen ‘het gelaat van de mens
straalde van luister’ en hij tevoorschijn trad alsof hij was ‘bekleed
met de zon’.
Maar om door de portalen van de zon te kunnen gaan,
moeten we eerst leren door de portalen van onze innerlijke god te gaan,
onze innerlijke spirituele zon. Want er is inderdaad een deel van onze
constitutie dat uit zonnesubstantie bestaat. Hoe zou de geest-ziel van
de mens door de portalen van de meest verheven entiteit van ons zonnestelsel
kunnen gaan – zelfbewust en veilig – als die geest-ziel
zelf niet dezelfde essentie en substantie had als de zon? Alles wat
lager is dan de zon zou bij te dichte nadering worden vernietigd. Niemand
kan de zon binnengaan als hij al niet een volwassen kind van de zon
is: van dezelfde essentie, van dezelfde kwaliteit of substantie, en
daarom potentieel in het bezit van dezelfde titanische energie. Wij
zijn eruit voortgekomen en we zullen ernaar terugkeren voordat onze
pelgrimstocht in het zonnestelsel geheel is voltooid. We keren ernaar
terug en dan zullen we het zonnedeel van ons afstaan aan de zon van
wie we het ontvingen. Op elk van de zeven heilige planeten zullen we
op weg naar de zon achterlaten wat we eraan hebben ontleend: stof aan
stof, maan aan maan, Venus aan Venus, Mercurius aan Mercurius, Mars
aan Mars, Jupiter aan Jupiter, Saturnus aan Saturnus, zon aan zon –
en dan keert ieder terug naar zijn ouder-ster, een ‘ouder-ster’
alleen omdat hijzelf die ster is.
Bron van het occultisme, blz. 344-51
© 2006 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag