Bron van het occultisme / G. de Purucker

Een moderne presentatie van de oude universele wijsheid
gebaseerd op
De Geheime Leer van H.P. Blavatsky

geredigeerd door Grace F. Knoche

isbn 9070328720, gebonden, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever
iets worden overgenomen.

© 2006   Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

 

   
      Inhoudsopgave     

 

Het triadische leven van Vader Zon


Men moet bedenken dat in iedere kosmogonie een drie-eenheid van werkers aan het hoofd staat – Vader, geest; Moeder, natuur of stof; en het gemanifesteerde heelal, de Zoon of het gevolg van die twee.
     – Isis Ontsluierd [Isis Unveiled, 2:420-1]

Het leven van de zon, als eenheid beschouwd, bezielt zijn hele rijk met de vitale emanaties die van alle delen van de zonneketen uitgaan. Dit zonneleven kunnen we voorlopig als zevenvoudig beschouwen; de hogere drie aspecten of gebieden zijn spiritueel en de lagere vier gebieden etherisch, en daarvan zijn de laagste delen duidelijk fysiek van aard. De hogere drie aspecten van leven-bewustzijn van de zon worden vaak Brahma-Vishnu-Siva genoemd, wat in de menselijke beginselen overeenkomt met atman-buddhi-manas. Deze triade is daarom betrekkelijk arupa, vloeit zelf voort uit de hoogste delen van de constitutie van de zon en vormt zo het volledige tienvoudige (of eigenlijk twaalfvoudige) zonnewezen.

Een dergelijke triade, waarvan gewoonlijk wordt gezegd dat ze in essentie solair is, was in alle oude religies en filosofische stelsels bekend; en er werden verschillende namen aan gegeven. Deze verschillende triaden hebben niet allemaal betrekking op dezelfde kosmische gebieden; niettemin komt een lagere triade op haar eigen gebieden overeen met een triade die men zich op hogere gebieden kan denken. De Egyptische triade Osiris-Isis-Horus bijvoorbeeld, komt in veel opzichten overeen met de hindoetriade Brahma-Vishnu-Siva en ook met de christelijke drie-eenheid. Toch heeft deze laatste triade een grotere overeenkomst – en dat geldt voor elk van de drie gebieden ervan – met Parabrahman-mulaprakriti, Brahman-pradhana, en Brahma (Purusha)-prakriti van de hindoefilosofie: de Vader komt overeen met Parabrahman-mulaprakriti; de Heilige Geest met Brahman-pradhana, en de Zoon met Brahma (Purusha)-prakriti.

Terloops kan worden opgemerkt dat deze volgorde van de zogenaamde emanatie van de drie-eenheid Vader-Heilige Geest-Zoon – uit het prilste christelijke denken stamt, waaraan de Grieks-orthodoxe kerk, trouw aan de heidense traditie waaruit het christendom voortkwam, zich altijd heeft gehouden. De Kerk van Rome echter heeft zelfs al heel vroeg de voorkeur eraan gegeven de laatste twee personen van de drie-eenheid te beschouwen als voortgekomen uit de Vader, en wel in de volgorde eerst de Zoon en dan de Heilige Geest, wat door de diverse kerken in het westen is aangenomen. Dit verschil in standpunt was een van de voornaamste redenen van het theologische schisma tussen de Grieks-orthodoxe en de Roomse Kerk en heeft de filioque-controverse doen ontstaan – een Latijns woord dat ‘en uit de zoon’ betekent – waarbij de gedachte was dat de Heilige Geest uit de Vader en uit de Zoon voortkwam.

Al deze triaden zijn in feite zonnetriaden wanneer ze juist worden begrepen. Parabrahman-mulaprakriti en eveneens de Vader van de christelijke drie-eenheid zijn in feite de eerste kosmische logos; Brahman-pradhana en ook de Heilige Geest zijn de tweede kosmische logos; en Brahma (Purusha)-prakriti en de Zoon zijn de derde kosmische logos. Anderzijds heeft de Egyptische triade Osiris-Isis-Horus haar oorsprong in of emaneert uit de derde kosmische logos, evenals de hindoetriade Brahma-Vishnu-Siva.

Deze opmerkingen worden alleen gemaakt om aan te tonen dat er een reeks nauwkeurige overeenkomsten bestaat tussen de zonnegoden zoals die bij diverse oude volkeren werden onderwezen. Ook al hebben al deze triaden alleen betrekking op ons zonnestelsel, ze zouden met evenveel recht kunnen worden toegepast op het universele zonnestelsel; in dat geval moet men ze zich natuurlijk als veel groter en verhevener voorstellen.

De feiten van de natuur gelden voor verschillende gebieden, en het stelsel van triaden is evenzeer een feit op de goddelijke en spirituele als op de verstandelijke gebieden. Wanneer we ze echter in gedachten rechtstreeks toepassen op ons zonnestelsel, kunnen we zien dat al deze triaden, zoals ze in hun respectieve tijdperken en landen werden vereerd, in feite dezelfde zonnetriade zijn onder verschillende namen, en dat ze zijn voortgekomen uit de derde kosmische logos, de derde logos van ons zonnestelsel. Naar analogie van de structuur van het heelal bestaat de triade in de menselijke constitutie dan uit: atman, atman-buddhi, buddhi-manas.

Al zulke triadische eenheden zijn weerspiegelingen of analoge herhalingen van de nog hogere kosmische triade die, door haar diep abstracte karakter, zelden of nooit door het volk zo werd vereerd als deze weerspiegelingen. Naar deze hoogste kosmische triade werd slechts af en toe verwezen, zoals door Pythagoras toen hij over de kosmische monade zei dat ze eeuwig in ‘stilte en duisternis’ is gehuld, waarmee hij bedoelde dat ze het gewone menselijke bevattingsvermogen te boven gaat.

Ter illustratie: elke kosmos of elk heelal is een wezen met tien beginselen, waarvan de hoogste drie beginselen de hemelse triade vormen, waaruit de lagere zeven (of de gemanifesteerde eenheden) van de tien emaneren. Deze zeven bestaan op hun beurt uit een hogere triade en een lager viertal – en de Ouden hadden juist deze hogere triade voor ogen wanneer ze spraken over hun triadische godheden, zoals Brahma-Vishnu-Siva, Osiris-Isis-Horus, Vader-Heilige Geest-Zoon. Deze tweede triade wordt dus gezien als de weerspiegeling van de eerste of hemelse triade van een kosmos of Brahmanda.

Het is van belang op te merken dat de aard van de tweede persoon van praktisch elk van deze triaden in de exoterische religies en mythologieën als vrouwelijk werd afgeschilderd, zoals Isis in de Egyptische triade. In feite waren deze vrouwelijke eigenschappen van de tweede persoon oorspronkelijk ook van toepassing op de christelijke drie-eenheid, want hoewel de Heilige Geest in naam of titel schijnbaar mannelijk was, werd deze oorspronkelijk als een vrouwelijke kosmische kracht of invloed beschouwd.14 Pas toen het christendom dogmatisch werd en in theologische vormen verstarde, werd de vrouwelijke aard van de tweede persoon duidelijk vermannelijkt.

Hoewel Vishnu in de hindoetriade Brahma-Vishnu-Siva gewoonlijk als het prototype van een mannelijke godheid wordt beschouwd, zijn veel van zijn kenmerken en functies vrouwelijk, zodat de geest van die gedachte overheerst ondanks het feit dat het geslacht van de naam van de tweede persoon mannelijk is.

Deze verschillende triaden kunnen worden beschouwd als de vrouwelijke geest die emaneert uit de eerste persoon en die op haar beurt, omdat ze vervuld is van de zaden van boven, de derde persoon geboren doet worden; of als drie gelijkwaardige en op elkaar inwerkende aspecten van het kosmische leven. Zo kunnen we zeggen dat in de menselijke constitutie buddhi emaneert uit atman en vervolgens op haar beurt manas geboren doet worden; of dat ze alle drie – atman, buddhi, manas – gecoördineerd handelen en tegelijkertijd de hogere triade van de mens zijn. De eerste manier toont hun oorspronkelijke ontstaan, de tweede hoe ze als een eenheid samenwerken.

Het triadische leven van het zonnestelsel openbaart zich als Vader Zon, en ons zonnestelsel is in zijn totaliteit een zonnemonade, waarvan de zon het hart is. Vader Zon is het spirituele deel van dat hart. Het is deze drievoudige spirituele energie die de zon voortbrengt; het is niet de zon die haar doet ontstaan. Hoewel de zonnegod zich manifesteert door zijn keten van twaalf bollen, woont hij ook in het hart van elk van hen afzonderlijk, ongeveer zoals de menselijke ziel afzonderlijk woont in de kern van de mens.

Vader Zon is een geschikte uitdrukking die verscheidene punten van de leer op bevredigende wijze beschrijft. Niet alleen doelt ze rechtstreeks op de zonnegodheid van ons zonnestelsel, maar ze kan ook bij bepaalde gelegenheden worden gebruikt voor wat HPB de ‘astrologische ster’ van een mens noemde:*

*De Geheime Leer, 1:632-3.

De ster waaronder een mens wordt geboren, zal volgens de occulte leer altijd zijn ster blijven tijdens de hele cyclus van zijn incarnaties in één manvantara. Maar dit is niet zijn astrologische ster. De laatstgenoemde heeft betrekking op en is verbonden met de persoonlijkheid, de eerstgenoemde met de individualiteit. De ‘engel’ van die ster of de dhyani-boeddha zal òf de leidende òf eenvoudig de aan het hoofd staande ‘engel’ zijn bij elke nieuwe wedergeboorte van de monade, die deel uitmaakt van zijn eigen essentie, hoewel zijn voertuig, de mens, voor altijd onbekend met dit feit kan blijven.

De spirituele ster daarentegen, ‘de ster waaronder een mens wordt geboren’, houdt een verheven mysterie in. Met die zon of ster in ons thuisheelal of de melkweg, waarvan de goddelijke monade van de mens het voortbrengsel is, is de mens dus gedurende de bijna oneindige periode van het galactische manvantara door zeer nauwe spirituele banden verbonden.

Bij andere gelegenheden heb ik, wanneer ik over de zonnegodheid sprak, de uitdrukking Vader Zon gebruikt in verband met de reis van de spirituele monade tijdens de buitenronden in, door en vanuit de zonneketen, die al zijn bollen omvat. Zoals de menselijke vader in zijn lichaam de passerende levenskiem bevat, die in de geschikte omgeving het begin wordt van het lichaam van het kind in wording, zo neemt de zon alle spirituele en ook andere monaden in zijn rijk (en dat geldt eveneens voor bol D van de zonneketen, onze zichtbare zon) in zich op en stuurt deze na verloop van tijd weer uit om hun buitenronden langs de circulaties in de kosmos te voltooien. Voorzover het de zichtbare bol van onze zon betreft, komen deze stromen van levens of monaden binnen door zijn noordpool en worden ze via de zonnevlekken weer uit zijn hart uitgestoten.

Het hart van Vader Zon is een straal van het absolute, waarbij we het woord ‘absoluut’ in de theosofische betekenis gebruiken. Als Vader Zon de volle invloed en macht van deze goddelijke straal kon manifesteren, dan zou hij alle vermogens en alle krachten bezitten die het heelal bevat. Niet alleen Vader Zon, maar ieder mens heeft deze goddelijke straal in zich; en dat is zijn innerlijke god. Wat we in het geval van de zon zien is slechts het fysieke omhulsel, een bol van kosmische krachten, elektriciteit en superelektriciteit. Een zon is ook vol psychische en spirituele krachten, die elk bij zijn eigen gebied horen, want er is een innerlijke zon en een uiterlijke zon.

Deze zonnegod is de spirituele en verstandelijke ouder van de talloze menigten van entiteiten in het hele zonnestelsel. Daaruit kwamen wij in het verre, verre verleden voort; en daarheen zullen we terugkeren in de zeer verre toekomst, wanneer het einde van de evolutieperiode van ons zonnestelsel nadert. Wanneer het laatste kosmische moment aanbreekt, zal het hele zonnestelsel – goden, monaden, en atomen, zon, planeten, en de diverse manen, zoals die dan bestaan – plotseling verdwijnen als een schaduw die over een witte muur glijdt en niet meer wordt gezien.

De oorzaak van dit alles is het terugtrekken van de vitaliteit uit elke atomaire entiteit in het hele gebied van de zonnekosmos; en wanneer de vitaliteit eenmaal is verdwenen, valt de hele structuur uiteen, ze verdwijnt, en het zonnestelsel met al zijn menigten entiteiten komt in paranirvana.* Daar blijft het tot de kosmische klok het uur aangeeft waarop een nieuw zonnestelsel uit de schoot van de Ruimte tevoorschijn zal komen – het kind, het wederbelichaamde wezen, het karmische gevolg van het zonnestelsel dat was.

*Wanneer wetenschappers speculeren over het veronderstelde sterven van de zon en zich afvragen wanneer hij door verlies van warmte zal uitdoven, zoals zij denken, zouden ze misschien een paar aanwijzingen kunnen vinden in de woorden van HPB:

‘Nee, zeggen we; nee, zolang er nog één mens is achtergebleven op aarde zal de zon niet worden gedoofd. Voordat het uur van de ‘zonnepralaya’ aanbreekt op de wachttoren van de eeuwigheid, zullen alle andere werelden van ons stelsel in hun schimmige omhulsels langs de stille wegen van de eindeloze ruimte bewegen. Vóór het aanbreekt zal Atlas, de machtige Titaan, de zoon van Azië en de voedsterling van Aether, zijn zware manvantarische last hebben laten vallen en – zijn gestorven; de Pleiaden, de zeven stralende zusters, zullen na de zich verborgen houdende Sterope [Merope] te hebben gewekt om met hen te treuren – zelf moeten sterven om het verlies van hun vader. En Hercules zal door het verplaatsen van zijn linkerbeen, in de hemelen van plaats moeten veranderen en zijn eigen brandstapel moeten oprichten. Pas dan, omringd door het vurige element dat door de toenemende duisternis van de pralayische schemering breekt, zal Hercules, terwijl hij de laatste adem uitblaast te midden van een algehele vuurzee, eveneens de dood van onze zon teweegbrengen: door heen te gaan zal hij de ‘centrale zon’ – het mysterieuze, het altijd verborgen centrum van aantrekking van onze zon en ons stelsel – hebben ontsluierd. Fabeltjes? Zuiver dichterlijke fantasie? Maar wanneer men weet dat de meest exacte wetenschappen, de grootste wiskundige en astronomische waarheden door de ingewijde priesters, de hiërofanten van het sanctum sanctorum van de oude tempels, in de vorm van religieuze fabels de wereld werden ingezonden naar het grote publiek, is het misschien niet zo verkeerd om zelfs onder de resten van deze harlekinade van de verbeelding naar universele waarheden te zoeken.’
      – The Theosophist, sept. 1883, blz. 301; CW 5:162-3

In zijn verhandeling Over Isis en Osiris (ix) vertelt Plutarchus, de oude Griekse filosoof, biograaf en ingewijde, eens priester van de Delphische Apollo, dat boven de poort van de tempel van Isis in Egypte de volgende mystieke woorden in onverwoestbare steen waren gegraveerd:15

[Isis] ben ik; al wat was, al wat is, al wat ooit zijn zal. En geen sterveling heeft ooit mijn kleed weggenomen.

Zoals men zal opmerken, verschilt onze weergave van deze beroemde inscriptie enigszins van de wijze waarop die gewoonlijk wordt gegeven: ‘. . . en geen sterveling heeft ooit mijn sluier opgelicht’. Dit is een belangrijk verschil, omdat het een nieuwe betekenis geeft aan de Griekse zin die werkelijk dichter bij de diep esoterische betekenis komt van deze koninklijke uitspraak. Het is opmerkelijk dat bij Plutarchus deze inscriptie eindigt met de woorden ‘mijn kleed weggenomen’, terwijl Proclus, de bekende neoplatonische filosoof, zegt dat ze ook nog de volgende woorden bevatte:*

*Naar Engelse vert. Thomas Taylor, On the Timaeus of Plato, Boek I, blz. 82.

De vrucht die ik voortbracht werd de zon.

Men kan deze uitspraak op twee manieren verklaren. De eerste is dat de eeuwige wijsheid of sophia, die er altijd was, er nu is en er altijd zal zijn, de moeder-maagd is van de ingewijden: een altijd vruchtbare moeder, die altijd een voortdurende en ononderbroken reeks op een boeddha lijkende mensen voortbrengt. Dat is de oude wijsheid, een altijd blijvende wijsheid, een voorstelling in menselijke woorden van de werking, structuur en ware aard van het heelal – goddelijk, spiritueel, astraal en fysiek. Zo was de mystieke Isis.

Wat is de vrucht die deze wijsheid voortdurend oplevert door een proces van wording, van groei, van tevoorschijn brengen wat zich binnenin ons bevindt? ‘Zonen van de zon’ – een letterlijke waarheid! Want zoals ieder mens in de kern van zijn essentie een zon is, bestemd om in toekomstige eonen een van de menigte van sterren te worden waarmee de ruimten van de Ruimte is bezaaid, zo is de goddelijk-spirituele monade, zelfs vanaf het eerste moment dat ze haar omzwervingen door het universele Zijn begint, een embryozon en bovendien een kind van een andere zon die toen in de ruimte bestond. Inwijding brengt in de neofiet deze innerlijke, latente, stellaire energie uit de schoot van de moeder-maagd tevoorschijn, Sophia, de oude wijsheid, die tegelijk ‘moeder’, ‘zuster’, ‘dochter’ en ‘vrouw’ is van de mens-god die door inwijding aldus tot geboorte wordt gebracht. Hier ligt de sleutel tot het mysterie van de maagdelijke geboorte.

De tweede betekenis van deze oude inscriptie is de volgende: Isis, in het bijzonder in haar meer mystieke aspect van Neith of Nephthys, is het kosmische akasa, eeuwig maagdelijk en toch geeft ze altijd het aanzijn aan de universa die als juwelen aan de hemel schitteren. Uit de diepten van de Ruimte – het kosmische akasa, de maagdelijke Isis – worden de zonnen geboren; want de kosmische godin-moeder van een zonnestelsel kan men terecht laten zeggen: ‘De vrucht die ik voortbracht werd de zon.’ Zo’n zon is het zaad – net als de eikel het zaad is van een eik – voor toekomstige menigten zonnegoden. Osiris is de kosmische geest in zijn energetische aspect, tegelijk de ‘vader’, ‘broeder’, ‘echtgenoot’ en ‘zoon’ van de godin Isis, het andere aspect van de kosmische geest; net zoals de vurige levensgeest, waar die zich ook bevindt, zelfs in een zaad, de drijvende kracht is die de evolutionaire tendensen tevoorschijn brengt die innerlijk latent aanwezig zijn. Daarom wordt Osiris het kosmische zaad genoemd en Isis is zijn goddelijke moeder.

Er is een derde manier om deze diepzinnige Egyptische leer te beschouwen, waarin Isis de mystieke maan voorstelt en waarbij elk van de kinderen van de maan op weg is om een zon te worden.

Ieder van ons is een kind van de zon: daaruit kwamen we tevoorschijn in de verre eonen van het verleden en daarheen zullen we terugkeren in de verre eonen van de toekomst, maar dan als goden. Door inwijding zal, als de mens met succes de beproevingen doorstaat, zijn geest zich verheffen van de aarde via de maan en de planeten naar de portalen van de zon, doordringen tot zijn hart, dan nog dieper tot in de onzichtbare rijken en gebieden en tenslotte terugkeren naar zijn in trance verkerende lichaam dat op hem wacht en in leven werd gehouden door de verheven magie van de hiërarchie van wijsheid en mededogen. Gedurende enige tijd daarna zal zijn gelaat licht uitstralen, zal zijn lichaam een glans vertonen; en dat is de betekenis van het archaïsche gezegde dat na de trance van drie dagen ‘het gelaat van de mens straalde van luister’ en hij tevoorschijn trad alsof hij was ‘bekleed met de zon’.

Maar om door de portalen van de zon te kunnen gaan, moeten we eerst leren door de portalen van onze innerlijke god te gaan, onze innerlijke spirituele zon. Want er is inderdaad een deel van onze constitutie dat uit zonnesubstantie bestaat. Hoe zou de geest-ziel van de mens door de portalen van de meest verheven entiteit van ons zonnestelsel kunnen gaan – zelfbewust en veilig – als die geest-ziel zelf niet dezelfde essentie en substantie had als de zon? Alles wat lager is dan de zon zou bij te dichte nadering worden vernietigd. Niemand kan de zon binnengaan als hij al niet een volwassen kind van de zon is: van dezelfde essentie, van dezelfde kwaliteit of substantie, en daarom potentieel in het bezit van dezelfde titanische energie. Wij zijn eruit voortgekomen en we zullen ernaar terugkeren voordat onze pelgrimstocht in het zonnestelsel geheel is voltooid. We keren ernaar terug en dan zullen we het zonnedeel van ons afstaan aan de zon van wie we het ontvingen. Op elk van de zeven heilige planeten zullen we op weg naar de zon achterlaten wat we eraan hebben ontleend: stof aan stof, maan aan maan, Venus aan Venus, Mercurius aan Mercurius, Mars aan Mars, Jupiter aan Jupiter, Saturnus aan Saturnus, zon aan zon – en dan keert ieder terug naar zijn ouder-ster, een ‘ouder-ster’ alleen omdat hijzelf die ster is.

 


Bron van het occultisme, blz. 344-51

© 2006  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag