Bron van het occultisme / G. de Purucker

Een moderne presentatie van de oude universele wijsheid
gebaseerd op
De Geheime Leer van H.P. Blavatsky

geredigeerd door Grace F. Knoche

isbn 9070328720, gebonden, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever
iets worden overgenomen.

© 2006   Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

 

   
      Inhoudsopgave     

 

De oorzaak van ziekte


De wetenschap leert ons dat zowel het levende als het dode organisme van mens en dier wemelen van bacteriën van wel honderd verschillende soorten; dat we bij elke ademhaling van buitenaf worden bedreigd door een invasie van microben, en van binnenuit door leukomaïnen, aëroben, anaëroben, en wat al niet. Maar de wetenschap is nog nooit zover gegaan, dat ze met de occulte leer verklaart dat onze lichamen, evenals die van dieren, planten en stenen, geheel zijn opgebouwd uit zulke wezens die, met uitzondering van de grotere soorten, niet door de microscoop kunnen worden ontdekt. . . . Elk deeltje – of men het nu organisch of anorganisch noemt – is een leven. Elk atoom en elke molecule in het Heelal geeft aan zo’n vorm zowel het leven als de dood, want het bouwt door aggregatie heelallen en vergankelijke voertuigen op, gereed om de verhuizende ziel te ontvangen, terwijl het eeuwig de vormen verwoest en verandert en die zielen uit hun tijdelijke woningen verdrijft. Het schept en doodt; het brengt zichzelf voort en verwoest zichzelf; het laat ontstaan en vernietigt dat grootste van alle mysteries – het levende lichaam van mens, dier of plant, op elk moment in tijd en ruimte. Het brengt zowel leven als dood voort, schoonheid en lelijkheid, goed en kwaad, en zelfs de aangename en onaangename, de weldadige en de boosaardige gevoelens.   – De Geheime Leer, 1:287-8

Levensatomen zijn nauw verbonden met de oorzaken en uitingen van ziekte. Zowel gezondheid als ziekte zijn de karmische gevolgen van de aard en neigingen die wijzelf hebben afgedrukt op de levensatomen die de diverse omhulsels vormen waarin wij, menselijke ego’s, tijdens het aardse leven zijn gehuld: daarop afgedrukt door onze gedachten, onze gevoelens, onze wensen en onze gewoonten. Dat betekent echter niet dat een mens nu een lichaam heeft dat als het ware een fotokopie is van zijn vorige fysieke lichaam, met dezelfde ziekten waaraan hij toen misschien heeft geleden. Aanleg voor gezondheid of ziekte, de vorm van lichaam en gelaat, zijn allemaal onderworpen aan karmische verandering, aan evolutie.

Iemand kan in een bepaald leven een ziekte hebben, de karmische oorzaken die die ziekte teweegbrachten uitwerken en in het volgende leven er volkomen vrij van zijn, of niet – alles hangt af van zijn karma. We hebben dezelfde levensatomen en dezelfde astrale monade als vroeger, beide natuurlijk gewijzigd in overeenstemming met het vroeger voortgebrachte karma. Het karma van deze levensatomen en van deze astrale monade wordt eenvoudig overgebracht vanuit het vorige leven, en begint opnieuw vanaf het punt waar dat leven was geëindigd. Het leven zet zich onafgebroken voort; maar omdat alle dingen veranderen, waaronder ook de levensatomen van ons lichaam, en omdat onze ziel een verandering ten goede heeft ondergaan in haar devachan door haar ervaringen te verwerken, is de nieuwe mens wel de oude mens, maar toch in zekere zin nieuw.

We hebben nu praktisch hetzelfde lichaam als in ons vorige leven. Niettemin wordt het reïncarnerende ego wanneer het naar de aarde terugkeert, in het algemeen – behalve in bepaalde karmische gevallen zoals zij die als kind of in hun vroege jeugd sterven – in een ander ras geboren, in een ander tijdperk, en een andere omgeving. De levensatomen zijn identiek, maar noodzakelijkerwijs veranderen ze, net zoals de afgelopen maandag niet dezelfde is als aanstaande maandag, hoewel wij dezelfde persoon zijn.

Hoe staat het met de groei en verandering van een mens, zelfs in één leven? Heeft een volwassen mens hetzelfde uiterlijk dat hij als pasgeboren baby had? En toch is hij hetzelfde individu, dezelfde levensatomen. Is het kind dezelfde als de volwassene? Ja en nee; hetzelfde lichaam, maar hoe verschillend! Zo is het ook met opeenvolgende levens. Zoals het kind stap voor stap langzaam tot volwassene opgroeit, zo gaat een mens van incarnatie naar incarnatie, voortdurend dezelfde in essentie, hoewel hij in ieder leven verandert, laten we hopen ten goede. We vormen ons nu grotendeels tot wat we over tien jaar zullen zijn. We hebben misschien een ziekte overwonnen waar we nu aan lijden, of we hebben dan misschien een ziekte die we nu niet hebben. In beide gevallen zijn we zelf verantwoordelijk. Ziekte is dus het uitwerken van karma, want alles wat een mens overkomt, is het gevolg, het ontkiemen, van zaden die in het verleden werden gezaaid.

Omdat onze fysieke levensatomen onze kinderen zijn, hebben ze deel aan onze svabhava, en reageren ze op onze gedachten en gevoelens, op ons voorbeeld; maar hieruit volgt niet noodzakelijkerwijs dat een mens van wie het huidige leven wordt gekenmerkt door een nobel streven en edele eigenschappen, in het volgende aardse leven een gezond lichaam zal hebben. Het tegendeel hiervan is maar al te bekend: edelmoedige mannen en vrouwen die zwak en ziekelijk zijn, en aan de andere kant verdorven karakters die een gezond lichaam hebben. Hoe is dat te verklaren?

Neem het geval van een edel en onzelfzuchtig mens die een zwak fysiek voertuig heeft; hij heeft, voorzover het de innerlijke mens betreft, zijn vrijheid veroverd; maar de levensatomen die hij nog moet gebruiken, heeft hij nog niet gezuiverd van de vroegere smetten die diezelfde geest-ziel erop heeft geworpen. Maar eens, wanneer de cyclus van een zwak fysiek lichaam voorbij is, zal die mens in volle glorie kunnen schitteren.

Ook is het zo dat sommige verdorven en slechte mensen een lichaam van grote, fysieke schoonheid bezitten, maar dat is zeldzaam. Vaker zijn het minder gevorderde menselijke zielen die een lichaam van fysieke perfectie bezitten, eenvoudig omdat het innerlijke vuur nog niet is ontstoken, en het het lichaam niet verteert, noch in vuur en vlam zet. Genialiteit vindt men gewoonlijk in een zwak en vaak afgetakeld lichaam, omdat het innerlijke vuur te sterk ervoor is en het het lichaam verscheurt, zoal niet misvormt. Maar wie zou, als men zou kunnen kiezen, niet liever een genie zijn, vooral een spiritueel genie, zelfs met een zwak lichaam, dan een individu met een ziel die spiritueel dood is – of nog geheel en al onontwaakt!

Dat zelfzucht de oorzaak is van alle ziekte is een te algemene uitspraak. Het is beter te zeggen dat die vorm van zelfzucht die men hartstocht noemt, bewuste of onbewuste, de vruchtbare oorzaak van ziekte is – onbeheerste, hevige hartstocht, zoals haat, woede, wellust, enz. Al deze vormen van hartstocht, mentale of fysieke, verzwakken de lagere constitutie van de mens; ze onttrekken zich aan de controle van de leidende hand van het hogere deel van zijn wezen, veranderen de richting van de pranische levensstromen, trekken ze hier samen, verminderen ze elders. Zo belemmeren ze de normale, vlotte werkingen van de natuur, die in dit verband gezondheid betekenen. In feite ligt zelfzucht niet alleen ten grondslag aan bijna alle ziekten, maar ook aan bijna al het kwaad, en beide worden in eerste instantie niet door onbeheersbare maar door onbeheerste hartstochten veroorzaakt.

De symptomen van ziekte, die maar al te vaak worden behandeld alsof ze die ziekte zelf zijn, zijn niet zelden de pogingen van de genezende krachten het vergif uit het lichaam te werken. Een ziekte moet worden gezien als een reinigingsproces, want het resultaat is een zuivering. Ze moet worden verwelkomd in die zin dat men de situatie rustig beoordeelt, zonder bang te zijn of te proberen het proces te compliceren of te verstoren. Maar veel mensen hebben het idee dat genezen bestaat uit het indammen van een ziekte, het sluiten van de deur waardoor ze het lichaam niet kan verlaten. Dat indammen maakt het echter mogelijk dat de wortels van de ziekte hun greep verstevigen, energie verspreiden en ophopen, zodat, wanneer ze opnieuw verschijnt – zoals onvermijdelijk gebeurt, want de wortels zijn niet uitgeroeid – de reactie op het lichaam heftiger is dan het geval zou zijn wanneer de ziekte haar normale verloop had kunnen hebben. W.Q. Judge schreef:

. . . ziekten zijn uiterlijke verschijnselen die zichtbaar worden wanneer ze het lichaam verlaten, waardoor men kan worden gezuiverd. Ze tegenhouden door verkeerd gerichte gedachten, betekent ze terugdringen tot hun oorzaak en ze opnieuw planten op hun mentale gebied.

Dat is de ware reden van ons bezwaar tegen metafysische geneesmethoden, die we onderscheiden van de veronderstellingen en de zogenaamde filosofie waarop deze methoden zouden berusten. Want we zeggen met klem dat de resultaten niet worden teweeggebracht door een of ander filosofisch stelsel, maar door de praktische, zij het onkundige toepassing van psychofysiologische processen.*

*The Path, september 1892, blz. 190; Echoes of the Orient, 1:264.

Er zit een ethische kant aan dit alles die nog niet voldoende is aangeroerd. In veel gevallen kunnen ziekten een door de hemel gezonden zegen zijn; ze genezen egoïsme, ze leren geduld en leiden tot het besef dat het noodzakelijk is om op de juiste manier te leven. Als wij met onze onbeteugelde emoties een lichaam hadden dat niet ziek kan worden, zou het door excessen toch verzwakt en gedood kunnen worden. Ziekten zijn in feite waarschuwingen om onze gedachten te verbeteren, en in overeenstemming met de natuurwetten te leven.

In de tweede helft van de negentiende eeuw deed een nieuwe cyclus in de geneeskunde zijn intrede in de wereld: men werd niet langer tot aan zijn dood behandeld met allerlei krachtige medicijnen en drankjes. Artsen begonnen in te zien dat het de natuur is die geneest en dat een verstandige arts veeleer een raadsman is en iemand die de ziekte elimineert, dan een toediener van medicijnen. Omdat de kennis van artsen nog onvolmaakt is, leiden acute ziekten echter vaak tot de dood. Ze verlopen te snel voor de menselijke constitutie om de spanning ervan te kunnen verdragen. Aan de andere kant zullen beoefenaars van de geneeskunde in de verre toekomst zo goed begrijpen wat ziekten en hun geneeswijzen zijn – en hoe ze kunnen worden voorkomen – dat ze een ziekte zo rustig naar buiten leiden dat het lijkt alsof ze verdwijnt, terwijl ze zich in werkelijkheid openbaart, zoals ook nu het lichaam vaak uit eigen kracht een ziekte kwijtraakt, zonder hulp van buitenaf.17

Zoals ik al heb gezegd, heeft men geen werkelijke kennis over de betekenis en de oorzaak van ziekten, met het gevolg dat er voortdurend nieuwe methoden van medische hulp worden geïntroduceerd. Sommigen bepleiten bijvoorbeeld het gebruik van stimulerende en bedwelmende middelen; anderen, eliminerende en onderdrukkende maatregelen die alleen de symptomen betreffen. Ik wil hieraan toevoegen dat er meer te zeggen is voor deze en andere methoden die bij sommige reguliere geneeswijzen in gebruik zijn, dan voor methoden die tegen elke medische behandeling gekant zijn, zoals de richtingen die de zogenaamde mentale en geloofsgenezing voorstaan. Het is heel gevaarlijk elementale krachten die bezig zijn om via de menselijke constitutie naar buiten te komen, in te dammen door te geloven of te ontkennen, of door psychologische methoden van gedachteconcentratie. Hoe onvolmaakt de medische wetenschap tegenwoordig misschien ook is, ze behandelt in ieder geval het lichaam met stoffelijke middelen en die richten de minste schade aan.

De oude wijsheid heeft enkele punten van overeenkomst met de ‘sekten van loochenaars’, zoals H.P. Blavatsky ze kortweg noemde; bijvoorbeeld de leer dat het goed is een vrolijke en opgewekte geest te hebben; en ook dat het leven moedig onder ogen moet worden gezien en er een beroep moet worden gedaan op de spirituele energie die ingeboren is in het heelal. Maar dit zijn slechts opzichzelfstaande punten van overeenkomst. Er zijn andere dingen die onmogelijk kunnen worden aanvaard, zoals de opvatting dat de stof niet bestaat. Als we het bestaan van de stof zouden ontkennen, zouden we ook het bestaan van de geest moeten ontkennen, want geest en stof zijn elkaars tegenpolen. Waar het vooral om gaat is dat men zich zou concentreren op de persoonlijke belangen van het individu en dat er dan krachtige pogingen worden gedaan om voor zichzelf hulp te krijgen, wat geheel in strijd is met het ware spirituele ideaal. Als een mens, om verlichting te zoeken van een ziekte, de spirituele krachten van zijn wezen gebruikt en probeert ze omlaag te halen naar de stoffelijke wereld, werkt hij in een richting die tegengesteld is aan de evolutiestroom van de natuur, die omhoog is gericht. De regel is omhooggaan, niet omlaag, anders zwemt men tegen de stroom in en op dit punt is het systeem van de genezers of loochenaars fundamenteel fout.

We moeten in gedachten houden dat alles wat een mens overkomt de werking van karma is, en dat ziekten het gevolg zijn van disharmonische gedachten en gevoelens in dit of een vroeger leven, die nu via het lichaam uitwerken. Meer in het bijzonder: alle ziekten komen tot stand door middel van elementalen. Dit is de oude leer en werd door de hele wereld aangehangen, tot het westen in zijn hoogste wijsheid deze eensgezinde opvatting van de mensheid ging zien als iets dat op bijgeloof berustte.

Door de gebrekkige vertaling van het Nieuwe Testament, wat te wijten is aan een verkeerd begrip van wat die vroegchristelijke schrijvers wilden zeggen toen ze deze verhandelingen schreven, worden ziekten daarin toegeschreven aan het werk van duivels of demonen – een onjuiste vertaling die grotesk is. Deze daimonia, zoals het Griekse woord luidt, zijn eenvoudig de laagste orde van bezielde en bewustzijn bezittende schepsels – in de theosofie gewoonlijk elementalen genoemd – die de laagste sport vormen van de hiërarchische ladder waarvan de hoogste de toestand van spiritueel bestaan van de goden is en tegelijk de wereld die door hen wordt bewoond. Tussen een elementaal en een god bestaat een enorm verschil in evolutionaire vooruitgang, maar geen verschil in essentie of in oorsprong, en de mens bevindt zich op een tussenliggende sport van deze levensladder.

Alle ziekten, van epilepsie of kanker tot een gewone verkoudheid, van tuberculose tot kiespijn, van reumatiek tot elke andere lichamelijke kwaal, worden teweeggebracht door elementalen die als instrumenten van de karmische wet werken. En hetzelfde geldt voor mentale ziekten: een uitbarsting van woede, razernij, voortdurende zwaarmoedigheid en allerlei ziekelijke neigingen zijn alle van elementale oorsprong. Moordzucht is een voorbeeld daarvan; in wezen is het niet-menselijk en ook volslagen onmenselijk – het is elementaal. In dit geval beheerst een elementaal de menselijke tempel en heeft tijdelijk de rechtmatige menselijke bewoner verdreven. Zo’n toestand is te wijten aan zwakheid en de zucht aan eigen begeerten toe te geven.

Epilepsie is ook te wijten aan een elementaal, een natuurgeest, een energiecentrum, een bewustzijnscentrum, van een onontwikkelde soort, die zich in dit geval tijdelijk de plaats heeft toegeëigend die normaal door de menselijke ziel in het lichaam wordt ingenomen. Epileptici zijn in feite ‘maanziek’ wanneer ze een aanval krijgen. In dit verband is het misschien interessant op te merken dat een van de oude Mesopotamische goden over wie in de vroegchristelijke en joodse geschriften wordt gesproken, Beël-Zebub heet, wat gewoonlijk wordt vertaald als ‘Heer van de Vliegen’. Zebub betekent inderdaad vliegen, maar de vlieg is het mystieke symbool van een bezielde astrale entiteit en werd daarom gezien als een symbool van de aard en de capriolen van elementalen. Daarom betekent Heer van de Vliegen eenvoudig Heer van de Elementalen – van de elementale krachten en vermogens; en die heer is de maan.

In de oudheid en in de middeleeuwen stond epilepsie bekend als de ‘heilige ziekte’ omdat ze een duidelijk psychisch element bezat dat in sterk contrast staat met andere meer zuiver fysieke aandoeningen. Men geloofde dat elementalen van een hogere graad, die een grotere psychische invloedssfeer hebben, betrokken waren bij de ‘vallende ziekte’. Deze gedachte komt ook veel voor in het hele oosten, en eveneens op de Zuidzee-eilanden, waar dingen die in enig opzicht heilig zijn, taboe zijn, verboden, en men meende dat ze onder de bijzondere bescherming stonden van de elementale natuurgeesten.

Epileptische aanvallen zijn in werkelijkheid niet erger dan enige andere ziekte want, zoals gezegd, men kan iedere ziekte terugvoeren tot dezelfde oorzaken: een reeks gedachten en emoties die in het huidige leven uitloopt op een verstoring van de pranische stromen in het lichaam en een disharmonische wisselwerking daartussen. Zoals de aard van de gevoelens en gedachten is, zo is de ziekte.

Bij kanker is er één fundamentele oorzaak die in twee factoren is te splitsen: ten eerste diepgeworteld egoïsme; en ten tweede, werkend tegen die algemene achtergrond, een onbeheerste emotionaliteit, waarvan de oorzaken eeuwen geleden in andere levens kunnen zijn gezaaid. De gecombineerde kracht van deze twee vitaal-astrale stromen verzwakt de weerstand of vernietigt die zelfs, en leidt de levensstromen zodanig dat ze bepaalde delen van het lichaam, waar ze van nature onder controle zijn, verlaten en zich concentreren op andere delen waar ze gaan woekeren. Door de emoties te beheersen en door zelfvergetelheid is het echter mogelijk de natuur te helpen om het verloop en de ontwikkeling van de ziekte te wijzigen. Veel meer mensen zouden aan kankergezwellen in het lichaam lijden als de natuur niet automatisch haar weerstandskrachten mobiliseerde – verstandelijke, emotionele, morele, fysiologische, en wat al niet – en zo maakt dat het lichaam zo sterk reageert dat de aanval door die weerstand wordt afgeslagen.

Veel zaken die het menselijk lichaam betreffen, zijn grote mysteries, eenvoudig omdat we niet voldoende weten van de geschiedenis van onze evolutie. We zouden kanker bijvoorbeeld beter begrijpen als we beseften dat alle gezwellen, kwaadaardige of goedaardige, fysiologische herinneringen zijn aan de voortplantingsmethoden die het vroege derde wortelras onbewust gebruikte. Toen waren zulke aanwassen normaal en natuurlijk; nu zijn ze op zijn best abnormaal en op zijn slechtst kwaadaardig. Toen werden ze veroorzaakt door de natuurlijke loop van zuivere en krachtige levensstromen; nu worden ze veroorzaakt door dezelfde krachtige levensstromen die in een secundaire richting lopen die verkeerd is – verkeerd, omdat het evolutionair niet de juiste tijd daarvoor is.

Er is echter een betrouwbaar middel om alle ziekten die zowel een fysiologisch als een psychisch karakter hebben te voorkomen, en dat is het beoefenen van de eeuwenoude deugden zoals de paramita’s.

Omdat ziekten het karmische gevolg zijn van vroegere fouten in de levenswijze, van het werken in disharmonie met de natuur, bestaat de weg naar gezondheid uit het samenwerken met de natuur; en dat is mogelijk omdat we een onlosmakelijk deel ervan zijn. Iedere wijze en ziener heeft de weg gewezen. In iedere grote religie en filosofie is de methode steeds weer tot uitdrukking gebracht. Maar geen ware wijze of adept zal ooit ingrijpen in de karmische wet, want zij zijn de dienaren van die wet en brengen deze in hun werk onder de mensen tot uitdrukking. In enkele opzichten zijn ze ook de vervullers van de karmische wet, want daardoor wordt een natuurlijk evenwicht bereikt en de evolutie bevorderd. Zo zijn ze de genezers van de ziel van de mens. Genees de ziel en u geneest het lichaam.

 


Bron van het occultisme, blz. 447-54

© 2006  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag