De oorzaak van ziekte
De wetenschap leert ons dat zowel het levende
als het dode organisme van mens en dier wemelen van bacteriën
van wel honderd verschillende soorten; dat we bij elke ademhaling
van buitenaf worden bedreigd door een invasie van microben, en van
binnenuit door leukomaïnen, aëroben, anaëroben, en
wat al niet. Maar de wetenschap is nog nooit zover gegaan, dat ze
met de occulte leer verklaart dat onze lichamen, evenals die van dieren,
planten en stenen, geheel zijn opgebouwd uit zulke wezens die, met
uitzondering van de grotere soorten, niet door de microscoop kunnen
worden ontdekt. . . . Elk deeltje – of men het nu organisch
of anorganisch noemt – is een leven. Elk atoom en elke
molecule in het Heelal geeft aan zo’n vorm zowel het
leven als de dood, want het bouwt door aggregatie
heelallen en vergankelijke voertuigen op, gereed om de verhuizende
ziel te ontvangen, terwijl het eeuwig de vormen verwoest
en verandert en die zielen uit hun tijdelijke woningen verdrijft.
Het schept en doodt; het brengt zichzelf voort en verwoest zichzelf;
het laat ontstaan en vernietigt dat grootste van alle mysteries –
het levende lichaam van mens, dier of plant, op elk moment
in tijd en ruimte. Het brengt zowel leven als dood voort, schoonheid
en lelijkheid, goed en kwaad, en zelfs de aangename en onaangename,
de weldadige en de boosaardige gevoelens. –
De Geheime Leer, 1:287-8
Levensatomen zijn nauw verbonden met de oorzaken
en uitingen van ziekte. Zowel gezondheid als ziekte zijn de karmische
gevolgen van de aard en neigingen die wijzelf hebben afgedrukt op de
levensatomen die de diverse omhulsels vormen waarin wij, menselijke
ego’s, tijdens het aardse leven zijn gehuld: daarop afgedrukt
door onze gedachten, onze gevoelens, onze wensen en onze gewoonten.
Dat betekent echter niet dat een mens nu een lichaam heeft dat als het
ware een fotokopie is van zijn vorige fysieke lichaam, met dezelfde
ziekten waaraan hij toen misschien heeft geleden. Aanleg voor gezondheid
of ziekte, de vorm van lichaam en gelaat, zijn allemaal onderworpen
aan karmische verandering, aan evolutie.
Iemand kan in een bepaald leven een ziekte hebben,
de karmische oorzaken die die ziekte teweegbrachten uitwerken en in
het volgende leven er volkomen vrij van zijn, of niet – alles
hangt af van zijn karma. We hebben dezelfde levensatomen en dezelfde
astrale monade als vroeger, beide natuurlijk gewijzigd in overeenstemming
met het vroeger voortgebrachte karma. Het karma van deze levensatomen
en van deze astrale monade wordt eenvoudig overgebracht vanuit het vorige
leven, en begint opnieuw vanaf het punt waar dat leven was geëindigd.
Het leven zet zich onafgebroken voort; maar omdat alle dingen veranderen,
waaronder ook de levensatomen van ons lichaam, en omdat onze ziel een
verandering ten goede heeft ondergaan in haar devachan door haar ervaringen
te verwerken, is de nieuwe mens wel de oude mens, maar toch in zekere
zin nieuw.
We hebben nu praktisch hetzelfde lichaam als in
ons vorige leven. Niettemin wordt het reïncarnerende ego wanneer
het naar de aarde terugkeert, in het algemeen – behalve in bepaalde
karmische gevallen zoals zij die als kind of in hun vroege jeugd sterven
– in een ander ras geboren, in een ander tijdperk, en een andere
omgeving. De levensatomen zijn identiek, maar noodzakelijkerwijs veranderen
ze, net zoals de afgelopen maandag niet dezelfde is als aanstaande maandag,
hoewel wij dezelfde persoon zijn.
Hoe staat het met de groei en verandering van een
mens, zelfs in één leven? Heeft een volwassen mens hetzelfde
uiterlijk dat hij als pasgeboren baby had? En toch is hij hetzelfde
individu, dezelfde levensatomen. Is het kind dezelfde als de volwassene?
Ja en nee; hetzelfde lichaam, maar hoe verschillend! Zo is het ook met
opeenvolgende levens. Zoals het kind stap voor stap langzaam tot volwassene
opgroeit, zo gaat een mens van incarnatie naar incarnatie, voortdurend
dezelfde in essentie, hoewel hij in ieder leven verandert, laten we
hopen ten goede. We vormen ons nu grotendeels tot wat we over tien jaar
zullen zijn. We hebben misschien een ziekte overwonnen waar we nu aan
lijden, of we hebben dan misschien een ziekte die we nu niet hebben.
In beide gevallen zijn we zelf verantwoordelijk. Ziekte is dus het uitwerken
van karma, want alles wat een mens overkomt, is het gevolg, het ontkiemen,
van zaden die in het verleden werden gezaaid.
Omdat onze fysieke levensatomen onze kinderen zijn,
hebben ze deel aan onze svabhava, en reageren ze op onze gedachten en
gevoelens, op ons voorbeeld; maar hieruit volgt niet noodzakelijkerwijs
dat een mens van wie het huidige leven wordt gekenmerkt door een nobel
streven en edele eigenschappen, in het volgende aardse leven een gezond
lichaam zal hebben. Het tegendeel hiervan is maar al te bekend: edelmoedige
mannen en vrouwen die zwak en ziekelijk zijn, en aan de andere kant
verdorven karakters die een gezond lichaam hebben. Hoe is dat te verklaren?
Neem het geval van een edel en onzelfzuchtig mens
die een zwak fysiek voertuig heeft; hij heeft, voorzover het de innerlijke
mens betreft, zijn vrijheid veroverd; maar de levensatomen die hij nog
moet gebruiken, heeft hij nog niet gezuiverd van de vroegere smetten
die diezelfde geest-ziel erop heeft geworpen. Maar eens, wanneer de
cyclus van een zwak fysiek lichaam voorbij is, zal die mens in volle
glorie kunnen schitteren.
Ook is het zo dat sommige verdorven en slechte mensen
een lichaam van grote, fysieke schoonheid bezitten, maar dat is zeldzaam.
Vaker zijn het minder gevorderde menselijke zielen die een
lichaam van fysieke perfectie bezitten, eenvoudig omdat het innerlijke
vuur nog niet is ontstoken, en het het lichaam niet verteert, noch in
vuur en vlam zet. Genialiteit vindt men gewoonlijk in een zwak en vaak
afgetakeld lichaam, omdat het innerlijke vuur te sterk ervoor is en
het het lichaam verscheurt, zoal niet misvormt. Maar wie zou, als men
zou kunnen kiezen, niet liever een genie zijn, vooral een spiritueel
genie, zelfs met een zwak lichaam, dan een individu met een ziel die
spiritueel dood is – of nog geheel en al onontwaakt!
Dat zelfzucht de oorzaak is van alle ziekte is een
te algemene uitspraak. Het is beter te zeggen dat die vorm van zelfzucht
die men hartstocht noemt, bewuste of onbewuste, de vruchtbare oorzaak
van ziekte is – onbeheerste, hevige hartstocht, zoals haat, woede,
wellust, enz. Al deze vormen van hartstocht, mentale of fysieke, verzwakken
de lagere constitutie van de mens; ze onttrekken zich aan de controle
van de leidende hand van het hogere deel van zijn wezen, veranderen
de richting van de pranische levensstromen, trekken ze hier samen, verminderen
ze elders. Zo belemmeren ze de normale, vlotte werkingen van de natuur,
die in dit verband gezondheid betekenen. In feite ligt zelfzucht niet
alleen ten grondslag aan bijna alle ziekten, maar ook aan bijna al het
kwaad, en beide worden in eerste instantie niet door onbeheersbare maar
door onbeheerste hartstochten veroorzaakt.
De symptomen van ziekte, die maar al te vaak worden
behandeld alsof ze die ziekte zelf zijn, zijn niet zelden de pogingen
van de genezende krachten het vergif uit het lichaam te werken. Een
ziekte moet worden gezien als een reinigingsproces, want het resultaat
is een zuivering. Ze moet worden verwelkomd in die zin dat men de situatie
rustig beoordeelt, zonder bang te zijn of te proberen het proces te
compliceren of te verstoren. Maar veel mensen hebben het idee dat genezen
bestaat uit het indammen van een ziekte, het sluiten van de deur waardoor
ze het lichaam niet kan verlaten. Dat indammen maakt het echter mogelijk
dat de wortels van de ziekte hun greep verstevigen, energie verspreiden
en ophopen, zodat, wanneer ze opnieuw verschijnt – zoals onvermijdelijk
gebeurt, want de wortels zijn niet uitgeroeid – de reactie op
het lichaam heftiger is dan het geval zou zijn wanneer de ziekte haar
normale verloop had kunnen hebben. W.Q. Judge schreef:
. . . ziekten zijn uiterlijke verschijnselen die
zichtbaar worden wanneer ze het lichaam verlaten, waardoor men kan
worden gezuiverd. Ze tegenhouden door verkeerd gerichte gedachten,
betekent ze terugdringen tot hun oorzaak en ze opnieuw planten
op hun mentale gebied.
Dat is de ware reden van ons bezwaar tegen metafysische
geneesmethoden, die we onderscheiden van de veronderstellingen en
de zogenaamde filosofie waarop deze methoden zouden berusten. Want
we zeggen met klem dat de resultaten niet worden teweeggebracht door
een of ander filosofisch stelsel, maar door de praktische, zij het
onkundige toepassing van psychofysiologische processen.*
*The Path, september 1892, blz. 190; Echoes
of the Orient, 1:264.
Er zit een ethische kant aan dit alles die nog niet
voldoende is aangeroerd. In veel gevallen kunnen ziekten een door de
hemel gezonden zegen zijn; ze genezen egoïsme, ze leren geduld
en leiden tot het besef dat het noodzakelijk is om op de juiste manier
te leven. Als wij met onze onbeteugelde emoties een lichaam hadden dat
niet ziek kan worden, zou het door excessen toch verzwakt en gedood
kunnen worden. Ziekten zijn in feite waarschuwingen om onze gedachten
te verbeteren, en in overeenstemming met de natuurwetten te leven.
In de tweede helft van de negentiende eeuw deed
een nieuwe cyclus in de geneeskunde zijn intrede in de wereld: men werd
niet langer tot aan zijn dood behandeld met allerlei krachtige medicijnen
en drankjes. Artsen begonnen in te zien dat het de natuur is die geneest
en dat een verstandige arts veeleer een raadsman is en iemand die de
ziekte elimineert, dan een toediener van medicijnen. Omdat de kennis
van artsen nog onvolmaakt is, leiden acute ziekten echter vaak tot de
dood. Ze verlopen te snel voor de menselijke constitutie om de spanning
ervan te kunnen verdragen. Aan de andere kant zullen
beoefenaars van de geneeskunde in de verre toekomst zo goed begrijpen
wat ziekten en hun geneeswijzen zijn – en hoe ze kunnen worden
voorkomen – dat ze een ziekte zo rustig naar buiten leiden dat
het lijkt alsof ze verdwijnt, terwijl ze zich in werkelijkheid openbaart,
zoals ook nu het lichaam vaak uit eigen kracht een ziekte kwijtraakt,
zonder hulp van buitenaf.17
Zoals ik al heb gezegd, heeft men geen werkelijke
kennis over de betekenis en de oorzaak van ziekten, met het gevolg dat
er voortdurend nieuwe methoden van medische hulp worden geïntroduceerd.
Sommigen bepleiten bijvoorbeeld het gebruik van stimulerende en bedwelmende
middelen; anderen, eliminerende en onderdrukkende maatregelen die alleen
de symptomen betreffen. Ik wil hieraan toevoegen dat er meer te zeggen
is voor deze en andere methoden die bij sommige reguliere geneeswijzen
in gebruik zijn, dan voor methoden die tegen elke medische behandeling
gekant zijn, zoals de richtingen die de zogenaamde mentale en geloofsgenezing
voorstaan. Het is heel gevaarlijk elementale krachten die bezig zijn
om via de menselijke constitutie naar buiten te komen, in te dammen
door te geloven of te ontkennen, of door psychologische methoden van
gedachteconcentratie. Hoe onvolmaakt de medische wetenschap tegenwoordig
misschien ook is, ze behandelt in ieder geval het lichaam met stoffelijke
middelen en die richten de minste schade aan.
De oude wijsheid heeft enkele punten van overeenkomst
met de ‘sekten van loochenaars’, zoals H.P. Blavatsky ze
kortweg noemde; bijvoorbeeld de leer dat het goed is een vrolijke en
opgewekte geest te hebben; en ook dat het leven moedig onder ogen moet
worden gezien en er een beroep moet worden gedaan op de spirituele energie
die ingeboren is in het heelal. Maar dit zijn slechts opzichzelfstaande
punten van overeenkomst. Er zijn andere dingen die onmogelijk kunnen
worden aanvaard, zoals de opvatting dat de stof niet bestaat. Als we
het bestaan van de stof zouden ontkennen, zouden we ook het bestaan
van de geest moeten ontkennen, want geest en stof zijn elkaars tegenpolen.
Waar het vooral om gaat is dat men zich zou concentreren op de persoonlijke
belangen van het individu en dat er dan krachtige pogingen worden gedaan
om voor zichzelf hulp te krijgen, wat geheel in strijd is met het ware
spirituele ideaal. Als een mens, om verlichting te zoeken van een ziekte,
de spirituele krachten van zijn wezen gebruikt en probeert ze omlaag
te halen naar de stoffelijke wereld, werkt hij in een richting die tegengesteld
is aan de evolutiestroom van de natuur, die omhoog is gericht. De regel
is omhooggaan, niet omlaag, anders zwemt men tegen de stroom in en op
dit punt is het systeem van de genezers of loochenaars fundamenteel
fout.
We moeten in gedachten houden dat alles wat een
mens overkomt de werking van karma is, en dat ziekten het gevolg zijn
van disharmonische gedachten en gevoelens in dit of een vroeger leven,
die nu via het lichaam uitwerken. Meer in het bijzonder: alle ziekten
komen tot stand door middel van elementalen. Dit is de oude leer en
werd door de hele wereld aangehangen, tot het westen in zijn hoogste
wijsheid deze eensgezinde opvatting van de mensheid ging zien als iets
dat op bijgeloof berustte.
Door de gebrekkige vertaling van het Nieuwe Testament,
wat te wijten is aan een verkeerd begrip van wat die vroegchristelijke
schrijvers wilden zeggen toen ze deze verhandelingen schreven, worden
ziekten daarin toegeschreven aan het werk van duivels of demonen –
een onjuiste vertaling die grotesk is. Deze daimonia, zoals
het Griekse woord luidt, zijn eenvoudig de laagste orde van bezielde
en bewustzijn bezittende schepsels – in de theosofie gewoonlijk
elementalen genoemd – die de laagste sport vormen van de hiërarchische
ladder waarvan de hoogste de toestand van spiritueel bestaan van de
goden is en tegelijk de wereld die door hen wordt bewoond. Tussen een
elementaal en een god bestaat een enorm verschil in evolutionaire vooruitgang,
maar geen verschil in essentie of in oorsprong, en de mens bevindt zich
op een tussenliggende sport van deze levensladder.
Alle ziekten, van epilepsie of kanker tot een gewone
verkoudheid, van tuberculose tot kiespijn, van reumatiek tot elke andere
lichamelijke kwaal, worden teweeggebracht door elementalen die als instrumenten
van de karmische wet werken. En hetzelfde geldt voor mentale ziekten:
een uitbarsting van woede, razernij, voortdurende zwaarmoedigheid en
allerlei ziekelijke neigingen zijn alle van elementale oorsprong. Moordzucht
is een voorbeeld daarvan; in wezen is het niet-menselijk en ook volslagen
onmenselijk – het is elementaal. In dit geval beheerst
een elementaal de menselijke tempel en heeft tijdelijk de rechtmatige
menselijke bewoner verdreven. Zo’n toestand is te wijten aan zwakheid
en de zucht aan eigen begeerten toe te geven.
Epilepsie is ook te wijten aan een elementaal, een
natuurgeest, een energiecentrum, een bewustzijnscentrum, van een onontwikkelde
soort, die zich in dit geval tijdelijk de plaats heeft toegeëigend
die normaal door de menselijke ziel in het lichaam wordt ingenomen.
Epileptici zijn in feite ‘maanziek’ wanneer ze een aanval
krijgen. In dit verband is het misschien interessant op te merken dat
een van de oude Mesopotamische goden over wie in de vroegchristelijke
en joodse geschriften wordt gesproken, Beël-Zebub heet, wat gewoonlijk
wordt vertaald als ‘Heer van de Vliegen’. Zebub betekent
inderdaad vliegen, maar de vlieg is het mystieke symbool van een bezielde
astrale entiteit en werd daarom gezien als een symbool van de aard en
de capriolen van elementalen. Daarom betekent Heer van de Vliegen eenvoudig
Heer van de Elementalen – van de elementale krachten en vermogens;
en die heer is de maan.
In de oudheid en in de middeleeuwen stond epilepsie
bekend als de ‘heilige ziekte’ omdat ze een duidelijk psychisch
element bezat dat in sterk contrast staat met andere meer zuiver fysieke
aandoeningen. Men geloofde dat elementalen van een hogere graad, die
een grotere psychische invloedssfeer hebben, betrokken waren bij de
‘vallende ziekte’. Deze gedachte komt ook veel voor in het
hele oosten, en eveneens op de Zuidzee-eilanden, waar dingen die in
enig opzicht heilig zijn, taboe zijn, verboden, en men meende dat ze
onder de bijzondere bescherming stonden van de elementale natuurgeesten.
Epileptische aanvallen zijn in werkelijkheid niet
erger dan enige andere ziekte want, zoals gezegd, men kan iedere ziekte
terugvoeren tot dezelfde oorzaken: een reeks gedachten en emoties die
in het huidige leven uitloopt op een verstoring van de pranische stromen
in het lichaam en een disharmonische wisselwerking daartussen. Zoals
de aard van de gevoelens en gedachten is, zo is de ziekte.
Bij kanker is er één fundamentele
oorzaak die in twee factoren is te splitsen: ten eerste diepgeworteld
egoïsme; en ten tweede, werkend tegen die algemene achtergrond,
een onbeheerste emotionaliteit, waarvan de oorzaken eeuwen geleden in
andere levens kunnen zijn gezaaid. De gecombineerde kracht van deze
twee vitaal-astrale stromen verzwakt de weerstand of vernietigt die
zelfs, en leidt de levensstromen zodanig dat ze bepaalde delen van het
lichaam, waar ze van nature onder controle zijn, verlaten en zich concentreren
op andere delen waar ze gaan woekeren. Door de emoties te beheersen
en door zelfvergetelheid is het echter mogelijk de natuur te helpen
om het verloop en de ontwikkeling van de ziekte te wijzigen. Veel meer
mensen zouden aan kankergezwellen in het lichaam lijden als de natuur
niet automatisch haar weerstandskrachten mobiliseerde – verstandelijke,
emotionele, morele, fysiologische, en wat al niet – en zo maakt
dat het lichaam zo sterk reageert dat de aanval door die weerstand wordt
afgeslagen.
Veel zaken die het menselijk lichaam betreffen,
zijn grote mysteries, eenvoudig omdat we niet voldoende weten van de
geschiedenis van onze evolutie. We zouden kanker bijvoorbeeld beter
begrijpen als we beseften dat alle gezwellen, kwaadaardige of goedaardige,
fysiologische herinneringen zijn aan de voortplantingsmethoden die het
vroege derde wortelras onbewust gebruikte. Toen waren zulke aanwassen
normaal en natuurlijk; nu zijn ze op zijn best abnormaal en op zijn
slechtst kwaadaardig. Toen werden ze veroorzaakt door de natuurlijke
loop van zuivere en krachtige levensstromen; nu worden ze veroorzaakt
door dezelfde krachtige levensstromen die in een secundaire richting
lopen die verkeerd is – verkeerd, omdat het evolutionair niet
de juiste tijd daarvoor is.
Er is echter een betrouwbaar middel om alle ziekten
die zowel een fysiologisch als een psychisch karakter hebben te voorkomen,
en dat is het beoefenen van de eeuwenoude deugden zoals de paramita’s.
Omdat ziekten het karmische gevolg zijn van vroegere
fouten in de levenswijze, van het werken in disharmonie met de natuur,
bestaat de weg naar gezondheid uit het samenwerken met de natuur; en
dat is mogelijk omdat we een onlosmakelijk deel ervan zijn. Iedere wijze
en ziener heeft de weg gewezen. In iedere grote religie en filosofie
is de methode steeds weer tot uitdrukking gebracht. Maar geen ware wijze
of adept zal ooit ingrijpen in de karmische wet, want zij zijn de dienaren
van die wet en brengen deze in hun werk onder de mensen tot uitdrukking.
In enkele opzichten zijn ze ook de vervullers van de karmische wet,
want daardoor wordt een natuurlijk evenwicht bereikt en de evolutie
bevorderd. Zo zijn ze de genezers van de ziel van de mens. Genees de
ziel en u geneest het lichaam.
Bron
van het Occultisme, blz. 447-54
© 2006 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag