15

Bijeenkomst op 25 juni 1930

 

GdeP – Vrienden, ik ben gereed om vragen te beantwoorden.

Vr. – Onlangs stelde iemand een vraag over het hoogste punt in een planetaire cyclus. U vertelde ons dat de omloopbanen van de planeten geleidelijk kleiner worden, tot ze tenslotte door de zon worden geabsorbeerd – tenminste, zo heb ik het begrepen.

Ik geloof, als ik me niet vergis, dat u ons op een andere bijeenkomst heeft verteld dat er voorbij de zon andere planeetketens zijn. Misschien is planeetketens niet het juiste woord. Maar in ieder geval is de zon niet het eindpunt van alles. Maar indien de planeten uiteindelijk door de zon worden geabsorbeerd, is dat dan het begin van een andere keten of van iets dat daarmee overeenkomt, iets dat ons stelsel te boven gaat?

GdeP – Ik denk dat ik begrijp wat u bedoelt – dat wil zeggen, ik denk dat ik de strekking van uw vraag begrijp. Laat ik eerst zeggen dat wanneer u spreekt over het ‘hoogste punt in de cyclus van een planeet’, ik niet precies begrijp wat u bedoelt, omdat u kennelijk alleen naar de fysieke omloopbaan van een planeet verwijst. Verwijst u naar de mystieke of evolutionaire omloopbaan?

Vr. – Ik bedoelde de evolutionaire omloopbaan.

GdeP – Met andere woorden, het pad dat door een lichtstroom wordt gevolgd dat op een bepaald moment, geestelijk gesproken, zijn hoogste punt bereikt.

In antwoord op uw vraag: het is helemaal juist dat de planeten, terwijl het zonnemanvantara ten einde loopt, strikt genomen niet door de zon worden ‘geabsorbeerd’, maar uiteenvallen en tijdelijk deel gaan uitmaken van het grotere lichaam van de zon en zijn omgeving, zodat het hele zonnestelsel dan samen met het leven en de individualiteit van de zon vanuit het gemanifesteerde bestaan overgaat naar de innerlijke en onzichtbare gebieden van de nirvanische vrede. Met andere woorden, elke levensstroom die is samengesteld uit menigten entiteiten die rond een planetair centrum of evolutionair hart zijn verzameld, gaat als laatste stadium van de lange, lange weg van planetaire evolutie de zon binnen. Nadat het zonnestelsel is verdwenen en wanneer ook het lange intersolaire nirvana ten einde is, komt er geen nieuwe ‘keten’, maar een nieuw zonnestelsel.

Precies zoals ons huidige zonnestelsel het karmische gevolg of de vrucht is van het zonnestelsel dat aan ons stelsel is voorafgegaan. Het vorige zonnestelsel is eenvoudig het huidige zonnestelsel in zijn vorige belichaming, precies zoals het vorige leven van de mens de oorzaken heeft voortgebracht die de mens maken tot wat hij in het huidige leven is – tenminste, veel van de oorzaken.

Bovendien is elk hemellichaam in een zonnestelsel, ons stelsel bijvoorbeeld, een planeetketen. De zon is zelf een zonneketen die uit zeven zonnen bestaat. Elke planeet is een zevenvoudige keten die is samengesteld uit zeven planetaire bollen. Elke maan, die altijd het lichaam van een dode planeet is, is eveneens een dode zevenvoudige keten. Met andere woorden, er zijn zeven manen waarvan onze huidige zichtbare maan de laagste en meest stoffelijke is.

Vr. – Maar de andere bestaan ook, hoewel we ze niet kunnen zien?

GdeP – Welke andere?

Vr. – De andere zes.

GdeP – Precies. Slechts één bol van elke zevenvoudige keten die zich op hetzelfde gebied van de kosmos bevindt als onze aardketen kan worden gezien door de mensen van de aarde die in deze vierde ronde van de aardketen leven. De vierde bol, de laagste bol van elke keten, is de bol die door de bewoners van deze vierde bol van de aardketen kan worden waargenomen, omdat al dergelijke zichtbare bollen zich op hetzelfde gebied van het stoffelijke bestaan bevinden als wij op onze bol, de vierde bol van de aardketen. Maar er zijn andere planeetketens in ons zonnestelsel waarvan we zelfs de vierde bol niet kunnen zien, omdat zulke ketens zich op hogere gebieden bevinden dan het gebied waarop onze aardketen bestaat. Dus zelfs de meest materiële of vierde bol van deze ketens bestaat op een kosmisch gebied dat hoger is dan ons fysieke gebied.

Vr. – Zijn de overige manen anders? Staan ze niet in verband met de andere bollen van deze aardketen?

GdeP – Ja, dat is zo.

Vr. – Is er een maan voor elke bol?

GdeP – Dit is een behoorlijk diepgaande vraag: ik denk dat ik deze vraag echter vrij exact kan beantwoorden. Er zijn zeven bollen die deel uitmaken van de maanketen zoals die op dit moment bestaat. Al deze bollen van de maanketen zijn verschillend omdat het hele maanstelsel of de hele maanketen een andere keten is dan de aardketen; en het enige wat van de maanketen overblijft, zijn de zeven dode bollen van de maanketen. De maan die u ziet is de laagste bol van de maanketen.

Op het volgende gebied boven dat van ons, dat wil zeggen op het volgende solaire gebied boven ons huidige fysieke solaire gebied, heeft onze eigen aardketen twee bollen die daar bestaan. En er zijn eveneens twee maanbollen die op datzelfde volgende solaire gebied boven ons fysieke solaire gebied bestaan.

Enzovoort, langs de schaal omhoog. Maar het zou niet juist zijn om te zeggen dat de invloed van elk van de twee maanbollen beperkt is tot – en wel slechts in een één op één correspondentie – de twee bollen van de aardketen op hetzelfde solaire gebied. Want hoewel elk van deze twee maanbollen van dit gebied boven ons de respectieve ouder is van een van de twee aardbollen op hetzelfde gebied, beïnvloedt de maanketen als geheel niettemin ook de aardketen als geheel.

Alle bollen van de maanketen zijn, strikt gesproken, de kamarupa’s van de bollen van de oorspronkelijke, vroegere maanketen. Bijvoorbeeld: hoewel onze huidige maan zich op hetzelfde vierde kosmische gebied bevindt als onze huidige planeet Terra, is ze niettemin een kamarupa van de vroegere, oude maanketen op het vierde gebied. Ze is de ‘Mr Hyde’, om de woorden van Robert Louis Stevenson te gebruiken, van de aarde, het oude kamarupische spook dat ons nog steeds vervolgt. Er zijn in feite enkele planeten in het zonnestelsel die meer dan één kamarupische maan hebben. In die gevallen zijn de planeten zo materieel van aard en wat betreft evolutiestadium dat hun wederbelichamingen hebben plaatsgevonden voordat de kamarupische fantomen van hun vroegere belichamingen tijd hebben gehad om tot kosmisch stof uiteen te vallen. Het gevolg is dat ze door twee of zelfs meer kamarupische spoken worden achtervolgd – iets dat ook gebeurt bij mensen met grove materialistische eigenschappen. Dergelijke manen, en dergelijke kamarupische fantomen als het mensen betreft, zijn daarom voorbeelden van wat H.P. Blavatsky bedoelde toen ze over planetaire of menselijke ‘wachters op de drempel’ sprak. Begrijpt u me?

Vr. – Ik begrijp wat u ons heeft verteld, maar het geeft me nog veel meer stof om over na te denken.

GdeP – Uw vragen zijn werkelijk heel intuïtief, en laten zien dat u diep heeft nagedacht en heeft gestudeerd. Ik houd van zulke vragen.

Vr. – Hoe verhoudt zich de menselijke constitutie tot deze zeven bollen?

GdeP – Bedoelt u of de zeven bollen van een keten, bijvoorbeeld van onze aardketen, de zeven beginselen van de aarde zijn?

Vr. – Ja, misschien wel. Maar ik vroeg me af of ze overeenstemmen met de zeven beginselen van de mens?

GdeP – Ja, dat doen ze, en wel één op één.

Vr. – Indien dat het geval is, spreken we over die en die bol als de hoogste, en over een andere als wat minder hoog, maar kan men over de menselijke beginselen zeggen dat de ene eerst komt en een andere als tweede? Varieert het niet per individu welke beginselen de overhand hebben, afhankelijk van het beginsel dat in ieder individu het meest uitgesproken is?

GdeP – Bedoelt u eerste en tweede, enz., wat betreft de volgorde van evolutionaire ontwikkeling, of eerste en tweede wat betreft volgorde van kwaliteit?

Vr. – Wat betreft de volgorde van evolutionaire ontwikkeling.

GdeP – Met andere woorden uw vraag komt hierop neer: Worden de zeven beginselen van de mens een voor een in opeenvolgende tijdsperioden uit de monade voortgebracht? Is dat uw vraag?

Vr. – Ja, inderdaad.

GdeP – Ja, zo worden ze voortgebracht. Voordat een reïncarnatie begint, brengt de monade vanuit zichzelf een aura of emanatie van een geestelijk en verheven karakter voort. Dit is de sluier die de monade omringt en is in feite de buddhi, of geestelijke ziel. Op precies dezelfde manier emaneert of vloeit vanuit buddhi het volgende meer stoffelijke of lagere beginsel van de mens, dat u het hogere manas of het reïncarnerende ego kunt noemen. Daaruit komt weer als emanatie, of als het kind van het reïncarnerende ego, zijn sluier voort die het omgeeft – of het lichaam ervan, of het voertuig dat het omgeeft, de aura ervan – de naam doet er helemaal niet toe, als u het idee maar begrijpt. En deze volgende emanatie is het menselijke ego. Het is het kama-manasische deel. Deze reeks emanaties die elkaar opvolgen gaat door tot aan het fysieke lichaam, dat de laatste emanatie of afscheiding van de levenskracht van het aurische ei is; en het aurische ei is eenvoudig de levende atmosfeer of vitale aura die de monade omgeeft. Dit aurische ei heeft daarom zijn zeven graden van stoffelijkheid of ijlheid die zich van het meest geestelijke naar beneden toe uitstrekken tot aan het fysieke lichaam.

Vr. – Zijn deze zogenoemde beginselen gemaakt van de substantie, in haar verschillende graden, van het aurische ei?

GdeP – Ja, dat klopt. Vergeet daarbij echter niet dat de menselijke beginselen een kosmische oorsprong hebben, want de substantie van het aurische ei heeft een kosmische oorsprong. Geen enkel deel van de constitutie van de mens kan verschillen van het heelal waarin het leeft. Prent dat idee alstublieft goed in uw denken, omdat het de ketterij van afgescheidenheid vernietigt die mensen zo gewend zijn te voelen en zich in te beelden op basis van de misleidende illusie van de persoonlijkheid.

Vr. – Ik geloof dat u, toen u over de maanketen sprak, zei dat voor elk paar bollen dat zich op een bepaald gebied in de maanketen bevindt, geldt dat ze de ouders zijn van twee bollen van de aardketen op hetzelfde gebied?

GdeP – Dat is zo. Ze zijn de ouders van de overeenkomstige bollen van de aardketen op dat gebied.

Vr. – Maar bevinden deze bollen van de aardketen zich niet op een hoger gebied? Bijvoorbeeld, bevindt de fysieke aardbol zich niet op één gebied hoger dan de fysieke maanbol die de ouder ervan is?

GdeP – Ja, dat is volledig juist.

Vr. – Dat lijkt tegenstrijdig.

GdeP – Waarom?

Vr. – Omdat de ouderbol zich dan één gebied lager schijnt te bevinden dan de aardbol.

GdeP – Ik zie uw moeilijkheid. U verwart solaire gebieden met de zevenvoudige graden of subgebieden van elk solair gebied. De aarde bevindt zich niet op een hoger solair gebied dan de maan, maar één trede hoger, of één subgebied hoger, in hetzelfde solaire gebied.

Vr. – Ik snap het.

GdeP – Elk kosmisch of solair gebied heeft, of is samengesteld uit, zeven subgebieden, en de aarde bevindt zich op een subgebied dat hoger is dan het subgebied waarop de fysieke bol van de maan zich bevindt.

Vr. – Ik wil graag vier vragen over hetzelfde onderwerp stellen. Is elke entiteit, ieder van ons, de zon, de aarde, enz., een levensatoom dat zich heeft ontwikkeld?

GdeP – Bedoelt u de volmaakte, of beter gezegd betrekkelijk volmaakte, evolutie van een centrum dat in een bepaald stadium van zijn reis zich als een levensatoom heeft gemanifesteerd?

Vr. – Ja.

GdeP – Het antwoord is ja.

Vr. – Dan wil ik ten eerste vragen. Waar staat de aarde op de evolutieladder in vergelijking met een mens? Ik bedoel de entiteit van de aarde.

GdeP – Die vraag kan ik hier niet beantwoorden. Gaat u alstublieft verder met de volgende vraag.

Vr. – Mag ik iets vragen over de opbouw van de aarde? Lijkt ze op een zeepbel, analoog aan wat u ons over de zon heeft verteld: honderd of een paar honderd kilometer materie zoals wij die kennen, terwijl de rest van de aarde samengedrukte ether, of akasa en krachten is?

GdeP – Bedoelt u: Wat is de aard van het binnenste van de aarde?

Vr. – Ja.

GdeP – Ik zal proberen die vraag te beantwoorden, maar ik twijfel er sterk aan of ik dit duidelijk kan maken. Ze bestaat niet alleen maar uit samengeperst gas of ether. Er is daar wel samengeperst gas, maar de aard ervan behoort tot het derde of laagste van de drie elementalenrijken. Ik spreek nu specifiek over het centrum van de aarde en het gebied dat het centrum van de aarde omringt. Het is elementale fysieke substantie. Rondom deze kern van elementale fysieke substantie bevindt zich materie in een tussenfase, die, wanneer men verder omhooggaat naar de oppervlakte van de aarde, overgaat in gesteenten en verschillende metaalhoudende lagen.

Ik kan er eenvoudig niet aan beginnen om u duidelijk te maken wat elementale materiële substantie is, omdat ik geen woorden heb om haar te omschrijven. Ze is niet echt elektrisch. Ze is veel meer verdicht dan elk elektron van een atoom. Ze is fysiek gesproken noch vloeibaar noch vast, en ook geen gas. Ze is niet heet en ook niet koud. Ze is een volledig andere soort materie, en de enige manier waarop ik u een idee ervan kan geven is door te zeggen dat ze een elementale fysieke substantie is – fysieke substantie voordat ze de bijzondere soort van samengepakte massa bereikt die we fysieke materie noemen. Het spijt me, maar dit is de beste beschrijving die ik ervan kan geven.

Vr. – Dank u. Nog één vraag: Waar verblijft de intelligentie, de entiteit van de aarde?

GdeP – Deze vraag lijkt heel erg op die andere waarop ik tot mijn grote spijt verplicht was te zeggen dat ik die niet kon beantwoorden. Misschien kan ik deze vraag echter op de volgende manier beantwoorden, maar neem het niet te letterlijk. Voorzover ik het onder woorden kan brengen is het antwoord juist. De intelligentie van de aarde verblijft in het akasa dat de aarde volledig doordringt, en dat haar ook als een akasische sluier omgeeft, precies zoals de intelligentie van de mens niet in het fysieke brein en wezen van materiële substantie verblijft maar het fysieke brein doordringt en de schedel vult en niettemin als een aura uitstraalt en op die manier de vorm omgeeft.

De aarde is volledig doordrenkt, als ik een gemakkelijk te begrijpen uitdrukking mag gebruiken, met dit vitale akasa, en daarin verblijft datgene waarnaar u tamelijk onnauwkeurig verwees als de intelligentie van de aarde.

Vr. – Toen de vraag werd gesteld over de omloopbanen van de planeten die kleiner worden, en werd gezegd dat de planeten tenslotte door de zon worden geabsorbeerd, herinnerde ik me dat ik van HPB heb begrepen, die de zon de oudere broer van de planeten noemde, dat de evolutie van de zon daarom verder is gevorderd. Als dat juist is, zal de manifestatieperiode van de zon in het zonnestelsel eerder ten einde komen dan die van de planeten. En als dat juist is, blijft de zon dan achter als levensbron voor de rest van de planeten, precies zoals de stille wachter op het gebied van onze aarde doet?

GdeP – Over het geheel genomen is uw vraag heel goed geformuleerd, op een uitzondering na. De zon is onze oudere broer, en niet onze ouder. Hij is onze oudere broer om twee redenen: ten eerste is hij verder ontwikkeld op het pad van evolutie – in feite omhult de zon een levende god; de andere reden is dat we karmisch en voor eeuwig nauw zijn verbonden met de vitale essentie van de zon, en als entiteiten, zowel de planeten als de individuele bewoners van een planeet, moeten we eeuwig in die vitale zonne-essentie leven. Maar niet noodzakelijk altijd in hetzelfde deel van het zonnestelsel. De uitzondering die ik moet noemen is dat u ten onrechte aanneemt dat de manifestatieperiode van de zon in het zonnestelsel eerder zal zijn volbracht dan die van de planeten. Dat is onjuist. Alle planetaire vitale, psychische en geestelijke energieën – en dit geldt voor alle planeten – zullen in de zon worden verzameld vóór het einde van de zon komt. De zon is de eerste die gemanifesteerd verschijnt, en is dus weer onze oudere broer. Hij is de laatste die van dit gebied verdwijnt.

De vitale essentie van de zon strekt zich door het hele zonnestelsel uit, doordringt het. Als u het zonnestelsel vanuit een ander gebied zou kunnen zien, zou u ontdekken dat wat nu de lege ruimte van het zonnestelsel is, vanuit dit andere gebied gezien een betrekkelijk vast lichaam van materie schijnt te zijn, omdat het hele zonnestelsel vol is met de energieën, en met de fysieke, psychische en geestelijke substanties die vanuit de zon emaneren en die langs rondgaande paden, of rivieren, of stromen, naar hem terugkeren. Deze stromen zijn de circulaties, voorzover het het zonnestelsel betreft, die ik de ‘circulaties in de kosmos’ heb genoemd. Ze zijn levensstromen, die tijdens de manifestatieperiode van een zonnestelsel zijn verbonden met ontelbare entiteiten die vanuit het hart van de zon naar buiten stromen, en van de grenzen van het zonnestelsel weer terug naar het hart van de zon. Het kloppen van dit zonnehart, aan de astronomen bekend als de zonnevlekkencyclus van elf jaar, is één volledige rondgang.

Vr. – In De Stem van de Stilte [blz. 34] wordt gezegd dat Mars en Mercurius ooit twee stralende zonnen waren, en in de toekomst misschien weer twee stralende zonnen zullen worden. En ik vroeg me af of de zon zich opnieuw belichaamt in planetaire substantie?

GdeP – Ik zal uw intuïtieve vraag beantwoorden. Wat u aanhaalt verwijst naar een ander feit. Wanneer de zon het einde van zijn manvantara of manifestatieperiode bereikt, valt hij in ontelbare miljarden deeltjes uiteen, wordt ontbonden, ongeveer zoals het fysieke lichaam van een mens in zijn samenstellende atomen wordt ontbonden wanneer het wordt achtergelaten om te vergaan. Deze deeltjes zwerven tijdens de hele periode van het zonnenirvana of de zonnepralaya door de ruimte, en wanneer het volgende zonnemanvantara aan het einde van de zonnepralaya begint, worden deze zwervende deeltjes van de vroegere zon samengepakt tot de planeten en dragen bij tot het vormen van toekomstige planeetlichamen.

Dus elke planeet was in een vroegere periode van haar bestaan een schitterende zon – dat wil zeggen, een deel van een schitterende zon. Zoals alle planeten het zonnelichaam weer binnentreden wanneer het zonnestelsel het einde van zijn manvantara nadert, zo zullen ze ook weer eruit tevoorschijn komen – dezelfde levensatomen waaruit de oude planeten bestonden – en opnieuw planeten vormen.

Is dit een begrijpelijk antwoord op uw vraag?

Vr. – Ja, dank u. Maar het gaat hier niet om de entiteit die de zon samenstelde, maar alleen om de atomaire deeltjes in de samenstelling van de zon.

GdeP – Ja. Hier wordt verwezen naar wat we zien en de zon noemen, het schitterende kleed van licht en psychomagnetische krachten die gezamenlijk het lichaam van onze fysieke zon samenstellen. Naar de bezielende entiteit van de zon, het goddelijke wezen waarvan de fysieke zon het lichaam is, wordt natuurlijk alleen indirect verwezen.

Vr. – Mag ik een vraag stellen over karma en gezondheid of ziekte. Ik heb gemerkt dat ik vóór een periode van ziek-zijn ertoe neig mijzelf te laten afglijden en te veel te eten. Als ik niet eraan toegeef, kan ik van binnenuit het ziek-zijn afwenden, en ik kan het soms ook afwenden door een osteopathische of magnetische behandeling of iets dergelijks. Maar in wezen lijkt het alsof karma kracht, of krachten, is; en als we zouden begrijpen hoe we met deze krachten moeten omgaan, zouden we begrijpen hoe we met karma moeten omgaan. Is dat juist?

GdeP – Dat is juist. Het is maar goed dat de doorsnee mens niet begrijpt hoe hij kan ingrijpen in zijn karmische lot. Als hij dat zou weten, zou hij voor zichzelf een karmisch lot scheppen dat onvergelijkelijk veel slechter is dan dat wat hij in zijn onwetendheid in zijn huidige staat voor zichzelf schept. Het is inderdaad mogelijk om ziekte op een afstand te houden door haar terug te dringen in de constitutie, zoals Judge heeft gezegd. Maar dit is heel gevaarlijk en onverstandig. Verwar deze bewering echter niet met het andere feit dat het heel goed is om een helder, opgewekt en gelukkig denken in stand te houden. Probeer die bewustzijnstoestand vol te houden, omdat hij veel steun geeft. Dit helpt u om een beter karma voort te brengen en te vermijden karma te maken dat gelijk is aan dat waaronder we tegenwoordig lijden. Begrijpt u me?

Vr. – Ja. Maar natuurlijk nog niet zo goed als ik u later zal begrijpen, want het lijkt een veelomvattend en diepzinnig onderwerp te zijn dat we moeten leren kennen in verband met deze krachten in onszelf. Het lijkt alsof er een juiste weg moet zijn. In de Bhagavad Gita, bijvoorbeeld, staat iets daarover, en over het in evenwicht brengen van de krachten, en over handelen zonder karma te maken.

GdeP – Ja, dat is zeker het geval. Wanneer iemand wijs wordt, zal hij niet langer slechte daden verrichten waardoor oorzaken van lijden en pijn worden gelegd. Hij zal altijd meedogend handelen. Mededogen is een van de beste preventieve middelen tegen ziekte die ik ken. Hij zal altijd vergevensgezind zijn. Hij zal altijd liefdevol zijn. Zijn hele natuur zal harmonisch worden doordat deze verheven en sterke krachten in zijn hart en denken actief zijn. Daarom zal zijn lichaam de harmonie van zijn ziel weerspiegelen; en de handelingen die een mens verricht wanneer hij in zo’n spirituele toestand verkeert, brengen als karma gezondheid, visie en evolutionaire groei.

Vooral egoïsme brengt ziekte voort, en ik bedoel egoïsme als u de diepere oorzaak ervan opspoort, niet noodzakelijkerwijs egoïsme in dit leven. Er is zoiets als oud karma dat nog niet is uitgewerkt. Dit oude karma, dat zijn oorsprong had in het vorige leven of twee levens terug, of misschien wel tien levens terug, heeft nog niet de mogelijkheid gehad om naar buiten te komen en zijn energieën te laten uitwerken. Ziekte is oud slecht karma dat via het fysieke lichaam wordt uitgewerkt. In de verre toekomst zullen de artsen, die wijze magiërs van het pad van de rechterhand zullen zijn, weten hoe ze ziekten voorzichtig uit het lichaam naar buiten moeten leiden, op een verstandige manier, zodat het lichaam niet beschadigd of gewond raakt, en zo zal de constitutie op een natuurlijke manier worden bevrijd van het gif dat ze bevat.

Vr. – Mag ik nog een vraag over egoïsme stellen, want egoïsme lijkt me de grootste oorzaak van onze moeilijkheden?

GdeP – Ja, dat is zo. Goed, wat is uw vraag?

Vr. – Ik weet dat ik egoïstisch ben. Ik analyseer en bestudeer deze dingen, en ik zie dat het egoïstisch is als ik te veel wil eten. Het is egoistisch om dingen te willen die lekker smaken en die mijn begeertelichaam aanspreken, en ik wil dat te boven komen. Ik moet dat egoïsme te boven komen.

GdeP – Dat is volkomen juist, en het feit dat u het herkent laat zien dat u al bent begonnen om het te overstijgen. Het strekt u tot eer, denk ik, dat u dat zo oprecht heeft gezegd; toen ik uw vraag beantwoordde en over egoïsme sprak, doelde ik niet op u persoonlijk. Dit geldt voor ons allemaal. Al onze moeilijkheden, en zorgen en verdriet – psychisch, mentaal, astraal, en fysiek – vinden hun oorsprong in het sterke egoïsme van het lagere deel van ons, onze hebberige, inhalige aard, in de hevige begeerte naar allerlei soorten sensatie; en om deze te bevredigen doen we dingen en hebben we gedachten die in wezen belichaamd egoïsme zijn.

Vr. – Is het niet verstandig om in te zien dat het lichaam, dat de tempel van de innerlijke god is, altijd in goede conditie moet zijn om die godheid te huisvesten; en dat wanneer men de geringste neiging tot het minste kwaad voelt, men steeds de gedachte voor ogen zou moeten houden dat het huis voor de godheid volkomen schoon moet worden gehouden? Is dat een goed idee?

GdeP – Dat is een uitstekend idee. Dit betekent dat men zich een voorstelling maakt van de verheven innerlijke meester, en het brengt een verlangen en een streven voort om het ideaal dat het denken voor ogen houdt waar te maken.

Vr. – Dit is een andere vraag over het onderwerp dat naar voren werd gebracht over de omloopbanen van de planeten. Ik begrijp dat naarmate ze in hun evolutie vorderen hun omloopbanen dichter en dichter bij de zon komen. De aarde is een reïncarnatie van de maan, en ik stel me voor uit wat u heeft gezegd dat het niet deze aarde is waarvan de omloopbaan verandert en dichter bij de zon komt, maar wanneer deze aarde sterft zal ze als een andere planeet reïncarneren. Betekent dit dat met iedere reïncarnatie de omloopbanen iets dichter bij de zon komen? En betekent dit ook dat de omloopbaan van de maan op dit moment verder van de zon af is dan de omloopbaan van de aarde? Is dat duidelijk?

GdeP – Volkomen duidelijk. Laat ik eerst zeggen dat het niet juist is om te spreken over de reïncarnatie van de aarde. U bedoelt de wederbelichaming van de aarde. U zult zich natuurlijk herinneren dat ‘reïncarnatie’ zich in vlees kleden betekent, en kan dus alleen worden gebruikt voor mensen of dieren die lichamen van vlees hebben.

Vr. – Dank u. Dat heeft u al eens eerder gecorrigeerd. Het spijt me dat ik de vergissing maakte.

GdeP – De vraag die u heeft gesteld is er opnieuw een waarbij we op heel gevaarlijk terrein komen. Laat ik op de volgende manier antwoorden, en dan kunt u uw eigen conclusies trekken. Zoals ik u vanavond al heb verteld, zal elke planeet van het zonnestelsel opnieuw de zon binnengaan vóór het einde van het zonnemanvantara. Beantwoordt dit uw vraag afdoende?

Vr. – Ja, ik denk het wel, dank u.

Vr. – U heeft ons op verschillende momenten verteld dat de zon en de maan substituten zijn voor twee planeten die vlakbij hen staan, maar die we niet kunnen zien. Wanneer we zeggen dat deze planeten geleidelijk door de zon worden geabsorbeerd, betreft dat dan de zon zelf of de planeet waarvoor de zon staat?

GdeP – Het betekent dat het de zon is die de planeten van het zonnestelsel ontvangt. Maar u gebruikt het verkeerde woord wanneer u zegt ‘opgenomen’. Ze worden niet ‘opgenomen’. Ze gaan geen deel uitmaken van de individualiteit van de zon. Ze gaan alleen maar de zon binnen en verlaten hem daarna weer; en ze gaan opnieuw de zon binnen om hem daarna nogmaals te verlaten. Hetzelfde gebeurt met de levensatomen van ons eigen fysieke gebied. Ieder menselijk lichaam werpt voortdurend menigten levensatomen uit – elke dag, elk moment. Deze levensatomen verlaten het lichaam, maken omzwervingen door andere lichamen – niet noodzakelijk lichamen van vlees. Ze kunnen planten binnengaan, de mineralenwereld binnengaan, dieren binnengaan, andere mensen binnengaan; en ze keren terug tot het lichaam waar ze vandaan kwamen, brengen daar een bepaalde tijd door, en trekken dan weer verder in een nieuwe cyclus van omzwervingen. Er is een aanhoudende stroom van circulaties. Het zijn echter niet de mysterieplaneten, of de mysterieplaneet waarvoor de zon in de symbolische astrologie een substituut is, die de andere planeten binnengaan, maar het is de zon die ze binnengaan.

In feite zijn de planeten van ons zonnestelsel een klasse van hoogontwikkelde levensatomen die hun oorsprong hebben in de substantie van de zon, en daarom moeten ze volgens de fundamentele wetten van de natuur, in bepaalde perioden van hun evolutie terugkeren tot de zon. In de boezem van de zon brengen ze een nirvana door, evenals de hoger ontwikkelde reïncarnerende ego’s, de ontwikkelde levensatomen van de spirituele monade, hun devachanische rust in de schoot van de monade doorbrengen. In beide gevallen vindt hetzelfde plaats, en geldt dezelfde wet. In het ene geval zijn het de zon en de planeten, in het andere geval zijn het mensen; en dit is een treffend voorbeeld van hoe prachtig de wet van redeneren naar analogie uw gedachten bij deze studie op de juiste manier kan leiden. ‘Zo boven, zo beneden; zo beneden, zo boven.’ Wat in één deel van de kosmos plaatsvindt, wordt in andere delen ervan herhaald. Ik denk dat hiermee uw vraag is beantwoord.

Vr. – Ja, maar er komt een andere vraag in me op. Wat is de relatie of het verband met deze mysterieuze planeet?

GdeP – Met wat?

Vr. – Met deze planeten waarover we spraken.

GdeP – Ik denk dat ik begrijp waaraan u denkt. Deze mysterieplaneten zijn eenvoudig planeten en niets anders. Evenals onze zichtbare planeten planeten zijn en niets anders. U zult dit onderwerp beter begrijpen wanneer ik eraan toevoeg dat ons zonnestelsel veel planeten bevat die voor ons volkomen onzichtbaar zijn, omdat onze ogen door de evolutie niet voldoende zijn getraind om de trillingen van het gereflecteerde licht dat ons van hen bereikt, op te vangen en te interpreteren.

Vr. – Maar ze zijn toch niet alleen maar planeten, of wel? Ze houden verband met iets anders; ze hangen ergens mee samen.

GdeP – Met het zonnestelsel en de zon. Maar niet méér dan onze aarde, of Venus, of Jupiter, of Mars, of Saturnus, of de dode maan. Deze twee mysterieplaneten, waarvoor respectievelijk de zon en de maan alleen gemakshalve astrologische substituten zijn, zijn eenvoudig planeten zoals ook de zichtbare planeten van het zonnestelsel dat zijn. Ze zijn voor ons eenvoudig onzichtbaar, want onze zintuigen kunnen ze niet waarnemen. En van de vele planeten die voor onze ogen onzichtbaar zijn, staan sommige veel hoger dan onze aarde. Andere staan veel lager dan onze aarde. Het feit alleen dat ze onzichtbaar zijn, betekent niet noodzakelijk dat ze hoger zijn in rang of dat ze ons vóór zijn op het pad van evolutie.

Absolute stof, bijvoorbeeld, is voor ons onzichtbaar, en toch is het materie die zo dicht of grof is dat niets in ons zonnestelsel dichter of grover kan zijn. Daarom noemen wij mensen het absolute stof. Begrijpt u me?

Vr. – Ik denk dat ik het begrijp. Ik moet erover nadenken.

Vr. – Om over de gezondheid te spreken: het onderwerp ‘ongelukken’ heeft mij en anderen veel tot nadenken gestemd, want gedurende de vele jaren dat we hier zijn, hebben we gemerkt dat ongevallen cyclisch plaatsvinden. De artsen die hier aanwezig zijn zullen dit bevestigen; en ook veel andere dingen verlopen cyclisch. Ongevallen komen in golven, en we hebben verschillende afzonderlijke voorbeelden daarvan – hetzelfde soort ongeval dat tegelijkertijd mensen treft die zich op heel verschillende plaatsen bevinden. Is er een manier om dit feit te minimaliseren of deze cyclus tegen te houden? Of moet dit gebeuren? Of kunnen we de cyclus op een of andere manier egaliseren? Of wat ligt er eigenlijk aan die ongevallencyclus ten grondslag? We kunnen een cyclus van besmettelijke ziekten begrijpen, maar een ongevallencyclus lijkt minder eenvoudig te begrijpen.

GdeP – Ik weet niet naar wat voor ongevallencyclus u verwijst.

Vr. – Ik bedoel dat leden aan het Hoofdkwartier drie of vier keer gelijksoortige ongevallen kregen; gevallen van gebroken benen kwamen altijd binnen een paar weken of maanden na elkaar. En vervolgens gebeurde er lange perioden niets.

GdeP – Is dat niet met alles zo? En verschillen ziekten vanuit het standpunt van karma in enig opzicht van wat u ongevallen noemt, zoals wanneer er een epidemie uitbreekt en over het land waait, zoals de grote griepepidemie van enkele jaren geleden? Het lijkt me dat ongevallen ons meer opvallen omdat ze onverwachts plaatsvinden, en wanneer er binnen een paar maanden verschillende plaatsvinden, denken we dat er een cyclus van is. Misschien is er in zekere zin een cyclus. Natuurlijk, het is allemaal een kwestie van karma, maar ik denk niet dat dit van bijzonder belang is.

Ik heb in mijn eigen leven gemerkt dat ik mezelf soms erop betrapte perioden van mentale en fysieke onoplettendheid door te maken – fasen van mijn karma die soms dagen of zelfs weken duren. Tijdens deze perioden van abstract denken of concentratie op iets dat ik in gedachten heb, verkeer ik voortdurend in gevaar mijzelf te bezeren, of mijn teen of hoofd te stoten, of op mijn duim te slaan of iets dergelijks. We kunnen dit een ‘ongevallencyclus’ noemen, en dat is het ook, maar ik zie in dit alles niet iets van bijzonder belang.

Vr. – Ik ben bang dat ik het niet goed duidelijk heb gemaakt. Ik bedoelde geen ongevallen die bij één persoon plaatshebben, maar bij een dozijn mensen, en ongevallen van gelijksoortige aard. Bijvoorbeeld, binnen een paar weken vielen enkelen van ons van hun fiets, en een of twee braken een kaak.

GdeP – Ja, zo had ik uw gedachte ook begrepen. Maar het is heel goed mogelijk voor een groep mensen om collectieve perioden van enthousiasme of collectieve fasen van mentale depressie door te maken, of heel vaak zijn zulke gemoedstoestanden toe te schrijven aan het weer. Hitte en benauwd weer zorgen ervoor dat men misschien wat minder oplettend is, en wanneer de ochtend koel en verkwikkend is, zijn de zenuwen alert. Ik denk niet dat dit een bijzondere spirituele of psychische betekenis heeft.

Vr. – Mag ik nog eens terugkomen op de zon?

GdeP – Ik ben bang dat u een zoon van de zon bent – en zo is het inderdaad!

Vr. – Ik hoop het.

GdeP – Neem me niet kwalijk, laat ik dat anders zeggen: ik ben heel blij om te zien dat u een zoon van de zon bent.

Vr. – Natuurlijk weten we allemaal dat een planeet sterft en een maan wordt, en vele eeuwen lang moet draaien rond de bol die haar kind is. Wanneer het hele zonnemanvantara ten einde is gekomen, sterft de zon dan en wordt hij wat je zou kunnen noemen een zonnemaan van de volgende zon, zijn kind?

GdeP – U stelt daar een heel intuïtieve vraag, en het antwoord is in algemene zin: ja. Er bestaan in de natuur solaire ‘wachters op de drempel’, evenals er lunaire ‘wachters op de drempel’ zijn, of menselijke kamarupische ‘wachters op de drempel’. Bedenk echter het volgende: de zon bevindt zich op een heel hoog gebied, vergeleken met de lagere entiteiten van het zonnestelsel zoals de grofstoffelijke planeten en de min of meer grove entiteiten die een planeet zoals onze aarde bewonen.

De term ‘solaire wachter op de drempel’ is eerder een verklarende term, dan een werkelijk feit. Het zou volgens mij veel nauwkeuriger zijn om te zeggen dat wat u alleen ter vergelijking het kamarupa van de vroegere zon kunt noemen, eigenlijk de etherische atomen zijn die eens die zon samenstelden, en die de nieuwe zon omgeven die bezig is een nieuw zonnestelsel te ontwikkelen, als zijn elektromagnetische werkterrein.

Vr. – Dank u. Dat is volkomen duidelijk.

GdeP – Zoiets als de grond waarin een zaaier zijn zaad zaait – de zon is de zaaier en de grond bestaat uit elektromagnetische deeltjes. Hoe vreemd deze term ook mag klinken voor de fysici van deze tijd, toch is het waar.

Vr. – Zou u ons iets kunnen vertellen over de inwijding tijdens het zomersolstitium?

GdeP – Heel weinig waarvan ik denk dat het juist is om over te spreken. Ze is de minst belangrijke van de vier hoofdperioden van het jaar, en ook de minst belangrijke wat betreft inwijdingen. Niettemin is ze heel belangrijk. Inwijding kan in feite op elk moment plaatsvinden, maar de grootste inwijdingen vinden tijdens deze vier perioden van het jaar plaats: het wintersolstitium, de lentenachtevening, het zomersolstitium en de herfstnachtevening.

De herfstnachtevening is van alle de meest mystieke, maar misschien niet de belangrijkste. De inwijding tijdens de lentenachtevening is misschien de meest verhevene. De inwijding tijdens het wintersolstitium is misschien het gemakkelijkst te begrijpen, omdat ze de tijd is wanneer een gevorderde chela de gelegenheid krijgt om zijn eigen innerlijke god van aangezicht tot aangezicht te ontmoeten, en er één mee te worden. De inwijding tijdens het zomersolstitium is de inwijdingsperiode die het minst belangrijk is, maar alleen in die zin dat ze voor het individu niet noodzakelijk een stap vooruit betekent; maar vanuit één standpunt is ze, denk ik, de heiligste van alle vier omdat ze een edele opoffering van het individu betekent. Ik weet niet of ik duidelijk heb gemaakt wat ik bedoel. Het is heel gevaarlijk terrein om te bespreken.

Het wintersolstitium, de lentenachtevening en de herfstnachtevening zijn inwijdingsperioden die van groot nut zijn voor de neofiet – en iedereen die wordt ingewijd is een ‘neofiet’ hoe ver gevorderd hij ook is. Bij de inwijding die tijdens het zomersolstitium plaatsvindt geeft de neofiet echter zijn eigen vooruitgang op ten gunste van anderen, en daarom noemde ik deze de heiligste. Ik kan hier niet verder op ingaan: het is een te heilige zaak. Maar ik heb u misschien een paar ideeën gegeven.

Ze is niet de hoogste inwijding, wanneer u alleen de rangorde beschouwt, en ik zal proberen die gedachte toe te lichten. Twee mensen gaan een kamer binnen. De één is generaal, de ander luitenant. De generaal heeft een hogere rang dan de ander, maar degene met de lagere rang kan als mens onvergelijkelijk veel verder op het pad zijn gevorderd dan iemand die zijn meerdere is.

Vr. – HPB zegt dat het grootste deel van de wereldbevolking nog steeds tot Atlantische of Lemuro-Atlantische rassen behoort, maar toch zijn deze alle vooruitgegaan zodat ze in harmonie zijn met ons Indo-europese of vijfde wortelras, en zijn ze wat fysieke soort betreft geheel van deze tijd, en in de meeste gevallen zijn ze wat intelligentie betreft helemaal niet achtergebleven.

GdeP – Een moment graag. Over wie heeft u het?

Vr. – Over het grootste deel van de wereldbevolking. Waardoor onderscheiden deze overgebleven Atlantiërs zich van ons? Zijn ze in essentie verschillend, of is het verschil alleen oppervlakkig? Hoe komt het dat ze zich langgeleden met het vijfde ras vermengden?

GdeP – Technisch gesproken behoren zij allen tot het vijfde wortelras, omdat ze zich allemaal onder ons bevinden, en in de tijd en onder de omstandigheden van het vijfde ras leven. Toch zijn ze psychisch en fysiek gesproken niet zo ver op het pad gevorderd als een mens met de karakteristieke kenmerken van het vijfde ras.

Bovendien zullen de meeste van deze oude rassen uitsterven. In dit verband wil ik uw aandacht vestigen op een paar beweringen in een artikel in een tijdschrift dat wordt uitgegeven door de Adyar Society, en dat werd geschreven door een van de begaafdste, en naar ik werkelijk geloof, één van de meest oprechte theosofen van de Adyar Society. Ik bedoel Jinarajadasa. In de loop van zijn artikel spreekt hij over de negers als overgebleven of resterende Lemuriërs. Die bewering is volkomen onjuist. Van de onderontwikkelde volkeren zijn de negers juist het enige mensenras dat een toekomst heeft, waarschijnlijk een bestemming vol grootsheid en pracht. Wat hun bestemming betreft zijn ze een jong volk, hoewel ze evenals wij zijn voortgekomen uit het Atlantische ras. Maar hun tijd voor volledige zelfexpressie die zal leiden tot een hoogtepunt van geestelijke en intellectuele ontwikkeling en de daaruit voortvloeiende beschavingen is nog niet gekomen.

De negers kunnen alleen Lemuriërs worden genoemd in dezelfde zin als dat wij van het Indo-europese ras Lemuriërs kunnen worden genoemd – wat eenvoudig wil zeggen dat onze voorvaderen eonen en eonen geleden in de tijd van Lemurië leefden.

Nauwkeuriger gezegd: de negers stammen af van Atlantische rassen, zoals dat ook voor ons mensen van het vijfde ras het geval is. We bevinden ons nu in de bloeitijd, we bereiken het hoogtepunt, of bewegen ons naar het hoogtepunt van de kracht, de schittering, enz., van ons vijfde ras. De negers verkeren als ras in een slaaptoestand. Ze zijn nog niet begonnen, of misschien zijn ze net begonnen aan hun opkomst als ras wat betreft macht en invloed. Wanneer ze het hoogtepunt van hun beschavingen bereiken, en in feite al geruime tijd daarvoor, zullen ze iets anders dan negers zijn geworden. Ze zullen meer verfijnd, meer ontwikkeld, zijn geworden, en meer uitdrukking geven aan de innerlijke krachten en vermogens van hun tak van de mensheid. Met andere woorden, dat ras gaat nu door een fase als negers, evenals wij van ons ras door de fase heengaan waarin wij ons nu bevinden.

Een andere onjuiste bewering van dezelfde theosoof van de Adyar Society kwam erop neer dat het zevende onderras in Zuid-Amerika zou worden geboren. Dat is ook volledig onjuist. Het zevende onderras zal worden geboren waar elk ras of elk onderras begint, en dat is in het hoge noorden. Elk nieuw ras – of het nu een wortelras of een onderras is, een familieras of een van de kleinere vertakkingen – wordt in het noorden geboren. Wanneer het in kracht toeneemt en zijn vermogens begint te tonen of voort te brengen, strekt het zich naar het zuiden uit, precies zoals de Engelse dichter [George Berkeley] zegt: ‘Het rijk richt zich naar het westen’, en volgt daarbij de zon. Dit is juist. Evenzo begint elk ras in het noorden, en door de eeuwen heen reist het spiraalsgewijs naar het zuiden; en alle rassen – wortel-, onder-, of familierassen of vertakkingen – eindigen hun ontwikkeling in het zuiden beneden de evenaar.

Jinarajadasa’s bewering bevat maar een deel van de waarheid, en het is geen groot deel van de waarheid; en ik ben verplicht u dit feit te vertellen anders kan zijn bewering u misleiden. Het zevende onderras zal ongetwijfeld op land ten zuiden van de evenaar leven, maar het zal noch in Zuid-Amerika noch op ander land ten zuiden van de evenaar worden geboren; het zal, zoals gezegd, evenals elk ander ras in het noorden worden geboren.

Neem nu onszelf in deze tijd. We naderen het hoogtepunt van ons ras, het hoogtepunt van de ingeboren krachten en vermogens en energieën die eigen zijn aan ons als ras. De beschaving heeft de neiging zich langzaam, spiraalsgewijs, naar het zuiden te verplaatsen. Het centrum van de macht verschuift langzaam naar het zuiden. Het zal de evenaar passeren, zoals dit al is gebeurd in het geval van de volkeren van Zuid-Amerika, of in Zuid-Afrika. Wanneer het ras oud wordt, zullen de schitterendste beschavingen die totstandkomen tegen het einde van ons vijfde wortelras ten zuiden van de evenaar liggen, en nieuwe landstreken zullen uit de oceaan omhoogkomen om de toekomstige woongebieden van de laatste rasvertakkingen en resten van de onderrassen van ons huidige vijfde wortelras te vormen.

Ik vestig uw aandacht op deze twee vergissingen enkel om het feit te illustreren dat esoterische kennis tot iemand kan komen die niet is onderwezen en niet is ingewijd, en die toch een aspirerende theosofische leerling is – maar alleen overeenkomstig zijn ingeboren bekwaamheden en zijn ontwikkeling. De esoterische wijsheid, de werkelijke waarheden, die u de sleutels kunt noemen, kunnen alleen door een leraar worden doorgegeven. Houd dit feit in gedachten.

Vr. – Mag ik naar voren brengen dat Mw. Besant en Leadbeater dezelfde gedachte als Jinarajadasa hebben onderwezen met betrekking tot het zesde onderras, waarvan Leadbeater zegt dat het hier in Zuid-Californië zal beginnen en ook in Australië. En ik geloof dat Besant hetzelfde leert. Ik weet dat Leadbeater dit doet.

GdeP – Ja, ik wist dat, of beter gezegd, ik vermoedde het zo sterk dat mijn vermoeden gelijk stond aan weten. Ik begreep heel goed dat Jinarajadasa – die werkelijk heel begaafd is, een heel oprecht, toegewijd en goed mens – slechts citeerde wat zijn goeroes, dr. Besant en Leadbeater, hem hadden geleerd. Ik ben blij dat u dit noemt, omdat ik aarzelde om diezelfde gedachte naar voren te brengen.

Vr. – Mag ik op diezelfde gedachte verder ingaan? Ik heb al die artikelen waarnaar u verwees gelezen, en mij viel vooral het verschil op tussen enige mate van intuïtie, heel verfijnd inzicht in zaken, heel heldere en ethische uitspraken, en werkelijke esoterische waarheden. De artikelen waarover u spreekt zijn naar mijn oordeel in sommige opzichten voortreffelijk.

GdeP – Ja, dat zijn ze.

Vr. – Maar toch worden er enkele grove fouten in gemaakt die u op een vriendelijke manier heeft gecorrigeerd. Ik was hierdoor in verwarring gebracht. Dank u zeer.

GdeP – U zult begrijpen, vrienden, dat ik niet over deze broeder van de andere Society spreek bij wijze van kritiek maar slechts als een waarschuwing voor u. Dat is mijn plicht in deze school. Persoonlijk denk ik dat Jinarajadasa een van de meest begaafde mensen in Mw. Besants Society is – een van de meest intuïtieve, een van de meest eerlijke, en een van de bekwaamste. En alleen al het feit dat hij – ik ben er zeker van, maar ik heb niet het recht om het definitief als waarheid te bevestigen, omdat ik het alleen weet op grond van mijn eigen innerlijke overtuiging – hoogst waarschijnlijk zijn eigen intuïtieve visie, zijn eigen gevoel voor de waarheid, zijn visie op de waarheid, ondergeschikt heeft gemaakt uit eerbied voor de volkomen verkeerde verklaringen die hem zijn onderwezen, is veelzeggend. Ik bewonder hem om zijn trouw aan zijn leraren, hoewel ik betreur dat een man met zo’n natuurlijke innerlijke kracht niet de ruimte, en de atmosfeer, en de omgeving heeft om in te groeien, en om de werkelijke intuïtieve pracht in hemzelf naar buiten te laten komen.

Vr. – Mag ik zeggen dat dr. Besant enige tijd geleden hier in Californië een heel lange lezing hield voor het Verbond van Ouders of een soortgelijke organisatie, waarin ze heel uitdrukkelijk beweerde dat de nieuwe kinderen van Californië anders zouden zijn; dat op basis van het bewijsmateriaal van veel opvoedkundigen er een mentaliteitsverandering was te zien. De kinderen waren intuïtiever en waren zelfs anders dan kinderen in andere delen van de Verenigde Staten. Ze beweerde dat hetzelfde in Australië aan de gang was. En hierop baseerde ze haar idee dat het nieuwe ras in Amerika vorm krijgt. Denkt u dat dit aannemelijk is?

GdeP – Helemaal niet. Om de volgende reden: de grote onderrassen ontstaan niet zo vlug. Het feit alleen dat de Amerikaan een eigen soort ontwikkelt, betekent niet dat de Amerikaan van nu hoger staat dan de Europese rassen. Zoals Judge heeft aangegeven, is de Amerikaan wat psychischer en gevoeliger, wat lang niet altijd een voordeel voor hem is.

Ik begrijp dat Mw. Besant zegt dat ongeveer 750 jaar vanaf nu, het zesde onderras hier in Californië zal beginnen, en zal ontstaan uit de Californische kinderen, en zijn eerste oorsprong zal vinden in Ojai Valley. Het spijt me werkelijk heel erg om iets te zeggen dat onvriendelijk klinkt over Leadbeaters verkeerde opvattingen zoals die door Mw. Besant worden verwoord, maar mijn plicht dwingt me te zeggen dat het zesde onderras waarover HPB in De Geheime Leer spreekt de komende tienduizenden jaren zelfs nog niet zal beginnen. HPB spreekt over vijfentwintigduizend jaar vanaf nu als de tijd wanneer de zaden van het zesde onderras – dat is de betekenis van haar woorden – zullen beginnen voor te komen. Niettemin worden de zaden van het zesde onderras nu voorbereid in de VS, en vooral in het westen. Er is een enorm verschil tussen 750 en 25.000 jaar – laten we zeggen een hele siderische cyclus; en bedenk bovendien dat over 25.000 jaar alleen de eerste zaden zich gaan vertonen. Het zal eerder over 75.000 of 100.000 jaar zijn dat het zesde onderras op aarde ook maar merkbaar aanwezig zal zijn.

De wortelrassen hebben een levensperiode van tenminste vier en een half miljoen jaar; en met uitzondering van het zevende wortelras, dat relatief gezien heel kort zal duren, hebben alle andere rassen in feite een levensperiode van enkele miljoenen jaren langer dan vier miljoen. Het Atlantische ras, bijvoorbeeld, duurde bijna tien miljoen jaar. Ons eigen vijfde ras zal ongeveer acht miljoen jaar of nog iets langer duren of blijven bestaan. De evolutie maakt niet zulke overdreven grote sprongen vooruit zoals de beweringen van deze Adyar-theosofen impliceren.

Ik ben eigenlijk blij dat deze paar opmerkingen door deze vraag zijn opgeroepen, en wel om tenminste één goede reden. Tijdens het werk van broederlijke liefde en vrede en harmonie en uiteindelijke vereniging van de Theosophical Societies, waaraan we nu zijn begonnen, zullen we beslist moeilijke gedeelten van de weg die voor ons ligt, moeten afleggen. Niettemin moeten we nooit onze zuivere theosofische leringen opgeven voor een onechte vrede. We moeten nooit onze overtuigingen en principes over goed en kwaad laten varen; daar moeten we met onwrikbare wilskracht aan vasthouden.

Zijn er nog andere vragen?

Vr. – Bij het lezen van die artikelen voelde ik dat er een verlangen van het hart uit sprak en een soort rondtasten in het duister naar een antwoord op dit verlangen. En als ik het juist zie, betreft de geest van uw werk voornamelijk het voeden van de harten van vele duizenden theosofen die er bijvoorbeeld in Zuid-Amerika nu al zijn, die – wel, het werd heel mooi uitgedrukt door een van onze jonge leden, toen ze hierover zei: ‘Maar dit is waar wij vijftig jaar geleden waren.’

Dit geeft de gedachte weer die ik na het lezen van deze artikelen had. Ze waren prachtig, en toonden strevende, verlangende en dorstige harten. Als ik uw gedachte goed begrijp, zou er een vriendelijkheid, een liefde, die een inspiratie zou zijn, aan moeten worden toegevoegd, die ze, zoals mij na het bestuderen ervan is gebleken, missen. Is dat juist?

GdeP – Dat is volledig juist. Vrienden, laten we nu andere onderwerpen bespreken. Heeft iemand nog andere vragen?

Vr. – Uit wat u op een van de eerdere bijeenkomsten heeft gezegd, heb ik opgemaakt dat toen H.P. Blavatsky dit leven verliet, ze een heel korte tijd in devachan doorbracht, en vanaf die tijd bewust aan het werk is geweest, beschermd, of omgeven, of bewaakt door een akasische sluier. Is het toegestaan meer te weten over wat er wordt bedoeld met ‘bewust’, en of dit noodzakelijkerwijs incarnatie betekent?

GdeP – Ja, de bewering is helemaal juist op één klein zinnetje na: ‘bewaakt door een akasische sluier’. Dat was alleen het geval toen HPB in haar vroegere fysieke lichaam was, en een bepaald deel van haar innerlijke constitutie was verwijderd en werd bewaakt om het te beschermen. HPB heeft haar heel korte devachanische periode beëindigd en is bewust werkzaam. Ze is niet geïncarneerd in het westen, maar ze bevindt zich in een fysiek lichaam en ik ben niet bevoegd om hier te zeggen of dat lichaam het lichaam van een kind is dat zijn natuurlijke groeiproces doormaakt of dat ze een volwassen lichaam is binnengegaan.

Voor een adept of chela is het heel goed mogelijk om met behulp van een adept zijn eigen lichaam achter te laten om te sterven, en een ander volwassen lichaam binnen te gaan, dat in sommige omstandigheden daarop wacht en daarvoor gereed is. U kunt uw eigen conclusies trekken.

Vr. – Ik wil graag vragen of de historische figuur Gautama de Boeddha dezelfde was als de negende incarnatie van Vishnu in de cyclus van avatara’s. Zoals ik het begrijp werd de negende avatara van Vishnu de Boeddha genoemd. Is dat dezelfde figuur als Gautama de Boeddha?

GdeP – U heeft een vraag gesteld die verband houdt met een heel ingewikkeld onderwerp. De hindoes van zijn tijd, en later de brahmanen, erkennen dat de Boeddha een incarnatie van Vishnu was, maar zeggen dat hij kwam als karmische vergelding om verwarring te zaaien in het bewustzijn van de mensen die hij onderwees. Dat is niet het geval. De Boeddha was de grootste van de zonen van de mens in de geschiedenis – die de afgelopen miljoenen jaren beslaat. Gautama de Boeddha was maar in één opzicht een avatara. Niet een avatara zoals Jezus was of Sankaracharya. Met andere woorden, de Boeddha incarneerde in de prins Siddhartha van Kapilavastu als de volgende boeddha in de reeks van boeddha’s van mededogen. Begrijpt u me?

Vr. – Ja, dank u. Ik zou in dit verband het onderwerp van de opeenvolging van boeddha’s naar voren willen brengen.

GdeP – Wat bedoelt u precies?

Vr. – Zoals ik de lering begrijp, is er een reeks boeddha’s voor elk kleiner manvantara, en ik wilde vragen of hij er één van was.

GdeP – Ja, dat was hij. Hij was de menselijke incarnatie van een hemelse boeddha. Hij was een zogenaamde manushya-boeddha, of menselijke boeddha, de vertegenwoordiger op aarde van een hemelse boeddha.

Esoterisch brahmanisme en esoterisch boeddhisme zijn hetzelfde – precies hetzelfde stelsel van leringen. Maar de brahmaanse hiërarchie – dat wil zeggen, de religieuze organisatie van het brahmanisme – lijdt aan dezelfde bekrompen religieuze geest, maar in iets mindere mate, die u in de christelijke kerk aantreft.

En dus toen de Boeddha Gautama kwam en door zijn leringen de deuren van de inwijdingskamers een stukje openzette zoals hij dat deed, wekte hij onmiddellijk de tegenstand van de hele brahmaanse hiërarchie op die in die tijd de enigen waren in India die de sleutels tot de waarheid bezaten, en die het goed uitkwam, en die het naar hun inzicht verstandig vonden, om deze sleutels in eigen bezit te houden, en het volk geen groter licht te verschaffen dan dat wat hun religieuze organisatie hen kon geven.

De Boeddha verzette zich hiertegen. Hij zei: ‘Mijn boodschap is voor de hele mensheid.’ En daarom zeiden de leden van de religieuze brahmaanse hiërarchie: ‘Hij was een incarnatie van een deel van Vishnu, maar door de zonden van de wereld kwamen de leringen die deze incarnatie verstrekten als een vergelding en een kastijding.’ Begrijpt u hun gedachte?

Vrienden, ik zal nog een of twee vragen beantwoorden, en dan denk ik dat we de bijeenkomst het beste kunnen afsluiten.

Vr. – Onder de vragen die vanavond zijn gesteld waren er vele die in een bepaald opzicht kosmisch kunnen worden genoemd, omdat ze niet persoonlijk waren; en andere zouden persoonlijk kunnen worden genoemd in die zin dat ze spreken over zelfzuchtig en onzelfzuchtig handelen. Is het niet zo dat we om de werkelijke innerlijke waarde van het bestuderen van onzelfzuchtigheid te begrijpen, ons denken moeten verheffen naar dat uiterst moeilijke onderzoek van de kosmische kant van het zijn?

GdeP – Ja, u heeft volkomen gelijk. En juist omdat zulke vraagstukken als het ontstaan van werelden en hun oorsprong en hun bestemming in hoge mate betrekking hebben op ethische vraagstukken, leggen de leraren zoveel nadruk op de noodzaak van een juist begrip van de theosofische filosofie, van haar kosmische filosofie, van het wetenschappelijke aspect, en het filosofische aspect, en ook het religieuze aspect.

Het is misschien niet onmiddellijk duidelijk voor veel leerlingen op welke manier de studie van de zeven beginselen van de mens of van het heelal betrekking heeft op de ethiek, maar ze houden daarmee verband. Ze tonen de fundamentele eenheid van alle dingen aan; ze maken duidelijk hoe dingen nauw met elkaar zijn verbonden; ze laten zien dat niets alleen voor zichzelf kan leven – dat wat de een doet door alle anderen wordt gevoeld en weerspiegeld. Deze onderwerpen houden direct, en heel sterk, verband met de beweegredenen om ethisch te handelen. Zulke leringen tonen de noodzaak aan van ethiek. Ze onthullen de waarheden van het Zijn, leggen deze bloot, brengen ze aan het licht. Ethiek wordt op die manier een prachtige studie, een noodzaak en een plicht, en is niet langer slechts een studie van menselijke gedragsregels. Het is veel beter om de zeven beginselen van de mens te bestuderen en de zeven bollen van de planeetketen of van elke andere keten, en soortgelijke onderwerpen, dan te gaan zitten en dwaze artikelen te schrijven: ‘Het is goed om goed te zijn, want goed te zijn is goed.’ Ongetwijfeld waar, maar het zegt u niets. Daardoor wordt het vuur van inspiratie in uw hart niet aangewakkerd. U ziet dan geen enkele reden om goed te zijn. Daardoor wordt geen enkele waarheid onthuld.

Vr. – Ik geloof dat u een week geleden HPB de meest recente avatara heeft genoemd. Kunt u ons iets meer over dit onderwerp vertellen?

GdeP – Ja, ik heb iets dergelijks gezegd, maar wat ik precies heb gezegd kan ik me nu niet meer herinneren. Ik gebruikte toen het woord ‘avatara’, maar in een meer beperkte betekenis dan wanneer ik het zou hebben gebruikt indien ik over Krishna of Sankaracharya of Jezus zou hebben gesproken. Ik gebruikte het woord om het feit te omschrijven dat HPB, evenals de drie zojuist genoemden, een belichaming was van een geestelijk-goddelijke kracht die door haar heen werkte, onafhankelijk van de krachten van haar eigen innerlijke god. In dat opzicht was ze een avatara, of de vertegenwoordiger op aarde in menselijke vorm van ten minste enkele van de krachten, energieën, vermogens, capaciteiten, bekwaamheden, van ten minste een deel van een edele hoogstaande entiteit. Daaraan kan worden toegevoegd – en hierin komt ook het avatarische aspect naar voren – dat zij als boodschapper vaak niet werkte met haar eigen tussennatuur, die werd teruggetrokken, maar met die van een hogere macht die tijdelijk in haar verbleef en die door haar werkte en onderwees. Dat is het idee van een avatara, en daarom zei ik dat ze in beperkte zin een voorbeeld van een avatara was.

Vrienden, ik denk dat we de bijeenkomst nu moeten afsluiten. Wilt u zo vriendelijk zijn de gong te luiden.

[Luiden van de gong. Stilte.]

 


Dialogen van G. de Purucker, blz. 443-67

© 2005  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag