18

Bijeenkomst op 12 augustus 1930

 

GdeP – Wilt u alstublieft op de gong slaan. Zijn er binnengekomen berichten die we vanavond moeten bespreken?

Secretaresse – Ja.

GdeP – Leest u ze maar voor.

Secretaresse – ‘Geachte GdeP en leraar: Tijdens de voorbereidingen van het symposium over de Boeddha en het onderzoek daarvoor, kregen we de indruk dat er aan het hele leven van de Boeddha een innerlijke betekenis ten grondslag lag, en dat verschillende punten onmiskenbaar esoterisch waren.

Bent u bereid om een KTMG-bijeenkomst te wijden aan de esoterische interpretatie van het exoterische leven van de Boeddha?

We dachten dat als we alleen al door het exoterische verhaal over het leven van de Boeddha zo konden worden gestimuleerd en geïnspireerd, het een schitterende en geweldige inspiratie voor ons zou zijn om de werkelijke esoterische betekenis van zijn leven te kennen.

De woorden die u afgelopen zondag aan het einde van onze bijeenkomst gebruikte, hebben ons aangespoord om te schrijven en u dit te vragen omdat we denken dat ze de sleutel tot alle kennis bevatten. Omdat u ons zo vaak heeft verteld over de grootsheid van Boeddha’s karakter, en hem aan ons heeft voorgehouden als een verheven voorbeeld, dachten we dat als we meer van de betekenis van zijn leven zouden weten het ons zou helpen om onze latere leraren te begrijpen; en we dachten ook dat uw interpretatie ons zou helpen om ons nog beter bewust te worden van de buddhische luister.

     – Een groep toegewijde studenten’

GdeP – Vrienden, dit is een mooi bericht. We zullen er een deel van de avond aan wijden. Ik denk echter dat het niet verstandig zou zijn om vanavond alle beschikbare tijd aan dit ene onderwerp te besteden. Er zijn nog andere redenen waarom het onverstandig is om te veel te zeggen over het leven als mens op aarde van iemand die terecht en volkomen juist ‘het licht van de wereld’ is genoemd.

Hij was een van de twee boeddha’s van ons huidige vijfde wortelras. Volgens onze eigen esoterische verslagen nam hij de menselijke vorm aan, dat wil zeggen, hij incarneerde in het lichaam van een jongen in het jaar 643 v.Chr. in een dorp aan de voet van de Himalaya, dat in de oude boeddhistische verslagen gewoonlijk Kapilavastu wordt genoemd. Zijn vader was een Indiase raja, zijn moeder was een Indiase prinses, de dochter van een Indiase raja. De naam van de ‘clan’, zoals westerse geleerden het woord gebruiken, waarin hij werd geboren, was de Sakya-clan, en dit woord Sakya verklaart de titel die in latere jaren vaak aan hem werd gegeven, Sakya-muni, de muni van de Sakya’s: ‘muni’ is een Sanskrietwoord dat wijze of kluizenaar betekent. De naam van zijn vader was volgens de exoterische legenden Suddhodana. Dit is een Sanskrietwoord dat ‘zuiver water’ of ‘zuivere stroom’ betekent. De naam van zijn moeder was Maya, of soms Mayadevi, wat ‘illusie’ betekent. Zijn zoon, het kind waarvan hij de vader was, werd Rahula genoemd. De naam van zijn vrouw was Yasodhara, ook een Sanskrietnaam die kan worden vertaald met ‘drager van heerlijkheid’.

Het is duidelijk dat al deze namen direct erop wijzen dat het hele exoterische verhaal van de Boeddha een symbolisch verhaal was, dat laat zien dat hij uit een moeder werd geboren die ‘Illusie’ werd genoemd en een vader die ‘Zuivere Golf’ werd genoemd, met andere woorden ‘Zuivere Inspiratie’, die het voedsel voor de geest is. De naam van zijn vrouw, ‘Drager van Heerlijkheid’, zou dan verwijzen naar een grote geestelijke kwaliteit die hij bezat en die hem omringde. Voorzover ik weet, waren deze namen toch de echte namen van zijn ouders en zijn vrouw. Ik heb geen enkele reden om het algemene exoterische verhaal over zijn geboorte als volkomen symbolisch te beschouwen. Elke Sanskrietgeleerde in Europa kent het prachtige en ontroerende verhaal over de Heer Boeddha uit zijn hoofd. Zoals het aan ons is overgeleverd, bestaat veel van het verhaal natuurlijk uit legenden, maar elk deel van deze legendarische overleveringen vindt zijn oorsprong in esoterische feiten.

Zijn zoon, Rahula, was een uitzonderlijk mens, maar was toch een vierde-ronder, terwijl de Heer Boeddha zelf een zesde-ronder was. Dat wil zeggen dat hij twee ronden vóór was op de normale evolutie van de mensheid in deze vierde ronde – hij was twee ronden op het evolutiestadium van de meerderheid van de huidige mensheid vooruitgelopen. En dit was werkelijk zo. Zijn innerlijke constitutie was in de loop van eeuwen telkens opnieuw door de hele planeetketen opgeklommen, en belichaamde zich op elke bol van onze planeetketen, zodat toen deze grote ziel voor het laatst als mens werd geboren, als Siddhartha van Kapilavastu, het tussenliggende deel van zijn constitutie, of zijn menselijke deel, in feite een zesde-ronder was. Hij was toen zoals de hele mensheid zal zijn in de zesde ronde van de zeven ronden waaruit de hele cyclus van het planetaire manvantara bestaat.

De Boeddha onderwees niet iets nieuws dat door hemzelf was bedacht. Hij onderwees alleen maar de wijsheid van de goden, de geheimen en de verborgen mysteries van het heiligdom, die alleen bekend waren aan enkele ingewijde brahmanen van zijn tijd, maar die zij voor de meerderheid van de mensheid zorgvuldig verborgen hadden gehouden, in overeenstemming met de oude tradities die sinds het punt halverwege het vierde wortelras getrouw waren gevolgd. Hij bracht enkele van deze geheimen in de openbaarheid en nam ze op in zijn schitterende filosofie, en deze geheimen vormen de basiselementen van zijn leringen die tegenwoordig bekendstaan als het boeddhisme. Er is over Gautama de Boeddha gezegd dat hij de incarnatie van wijsheid en liefde zelf was, en deze bewering is juist.

Hij werd in feite niet alleen maar overschaduwd door, maar was het feitelijke zich manifesterende voertuig van zijn eigen goddelijke innerlijke wezen, zijn eigen innerlijke god. Die innerlijke god manifesteerde zich door het menselijke tussenliggende deel, en zelfs door het fysieke voertuig, zodat alleen al zijn verschijning wijsheid, liefde, mededogen en vrede, en de innerlijke buddhische luister uitstraalde. Hij was ook een mens die fysiek gezien bijzonder mooi was, heel veel mooier dan wat mensen in het algemeen een heel knappe man noemen. Hij was lang. Hij had een koninklijke houding. Hij had alle kenmerken van een edel mens waar de innerlijke god doorheen scheen.

U kent allemaal het verhaal hoe hij zelfs als kind al blijk gaf van buitengewone krachten, en een aanzienlijk deel van dit verhaal berust op feiten. Als zesde-ronder was hij zelfs als kind al wat tegenwoordig een genie zou worden genoemd, maar in elk opzicht een genie, niet alleen maar op één gebied zoals het geval is bij enkele van deze wonderkinderen die zo nu en dan worden geboren met een bijzondere gave voor muziek of wiskunde of op een ander terrein. Op alle gebieden van de innerlijke ontwikkeling van de mens gaf hij blijk van de hogere vermogens van de innerlijke god. Dat is de basis van het exoterische verhaal over hoe hij zelfs als klein kind zijn leraren verbijsterde, en de meesters van wijsheid van zijn tijd versteld deed staan. Hij scheen alles te weten zonder te hebben gestudeerd, en dat was grotendeels ook zo.

In dit verband kan ik eraan toevoegen dat er heel, heel weinig zesde-ronders zijn – zo weinig dat ze alleen met grote tussenpozen verschijnen. Ze hebben allemaal de buddhische staat bereikt; ze zijn niet noodzakelijkerwijs allemaal boeddha’s, omdat boeddha’s zesde-ronders in de zevende of laatste graad of fase van de zesde ronde zijn, maar er zijn andere minder ver ontwikkelde zesde-ronders die op heel zeldzame momenten verschijnen. Er zijn ook mensen die vijfde-ronders zijn en die geestelijk niet zo verheven en verstandelijk niet zo vergevorderd zijn als de zesde-ronders, maar deze vijfde-ronders komen vrij vaak voor en ze zijn de opmerkelijke genieën van de mensheid, de werkelijk grote mensen, de hoge en edele geestelijke leraren, de grondleggers van religies en van de grote wereldfilosofieën. In feite is een gevorderde vijfde-ronder wat u een mahatma, een meester, een vergevorderde, zou noemen. Zelfs onder de mahatma’s zijn zesde-ronders van de zevende graad zeldzaam. Er zijn er bij die in de eerste stadia van de periode van de zesde ronde zijn, maar de Heer Boeddha zou men een zesde-ronder in het zevende of laatste stadium van de zesde ronde kunnen noemen, en daarom bijna een geïncarneerde god.

Er zijn ook vijfde-ronders die zich in de beginstadia van de ontwikkeling van de vijfde ronde bevinden, en ze kunnen waarschijnlijk worden aangeduid als voortreffelijke of heel uitzonderlijke mannen en vrouwen van een veel hogere geestelijke en intellectuele soort dan de meerderheid van de mensen die natuurlijk tot de vierde ronde horen.

U kent allemaal het verhaal hoe zijn ouders – die verontrust waren door de tekenen van verbazingwekkende wijsheid en intellectuele kracht waarvan hij blijk gaf, en die waren gewaarschuwd door de wijzen uit die tijd die min of meer een geestelijk en verlicht leven leidden, en daarom konden voorzien wat er zou gebeuren – hem aan het gezinsleven probeerden te binden, probeerden te voorkomen dat zijn innerlijke natuur ontwaakte door het verdriet en leed van de wereld. Al deze exoterische verhalen zijn gebaseerd op werkelijke feiten, hoewel de exoterische verhalen min of meer zijn aangedikt. Maar uiteindelijk kwam de tijd dat de boeddha in de jongeman zich duidelijk begon te manifesteren; en toen dat gebeurde, werd hij, nadat zijn zoon Rahula was geboren, zelfs als jongeman al verlicht. Hij verliet zijn huis, trok de Himalaya in, probeerde de ene na de andere trainingsmethode uit, onderzocht alle dingen, op zoek naar wijsheid, op zoek naar het grotere licht. Terwijl hij zich meer en meer in zijn eigen innerlijke wezen terugtrok, werd hij meer en meer beschenen door de goddelijke pracht en uitstraling van de innerlijke god, totdat hij op een dag ging zitten onder de Bo-boom, zoals deze wordt genoemd, de bodhi-boom – dat wil zeggen, de boom van wijsheid, die zo wordt genoemd omdat hij daar de volledig ontwaakte Boeddha werd.

Toen hij nog een kind was, voorspelden de wijzen uit die tijd, en dit hadden ze juist, dat hij òf een boeddha zou worden die door zijn leringen de wereld zou doen schudden, die het hart van de mensen zou wakker schudden – òf een ‘chakravarti’. Een chakravarti wil zeggen iemand die ‘het wiel ronddraait’, en deze term wordt gebruikt voor de grote wereldkoningen – ‘wereldveroveraars’ is de manier waarop het oorlogszuchtige westen de term gewoonlijk verklaart. Maar al deze chakravarti’s zijn, ethisch gezien, goede mensen, edele mensen, niet alleen maar wereldveroveraars die worden gedreven door ambitie en het verlangen om te willen heersen en bezitten.

Onder de bodhi-boom, op dat betekenisvolle moment, ging de innerlijke boeddha het bewustzijn van de uiterlijke mens binnen, en de Boeddha was vanaf dat ogenblik gemanifesteerd. Daarna begon hij aan zijn omzwervingen, zijn pelgrimstocht door India, terwijl hij onderwees, discipelen om zich heen verzamelde, maar voortdurend onderwees, onderwees, en onderwees. Hij onderrichtte de esoterische wijsheid, die toen heel geheim werd gehouden door de weinige brahmanen uit zijn tijd die haar kenden. Hij onderwees haar, lichtte haar toe, ontwikkelde haar, zette haar uiteen, en diegenen die edel genoeg waren om dit te ontvangen, en die hem omringden als zijn gekozen leerlingen, werden de arhats, een Sanskrietwoord dat de ‘waardigen’ betekent, dat wil zeggen, de gekozen discipelen die de leraar omringden, en die de bewaarders van zijn verheven stelsel werden, voorzover hij in staat was het aan hen door te geven.

Zo gingen de jaren voorbij. Hij had in het land veel in beweging gebracht. Uit alle windstreken stroomden leerlingen naar hem toe. Zijn naam werd alom bekend. Hij verrichtte wonderen, en daden van menslievendheid. Hij onderwees de boodschap van liefde en mededogen en medelijden, van oneindige, grenzeloze liefde die het hele universum omvat. Hij onderwees het essentiële éénzijn, het geestelijk-goddelijke éénzijn, van alle dingen, het geestelijk-goddelijke éénzijn van de mens en het geestelijke heelal. Hij stuurde zijn discipelen twee aan twee door heel India, en vertelde hen om nog verder te trekken, wat ze in die tijd en ook in latere eeuwen in veel gevallen deden.

De legende vermeldt dat toen hij tachtig jaar oud was en zijn haar wit was geworden, hij op een dag ging liggen, en volgens de boeddhistische geschriften waren zijn laatste woorden: ‘Mijn broeders, alle dingen zijn samengesteld. Werk vol toewijding aan uw eigen verlossing.’ Toen ging hij op in nirvana: hij ging door alle bewustzijnsniveaus van het menselijke niveau tot aan het hoogste geestelijke niveau, daalde de trap van bewustzijn weer af, en opende zijn ogen, en keek om zich heen. Hij beklom nog een tweede keer de treden van bewustzijn naar het goddelijke en daalde de treden weer af, opende zijn ogen en keek naar zijn discipelen die hem omringden. De derde keer beklom hij alle treden van bewustzijn naar het goddelijke en volgens de exoterische legenden ging de Gezegende toen heen.

Onze eigen esoterische verslagen zijn anders. Wat ik zojuist heb beschreven is wat er werkelijk gebeurde toen hij in het fysieke lichaam stierf, maar dat vond plaats twintig jaar nadat hij nirvana op tachtigjarige leeftijd had bereikt. Dus werd de Heer Boeddha als mens honderd jaar oud, en zijn fysieke lichaam stierf toen hij honderd jaar was, nadat hij op zijn tachtigste nirvana had bereikt.

Omdat hij volgens de westerse christelijke tijdrekening in 643 v.Chr. werd geboren, stierf zijn fysieke lichaam in 543, en het was dus in 563 dat hij nirvana bereikte. In deze feiten ligt de vergissing die de zuidelijke school van het boeddhisme maakt, door het nirvanã van de Heer Boeddha, dat hij op tachtigjarige leeftijd bereikte, te verwarren met het werkelijke sterven of, beter gezegd, het afwerpen van het fysieke voertuig – zijn dood.

Hij leefde nog twintig jaar na zijn nirvana, maar onttrok zich aan het zicht van de mensen, en onderwees alleen enkele van zijn uitverkoren arhats. Met andere woorden – en ik zal het heel onomwonden zeggen – hij trok de Himalaya in, en ging naar Sambhala waar hij de Chef is. U heeft me Sambhala eerder horen noemen. Op het moment dat hij zijn fysieke lichaam afwierp bleef hij bestaan – en hij bestaat nog steeds – als een nirmanakaya, nauwkeuriger gezegd als de boeddha van het vijfde wortelras, of nog nauwkeuriger gezegd, als een van de twee boeddha’s van het vijfde wortelras – de eerste. Deze boeddha is op dit moment het geestelijke hoofd van de Grote Witte Loge. Hij bestaat nog steeds als een nirmanakaya, en is bekend aan en staat voortdurend in contact met de mahatma’s en chohans. Hij is daarom onze eigen hoogste leider, en hij kan in feite de stille wachter van ons vijfde wortelras worden genoemd. Niet de stille wachter van de planeet, maar van ons vijfde wortelras.

Houd deze paar feiten in gedachten, die ik u zo kort mogelijk heb proberen te schetsen om niet te veel tijd in beslag te nemen. U zult onmiddellijk zien waarom de mahatma’s in De Mahatma Brieven, samengesteld door Trevor Barker, veelvuldig spreken over ‘onze Heer’, en daarmee bedoelen ze de Heer Sanggyas, wat de titel is die in Bodyul of Tibet aan de Heer Boeddha wordt gegeven, en waarom ze hem ook ‘onze Chef’ noemen. Dit is ook de esoterische reden waarom de titel van Sinnetts eerste boek Esoteric Buddhism was, een titel die in feite door de leraren zelf was gekozen, en die door H.P. Blavatsky werd gebruikt, omdat deze titel een letterlijke waarheid bevatte.

De esoterisch-exoterische religie die de Heer Boeddha onderwees toen hij in een lichaam onder de mensen op aarde werkte, en die boeddhisme wordt genoemd, is de uiterlijke vorm van de oude wijsheid-religie van de mensheid. Daarom is het de meest verheven en de edelste van alle exoterische religies in de geschiedenis geweest, en het is zelfs nu de religie die het minst is ontaard. Bovendien lag er in deze titel ‘Esoteric Buddhism’ waarheid besloten. Er is een esoterisch boeddhisme, en iedereen die de feiten kent kan eenvoudig stilletjes lachen wanneer de wijsneuzen uit het westen, die denken dat ze alles over het boeddhisme weten, exoterische geschriften van het boeddhisme en zelfs de woorden van de Heer Boeddha aanhalen, en zeggen dat er geen esoterische school van de Boeddha was. Er was er wel degelijk een, maar ze was werkelijk esoterisch, en daarom is ze tegenwoordig niet bekend. Ik vraag me af wat deze westerse geleerden denken. Als ze werkelijk esoterisch was, spreekt het voor zich dat ze er niets over zouden weten op basis van de exoterische geschriften.

Diegenen van u die de theosofie bestuderen, zullen de volkomen logische noodzaak inzien van een esoterische leer, van een esoterische school waarin de diepere leringen worden gegeven: de diepere, meeromvattende, grotere geheimen van het heelal en van de samenstelling van de mens, die in het openbaar niet kunnen worden bekendgemaakt omdat ze niet kunnen worden begrepen zonder dat men tenminste enige werkelijke esoterische training heeft ondergaan.

Toen HPB enkele jaren later in haar Geheime Leer schreef over de vergissing die was gemaakt in de titel van Sinnetts Esoteric Buddhism, was het heel wijs en verstandig dat ze dit deed. Ieder woord dat ze schreef was waar, maar toch strooide ze met opzet diegenen ‘zand in de ogen’ die dachten dat ze veel wisten, zodat ze werden verblind en daardoor konden ze de waarheid niet zien. Ik heb soms dezelfde tactiek gebruikt. Wanneer ik constateer dat er over een esoterische lering wordt getwist, of dat ze wordt bespot, of verkeerd wordt voorgesteld, dan probeer ik niet de fout recht te zetten door het te ontkennen, of het te verklaren, maar zeg ik zoiets als: ‘Ja, natuurlijk, dat is de manier om ertegenaan te kijken’, ogenschijnlijk maar niet feitelijk instemmend met het trotse hersenverstand dat het niet kan begrijpen omdat het dat niet wil. Het is een oude regel in onze School dat wanneer een lering verkeerd wordt begrepen of het gevaar bestaat dat ze wordt misbruikt, deze moet worden versluierd. Het is verstandig om dit te doen. Toen HPB zei dat als Sinnett zijn boek Esoteric Bodhism, of Esoteric Budhism, dat wil zeggen ‘esoterische wijsheid’, zou hebben genoemd, de titel de leringen van de meesters juist zou hebben uitgedrukt, was dat tot op zekere hoogte een juiste bewering. De titel die oorspronkelijk aan het boek werd gegeven was niettemin juist, want het was inderdaad de esoterische leer van de Heer Boeddha die de meesters in gedachten hadden toen ze Sinnett de kennis gaven die hij ontving. Het was in feite Esoteric Buddhism.

Kolonel Olcott legde ‘pansil’ af, een Paliterm die betrekking heeft op de vijf geloften van het boeddhisme; met andere woorden, hij werd een boeddhist. Hij deed dit in Ceylon, en min of meer tegelijkertijd legde onze eigen geliefde HPB ‘pansil’ af, de vijf geloften, en werd een exoterische boeddhist. Ze hadden hun eigen redenen om dit te doen. Toch zegt HPB in haar Sleutel tot de Theosofie en op andere plaatsen heel duidelijk dat theosofie geen boeddhisme is. Ze is geen brahmanisme. Ze is geen christendom. Ze is geen taoïsme. Ze is geen confucianisme. Ze is niet de oude religie van de Magi, of die van Zarathoestra; en ook niet de religie van de oude Egyptenaren. Natuurlijk niet, want ze is het hart van alle. Ze is geen enkele specifieke exoterische religie, maar ze is de esoterische wijsheid achter alle. Daarom is ze in feite boeddhisme, brahmanisme, taoïsme, de leer van Zarathoestra. Ze is deze allemaal, maar geen ervan in het bijzonder.

Ziet u op wat voor een dubbelzinnige manier deze dingen soms moeten worden verteld aan een onwetend en niet-onderwezen publiek? U moet subtiel kunnen denken, subtiel de feiten presenteren, maar nooit onwaarheden vertellen. Dat is tegen de Wet. Vertel altijd de waarheid, maar vertel niet de hele waarheid. Soms is het aan te raden om de waarheid zo te vertellen dat de innerlijke geheimen niet worden prijsgegeven. Maar vertel nooit iets dat niet waar is. Soms is het verstandig een lering terug te nemen, en de manier waarop dat wordt gedaan is door haar te verhullen met een latere verklaring. De latere verklaring is volkomen waar, maar het is alsof de eerste verklaring, die dieper ging en meer waarheid bevatte, wordt versluierd.

Dat wordt voortdurend gedaan, en op deze manier zijn sommige van de meest esoterische leringen van de oude wijsheid op bepaalde tijden uit de wereld teruggetrokken. Het hersenverstand van degenen die er kennis van nemen, beschouwt de latere verklaring als het grotere licht, in plaats van als het kleinere licht, en gaat dus doelbewust aan het grotere licht voorbij. Mensen vergeten.

Zelfs de Heer Boeddha met zijn goddelijke wijsheid en goddelijke liefde maakte kleine vergissingen in zijn leven. In zijn geestelijke verlangen de mensen waarheid, licht, liefde en vrede te geven, ging hij bij enkele gelegenheden iets te ver, opende hij de deuren een beetje te ver – en hierin schuilt altijd gevaar, groot psychisch en geestelijk gevaar. Daarom deed hij later hetzelfde wat zijn voorgangers, de boeddha’s van de andere wortelrassen, in soortgelijke gevallen deden, en waarschijnlijk wat de boeddha’s van het zesde en zevende wortelras zullen doen. Om recht te zetten wat hij in zijn grenzeloze liefde voor de mensheid had gedaan, voorzag hij in, werd hij, was hij, het tussenliggende deel van de avatara Sankaracharya. Sankaracharya leefde ongeveer een halve eeuw nadat de Boeddha zijn fysieke lichaam had achtergelaten.

U zult zich herinneren dat een avatara een goddelijk wezen is, dat het tussenliggende deel of de menselijke ziel van de Boeddha verlicht of ‘overschaduwt’, en deze combinatie werd in een fysiek lichaam geboren. De leringen van Sankaracharya waren over het geheel genomen precies zo dat ze die kleine overmaat aan esoterische wijsheid rechtzetten, die de Boeddha had gegeven in zijn grenzeloze medelijden met en liefde voor de mensheid. Sankaracharya onderwees de Advaita-Vedanta, dat deel van het Vedantastelsel in India dat de Advaita wordt genoemd, de niet-dualistische Vedanta. In essentie lijkt dit zoveel op boeddhisme dat boeddhisten door hun vijanden vaak Vedanta-aanhangers in vermomming worden genoemd, en de volgelingen van de Advaita-Vedanta worden door hun vijanden vaak vermomde boeddhisten genoemd.

Enkele honderden jaren na Sankaracharya werd er in Palestina een jongetje geboren. Ook hij was een avatara. Een god had gewacht op het moment om zich te manifesteren in de menselijke sfeer van bewustzijn, en de Heer Boeddha gaf als nirmanakaya zijn menselijke ziel om het tussenliggende deel te verschaffen, zodat dit goddelijke beginsel of deze god zich op aarde kon manifesteren. Dit tussenliggende beginsel met zijn goddelijke metgezel incarneerde vervolgens in dit jongenslichaam. Er is een boeddha voor nodig, of in ieder geval iemand die in de meeste opzichten even verheven is als een boeddha, om een goddelijk wezen in staat te stellen zich in menselijke vorm te manifesteren – dit is een avatara. Deze tweede avatara werd in de eeuwen erna Jezus de Christus genoemd.

Onze Heer verblijft nog steeds als Chef in Sambhala en bestaat als een nirmanakaya. Hij waakt nog altijd over de geestelijke bestemming van ons eigen vijfde wortelras, omdat hij de eerste van de twee boeddha’s is die in ons vijfde wortelras zullen komen. De tweede boeddha komt pas aan het einde van ons vijfde wortelras. Dat zal over vele honderdduizenden jaren zijn, in feite over miljoenen jaren; nog ongeveer drieënhalf of vier miljoen jaar zal ons eigen vijfde wortelras op aarde blijven bestaan. Maar op dit moment, ongeveer op het punt halverwege ons eigen vijfde wortelras, worden de zaden in de grond van het vijfde wortelras uitgestrooid, en deze zaden zullen uitgroeien en het begin van het zesde wortelras vormen. En het was de Heer Boeddha die voor het zesde wortelras dit zaad begon te zaaien. Dat is een van de plichten van de eerste boeddha van elk wortelras.

Over de Boeddha Sanggyas, zoals de Tibetanen hem noemen, kunnen nog veel meer verbazingwekkende mysteries worden verteld. U heeft natuurlijk gehoord over de reïncarnaties van de levende boeddha’s in Bodyul, in Tibet. Dit betekent niet dat de nirmanakaya, Gautama de Boeddha, het geestelijke beginsel is dat van teshu lama op teshu lama overgaat, of van dalai lama op dalai lama, of een rol speelt bij de in feite vele tientallen voorbeelden in Tibet van een levende boeddha die een nieuw lichaam binnengaat. Dat is niet wat er bij deze reïncarnatie van de ‘levende boeddha’s’ gebeurt. Daarbij gaat het erom dat er naast de twee boeddha’s van elk wortelras nog andere hoge en verheven geestelijke mensen zijn, die geen boeddha’s zijn, maar op weg naar het boeddhaschap. Ze worden bodhisattva’s genoemd, een Sanskrietwoord dat betekent ‘waarvan de essentie bodhi, wijsheid, is’; het woord bodhi komt van de Sanskrietwortel waarvan het woord boeddha komt. Deze bodhisattva’s hebben verschillende niveaus of graden van geestelijke ontwikkeling. Sommigen zijn heel hoog, anderen niet zo hoog, en weer anderen zijn nog minder hoog, ze zijn van een lagere graad, maar niettemin zijn ze allen vergevorderde geestelijke mensen, en allen hebben recht op de naam bodhisattva. Ze zijn allemaal chela’s van de ras-boeddha die op dat moment de leiding heeft over de geestelijke krachten van dat ras. Daarom zijn op dit moment deze bodhisattva’s de discipelen van de Heilige, de Gezegende, die de wereld Gautama de Boeddha noemt.

Deze reïncarnaties van de ‘levende boeddha’s’ in Tibet zijn een feit. In de gevallen waarin dit werkelijk gebeurt, kunnen deze bijzondere mensen het lichaam verlaten wanneer de tijd daarvoor aanbreekt of wanneer ze het lichaam waarin ze op dat moment leven en werken en onderwijzen, willen verlaten om een ander lichaam aan te nemen. Het kan zijn dat de overgang plaatsvindt naar het lichaam van een klein kind, dat pasgeboren is of binnenkort wordt geboren, of de overgang kan plaatsvinden naar het lichaam van een jongeman, of zelfs naar een volwassene. Maar ze kunnen het doen als ze dat willen. Het oude lichaam wordt eenvoudig afgelegd, sterft, zoals de mensen zeggen; en alle overige delen van de constitutie van dat individu gaan feitelijk over naar het nieuwe fysieke lichaam.

Zijn er vragen die iemand hierover wil stellen voordat we een ander onderwerp aansnijden?

Vr. – Wilt u iets meer vertellen over de relatie tussen het boeddhisme en het christendom zoals het oorspronkelijk aan de wereld werd gegeven?

GdeP – De oorspronkelijke leringen van de avatara die men later Jezus noemde, of Jezus de Christus, waren in al hun essentiële beginselen precies dezelfde als die van het boeddhisme, wat alleen maar wil zeggen dat de essentiële beginselen van beide de guptavidya van de oudheid zijn, de wijsheidsleer, de wijsheid-religie van vervlogen eeuwen. Maar het onderricht en de levenstaak van Jezus bleken al heel snel een mislukking te zijn. Dit moest zo zijn.

De cyclische tijd voor de avatara was aangebroken. Hij verscheen toen, maar alles werkte tegen de geestelijke krachten waarvoor de avatara de weg vrijmaakte. De cyclussen van beschaving waren in een neergaande fase, vooral in geestelijk en psychisch opzicht, en binnen honderd jaar na de dood van de avatara Jezus was het stelsel van leringen dat hij had achtergelaten, ontaard. Zijn discipelen schoten in bijna alle gevallen tekort. In veel gevallen begonnen ze te streven naar aanzien en macht voor zichzelf. Ze lieten toe dat hun onderscheidingsvermogen en hun liefde voor de mensheid werden verdraaid en verwrongen door wat volgens hen een goed motief was, alleen om meer bekeerlingen te maken, om meer aanhangers te winnen. Zodoende verduisterden ze de oorspronkelijke leringen en veranderden ze zelfs. Ze veranderden ze zó dat ze in hun ogen eenvoudiger zouden zijn en gemakkelijker konden worden begrepen. Ze namen er heel veel extern materiaal in op; dit materiaal bevatte leringen die van oorsprong geestelijk waren maar die later waren ontaard, en ze verweefden het met de edele leringen van de Stichter. Er werden boeken geschreven, eenvoudige boeken, en om ze gemakkelijker begrijpbaar te maken, werden ze in een halfmythologische en mystieke stijl verwoord. Dit waren de originelen van de evangeliën. Ze namen enkele van de leringen van de mysteriescholen, die volkomen waar en prachtig en geestelijk waren, en weefden rondom de figuur van de mens, de avatara, de mens-avatara Jezus, die ze al begonnen te vergeten, al deze externe zaken, deze mysterieleringen en -rituelen. Zo slaagden ze in hun volkomen achtenswaardige maar heel kortzichtige verlangen om hun religie gemakkelijker begrijpbaar te maken. Ze slaagden erin om een puur exoterische religie te vormen.

Dit proces zette zich enkele honderden jaren voort, zodat, toen de werkelijke innerlijke verlichting was vergeten, alleen deze mystieke leringen overbleven, deze halfesoterische, halfexoterische leringen, die in de begintijd in de christelijke geschriften waren opgenomen, vooral in wat later de evangeliën werden genoemd.

Er werden misschien tientallen evangeliën geschreven, maar uiteindelijk kregen er maar vier de status van canonieke geschriften – Mattheus, Marcus, Lucas, en Johannes. Waarschijnlijk bleven ze bestaan omdat ze het meest geliefd en het meest waardig waren. Aan deze vier evangeliën werden bepaalde andere geschriften van aanhangers van het christelijke geloof uit die beginperiode toegevoegd, en deze geschriften kregen de namen van enkele van de eerste discipelen van Jezus of van schrijvers die hem volgden. Dit was het geval met de Handelingen van Paulus, en zijn Brieven aan de Romeinen, de Efeziërs, de Filippenzen, en Galaten, enz.; en ook de Brief van Jacobus. Aan de verzameling van geschriften of werken die zo bij elkaar waren gebracht werd tenslotte de Apocalyps toegevoegd, een kabbalistisch geschrift dat heel geliefd was bij enkele mystiek georiënteerde mensen van die tijd. Wat later de christelijke canonieke geschriften werden, werd waarschijnlijk definitief vastgesteld op of rond het moment van het eerste Concilie van Nicea.

Op dat moment was het christendom in feite een dogmatisch geloof geworden, even exoterisch als het nu is, en in een bepaald opzicht exoterischer dan het nu is. In het Romeinse Rijk, zoals de geschiedkundigen van die tijd ons meedelen, vonden toen op grote schaal godsdiensttwisten plaats: iedere sekte bestreed iedere andere sekte; bisschoppen en afgevaardigden naar religieuze concilies of conventies reisden voortdurend heen en weer door het hele Romeinse Rijk. Omdat ze het recht hadden, tenminste op een iets later moment, om gebruik te maken van de postdienst van het rijk, die in die tijd bestond uit gezadelde paarden en wagens, begonnen zelfs de rijksambtenaren luid te klagen dat de staatszaken niet langer efficiënt konden worden afgehandeld, want de boodschappers van de staat werden verhinderd van de postdienst gebruik te maken omdat de horden bisschoppen en hun gevolg en de diakenen overal naartoe reisden, elkaar van concilie naar concilie achternajaagden. Deze tijd vertoonde een volmaakt schimmenspel van religieuze ideeën en chaotisch enthousiasme.

Vr. – Mogen we iets meer weten over de aard van deze zaden die worden voorbereid of die in de bodem zullen worden uitgestrooid rond het punt halverwege de evolutie van ons wortelras?

GdeP – Ja. Het is een heel moeilijk onderwerp om uit te leggen omdat de gedachten zo uitzonderlijk zijn, maar ik zal het proberen. In de eerste plaats betekent het dat, voorzover karma dit toestaat, bepaalde mensen worden geholpen om een kern van meer geestelijk georiënteerde mensen te vormen. Dit betekent niet dat deze mensen speciaal worden bevoorrecht, want in het karma kan vanzelfsprekend niet worden ingegrepen; in feite worden alleen diegenen die karmisch gereed zijn voor deze toename in geestelijke groei door ons Hoofd en zijn helpers geholpen. Dit betekent dat er zelfs in ons huidige vijfde wortelras bepaalde mensen zijn die iets verder zijn gevorderd op het pad van geestelijke evolutie dan anderen, en zij worden door de eeuwen heen nauwlettend gadegeslagen en geleid. Zodra ze als individu in een bepaald leven worden aangetroffen, zodra een glimp van de buddhische luister wordt opgevangen, worden ze voorzover mogelijk beschermd en begeleid. Ze worden geïnspireerd om een beter leven te leiden, zich te ontwikkelen, te groeien, voorzover karma dat toestaat. Ze krijgen speciale instructies, speciale training.

Gewoonlijk weten degenen die deze zegeningen ontvangen dat helemaal niet. Niettemin zijn ze de menselijke zaden die worden voorbereid om een begin te maken met het zesde wortelras. Ze zullen de pioniers van het zesde wortelras zijn en zijn dat in feite al. Onder deze zaden kunnen altijd een paar enkelingen worden gevonden die nog verder zijn gevorderd dan deze speciale menselijke zaden, de enkelingen die de voorhoede van de anderen vormen, en zij zijn het die chela’s worden.

Daarom hoort het tot de taak van de eerste boeddha van elk wortelras om te beginnen met de voorbereiding van het menselijk zaad voor het volgende wortelras. Dat is een deel van zijn grote plicht. De eerste van de twee boeddha’s van elk wortelras komt ongeveer rond het punt halverwege de evolutie van zijn wortelras, en hij geeft het licht dat hij brengt door aan ontvankelijke geesten, die op hun beurt dat licht van hand tot hand, van geest tot geest, van ziel tot ziel doorgeven. Op die manier worden mensen geestelijk geleid, en de rassen van de toekomst in hun aanvang gevormd. U bent, naast anderen op andere plaatsen in de wereld waar groepen van onze eigen Orde eveneens worden onderwezen, de zaden van het zesde wortelras. Het is niet alleen in Californië, zoals onze broeders van de Adyar Society leren, dat de zaden van het zesde wortelras worden gezaaid. Dit zaaien of deze voorbereiding vindt over de hele wereld plaats. Maar het is in zowel Noord- als Zuid-Amerika, en vooral in het noorden om een reden die ik u al heb uitgelegd, dat deze menselijke zaden het meest zorgvuldig worden beschermd en gecultiveerd. Het is echter waar dat het eerste onderras van het zesde wortelras niet alleen in het noordelijke deel van het Amerikaanse continent zal wonen, maar dit eerste onderras van het zesde wortelras zal bovendien langs de westkust worden geboren – niet noodzakelijk in Californië, maar langs de hele kust van de Grote Oceaan van Noord- en Zuid-Amerika.

Zijn er nog meer vragen over dit onderwerp, of zullen we overgaan op een ander thema?

Vr. – Begreep ik uit wat u zo-even heeft gezegd dat het bij het samenstellen van de christelijke geschriften niet opzettelijk de bedoeling was om mensen te misleiden, maar dat er eenvoudig veel verwarring en onwetendheid was?

GdeP – Dat is min of meer waar. Er zijn misschien een paar gevallen van opzettelijke misleiding geweest. Persoonlijk denk ik dat er zulke gevallen waren waarin opzettelijk bedrog werd gepleegd, maar dit was ongetwijfeld te wijten aan de invloed van de broeders van de schaduw. Maar deze onwetendheid die u noemt, en ook deze overdreven vriendelijkheid van de eerste christenen, alsook hun overmaat aan onbeheerst enthousiasme, werden als een vruchtbare bodem gebruikt door de broeders van de schaduw, die veel kracht kunnen uitoefenen wanneer de tijd daarvoor rijp is. Juist door deze onwetendheid en dit enthousiasme dat niet door wijsheid werd geleid, raakte het christendom binnen honderd jaar na de dood van Jezus de avatara in verval. Niettemin had hij zijn werk gedaan. Er bleef voldoende van zijn invloed en leringen over als geestelijk voedsel voor de verduisterde zielen van de Europese volkeren tijdens de donkere Middeleeuwen – voldoende om een klein brandpunt van licht te verschaffen, hoe zwakjes dat licht ook scheen. Deze donkere tijden hadden een betrekkelijk onduidelijk religieus gedachtegoed nodig. Een groter licht zou niet zijn geaccepteerd, omdat het niet zou zijn begrepen.

Vr. – Ik zou graag iets willen weten over de cyclussen die zo’n tragedie in de geschiedenis van de mens zoals het mislukken van het werk van een avatara mogelijk hebben gemaakt. Het moet een vreemde aaneenschakeling van oorzaken zijn geweest die deze cyclussen van religie heeft teweeggebracht.

GdeP – Dat was ook zo. Het was kaliyuga – gebeurtenissen die min of meer aan het begin van het kaliyuga plaatsvonden. De geschiedenis van een ras omvat het verhaal van een opkomst, een hoogtepunt in kennis en macht, en dan een periode van verval. Hetzelfde geldt voor elk land, voor elk volk, en voor elk individueel mens. Hetzelfde geldt voor ons allemaal met betrekking tot ons lichaam: geboorte, groei, vitaliteit, het normale leven, activiteit, een toename van verstandelijke vermogens, en het bereiken van een hoogtepunt van fysieke kracht en mentale energie, en dan een geleidelijke afname van kracht, en tenslotte verval en dood. Dat is de natuurwet. De avatara Jezus kwam op een moment dat de cyclussen – niet slechts één maar een verzameling van vier of vijf verschillende cyclussen – zich op de neergaande boog bevonden, naar beneden liepen. Het was niet zijn schuld. Zo moet men de zaak niet bekijken. Hij kwam tijdens de neerwaartse fase van een cyclus om tenminste enige zaden van geestelijk licht te zaaien, op een moment dat voorafging aan een periode die geestelijk duister zou zijn.

Er wordt in zulke gevallen door de leraren meestal meer dan één poging gedaan, zodat wanneer de ene volledig mislukt er hulp zal komen uit een andere bron. Neem als voorbeeld de volkeren rond de Middellandse Zee die hun licht aan de Europese volkeren van het noorden en het westen moesten doorgeven, en kijk naar de geschiedenis van het mithraïsme dat wat macht en invloed betreft het christendom dicht naderde – in feite zo dicht dat alleen door een speling van het lot het christendom de overhand kreeg op het mithraïsme.

Vlak voordat het mithraïsme ten onder ging door oorzaken die inherent waren aan het stelsel zelf, slaagde het er bijna in om de staatsreligie van het Romeinse Rijk te worden, want het werd toen algemeen aanvaard door de machthebbers, door het leger van het Rijk, en door alle ambtenaren van het Rijk. En het mithraïsme – zal ik u zeggen waarom het mislukte?

Vele stemmen – Ja.

GdeP – Het was wat verder ontwikkeld dan het christendom, iets spiritueler, en heel wat esoterischer; en omdat de cyclussen snel naar beneden gingen, verloor het uiteindelijk zijn greep op het hart en het denken van de mensen – en toen het uiteenvallen van het Romeinse Rijk eenmaal was begonnen, gebeurde dat heel snel. Honderd jaar voordat het ten onderging had het mithraïsme bijna de status van officiële religie van het Romeinse Rijk verkregen. Het christendom ging uiteindelijk overheersen omdat het een meer tolerante en inschikkelijke geest had, en eenvoudiger leringen en minder krachtige beginselen voor het denken en handelen – maar deze leringen en beginselen waren niettemin geschikter voor die tijd en omgeving en omstandigheden dan die van het mithraïsme.

Vr. – Is het juist te zeggen dat het opsplitsen van de Theosophical Society een gebeurtenis was die, wat de menselijke natuur en de heersende omstandigheden betreft, te vergelijken is met wat er in het christendom gebeurde? Is er enige overeenkomst tussen die twee?

GdeP – Er is een overeenkomst. De overeenkomst ligt in de opsplitsing in verschillende groeperingen, in verschillende sekten – want er zijn tegenwoordig in de theosofische beweging werkelijk sekten. We moeten de waarheid onder ogen zien. We moeten theosofie zuiver, ruim, diep en edel houden, en zelf ruim van hart en vergevensgezind zijn in ons werk. We moeten het werk van de meesters doen!

Maar er is dit verschil in de parallel die u heeft getrokken tussen het christendom en de hedendaagse theosofische beweging: in onze theosofische beweging, die nu al deze verschillende theosofische organisaties omvat, is het uiteenvallen in deze verschillende groeperingen doelbewust bewerkstelligd. Waarom? Omdat de leraren wisten dat indien bepaalde mensen niet apart werden gezet – ik bedoel diegenen waarop men kon vertrouwen – ze zouden worden verzwolgen, verloren zouden gaan, in de wirwar van religieus en psychisch bijgeloof, die al vóór Judge stierf de theosofische beweging begon binnen te dringen.

Vr. – In De Oceaan van Theosofie spreekt Judge over de Boeddha als een avatara. Was dit omdat hij het voertuig van zijn eigen innerlijke god was?
GdeP – De Boeddha als een avatara? Uw vraag is heel moeilijk te beantwoorden. De Boeddha was technisch gesproken geen avatara, maar in een bepaald opzicht was hij het wel. Dit is de verklaring, indien ik het u duidelijk kan maken. De boeddha per se is een geestelijk beginsel, een straal van de stille wachter van de planeet. Deze straal is afkomstig uit wat een hemelse boeddha wordt genoemd. Wanneer deze straal een verheven en edel mens verlicht, een mens met al zijn zeven beginselen die op aarde als mens wordt geboren, heeft u een manushya-boeddha, of menselijke boeddha. Dit was het geval met Siddhartha, Gautama de Boeddha. Hij werd als mens geboren, hoewel hij een zesde-ronder was. Maar deze buddhische straal verlichtte hem vrijwel op dezelfde manier als dat de manasaputra’s de onontwikkelde denkvermogens van het derde wortelras binnengingen en hen verlichtten en inspireerden. Dus ongeveer op dezelfde manier verlichtte deze straal van de stille wachter Sakyamuni, en in deze betekenis incarneerde deze straal in hem.

In principe ontstaat een avatara technisch gesproken door hetzelfde proces. Daarom was de Boeddha in die zin een avatara, maar hij werd dit door een straal van de hemelse boeddha; terwijl strikt gesproken, technisch gezien, een avatara een goddelijk wezen is dat door het tussenliggende psychische gestel van de boeddha heen schijnt, dat speciaal voor dat doel incarneert in wat als een menselijke baby zal worden geboren. Een avatara is daarom niet een volledig zevenvoudig wezen dat wordt geboren zoals dat bij mensen gebeurt.

Een avatara heeft geen karma uit het verleden, werd nooit eerder geboren, zal nooit meer worden geboren. Hij lijkt op een schitterende vlam die langs de horizon schiet, de aarde een tijdje verlicht en dan weer verdwijnt. Een avatara heeft geen vroeger karma, heeft geen toekomstig karma, werd nooit eerder geboren, kan niet meer opnieuw worden geboren. Met andere woorden, een avatara is een verheven daad van witte magie die wordt verricht om op bepaalde cyclische tijden goddelijke invloeden en licht naar de aarde te brengen.

Vr. – Mag ik een vraag stellen over de avatara’s van Vishnu? Volgens de Indiase leringen reïncarneerde Vishnu als het everzwijn, de dwerg, de schildpad, en ook nog als andere avatara’s – vele keren, en hij zal opnieuw terugkeren. Is Vishnu niet een god? Hebben de goden niet een verleden en ontwikkelden ze zich niet in een eerder manvantara? Ik dacht dat u nu misschien alleen over evolutie in dit manvantara sprak. De opeenvolging van avatara’s vormt een ingewikkeld probleem.

GdeP – Uw vraag is niet erg duidelijk, maar ik denk dat ik u begrijp.

Vr. – U zegt dat de straal naar beneden schoot. U heeft dat eerder gezegd, en ik heb er veel over nagedacht in verband met de terugkerende avatara’s van Vishnu.

GdeP – Ik denk dat ik uw vraag nu beter begrijp. Ik heb in het algemeen gesproken over een individu dat op aarde een avatara is. Maar het goddelijke deel van de avatara heeft natuurlijk een verleden; de god heeft ook een oneindige toekomst, evenals hij een oneindig verleden heeft. Dit geldt ook voor de Boeddha. Maar die specifieke daad van verheven witte magie, die deze bijzondere en tijdelijke samenstelling op aarde die een avatara wordt genoemd voortbrengt, is deze flits van geestelijk licht op aarde.

Het is te vergelijken met een scheikundige die bepaalde chemische elementen bij elkaar brengt om een of andere stralende vlam voort te brengen. Die vlam heeft geen bestaan als een entiteit, niet vóór ze wordt geproduceerd en niet erna. Ze komt en is weer verdwenen. Maar Vishnu is een goddelijke kracht, een god zo u wilt, een van de drie fundamentele godheden van het zonnestelsel, die voortkomt uit het hart van het zonnestelsel of de zon, en op bepaalde momenten stuurt deze goddelijke kracht vanuit zichzelf een straal om zich te manifesteren als een of meer van deze avatara’s die u noemde. Natuurlijk heeft het goddelijke deel van de avatara een verleden, een heden en een toekomst, evenals elk ander monadisch centrum of elke andere entiteit.

Vr. – Een paar jaar geleden werden er verhalen gepubliceerd dat er levende boeddha’s zouden zijn onder de leden van enkele stammen van Centraal-Azië. Kennelijk waren deze verhalen min of meer verdraaid om sensatie te wekken, en het bleek dat enkele van deze stammen en enkele van deze levende boeddha’s niet van een heel hoge orde waren, maar tovenaars die tot oorlogszuchtige stammen behoorden of andere die niet erg hoogstaand waren. Natuurlijk waren deze verslagen waarschijnlijk heel onbetrouwbaar. Kunt u daar wat licht op werpen? Zijn er wezens die geen echte boeddha’s zijn, maar die toch tovenaars zijn, en die de namen van levende boeddha’s gebruiken? Of zijn die er niet?

GdeP – Ik weet niet precies waarnaar u verwijst, maar ik denk dat ik uw vraag begrijp. In de eerste plaats is de hele zaak ingewikkeld. Westerlingen begrijpen de beginselen niet die ten grondslag liggen aan het bestaan van de levende boeddha’s. Ze nemen aan dat elk geval een levende boeddha betreft volgens de gangbare opvattingen, en het is ironisch dat ze aan deze onechte levende boeddha’s de naam ‘levende boeddha’s’ geven, omdat ze over zulke dingen in Bodyul of Tibet hebben gehoord.

In de tweede plaats is het mogelijk dat primitieve en barbaarse stammen de naam ‘levende boeddha’s’ overnemen, en deze naam gebruiken voor entiteiten die dat in werkelijkheid niet zijn. Als dit gebeurt, stelen de daders eenvoudig de donder van Jupiter – dat wil zeggen ze proberen die te stelen.

Het derde punt is – en wees alstublieft erg voorzichtig met de manier waarop u hierover spreekt – dat er wat u misschien ‘boeddha’s’ van de broeders van de schaduw kunt noemen, bestaan. Ze zijn geen echte boeddha’s, maar ze nemen in de gelederen van de broeders van de schaduw dezelfde positie in die de echte boeddha’s in de gelederen van de broeders van het licht, de zonen van de zon, innemen.

Tot welke van deze drie mogelijkheden de voorbeelden waarnaar u verwees behoren, kan ik niet zeggen zonder de zaak te bestuderen.

Vr. – Door wat u heeft gezegd is mijn vraag beantwoord – het geeft een algemeen beeld van de beginselen die daarbij een rol spelen.

Vr. – Mag ik een ander onderwerp aansnijden? Het kost me veel moeite om een analogie te zien tussen de zeven beginselen van de mens en de zeven bollen. Ik begrijp dat de eerste bol de tweede bol uit entiteiten van die eerste bol ontwikkelde, enz., tot de zevende bol; en dat de vierde in deze reeks stoffelijk gezien de laagste is, terwijl de bollen op de opgaande boog steeds etherischer worden tot de zevende, die etherischer is dan de eerste. Is dat juist?

GdeP – Als ik u goed begrijp, ja, over het algemeen is dit juist, maar er zijn een paar belangrijke aanpassingen nodig.

Vr. – Maar het schijnt dat in het geval van de mens elk opeenvolgend voertuig grover is tot en met het laatste voertuig, het fysieke lichaam, dat het meest grove is. Er lijkt geen parallel te zijn. Misschien komt dit alleen omdat ik een beperkt begrip ervan heb.

GdeP – U heeft helemaal gelijk. Er is geen parallel op de manier zoals u het stelt, maar het is onjuist om het zo voor te stellen. Het fysieke lichaam is niet het meest grove beginsel van de mens. Het is slechts een samengesteld geheel. Het is een lijk, een levende machine, een verzameling scheikundige atomen. Het meest grove beginsel in de menselijke constitutie is het vierde, dat het meest materiële is, in wezen het meest verpersoonlijkte, als dat woord kan worden gebruikt. Op zichzelf is het niet slecht, evenmin als materie op zichzelf slecht is. Maar het is het minst spirituele. Het vierde beginsel in ons is de zetel van misdaden, van zonde, van verwrongen opvattingen, van slechte daden – niet het lichaam dat alleen maar een verlengstuk van de constitutie is. Het lichaam is een kleed, dat als entiteit bijna geheel onbewust is. Het is alleen maar een samengesteld ding. In feite is het zelfs geen beginsel, maar een tijdelijke verzameling atomen om bepaalde energieën en krachten in de menselijke constitutie tot uitdrukking te brengen.

Er was een tijd dat de monadische entiteiten die nu mensen zijn helemaal geen fysieke lichamen hadden, en in de toekomst zullen we opnieuw geen fysieke lichamen hebben. We zullen voertuigen hebben, maar voertuigen van licht, die stralen als de zon, letterlijk, of die licht uitstralen zoals een elektrische lamp. We zullen dan gekleed zijn in licht. Ik herhaal, het fysieke lichaam is niet het meest grove beginsel van de mens. Het vierde beginsel is het meest grove.

Vr. – Welk beginsel komt overeen met bol G?

GdeP – De laatste bol?

Vr. – Ja.

GdeP – Het is niet mogelijk om een exacte vergelijking te maken tussen zeven materiële zaken en de zeven beginselen van de mens. Alle bollen zijn lichamen, alle bollen zijn voertuigen, tijdelijke samengestelde dingen. Maar elke bol heeft bovendien zijn eigen zes beginselen, en daarom zijn eigen zevenvoudige constitutie. Men kan niet zeggen dat atman bol A of de eerste bol is, en dat bol G het fysieke lichaam is. Daar ligt het probleem dat u in verwarring bracht toen u de eerste keer sprak. Bedenk dat alle zeven bollen lichamen zijn, die alle het laagste vertegenwoordigen, maar niet het meest grove; het laagste omdat hij het lichaam van een zevenvoudige constitutie is die een bol wordt genoemd.

Daarom zijn er negenenveertig substantiebeginselen in de planeetketen, en soms worden ze de negenenveertig vuren genoemd, want zelfs fysieke materie, waaruit onze lichamen en onze grove bol zijn opgebouwd, is in essentie vuur, licht, leven – verdicht licht, zonlicht. Graniet, diamant, goud, zilver, koper, hout, gras, bomen, vlees: al deze zijn verdicht licht, zonlicht, energie, energie-substantie, kracht.

Vr. – Als we deze zeven bollen tegelijkertijd konden zien, zouden ze dan samen een geometrisch figuur vormen, of is zoiets onmogelijk?

GdeP – U stelt een behoorlijk diepgaande vraag. Ik kan hierop eenvoudig antwoorden dat de gebruikelijke weergave van de zeven bollen als keten zoals die in onze boeken wordt gegeven symbolisch juist is. De zeven bollen liggen in feite in de ruimte verspreid. Daarom vormen ze geen geometrische figuur in de betekenis die u suggereert, en ze is zeker geen ‘halssnoer’ van bollen, zoals een halssnoer van parels of diamanten. Begrijpt u me?

Vr. – Ja, zo had ik ze me beslist niet voorgesteld.

GdeP – Toch is dat de manier waarop ze in onze boeken worden weergegeven. Het is volkomen juist om ze zo voor te stellen omdat op die manier de vierde of de laagste bol op het laagste gebied wordt weergegeven, twee bollen op het volgende hogere gebied, twee bollen op het daaropvolgende gebied, en twee bollen op het hoogste gebied. Elk tweetal bollen bevindt zich in het bovengenoemde overzicht op een kosmisch gebied. Daaruit volgt dat alle zeven bollen zich op de vier laagste kosmische gebieden bevinden. Het is belangrijk om dit te onthouden.

Vr. – Er is iets dat me deze maand heeft beziggehouden, en u heeft zojuist iets gezegd dat er een beetje licht op wierp, namelijk dat er in alles kracht zit. Ik ben heel vaak op plaatsen geweest waar grote bergen en rotsen zijn, en raakte dan heel erg onder de indruk van de vormen die ze vertonen. Wat zit er achter deze vormen? Ik voelde een drang om ze te bekijken en te bestuderen; en iedere keer dat ik ernaartoe ging, kreeg ik bijna het gevoel dat ik ze eer moest betuigen. Er was er een in het bijzonder. Ik wil u vragen of al deze manifestaties dezelfde oorzaken hebben. Het lijkt bijna onmogelijk, want sommige zijn vreselijk lelijk en andere zijn prachtig.

GdeP – Doelt u op rotsformaties die op menselijke gezichten lijken?

Vr. – Ja, die ook. De rand van de rots vormt de gezichten en het was alsof iemand een potlood, of een mes, of een beitel had gebruikt en de gezichten had uitgehouwen. Daar was ‘Uncle Sam’ zo duidelijk als het maar kan, en die grote halve koepel in Yosemite. En daar was het gezicht van een prachtig meisje dat naar boven keek. En vervolgens, aan de rechterkant was een gezicht dat niet compleet was, maar ik werd er diep door geraakt, en onmiddellijk kreeg ik de gedachte dat het het gezicht van een heilige zou kunnen zijn. De grote plooien van een draperie hingen langs zijn gezicht, en prachtige bloemen; en de neus en de ogen en het voorhoofd waren heel duidelijk te zien, hoewel de onderste helft van het gezicht ontbrak. En dan aan de zijkant daarvan was iets dat leek op het gezicht van de leider KT met haar mantel aan.

GdeP – U wilt weten waardoor dit alles werd veroorzaakt?

Vr. – Ik wil weten of er iets achter zit, of dat ik gewoon dwaas was om die eerbied te voelen.

GdeP – Helemaal niet. Het was geen dwaasheid. De oorzaken ervan zijn wind, regen, kou, hitte, het handwerk van de natuurkrachten, en de manier waarop deze krachten te werk gaan wordt bepaald door de beelden in het astrale licht. Deze krachten kunnen alleen op die manier werken. Wanneer dan iemand zoals u voorbijkomt met een artistieke aard en een diep religieus gevoel, vallen deze silhouetten u onmiddellijk op, en tot op zekere hoogte schildert uw eigen ziel, gesteund door deze schetsmatige achtergronden, de beelden. Ziet u wat ik bedoel?

Vr. – Ja, maar ze waren er.

GdeP – Natuurlijk. Heeft u ooit naar een viooltje gekeken en daarin net als ik – ik ben er zeker van dat u het ook moet hebben gezien – de contouren van een menselijk gezicht gezien?

Vr. – Jazeker.

GdeP – Soms is het heel opvallend. En u kunt de trekken van een menselijk gezicht in de maan zien. Het zijn de beelden in het astrale licht die de natuur namaakt in haar fysieke handwerk. Onze eigen lichamen worden gevormd naar de beelden die in het astrale zijn ingeprent door de gedachten van vroegere eeuwen. De natuur is een bewuste entiteit. Ze is niet dood. Ze is een levende entiteit, een enorme verzameling substanties en krachten die werkt volgens karmische impulsen. Neem de verfijnde patronen die we gisteravond op het scherm zagen toen Prof. Hujer een lezing gaf – heeft u de kristallen gezien? Ze waren prachtig, die beelden van sneeuwvlokken. En ze deden me vreemd genoeg sterk denken aan de schitterende decoraties die door Europese diplomaten worden gedragen! Ze leken op de met diamanten bezette decoraties op de borst van deze mannen! Maar hoeveel mooier was dit handwerk van de natuur met haar volmaakte symmetrie en de verbazingwekkende geometrische patronen – de verbazingwekkende artistieke creativiteit die zulke prachtige contouren tevoorschijn roept. Ik vond het prachtig. Ik heb ook knoestige bomen gezien die precies op gezichten leken, gezichten van kobolden, menselijke gezichten, of bijna gezichten van engelen. Voor een deel was dit het handwerk van de natuur en gedeeltelijk waren het mijn eigen gedachten.

Vr. – Ik zag ook enkele heel lelijke gezichten.

GdeP – Ja, natuurlijk. En uw ziel kreeg een afkeer van deze lelijke dingen.

Vr. – Waren de vormen dus bewust gemaakt?

GdeP – Het vormgeven werd verricht door de elementalen. Dat kunt u nauwelijks zelfbewust noemen, maar eerder quasi-bewust.

Vr. – In de orfische hymnen wordt gezegd dat de onsterfelijken de maan ‘Selene’ noemden, en stervelingen noemden haar ‘Mene’. Kunt u daar wat licht op werpen?

GdeP – Dat doet me denken aan iets anders uit de mystieke orfische geschriften. Het was bij Griekse mystici, zoals de volgelingen van de orfische mysteriën, niet ongebruikelijk om te zeggen dat de goden aan bepaalde dingen namen gaven, en dat de mensen aan diezelfde dingen andere namen gaven. De oude hindoes kenden dezelfde gedachte. Dit heeft betrekking op bepaalde geheimen van de esoterische leer. Er bestonden wachtwoorden, die openlijk werden uitgesproken, waardoor mensen erop werden gewezen dat één woord de hoofdgedachte vormde van een bepaald mysterie dat verband hield met de maan, en het andere woord wees op een ander mysterie of geheim dat verband hield met de maan. Het woord ‘onsterfelijk’ verwijst niet noodzakelijk naar de goden, maar kan ook op het onsterfelijke deel van iemands eigen constitutie slaan.

Vr. – Ik heb nog een vraag over de orfische hymnen. In de hymne aan de zon noemden ze de zon de eeuwige bron van licht:

Met uw rechterhand de bron van het morgenlicht,
En met uw linkerhand de vader van de nacht.

Proclus (Theol. Plat., lib. 6, blz. 380) zegt dat diegenen die goed bekend zijn met goddelijke zaken, aan de zon twee handen toeschrijven, en een daarvan de rechterhand noemen, en de andere de linkerhand. Kunt u daar wat licht op werpen?

GdeP – Ja. Ik zal proberen om het kort te beantwoorden, hoewel uw vraag een bijzonder mystieke passage in de oude Griekse mythologie betreft. Alle mystici uit de oudheid spraken over de rechterhand in verband met het licht, en over de linkerhand in verband met de duisternis. Of wat op hetzelfde neerkomt, de rechterhand betekent geest en de linkerhand betekent materie. We moeten bedenken dat de zon voortdurend twee soorten energie uitstort. De eerste is licht, dat niettemin een etherische vorm van substantie is. De andere soort is een veel grovere vorm, en wordt vaak de zware zonnevitaliteit genoemd, grover dan licht en toch ontzettend belangrijk voor het voeden van de lichamen van zijn planetenfamilie. Licht verwijst ook naar de geest en het intellect, terwijl het werk van de linkerhand van de zon, zoals het wordt genoemd, verwijst naar de door de zon uitgestraalde vitale essentie die het lagere viertal van zijn zonnefamilie opbouwt en voedt en stimuleert. Dat is de essentie van de gedachte.

Vr. – U sprak eerder vanavond over bepaalde sekten in de theosofische beweging, die waren ‘bewerkstelligd’ zoals u het uitdrukt. Neemt dat de verantwoordelijkheid weg van hen die dit misschien hebben teweeggebracht?

GdeP – Nee, volstrekt niet. Maar ik heb niet gezegd dat het bestaan van sekten in de theosofische beweging was bewerkstelligd. Dat is niet waar. De splitsing werd bewerkstelligd, maar niet de vorming van sekten. Als ik zeg dat dit was bewerkstelligd, bedoel ik niet dat de leraren hun wilskracht en occulte krachten gebruikten om de wet te overtreden en om bepaalde mensen op het linkerpad te brengen en anderen op het rechterpad. Dat zou een afschuwelijke verkeerde interpretatie zijn, zowel van mijn bedoeling als van de feiten. Ik bedoelde dat ze gebruikmaakten van de natuurlijke neigingen van sommige mensen om te aspireren en het rechterpad te volgen, en de natuurlijke neiging van andere mensen om de voorkeur te geven aan het pad van de linkerhand. Met andere woorden, ze wisten dat deze dingen zouden gebeuren, dat de schapen de ene kant op zouden gaan en de geiten de andere kant. Ze maakten eenvoudig gebruik van wat zou plaatsvinden zodat het tot betere dingen kon leiden en daardoor groter leed kon worden vermeden – ik zal het u heel eerlijk zeggen – ze deden dit voorzover ze het werk van de natuur konden helpen door met haar samen te werken, maar ze gingen niet verder. Daardoor werden de goeden gered als het zaad voor de toekomst. Het werd niet verontreinigd. Ik wil er verder niets aan toevoegen.

Ik zal nog een of twee vragen beantwoorden, en dan zullen we deze avond afsluiten.

Vr. – Kunt u ons iets vertellen over de skandha’s, en wat daarmee tussen twee incarnaties gebeurt, en waar ze zich dan bevinden?

GdeP – Bedoelt u de skandha’s in het algemeen?

Vr. – Ja.

GdeP – Er zijn twee soorten skandha’s: geestelijke en niet-geestelijke – met andere woorden, stoffelijke. De skandha’s zijn eigenschappen, of dit nu eigenschappen van een mens zijn of misschien van een god, want de goden hebben skandha’s van een eigen verheven soort. Maar laten we het geval van de mens bekijken; de regels blijven hetzelfde. Deze eigenschappen worden gemanifesteerd wanneer de krachten van de monadische essentie de mens opbouwen. Dan verzamelen deze skandha’s zich en vormen de mens. Wanneer het omgekeerde proces begint, en de krachten die tot dan toe naar buiten stroomden en zich als mens manifesteerden, naar hun oorspronkelijke bron worden teruggeroepen, of wanneer het ebtij begint, dan vallen de vormen die deze skandha’s hadden opgebouwd uiteen, en de skandha’s zelf worden weer verzameld in de schoot van de monadische essentie waar ze latent aanwezig blijven – precies zoals de menselijke ziel, die in feite een bundel skandha’s is – rond een eigen secundair monadisch centrum. Deze skandha’s blijven slapend achter in de schoot van de monadische essentie – nauwkeuriger gezegd, in de schoot van het reïncarnerende ego dat in de monadische essentie slaapt – tot het moment voor de volgende incarnatie op aarde aanbreekt. Dan komen ze daaruit weer tevoorschijn en bouwen de nieuwe mens op. Maar omdat deze skandha’s de eigenschappen van de vorige mens zijn, is de nieuwe mens die op die manier weer tot aanzijn komt praktisch een kopie van de vorige mens.

De nieuwe mens op aarde, de nieuwe reïncarnatie, is dus bijna of in feite geheel dezelfde oude mens, en toch is hij een nieuwe mens. Nieuw, omdat hij een nieuwe verzameling van de skandha’s is, en toch is hij dezelfde mens, met als enige uitzondering dat deze skandha’s allemaal worden gewijzigd door de ervaringen van elk leven: door het gebruik van de wilskracht en de intelligentie die voortvloeien uit het hogere deel van de mens, en door alle geestelijke energieën die deze eigenschappen of skandha’s min of meer wijzigen.

Ik denk dat we de bijeenkomst van vanavond nu moeten afsluiten. Wilt u zo vriendelijk zijn de gong te luiden, en daarna enkele ogenblikken stilte in acht nemen.

[Luiden van de gong. Stilte.]

Vrienden, er is hier vanavond een heel sterke invloed van de Loge geweest. Ik wens iedereen een goede nacht.

* * *

 

30 augustus 1932

GdeP – Ik wil graag een paar woorden toevoegen aan wat u vanavond heeft horen voorlezen over de kleine ‘fouten’ die Gautama Boeddha maakte, die volgens de toelichting werden rechtgezet door de avatara Sankaracharya. Dit verwijst in het bijzonder naar de leringen van onze Heer over de samengestelde natuur van de mens: dat de mens een samengestelde entiteit is, en dat de mens op het moment van de dood ophoudt te bestaan met uitzondering van zijn karma dat naar nieuwe voertuigen, nieuwe lichamen overgaat. Deze lering is volkomen waar, omdat, zoals u weet, het karma van een mens de mens zelf is. Er bestaat geen karma buiten de entiteit die karma maakt en het van leven naar leven overbrengt en nieuw karma, dat wil zeggen nieuwe lagere zelven, voortbrengt. Maar deze edele lering, die zoveel verlichting schenkt wanneer ze goed wordt begrepen, werd door onze Heer onvoldoende uiteengezet, en latere generaties begrepen hem verkeerd en dachten dat hij bedoelde dat er geen enkel soort beginsel in de mens is dat eeuwig voortduurt. Het ligt voor de hand dat als het karma van de mens blijft voortbestaan, er iets moet zijn waarmee dit karma nauw verbonden is, en dit is de mens zelf, want de mens en zijn karma zijn één.

Toen Sankaracharya kwam en onderwees, was het in werkelijkheid de Boeddha die door middel van hem onderwees. Het was Sankaracharya die de niet-dualistische of Advaita-vorm van de Vedanta uiteenzette, de leer dat er in essentie geen verschil bestaat tussen de mens en de geest van het heelal: de twee zijn één, niet twee. Vandaar de term ‘advaita’, of ‘niet-dualistisch’. Deze leer zette onmiddellijk het misverstand recht dat was gebaseerd op de vroegere lering van de Boeddha dat er geen beginsel of element in de mens is dat eeuwig voortduurt. De Boeddha had inderdaad onderwezen dat er een geestelijk heelal is vol met entiteiten in oneindig gevarieerde graden van ontwikkeling. Maar de lering die in deze leer is belichaamd – dat deze entiteiten in het heelal wezenlijk één zijn – werd niet begrepen, en de lering van Sankaracharya zette dit misverstand recht, omdat Sankaracharya de oudere leer van de Heer Boeddha aanvulde en verduidelijkte.

Vrienden, voordat we afsluiten, wil ik zeggen dat ik heel druk zal zijn met de voorbereidingen van onze uitgebreide lezingentournee, waarbij onze TS- en ES-stafleden van het Hoofdkwartier tijdelijk worden overgeplaatst naar Engeland, en daarom zal deze bijeenkomst, tot ik terug ben, de laatste zijn dat ik bij u ben.

Telkens wanneer ik u hier ontmoet, en bij iedere andere gelegenheid dat we zijn samengekomen, heb ik gevoeld dat er een eenheid van geest was, een ontmoeting in hart en denken, die veel mooier is dan woorden kunnen uitdrukken. Vergeet dit niet tijdens mijn afwezigheid, vrienden. Wanneer u aan deze bijeenkomsten deelneemt, kom dan met een open hart en geest, en kom in vrede. Laat op de drempel van deze tempel – want elke ES-ontmoetingsplaats wordt tijdelijk een tempel – al uw wereldse zorgen en beslommeringen en persoonlijke gevoelens achter. Ga deze zaal binnen en baad geestelijk in de prachtige atmosfeer die u hier voor uzelf kunt scheppen. Mijn laatste woorden aan u zijn: ‘Houd de schakel onverbroken.’ Vergeet dit niet.

 


Dialogen van G. de Purucker, blz. 494-520

© 2005  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag