§ 6

Het wereld-ei


   Waar komt dit universele symbool vandaan? Het ei was als een heilig teken in de kosmogonie van elk volk op aarde opgenomen, en werd vereerd zowel wegens zijn vorm als zijn innerlijke mysterie. Al bij de eerste verstandelijke voorstellingen van de mens stond het bekend als dat, wat het best de oorsprong en het geheim van het zijn weergaf. De geleidelijke ontwikkeling van de niet waarneembare kiem binnen de gesloten schaal; de innerlijke werking, zonder enige naar buiten blijkende tussenkomst van kracht die uit een latent niets een werkzaam iets voortbracht, dat alleen warmte nodig had; en dat, na zich geleidelijk te hebben ontwikkeld tot een concreet levend wezen, zijn schaal verbrak en zich voor iedereen vertoonde als een zelf-voortgebracht en zelf-geschapen wezen – dit moet vanaf het begin een blijvend wonder zijn geweest.
   De geheime leringen verklaren deze verering uit de symboliek van de voorhistorische rassen. De ‘Eerste Oorzaak’ had in het begin geen naam. Later werd zij in de verbeelding van de denkers weergegeven als een altijd onzichtbare, geheimzinnige vogel die in de Chaos een ei legde, dat het Heelal wordt. Daarom werd Brahm kalahansa genoemd, ‘de zwaan in (Ruimte en) Tijd’. Hij werd de ‘zwaan van de eeuwigheid’, die bij het begin van elk mahamanvantara een ‘gouden ei’ legt. Het stelt de grote cirkel, of voor, die zelf een symbool is voor het heelal en zijn bolvormige lichamen.
   De tweede reden waarom het ei werd gekozen als de symbolische voorstelling van het Heelal en van onze aarde, was zijn vorm. Het was een cirkel en een bol; en de eivormige gedaante van onze globe moet vanaf het begin van de symboliek bekend zijn geweest, omdat zij zo algemeen werd aangenomen. Dat de eerste manifestatie van de Kosmos de vorm van een ei had, was de meest verbreide opvatting in de oudheid. Zoals Bryant aantoont (iii, 165), was het een symbool dat werd aangenomen door de Grieken, de Syriërs, de Perzen en de Egyptenaren. In hoofdstuk liv van het Egyptische rituaal wordt gezegd dat Seb, de god van de tijd en van de aarde, een ei, of het Heelal, heeft gelegd, ‘een ei dat werd bevrucht op het uur van de Grote met de tweevoudige kracht’ (Par. V, 2, 3, enz.).
   Evenals Brahmā wordt Ra voorgesteld terwijl hij rijpt in het ei van het Heelal. De overledene ‘schittert in het ei van het land van de mysteriën’ (xxii, 1). Want dit is ‘het ei waaraan leven is gegeven bij de goden’ (xlii, 11). ‘Het is het ei van de grote kakelende hen, het ei van Seb, die eruit tevoorschijn komt als een havik’ (lxiv, 1, 2, 3; lxxvii, 1).
   Bij de Grieken wordt het orfische ei beschreven door Aristophanes; het maakte deel uit van de Dionysische en andere mysteriën; tijdens deze werd het wereld-ei gewijd en werd de betekenis ervan verklaard; Porphyrius toont aan dat het een voorstelling van de wereld is, Ἑρυηνεύει δὲ τὸ ὠὸν κόσυον. Faber en Bryant hebben geprobeerd te bewijzen dat het ei de ark van Noach voorstelde. Deze mening is nergens op gebaseerd, tenzij de ark zuiver allegorisch en symbolisch wordt opgevat. Het ei kan de ark alleen als een synoniem voor de maan hebben voorgesteld, de argha die het universele zaad van het leven draagt; maar het had beslist niets te maken met de ark van de bijbel. Hoe dan ook, het geloof dat het heelal in het begin bestond in de vorm van een ei, was algemeen. En zoals Wilson zegt: ‘Een dergelijk verhaal over de eerste aggregatie van de elementen in de vorm van een ei, wordt in alle (Indiase) Purāna’s gegeven, met de gebruikelijke benaming haima of hiranya, ‘gouden’, zoals die in Manu voorkomt.’ Maar hiranya betekent eerder ‘schitterend’, ‘stralend’, dan ‘gouden’, zoals de grote Indiase geleerde, wijlen Swami Dayanand Sarasvati, in zijn niet gepubliceerde polemiek met professor Max Müller bewees. Zoals het Vishnu Purāna zegt: ‘Het intellect (mahat) . . . de (niet gemanifesteerde) grove elementen inbegrepen, vormde een ei . . . en de heer van het heelal zelf woonde erin, als Brahmā. In dat ei, o Brahman, waren de continenten en de zeeën en de bergen, de planeten en de afdelingen van het heelal, de goden, de demonen en de mensheid.’ (Deel i, hfst. 2.) Zowel in Griekenland als in India woonde het eerste zichtbare mannelijke wezen, dat de natuur van beide geslachten in zich verenigde, in het ei en kwam daaruit voort. Deze ‘eerstgeborene van de wereld’ was volgens sommige Grieken Dionysus, de god die uit het wereld-ei voortkwam en van wie de sterfelijken en de onsterfelijken afstamden. In het Rituaal (Dodenboek, xvii, 50) ziet men de god Ra, stralend in zijn ei (de zon), en hij begint zijn werk zodra de god Shoo (de zonne-energie) ontwaakt en hem daarvoor de impuls geeft. ‘Hij is in het zonne-ei, het ei waaraan leven onder de goden wordt gegeven’ (Ibid., xlii, 13). De zonnegod roept uit: ‘Ik ben de scheppende ziel van de hemelse afgrond. Niemand ziet mijn nest, niemand kan mijn ei breken, ik ben de heer!’ (Ibid., lxxxv.)
   Als men rekening houdt met deze cirkelvorm en met de ‘|’ die voortkomt uit de ‘’ of het ei, of het mannelijke uit het vrouwelijke in het androgyne, is het vreemd een geleerde te horen zeggen dat de oude Ariërs het tientallige stelsel niet kenden – omdat de oudste Indiase handschriften geen spoor daarvan vertonen. Omdat 10 het heilige getal van het heelal was, was het geheim en esoterisch, zowel de één als de nul, of zero, de cirkel. Bovendien zegt professor Max Müller1 dat ‘de beide woorden cipher (nul) en zero, die hetzelfde betekenen, afdoende bewijzen dat onze cijfers van de Arabieren zijn overgenomen’. Cipher is het Arabische ‘cifron’ en betekent leeg, een vertaling van het Sanskrietwoord voor niets, ‘śūnya’, zegt hij2. De Arabieren hadden hun cijfers uit Hindostan, en maakten zelf nooit aanspraak op de ontdekking ervan3. Wat de pythagoreeërs betreft, hoeven wij slechts de oude manuscripten van Boëthius’ Geometrie, geschreven in de zesde eeuw, te raadplegen om onder de getallen van Pythagoras4 de 1 en de nul te vinden, als de eerste en laatste cijfers. En Porphyrius, die de Moderatus5 van Pythagoras aanhaalt, zegt dat de getaltekens van Pythagoras ‘hiëroglifische symbolen waren, door middel waarvan hij denkbeelden verklaarde over de aard van de dingen’, of de oorsprong van het heelal.
   Terwijl de oudste Indiase manuscripten nog geen spoor vertonen van het tientallige stelsel en Max Müller nadrukkelijk zegt dat hij daarin tot nu toe maar negen letters heeft gevonden (de beginletters van de Sanskrietgetallen), staat daar tegenover dat wij even oude documenten bezitten die het gevraagde bewijs leveren. Wij bedoelen het beeldhouwwerk en de heilige voorstellingen in de oudste tempels van het verre oosten. Pythagoras ontleende zijn kennis aan India; en professor Max Müller bevestigt deze mededeling – tenminste in zoverre dat hij erkent dat onder de Grieken en Romeinen de neopythagoreeërs de eerste leraren waren van de ‘cijferkunst’. Hij zegt: ‘Zij in Alexandrië of in Syrië werden bekend met de Indiase cijfers en pasten ze aan het pythagorische telraam aan’ (onze cijfers). Deze voorzichtige erkenning betekent dat Pythagoras zelf maar negen cijfers kende. Wij mogen dus redelijkerwijs zeggen dat, hoewel wij geen afdoend (exoterisch) bewijs bezitten dat het tientallige stelsel aan Pythagoras bekend was, die geheel aan het einde van de archaïsche eeuwen leefde6, wij toch voldoende bewijsmateriaal hebben om te laten zien dat alle getallen, zoals Boëthius die geeft, bij de pythagoreeërs bekend waren, zelfs voordat Alexandrië werd gebouwd7. Dit bewijs vinden wij bij Aristoteles, die zegt dat ‘sommige filosofen menen dat ideeën en getallen van dezelfde aard zijn, en dat er in totaal tien zijn’8. Wij geloven dat dit voldoende zal zijn om aan te tonen dat het tientallige stelsel tenminste vier eeuwen v.Chr. bij hen bekend was, want Aristoteles schijnt de kwestie niet te behandelen als iets nieuws van de ‘neopythagoreeërs’.
   Maar wij weten nog meer: wij weten dat het tientallige stelsel aan de mensheid uit de vroegste archaïsche tijden bekend moet zijn geweest, omdat het hele astronomische en meetkundige gedeelte van de geheime priestertaal op het getal 10 berustte, dat wil zeggen op de combinatie van het mannelijke en het vrouwelijke beginsel, en omdat de piramide van ‘Cheops’ volgens de maten van dit tientallige stelsel is gebouwd, of liever volgens de cijfers en hun combinaties met de nul. Hierover is echter in Isis Ontsluierd voldoende gezegd, en het heeft geen zin dit te herhalen en op dit onderwerp terug te komen.
   De symboliek van de maan- en de zonnegodheden is zo onontwarbaar vermengd, dat het bijna onmogelijk is symbolen zoals het ei, de lotus en de ‘heilige’ dieren van elkaar te scheiden. De ibis bijvoorbeeld werd in Egypte hoog vereerd; hij was gewijd aan Isis; die vaak wordt afgebeeld met de kop van die vogel, en ook aan Mercurius of Thoth, omdat die god de vorm van een ibis aannam toen hij aan Typhon ontsnapte. Er waren in dat land twee soorten ibissen, deelt Herodotus ons mee (Lib. II, c. 75 e.v.): de ene helemaal zwart, de andere zwart en wit. Aan de eerste wordt toegeschreven dat hij de gevleugelde slangen, die iedere lente uit Arabië kwamen en het land teisterden, bevocht en uitroeide. De andere soort was aan de maan gewijd, omdat die aan de ene kant wit en schitterend is, en duister en zwart aan de kant die zij nooit naar de aarde toekeert. Bovendien doodt de ibis landslangen, en houdt verschrikkelijk huis onder de eieren van de krokodil, en behoedt Egypte zo ervoor dat de Nijl onveilig wordt gemaakt door die afschuwelijke sauriërs. Men zegt dat de vogel dit doet in het maanlicht, en daarbij wordt geholpen door Isis, als de maan, haar sterrensymbool. Maar de dichter bij de waarheid liggende esoterische leer, die aan deze volksmythen ten grondslag ligt, zegt dat Hermes, zoals Abenephius (De cultu Egypt.) aantoont, in de vorm van die vogel waakte over de Egyptenaren, en hun de occulte kunsten en wetenschappen leerde. Dit betekent eenvoudig dat de ibis religiosa ‘magische’ eigenschappen gemeen had en heeft met veel andere vogels, vooral met de albatros en de mythische witte zwaan, de zwaan van de eeuwigheid of van de tijd, de kalahansa.
   En inderdaad, als het anders was, waarom zouden dan al de oude volkeren, die niet dwazer waren dan wij, zo’n bijgelovige vrees hebben gehad om bepaalde vogels te doden? Wie in Egypte een ibis doodde, of de gouden havik – het symbool van de Zon en Osiris – riskeerde de dood en kon daar nauwelijks aan ontsnappen. De verering van sommige volkeren voor vogels was zo groot, dat Zoroaster in zijn voorschriften het doden daarvan als een afschuwelijke misdaad verbiedt. In onze tijd lachen wij om iedere soort waarzeggerij. Maar waarom zouden dan zoveel generaties hebben geloofd in waarzeggerij met behulp van vogels, en zelfs van andere dieren, die ons volgens Suidas door Orpheus werd gegeven, die leerde hoe men onder bepaalde omstandigheden in de dooier en het wit van het ei kon zien wat de daaruit geboren vogel tijdens zijn korte leven om zich heen zou zien. Deze occulte kunst, die 3000 jaar geleden de grootste geleerdheid en de meest diepzinnige wiskundige berekeningen vereiste, is nu volkomen ontaard: het zijn nu oude keukenmeiden en waarzegsters, die aan dienstmeisjes die een man zoeken de toekomst voorspellen uit het wit van een ei in een glas.
   Niettemin hebben zelfs de christenen tot nu toe hun heilige vogels; bijvoorbeeld de duif, het symbool van de heilige geest. Ook hebben zij de heilige dieren niet verwaarloosd. De dierenaanbidding van de evangeliën – de stier, de arend, de leeuw en de engel (in werkelijkheid de Cherubijn of Serafijn, de vuurvleugelige slang) – is even heidens als die van de Egyptenaren of de Chaldeeën. Deze vier dieren zijn in werkelijkheid de symbolen van de vier elementen en van de vier lagere beginselen in de mens. Niettemin corresponderen zij fysiek en stoffelijk met de vier sterrenbeelden, die om zo te zeggen het gevolg of het geleide van de zonnegod vormen en tijdens het wintersolstitium op de vier hoofdpunten van de Dierenriem staan. Deze vier ‘dieren’ zijn te zien in veel rooms-katholieke Nieuwe Testamenten waarin de portretten van de evangelisten worden gegeven. Het zijn de dieren van de Mercabah van Ezechiël.
   Zoals Ragon terecht beweert, ‘hebben de oude hiërofanten de dogma’s en symbolen van hun religieuze filosofieën zo handig gecombineerd, dat deze symbolen alleen door het combineren en de kennis van alle sleutels volledig kunnen worden verklaard’. Zij kunnen slechts bij benadering worden geïnterpreteerd, zelfs als men drie van deze zeven stelsels ontdekt: het antropologische, het psychische en het astronomische. De voornaamste twee interpretaties, de hoogste en de laagste, de geestelijke en de fysiologische, bewaarden zij onder de grootste geheimhouding, totdat de laatste in handen van de niet-ingewijden viel. Het voorgaande geldt alleen voor de voorhistorische hiërofanten, voor wie wat nu zuiver (of onzuiver) fallisch is geworden, een even diepzinnige en geheimzinnige wetenschap was als biologie en fysiologie nu zijn. Dit was hun uitsluitende eigendom, de vrucht van hun studie en hun ontdekkingen. De andere twee stelsels handelden over de scheppende goden (theogonie) en over de scheppende mens, d.w.z. over de ideële en de praktische mysteriën. Deze interpretaties waren zo handig versluierd en gecombineerd, dat velen die één betekenis ontdekten, er niet in slaagden de betekenis van de andere te begrijpen, en deze nooit zover konden ontraadselen dat zij gevaarlijke indiscreties zouden kunnen begaan. De hoogste, de eerste en de vierde – theogonie in verband met antropogenie – waren bijna onmogelijk te doorgronden. Wij vinden de bewijzen daarvoor in de joodse ‘Heilige Schrift’.
   Omdat de slang een eierleggend dier is, werd zij een symbool van wijsheid en een embleem van de logoi of de zelfgeborenen. In de tempel van Philae in Opper-Egypte werd kunstmatig een ei vervaardigd van klei, verkregen uit verschillende soorten wierook; en dit werd door middel van een speciaal proces uitgebroed, waarna er een cerastes (gehoornde adder) werd geboren. In de oudheid deed men in de Indiase tempels hetzelfde bij de cobra. De scheppende god treedt tevoorschijn uit het ei, dat uit de mond van Kneph komt – als een gevleugelde slang – omdat de slang het symbool is van de Al-wijsheid. Bij de Hebreeën wordt hij afgebeeld als de ‘vliegende of vurige slangen’ van de woestijn en Mozes, en bij de mystici van Alexandrië wordt bij de Ophio-Christos, de logos van de gnostici. De protestanten proberen aan te tonen dat de allegorie van de koperen slang en van de ‘vurige slangen’ rechtstreeks betrekking heeft op het mysterie van Christus en de kruisiging9; maar in werkelijkheid staat zij in een veel nauwer verband met het mysterie van de voortplanting, wanneer men haar los ziet van het ei met de centrale kiem, of de cirkel met zijn middelpunt. De koperen slang had niet zo’n heilige betekenis, en zij werd in feite ook niet verheerlijkt boven de ‘vurige slangen’, tegen de beet waarvan zij slechts een natuurlijk geneesmiddel was. De symbolische betekenis van het woord ‘koperen’ is het vrouwelijke beginsel, en die van vurig, of ‘gouden’, het mannelijke10.
   In het Dodenboek wordt, zoals hierboven werd aangetoond, vaak verwezen naar het ei. Ra, de machtige, blijft in zijn ei tijdens de strijd tussen de ‘kinderen van de opstand’ en Shoo (de zonne-energie en de draak van de duisternis) (hfst. xvii). De overledene schittert in zijn ei wanneer hij naar het land van het mysterie overgaat (xxii, i). Hij is het ei van Seb (liv, 1-3) . . . Het ei was het symbool van het leven in onsterfelijkheid en eeuwigheid, en ook het teken van de voortbrengende moederschoot; terwijl de tau, die ermee in verband stond, slechts het symbool was van leven en geboorte door voortplanting. Het wereld-ei werd geplaatst in khnoom, het ‘water van de ruimte’, of het vrouwelijke abstracte beginsel (khnoom wordt bij de val van de mensheid in voortplanting en fallisme Ammon, de scheppende god); en wanneer Phtah, de ‘vurige god’, het wereld-ei in zijn hand houdt, wordt de betekenis van de symboliek helemaal aards en concreet. Samen met de havik, het symbool van Osiris-zon, is het symbool tweevoudig: het heeft betrekking op beide levens – het sterfelijke en het onsterfelijke. In Oedipus Egyptiacus van Kircher (deel iii, blz. 124) ziet men op de erin afgebeelde papyrus een ei, dat boven de mummie zweeft. Dit is het symbool van de hoop en de belofte van een tweede geboorte voor de ge-osirifieerde dode; zijn ziel zal na de nodige zuivering in amenti, in dit ei van onsterfelijkheid groeien, om daaruit tot een nieuw leven op aarde te worden geboren. Want dit ei is in de esoterische leer het devachan, het oord van gelukzaligheid; ook de gevleugelde scarabee is hiervan een symbool. De ‘gevleugelde bol’ is weer een andere vorm van het ei en heeft dezelfde betekenis als de scarabee, de khopiroo (van de wortel khoproo, ‘worden’, ‘herboren worden’), wat zowel betrekking heeft op de wedergeboorte van de mens als op zijn geestelijke hernieuwing.
   In de theogonie van Mochus vinden wij eerst de aether, en dan de lucht, waaruit Ulom, de begrijpelijke (νοητόϛ) godheid (het zichtbare Heelal van stof) uit het wereld-ei wordt geboren. (Movers, Phönizier, blz. 282.)
   In de orfische hymnen ontwikkelt de Eros-Phanes zich uit het goddelijke ei, dat door de aetherische winden wordt bevrucht, waar wind ‘de geest van de onbekende duisternis’ is – ‘de geest van god’ (zoals K.O. Müller verklaart, blz. 236); de goddelijke ‘idee’, ‘waarvan wordt gezegd dat hij de aether laat bewegen’, zegt Plato.
   In de Katakopanishad van de hindoes staat purusha, de goddelijke geest, al tegenover de oorspronkelijke stof; ‘uit de vereniging daarvan ontstaat de grote wereldziel’, Maha-Atma, Brahmā, de geest van het leven11, enz.12. Daarnaast zijn er, verspreid in de heilige boeken van de brahmanen, veel aardige allegorieën over dit onderwerp. Op één plaats is het de vrouwelijke schepper, die eerst een kiem is, dan een hemelse dauwdruppel, een parel, en dan een ei. In zulke gevallen – waarvan er te veel zijn om ze elk afzonderlijk op te noemen – schenkt het ei het leven aan de vier elementen binnen het vijfde, de ether, en wordt bedekt met zeven omhulsels, die later de zeven hogere en de zeven lagere werelden worden. Als het in tweeën breekt, wordt de schaal de hemel, en de dooier in het ei de aarde, terwijl het wit de aardse wateren vormt. Op een andere plaats is het Vishnu die met een lotus in zijn hand uit het ei tevoorschijn komt. Vinata, een dochter van Daksha en de vrouw van Kasyapa (‘de zelfgeborene, voortgekomen uit de tijd’, een van de zeven ‘scheppers’ van onze wereld), bracht een ei voort waaruit Garuda, het voertuig van Vishnu, werd geboren; laatstgenoemde allegorie heeft alleen betrekking op onze aarde, omdat Garuda de grote cyclus is.
   Het ei was aan Isis gewijd; daarom aten de Egyptische priesters nooit eieren13.
   Diodorus Siculus zegt dat Osiris evenals Brahmā uit een ei werd geboren. Uit het ei van Leda werden Apollo en Latona geboren, en ook Castor en Pollux – de schitterende Tweelingen. En hoewel de boeddhisten aan hun stichter niet dezelfde oorsprong toeschrijven, eten zij toch geen eieren, evenmin als de oude Egyptenaren of de tegenwoordige brahmanen, uit vrees de daarin latente levenskiem te vernietigen en daardoor een zonde te begaan. De Chinezen geloven dat hun eerste mens werd geboren uit een ei dat Tien, een god, uit de hemel in de wateren op aarde liet vallen14. Dit symbool wordt door sommigen nog altijd beschouwd als een voorstelling van de oorsprong van het leven, en dat is een wetenschappelijke waarheid, hoewel het menselijke ovum voor het blote oog onzichtbaar is. Daarom werd er vanaf de vroegste tijden eerbied aan betoond: door de Grieken, de Feniciërs, de Romeinen, de Japanners, de Siamezen, de Noord- en Zuidamerikaanse stammen en zelfs de wilden van de meest afgelegen eilanden.
   Bij de Egyptenaren was de verborgen god Ammon (Mon). Al hun goden waren tweevoudig: de wetenschappelijke werkelijkheid voor het heiligdom, en haar dubbel, de legendarische en mythische entiteit, voor de massa. Zo was bijvoorbeeld, zoals werd opgemerkt in ‘Chaos, Theos, Kosmos’, de oudere Horus de idee van de wereld die in de geest van de demiurg verblijft, ‘in duisternis geboren vóór de schepping van de wereld’; de tweede Horus15 was dezelfde idee, die voortkomt uit de logos, wordt bekleed met stof en een werkelijk bestaan aanneemt. (Vergelijk Movers, Phönizier, blz. 268.) Hetzelfde geldt voor Khnoum en Ammon16; beiden worden afgebeeld met ramskoppen en ze worden vaak met elkaar verwisseld, hoewel hun functies verschillend zijn. Khnoum is ‘de vormgever van de mensen’; hij vormt op een pottenbakkerswiel mensen en dingen uit het wereld-ei; Ammon-Ra, de verwekker, is het tweede aspect van de verborgen godheid. Khnoum werd vereerd in Elephanta en Philae17, Ammon in Thebe. Maar het is Emepht, het ene, opperste planetaire beginsel, die het ei uit zijn mond blaast, en die dus Brahmā is. De schaduw van de godheid, kosmisch en universeel, van dat wat het ei bebroedt en met zijn levenwekkende geest doordringt tot de daarin gelegen kiem rijp is, was de mysteriegod met de onuitsprekelijke naam. Het is echter Phtah, ‘hij die opent’, de ontsluiter van leven en dood18, die voortkomt uit het ei van de wereld om zijn tweeledige werk te beginnen. (Boek van de Getallen.)
   Volgens de Grieken werd de schimachtige vorm van de Chemi’s (Chemi, het oude Egypte), die drijft op de etherische golven van de sfeer van het empyreum, in het leven geroepen door Horus-Apollo, de zonnegod, die deze uit het wereld-ei tevoorschijn bracht19.
   In de Scandinavische kosmogonie, die door professor Max Müller ‘ver vóór de Veda’s’ wordt gedateerd, vindt men in het gedicht Voluspa (het lied van de profetes) het wereld-ei terug in de schimachtige kiem van het Heelal, die wordt voorgesteld als liggend in de ginnungagap – de beker van de illusie (maya), de grenzeloze en lege afgrond. In deze schoot van de wereld, vroeger een gebied van nacht en verlatenheid, liet Nebelheim (de nevel-plaats, de nevelvlek zoals die nu wordt genoemd, in het astrale licht) een straal koud licht vallen, die deze beker liet overlopen en erin bevroor. Toen liet de Onzichtbare een verzengende wind opsteken, die de bevroren wateren ontdooide en de mist liet optrekken. Uit deze wateren (chaos), die de stromen van Elivagar werden genoemd, vormden zich levenwekkende druppels die neervielen; deze schiepen de aarde en de reus Ymir, die alleen maar ‘de gelijkenis van de mens’ (de hemelse mens) bezat, en de koe Audhumla (de ‘moeder’ of het astrale licht, de kosmische ziel); uit haar uier vloeiden vier stromen melk (de vier hemelstreken: de vier bronnen van de vier rivieren van Eden, enz.); deze ‘vier’ worden allegorisch gesymboliseerd door de kubus met al zijn verschillende en mystieke betekenissen.
   De christenen – vooral de Griekse en de Roomse kerk – hebben dit symbool volledig overgenomen en zien er een herinnering in aan het eeuwige leven, aan verlossing en wederopstanding. Dit wordt teruggevonden in en bevestigd door het eeuwenoude gebruik van het uitwisselen van ‘paaseieren’. Van het anguinum, het ‘ei’ van de ‘heidense’ druïde, van wie de naam alleen al Rome liet beven van angst, tot het rode paasei van de Slavonische boer, is er een cyclus voorbijgegaan. En toch vinden wij, zowel in het beschaafde Europa als bij de onontwikkelde wilden van Midden-Amerika, dezelfde archaïsche oorspronkelijke gedachte, als wij er maar naar zoeken en – met onze hooghartige ingebeelde verstandelijke en materiële superioriteit – de oorspronkelijke gedachte van het symbool niet verminken.

 

Noten:

  1. Zie Max Müller, Our Figures.
  2. Een kabbalist zou eerder zijn geneigd te geloven dat, zoals het Arabische cifron was ontleend aan het Indiase śūnya, niets, ook de joodse kabbalistische sephiroth (sephrim) waren ontleend aan het woord cipher, niet in de zin van leegte, maar het tegenovergestelde – in de zin van schepping door getal en graden van ontwikkeling. En de sephiroth zijn 10 of .
  3. Zie Max Müller, Our Figures.
  4. Zie King, Gnostics and their Remains, plaat xiii.
  5. Vita Pythag.
  6. 608 v.Chr.
  7. Deze stad werd gebouwd in 332 v.Chr.
  8. Metaph., vii, F.
  9. En dit alleen omdat de koperen slang op een paal werd opgericht! Zij had echter meer betrekking op Mico, het Egyptische ei, dat rechtop stond, gedragen door de heilige Tau; omdat het ei en de slang in de oude eredienst en symboliek van Egypte onafscheidelijk zijn en omdat zowel de koperen als de ‘vurige’ slangen saraphs waren, de ‘brandende vurige’ boodschappers of de slangegoden, de nāga’s van India. Het was zonder het ei een zuiver fallisch symbool, maar ermee verbonden sloeg het op de kosmische schepping.
  10. Koper was een metaal dat de lagere wereld symboliseerde . . . die van de schoot, waarin leven moest worden gegeven . . . Het woord voor slang was in het Hebreeuws nakash, maar dit is ook het woord voor koper.’ In Numeri (xxi) wordt gezegd dat de joden zich beklaagden over de woestijn waar geen water was (v. 5), waarna ‘de Heer vurige slangen zond’ om hen te bijten; daarna gaf hij Mozes, om deze aan zich te verplichten, als geneesmiddel de koperen slang op een stang om naar te kijken, waarna ‘iedereen die de koperen slang aanschouwde . . . . bleef leven’ (?). Hierna verzamelde de ‘Heer’ het volk bij de bron van Beer, gaf hun water (14-16) en het dankbare Israël zong dit lied: ‘Wel op, gij bron’ (v. 17). Wanneer de christelijke lezer na het bestuderen van de symboliek de innerlijke betekenis van deze drie symbolen – water, koper, de slang, en nog een paar – heeft begrepen in de zin die de bijbel eraan geeft, zal hij de heilige naam van zijn Heiland niet in verband willen brengen met de episode van de ‘koperen slang’. De seraphim שרפים (vurige gevleugelde slangen) zijn ongetwijfeld verbonden met en onafscheidelijk van het denkbeeld van ‘de slang van de eeuwigheid – God’, zoals wordt verklaard in de Apocalypse van Kenealy. Maar het woord cherub betekende in een bepaalde zin ook slang, hoewel de rechtstreekse betekenis anders is, want de cherubim en de Perzische gevleugelde γρῦπεϛ (‘griffioenen’) – de bewakers van de gouden berg – zijn dezelfde, en hun samengestelde naam toont hun karakter, omdat deze is gevormd uit כר (kr) cirkel en אוב, ‘aub’ of ob – slang – dus: een ‘slang in een cirkel’. En dit bevestigt het fallische karakter van de koperen slang, en rechtvaardigt dat Hizkia haar verbrijzelde (Zie II Koningen, 18, 4). Verbum satis sapienti.
  11. De laatste benamingen zijn alle identiek met anima mundi, of de ‘universele ziel’, het astrale licht van de kabbalist en de occultist, of het ‘ei van de duisternis’.
  12. Weber, Akad. Vorles., blz. 213, 214 e.v.
  13. Isis wordt bijna altijd afgebeeld met in de ene hand een lotus en in de andere een cirkel en het kruis (crux ansata), terwijl het ei aan haar was gewijd.
  14. De Chinezen schijnen zo te zijn vooruitgelopen op de theorie van Sir William Thomson, dat de eerste levende kiem vanaf een voorbijgaande komeet op aarde was gevallen. Vraag: waarom zou men dit wetenschappelijk moeten noemen en het Chinese denkbeeld een bijgelovige dwaze theorie?
  15. Horus – de ‘oudere’ of Haroiri is een oud aspect van de zonnegod, een tijdgenoot van Ra en Shoo; Haroiri wordt dikwijls ten onrechte aangezien voor Hor (Horsusi), zoon van Osiris en Isis. De Egyptenaren stelden vaak de opkomende zon voor in de gedaante van Hor de oudere, oprijzend uit een opengebloeide lotus, het Heelal; de zonneschijf vindt men altijd op de havikskop van die god. Haroiri is Khnoum.
  16. Ammon of Mon, de ‘verborgene’, de opperste geest.
  17. De godinnen van zijn triade zijn Sati en Anouki.
  18. Phtah was oorspronkelijk de god van de dood, van de vernietiging, evenals Siva. Hij is een zonnegod, alleen omdat het zonnevuur zowel doodt als leven opwekt. Hij was de nationale god van Memphis, de stralende ‘god met het mooie gelaat’. (Zie Saqquarah Bronzes, Saitic Epoch.)
  19. Het Brahmanda Purāna bevat het volledige mysterie van Brahmā’s gouden ei; en daarom is het misschien ontoegankelijk voor de oriëntalisten, die zeggen dat dit Purāna, evenals het Skanda, ‘niet meer in zijn geheel is te verkrijgen’, maar ‘wordt vertegenwoordigd door een verscheidenheid van khanda’s en mahatmya’s die ervan zouden zijn afgeleid’. Het Brahmanda Purāna wordt beschreven als ‘wat in 12.200 verzen wordt verklaard, de heerlijkheid van het ei van Brahmā, en wat een beschrijving bevat van de toekomstige kalpa’s, zoals die zijn geopenbaard door Brahmā’. Inderdaad, en misschien nog veel meer.

 


De Geheime Leer 1:392-402

© 1988 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag