STANZA 6

Toelichting

      1. DOOR DE KRACHT VAN DE MOEDER VAN GENADE EN KENNIS (a), KWAN-YIN1, HET ‘DRIEVOUD’ VAN KWAN-SHAI-YIN, DAT WOONT IN KWAN-YIN-TIEN (b), DOET FOHAT, DE ADEM VAN HUN NAGESLACHT, DE ZOON VAN DE ZONEN, NADAT DEZE UIT DE DIEPSTE AFGROND (chaos) DE SCHIJNVORM HAD OPGEROEPEN VAN SIEN-TCHANG (ons Heelal) EN DE ZEVEN ELEMENTEN, HET VOLGENDE:

     (a) De moeder van genade en kennis wordt ‘het drievoud’ van Kwan-Shai-Yin genoemd, omdat zij in haar metafysische en kosmische wisselwerkingen de ‘moeder, de vrouw en de dochter’ van de logos is, juist zoals zij in de latere theologische vertalingen ‘de vader, de zoon en (de vrouwelijke) heilige geest’ werd – de sakti of energie – de essentie van de drie. In de esoterie van de Vedanta is daiviprakriti, het door Eswara – de logos2 – gemanifesteerde licht, tegelijk de moeder en de dochter van de logos, of het woord, van Parabrahmam. In de esoterie van de leringen van over de Himalaja is zij echter – in de hiërarchie van de allegorische en metafysische theogonie – ‘de MOEDER’ of abstracte ideële stof, Mulaprakriti, de wortel van de Natuur; – van metafysisch standpunt staat zij in verband met adi-bhuta, gemanifesteerd in de logos, Avalokiteshvara; – en uit een zuiver occult en kosmisch oogpunt met fohat3, de ‘zoon van de zoon’, de androgyne energie die voortkomt uit dit ‘licht van de logos’ en die zich op het gebied van het objectieve Heelal manifesteert als de verborgen en ook als de zichtbaar gemaakte elektriciteit – die het LEVEN is.

     (b) Kwan-Yin-Tien betekent de ‘welluidende hemel van het geluid’, de verblijfplaats van Kwan-Yin, of letterlijk de ‘goddelijke stem’. Deze ‘stem’ is een synoniem van het verbum of het woord: ‘spraak’, als de uitdrukking van de gedachte. Zo kan men het verband nagaan met, en zelfs de oorsprong van, de Hebreeuwse Bath-Kol, de ‘dochter van de goddelijke stem’ of verbum of de mannelijke en vrouwelijke logos, de ‘hemelse mens’ of Adam Kadmon, die tegelijkertijd Sephira is. De laatste werd ongetwijfeld voorafgegaan door Vach van de hindoes, de godin van de spraak of van het woord. Want Vach – zoals wordt gezegd, de dochter en het vrouwelijke deel van Brahma, een ‘door de goden voortgebrachte’ – is samen met Kwan-Yin, met Isis (ook de dochter, vrouw en zuster van Osiris) en andere godinnen, als het ware de vrouwelijke logos, de godin van de werkzame krachten in de Natuur, het woord, de stem of het geluid en de spraak. Als Kwan-Yin de ‘welluidende stem’ is, dan is Vach dit ook; ‘de welluidende koe van wie de melk levensonderhoud en water gaf’ (het vrouwelijke beginsel) – ‘die ons voedsel en levensonderhoud biedt’, zoals Moeder Natuur. Zij is bij het scheppingswerk verbonden met de prajapati’s. Zij is naar verkiezing mannelijk en vrouwelijk, evenals Eva en Adam. En zij is een vorm van aditi – het beginsel dat hoger staat dan ether – in het akasa, de synthese van alle natuurkrachten. Zo zijn Vach en Kwan-Yin beide het magische vermogen van occult geluid in de natuur en de ether – de ‘stem’ die Sien-Tchan, de bedrieglijke vorm van het Heelal, uit de Chaos en de zeven elementen oproept.
     Zo ziet men in Manu dat Brahma (ook de logos) zijn lichaam in twee stukken verdeelt, een mannelijk en een vrouwelijk, en dat hij in het laatste, dat Vach is, Viraj schept, die hij zelf is, of opnieuw Brahma. Op deze manier spreekt een geleerde Vedanta-occultist over die ‘godin’ en verklaart hij waarom Eswara (of Brahma) het verbum of de logos wordt genoemd; waarom hij inderdaad Sabda Brahmam heet:
     ‘De uitleg die ik u ga geven, zal volkomen mystiek schijnen, maar is niettemin van enorme betekenis als hij goed wordt begrepen. Onze oude schrijvers zeiden dat er vier soorten Vach zijn (zie de Rig Veda en de Upanishads). Vaikhari-Vach is wat wij uitspreken. Elke soort Vaikhari-Vach bestaat in haar madhyama-, verder in haar pasyanti- en tenslotte in haar para-vorm4. Deze pranava wordt Vach genoemd, omdat de vier beginselen van de grote Kosmos met deze vier vormen van Vach corresponderen. Nu bestaat het hele gemanifesteerde zonnestelsel in zijn sukshma-vorm uit het licht of de energie van de logos, omdat de energie daarvan wordt opgevangen en overgebracht op kosmische stof. . . . . De hele Kosmos in zijn objectieve vorm is Vaikhari-Vach, het licht van de logos is de madhyama-vorm, en de logos zelf de pasyanti-vorm, en Parabrahm is de para-vorm of het para-aspect van die Vach. In het licht van deze uitleg moeten wij proberen bepaalde uitspraken van verschillende filosofen te begrijpen, die erop neerkomen dat de gemanifesteerde Kosmos het woord is, dat als Kosmos is gemanifesteerd’ (zie de bovengenoemde lezing over de Bhagavadgita).


STANZA 6. Vervolg

      2. DE SNELLE EN STRALENDE BRENGT DE ZEVEN Layu5 (a) CENTRA VOORT, WAAROVER NIEMAND DE OVERHAND ZAL HEBBEN TOT DE GROTE DAG ‘WEES MET ONS’ EN HIJ GRONDVEST HET HEELAL OP DEZE EEUWIGE FUNDAMENTEN, TERWIJL HIJ SIEN-TCHAN OMRINGT MET DE ELEMENTAIRE KIEMEN (b).

     (a) De zeven layu-centra zijn de zeven nulpunten, waarbij we het woord nul gebruiken zoals de scheikundigen doen om een punt aan te geven, van waar af volgens de esoterie de differentiatie begint. Vanuit deze centra – waarachter de esoterische filosofie ons de vage metafysische omtrekken laat waarnemen van de ‘zeven zonen’ van leven en licht, de zeven logoi van de Hermetische en alle andere filosofen – begint de differentiatie van de elementen, die deel gaan uitmaken van de samenstelling van ons zonnestelsel. Er is dikwijls gevraagd hoe de definitie van fohat precies luidt en wat zijn vermogens en functies zijn, want het lijkt alsof hij die van een persoonlijke god uitoefent, zoals opgevat in de volksreligies. Het antwoord is hierboven gegeven in de toelichting op Stanza V. Zoals in de lezingen over de Bhagavadgita terecht wordt gezegd: ‘De hele Kosmos moet wel bestaan in de ene bron van energie, waaruit dit licht (fohat) straalt.’ Of wij zeven of slechts vier beginselen in de Kosmos en in de mens onderscheiden, er zijn zeven krachten van en in de stoffelijke Natuur; en dezelfde autoriteit verklaart dat ‘Pragna of het vermogen van waarneming bestaat uit zeven verschillende aspecten, die overeenkomen met de zeven toestanden van de stof’ (Personal and impersonal God). Want ‘evenals een mens is samengesteld uit zeven beginselen, bestaat gedifferentieerde stof in het zonnestelsel in zeven verschillende toestanden’ (ibid). Dat geldt ook voor fohat6. Hij is één en zeven, en staat op kosmisch gebied achter alle manifestaties zoals licht, warmte, geluid, adhesie, enz., en is de ‘geest’ van de ELEKTRICITEIT, die het LEVEN van het Heelal is. Als abstractie noemen wij hem het ENE LEVEN; als objectieve en zichtbare werkelijkheid spreken wij van een zevenvoudige ladder van manifestatie, die op de bovenste sport begint met de ene onkenbare OORZAKELIJKHEID, en eindigt als alomtegenwoordig Denkvermogen en Leven, dat in ieder atoom van de stof woont. Terwijl dus de wetenschap spreekt van de evolutie daarvan door redeloze stof, blinde kracht en zinloze beweging, wijzen de occultisten op een intelligente WET en een bewust LEVEN, en voegen eraan toe dat fohat de leidende geest van dit alles is. Toch is hij in het geheel geen persoonlijke god, maar de uitstraling van die andere achter hem staande machten, die de christenen de ‘boodschappers’ van hun God noemen (die in werkelijkheid slechts de Elohim is, of beter een van de zeven scheppers die Elohim worden genoemd), en wij de ‘boodschapper van de oorspronkelijke zonen van leven en licht’.

      (b) De ‘elementaire kiemen’ waarmee hij Sien-Tchan (het ‘Heelal’) vult uit Tien-Sin (letterlijk de ‘hemel van het denkvermogen’, of dat wat absoluut is), zijn de atomen van de wetenschap en de monaden van Leibnitz.


STANZA 6. Vervolg

      3. VAN DE ZEVEN (elementen) – EERST ÉÉN GEMANIFESTEERD, ZES VERBORGEN; TWEE GEMANIFESTEERD, VIJF VERBORGEN; DRIE GEMANIFESTEERD, VIER VERBORGEN; VIER VOORTGEBRACHT, DRIE VERSCHOLEN; VIER EN EEN TSAN (gedeelte) ONTHULD, TWEE EN EEN HALF VERBORGEN; ZES NOG TE MANIFESTEREN, ÉÉN TER ZIJDE GELEGD (a). TENSLOTTE ZEVEN WENTELENDE KLEINE WIELEN, WAARVAN HET ENE HET ANDERE GEBOREN DOET WORDEN (b).

      (a) Hoewel deze stanza’s betrekking hebben op het gehele Heelal na een maha-pralaya (algehele vernietiging), heeft deze zin toch, zoals iedere beoefenaar van het occultisme kan zien, ook bij analogie betrekking op de evolutie en de uiteindelijke vorming van de oorspronkelijke (hoewel samengestelde) zeven elementen op onze aarde. Hiervan zijn nu vier elementen volledig gemanifesteerd, terwijl het vijfde – de ether – dit maar gedeeltelijk is, omdat we nog nauwelijks in de tweede helft van de vierde Ronde zijn; daarom zal het vijfde element zich pas in de vijfde Ronde geheel manifesteren. De werelden, de onze inbegrepen, werden natuurlijk als kiemen oorspronkelijk ontwikkeld uit het ENE element in zijn tweede stadium (‘vader-moeder’, de ziel van de gedifferentieerde wereld, niet wat Emerson de ‘overziel’ noemt), of wij dit nu evenals de moderne wetenschap kosmisch stof en vuurnevel noemen, dan wel volgens het occultisme: akasa, jivatma, het goddelijke astrale licht of de ‘ziel van de wereld’. Maar dit eerste evolutiestadium werd na verloop van tijd gevolgd door het volgende. Geen wereld en geen hemellichaam kon op het objectieve gebied worden opgebouwd, als de elementen niet al voldoende waren gedifferentieerd uit hun oorspronkelijke, in laya rustende, ilus. De term ‘laya’ is een synoniem van nirvana. Het is in feite het nirvanische uiteenvallen van alle substanties, die na een levenscyclus zijn opgenomen in de sluimer van hun oorspronkelijke toestand. Het is de lichtgevende maar onbelichaamde schaduw van de stof die was, het rijk van de negativiteit, waarin de werkzame krachten van het Heelal tijdens hun rustperiode sluimeren. Nu we spreken over elementen: de Ouden wordt geregeld verweten, dat zij ‘veronderstelden dat hun elementen enkelvoudig waren en niet te ontleden7. Dit is opnieuw een niet te rechtvaardigen bewering. In ieder geval kunnen hun ingewijde filosofen moeilijk hiervan worden beschuldigd, want zij zijn het die vanaf het begin allegorieën en religieuze mythen hebben bedacht. Als zij onbekend waren geweest met de heterogeniteit van hun elementen, dan zouden zij vuur, lucht, water, aarde en aether niet hebben verpersoonlijkt; hun kosmische goden en godinnen zouden nooit zijn gezegend met een dergelijk nageslacht, met zoveel zoons en dochters, elementen geboren uit en binnen ieder afzonderlijk Element. Alchemie en occulte verschijnselen zouden zelfs in theorie waanvoorstellingen en valstrikken zijn geweest, als de Ouden niets hadden geweten van de vermogens en wisselwerkingen en eigenschappen van alle elementen, die deel uitmaken van de samenstelling van lucht, water, aarde en zelfs vuur. Dit laatste is tot nu toe een terra incognita voor de moderne wetenschap, die is genoodzaakt het beweging, ontwikkeling van licht en warmte, of toestand van ontbranding te noemen; kortom, het te definiëren aan de hand van zijn uiterlijke aspecten, terwijl zij onbekend blijft met zijn werkelijke aard. Maar wat de moderne wetenschap niet schijnt te bemerken is dat, hoe gedifferentieerd die enkelvoudige chemische atomen ook in het begin mogen zijn geweest – de archaïsche filosofie noemde deze atomen ‘de scheppers van hun respectieve ouders’, vaders, broers, echtgenoten van hun moeders, en die moeders de dochters van haar eigen zonen, zoals bijvoorbeeld Aditi en Daksha – zij toch niet de aan de wetenschap bekende samengestelde stoffen waren, zoals nu het geval is. Noch water, noch lucht, noch aarde (een synoniem voor vaste stoffen in het algemeen) bestonden in hun tegenwoordige vorm, als vertegenwoordigers van de enige drie toestanden van de stof die de wetenschap erkent. Want al deze – zelfs vuur – zijn voortbrengselen die al opnieuw zijn gecombineerd door de atmosferen van geheel voltooide bollen, zodat ze in de eerste perioden van de vorming van de aarde iets geheel sui generis waren. Nu de voorwaarden en wetten die ons zonnestelsel beheersen, volledig zijn ontwikkeld en de atmosfeer van onze aarde en ook van elke andere bol om zo te zeggen een smeltkroes op zichzelf is geworden, vindt er volgens de occulte wetenschap in de ruimte een voortdurende uitwisseling plaats van moleculen of liever van atomen. Tussen deze treedt op elke planeet een wisselwerking op en daardoor veranderen de zich met elkaar combinerende equivalenten. Onder de grootste natuur- en scheikundigen zijn enkele geleerden die dit feit beginnen te vermoeden, dat aan de occultisten al eeuwenlang bekend is geweest. De spectroscoop laat alleen de waarschijnlijke overeenkomst zien (gebaseerd op uiterlijke gegevens) van aardse en sterrenstof; hij kan niet verdergaan, noch aantonen of de atomen elkaar op dezelfde manier en onder gelijke omstandigheden fysisch en chemisch aantrekken, als ze worden geacht op onze planeet te doen. Men kan zich voorstellen dat de temperatuurschaal, van de hoogste tot de laagste denkbare graad, één en dezelfde is in en voor het gehele Heelal; niettemin verschillen haar eigenschappen, behalve die van ontleding en herverbinding, op iedere planeet. Zo gaan atomen over tot nieuwe bestaansvormen, waarvan de natuurkunde nooit heeft gedroomd en die voor haar onkenbaar zijn. Zoals al in ‘Five Years of Theosophy’ tot uiting werd gebracht, vertoont bijvoorbeeld de essentie van komeetstof ‘geheel andere schei- of natuurkundige eigenschappen dan die, waarmee de grootste scheikundigen en natuurkundigen van de aarde bekend zijn’ (blz. 242). En zelfs die stof ondergaat tijdens een snelle doorgang door onze atmosfeer een bepaalde verandering van aard. Zo verschillen dus niet alleen de elementen van onze planeten maar zelfs die van al haar zusters in het zonnestelsel in samenstelling evenveel van elkaar, als van de kosmische elementen buiten de grenzen van ons zonnestelsel8. Zij kunnen dus niet als maatstaf worden gehanteerd om dezelfde elementen in andere werelden mee te vergelijken9. In zijn maagdelijke oertoestand bewaard in de schoot van de Eeuwige Moeder, wordt ieder atoom dat wordt geboren buiten de grenzen van haar gebied, veroordeeld tot onophoudelijke differentiatie. ‘De moeder slaapt, toch ademt zij voortdurend.’ En iedere ademtocht zendt haar proteïsche voortbrengsels uit naar het gebied van manifestatie, waar ze, meegevoerd door de uitstromende golf, door fohat worden verspreid en naar of voorbij de ene of de andere planetaire atmosfeer worden gedreven. Als het eenmaal door de laatste is gevangen, is het atoom verloren; zijn oorspronkelijke zuiverheid is voor altijd verdwenen, tenzij het lot het van die atmosfeer losmaakt door het te voeren naar ‘een UITVLOEIENDE stroom’ (een occulte term die een heel ander proces aanduidt dan met de gewone term wordt bedoeld). In dat geval kan het opnieuw naar het grensland worden gevoerd waar het was omgekomen, en door een vlucht, niet in de Ruimte boven maar in de Ruimte binnenin, zal het in een toestand van differentieel evenwicht worden gebracht en weer gelukkig worden opgenomen. Als een werkelijk geleerde occultist-alchemist het ‘Leven en de lotgevallen van een atoom’ zou schrijven, dan zou hij zich daardoor beslist de diepe minachting van de moderne scheikundige op de hals halen, maar misschien ook daarna zijn dankbaarheid10. Hoe het ook mag zijn, ‘De adem van de vader-moeder komt koud en stralend naar buiten en wordt heet en bedorven, om opnieuw af te koelen en in de eeuwige schoot van de innerlijke Ruimte te worden gereinigd’, zegt de Toelichting. De mens neemt op de bergtop koude zuivere lucht op en stoot die onzuiver, heet en veranderd uit. Omdat van elke bol de hogere dampkring de mond is en de lagere de longen zijn, ademt de mens van onze planeet slechts het afval van de ‘moeder’ in; daarom ‘is hij gedoemd erop te sterven’11.

      (b) Het proces dat wordt omschreven als ‘de kleine wielen, waarvan het ene het andere geboren doet worden’, vindt plaats op het zesde gebied van boven af en op het gebied van de meest stoffelijke wereld in de gemanifesteerde Kosmos – ons aardse gebied. Deze ‘zeven wielen’ vormen onze planeetketen (zie de Toelichting, no. 5 en 6). Met ‘wielen’ worden in het algemeen de verschillende sferen en krachtcentra bedoeld, maar in dit geval hebben ze betrekking op onze zevenvoudige ring12.


STANZA 6. Vervolg

      4. HIJ BOUWT ZE, NAAR HET VOORBEELD VAN OUDERE WIELEN (werelden) EN PLAATST HEN OP DE ONVERGANKELIJKE CENTRA (a).
      HOE BOUWT FOHAT ZE? HIJ VERZAMELT HET VURIGE STOF. HIJ MAAKT BALLEN VAN VUUR, SCHIET ER DOORHEEN EN ER OMHEEN, TERWIJL HIJ ZE VAN LEVEN DOORDRINGT EN BRENGT ZE DAN IN BEWEGING, SOMMIGE NAAR DE ENE KANT, ANDERE NAAR DE ANDERE KANT. ZE ZIJN KOUD, HIJ MAAKT ZE HEET. ZE ZIJN DROOG, HIJ MAAKT ZE VOCHTIG. ZE STRALEN, HIJ WAAIT ZE KOELTE TOE EN VERKOELT ZE (b).
      ZO WERKT FOHAT VAN DE ENE schemering TOT DE ANDERE, ZEVEN EEUWIGHEDEN LANG13.

      (a) De werelden worden gebouwd ‘naar het voorbeeld van oudere wielen’, d.w.z. van de wielen die in voorafgaande manvantara’s bestonden en in pralaya zijn gegaan, omdat de WET voor de geboorte, de groei en het verval van alles in de Kosmos, van de zon tot de glimworm in het gras, EEN is. Bij elk nieuw verschijnen is het een eeuwigdurend werk van vervolmaking, maar de substantie-stof en de krachten zijn alle dezelfde. Maar deze WET werkt op iedere planeet door kleinere en verschillende wetten. De ‘onvergankelijke layacentra’ zijn van groot belang, en hun betekenis moet volledig worden begrepen als men een helder begrip wil hebben van de archaïsche kosmogonie, waarvan de theorieën nu in het occultisme zijn opgenomen. Eén ding kan nu al worden gezegd. De werelden zijn niet op of boven, noch in de layacentra gebouwd, want het nulpunt is een toestand en niet een of ander wiskundig punt.

      (b) Men moet bedenken dat fohat, de constructieve kracht van de kosmische elektriciteit, zoals men overdrachtelijk zegt, evenals Rudra aan Brahma, ‘aan het brein van de vader en de schoot van de moeder’ is ontsprongen, en zich daarna heeft gemetamorfoseerd in een mannelijk en een vrouwelijk beginsel, dat wil zeggen een polariteit, in positieve en negatieve elektriciteit. Hij heeft zeven zonen die zijn broeders zijn; en fohat is genoodzaakt telkens weer te worden geboren, als twee van zijn zoon-broeders in te nauw contact met elkaar komen – of dit nu een omhelzing of een gevecht is. Om dit te vermijden, bindt en verenigt hij degenen van ongelijksoortige aard en scheidt die met een gelijksoortig temperament. Zoals iedereen kan zien, heeft dit natuurlijk betrekking op elektriciteit die door wrijving is opgewekt, en op de wet van aantrekking tussen twee voorwerpen van ongelijke, en van afstoting tussen objecten van gelijke polariteit. De zeven ‘zoon-broeders’ evenwel vertegenwoordigen en verpersoonlijken de zeven vormen van kosmisch magnetisme die in het praktische occultisme de ‘zeven radicalen’ worden genoemd, waarvan de samenwerkende en actieve nakomelingen diverse soorten van energie zijn, onder andere elektriciteit, magnetisme, geluid, licht, warmte, cohesie, enz. De occulte wetenschap omschrijft deze in hun verborgen gedragingen alle als bovenzinnelijke gevolgen, en in de wereld van de zintuiglijke waarnemingen als objectieve verschijnselen. Om de eerstgenoemde waar te nemen, zijn abnormale vermogens nodig; voor de laatstgenoemde, onze gewone stoffelijke zintuigen. Zij behoren alle tot, en zijn de uitstralingen van, nog bovenzinnelijker geestelijke eigenschappen; niet verpersoonlijkt door, maar behorende tot werkelijke en bewuste OORZAKEN. Het zou erger dan nutteloos zijn te proberen van zulke ENTITEITEN een beschrijving te geven. De lezer moet voor ogen houden dat, volgens onze leer die dit Heelal van verschijnselen als een grote illusie beschouwt, een lichaam meer nadert tot de werkelijkheid naargelang het zich dichter bevindt bij de ONBEKENDE SUBSTANTIE, omdat het dan verder afstaat van deze wereld van maya. Hoewel dus de moleculaire samenstelling van hun lichamen niet is af te leiden uit hun manifestaties op dit bewustzijnsgebied, bezitten zij niettemin (gezien van het standpunt van de adept-occultist) in het relatief noumenale Heelal – in tegenstelling tot het Heelal van de verschijnselen – een karakteristieke objectieve, zo niet een stoffelijke structuur. De geleerden mogen ze door stof voortgebrachte kracht of krachten noemen, of hun ‘bewegingsvormen’, als ze dat willen; het occultisme ziet in deze effecten ‘elementalen’(krachten) en in de directe oorzaken die ze teweegbrengen, intelligente GODDELIJKE werkers. Het nauwe verband van deze elementalen (geleid door de feilloze hand van de Bestuurders) – hun wisselwerkingen zouden we kunnen zeggen – met de elementen van zuivere stof, heeft onze aardse verschijnselen, zoals licht, warmte, magnetisme, enz. tot gevolg. Wij zullen het natuurlijk nooit eens worden met de Amerikaanse substantialisten14, die iedere kracht en energie – licht, warmte, elektriciteit of cohesie – een ‘entiteit’ noemen, want dit zou hetzelfde zijn als dat wij het lawaai van het ratelen van de wielen van een voertuig een entiteit zouden noemen en zo dat ‘lawaai’ zouden verwarren en vereenzelvigen met de bestuurder op, en de leidende meester-intelligentie in het voertuig. Maar wij geven die naam beslist aan de ‘bestuurders’ en aan die leidende intelligenties – de heersende Dhyan-Chohans, zoals we hebben gezien. De ‘elementalen’ of natuurkrachten zijn de werkende, hoewel onzichtbare of liever niet waarneembare secundaire oorzaken en zelf weer de gevolgen van primaire oorzaken achter de sluier van alle aardse verschijnselen. Elektriciteit, licht, warmte, enz. heten terecht de ‘geesten of schaduwen van stof in beweging’, d.w.z. bovenzinnelijke toestanden van de stof, waarvan wij alleen maar de gevolgen kunnen waarnemen. Om de hierboven gegeven vergelijking verder uit te werken: de gewaarwording van licht is als het geluid van ratelende wielen zuiver het gevolg van een verschijnsel, dat geen bestaan heeft buiten de waarnemer. De onmiddellijke oorzaak van de gewaarwording is te vergelijken met de bestuurder – een bovenzinnelijke toestand van stof in beweging, een natuurkracht of elementaal. Maar zoals de eigenaar van het rijtuig van binnenuit de bestuurder aanwijzingen geeft, staan achter die natuurkrachten de hogere en noumenale oorzaken, de intelligenties, uit de essentie van wie deze ‘moeder’toestanden uitstralen, die de talloze miljarden elementalen of psychische natuurgeesten voortbrengen, zoals iedere druppel water zijn stoffelijke, uiterst kleine infusoriën voortbrengt. (Zie ‘Goden, monaden en atomen’ in Afdeling III.) Fohat regelt het overbrengen van de beginselen van de ene planeet naar de andere, van de ene ster naar een andere – de dochterster. Als een planeet sterft, worden haar bezielende beginselen overgebracht naar een laya- of slapend centrum, dat potentiële maar sluimerende energie bevat, en dat zo tot leven wordt gewekt en zich tot een nieuw hemellichaam begint te vormen. (Zie ‘Enkele theosofische misvattingen, enz.’)
      Het is hoogst merkwaardig dat de natuurkundigen, terwijl ze hun volslagen onwetendheid over de ware aard van zelfs de aardse stof eerlijk toegeven – de oersubstantie wordt meer als een droom dan als een nuchtere werkelijkheid beschouwd – zich niettemin een oordeel over die stof aanmatigen en beweren te weten wat deze in verschillende samenstellingen wel en niet kan doen. De geleerden kennen haar (de stof) nauwelijks aan de oppervlakte, en toch willen ze dogmatiseren. Zij is een ‘bewegingsvorm’ en niets anders. Maar de kracht die aanwezig is in de adem van een levend mens, wanneer hij een stofje van de tafel blaast, is ontegenzeglijk ook een ‘bewegingsvorm’ en niet een eigenschap van de stof of van die stofdeeltjes. Zij komt voort uit het levende en denkende wezen dat ademde, of de impuls nu op bewuste of onbewuste manier ontstond. Inderdaad, wanneer we de stof – iets waarover tot dusver niets bekend is – een inherente eigenschap toekennen die kracht wordt genoemd, over de aard waarvan we nog minder weten, dan scheppen we een veel ernstiger moeilijkheid dan wanneer we aannemen dat onze ‘natuurgeesten’ bij elk natuurverschijnsel een rol spelen.
      De occultisten die – als ze zich precies willen uitdrukken – niet zeggen dat de stof, maar alleen de substantie of essentie van de stof (d.w.z. de wortel van alles, Mulaprakriti), onvernietigbaar en eeuwig is, beweren dat al de zogenaamde natuurkrachten, elektriciteit, magnetisme, licht, warmte, enz. stellig geen bewegingsvormen van stofdeeltjes zijn, maar dat ze in esse, dat is naar hun innerlijke bouw, de gedifferentieerde aspecten zijn van die Universele Beweging, die op de eerste bladzijden van dit Deel (zie de Proloog) wordt besproken en verklaard. Als men zegt dat fohat ‘zeven layacentra’ voortbrengt, betekent dit dat de GROTE WET (theïsten mogen die God noemen) voor vormgevende of scheppende doeleinden haar eeuwigdurende beweging op zeven onzichtbare punten binnen het gemanifesteerde Heelal laat ophouden of liever gezegd, wijzigt. ‘De grote Adem graaft door de Ruimte heen zeven gaten in laya, om die tijdens het manvantara te laten ronddraaien’ (Occulte catechismus). We hebben gezegd dat laya is, wat de wetenschap het nulpunt of de nullijn zou kunnen noemen; het rijk van de absolute negativiteit, of de ene werkelijke absolute kracht, het NOUMENON van de zevende toestand van wat wij in onze onwetendheid ‘kracht’ noemen en als zodanig erkennen; of ook wel het noumenon van de ongedifferentieerde kosmische substantie, die zelf een onbereikbaar en onkenbaar object is voor de begrensde waarneming; de wortel en de grondslag van alle objectieve en subjectieve toestanden; de neutrale as, niet een van de vele aspecten, maar het middelpunt ervan. Men kan de betekenis verduidelijken als men probeert zich een neutraal middelpunt voor te stellen – de droom van de zoekers naar een eeuwigdurende beweging. Een ‘neutraal middelpunt’ is in een bepaald opzicht het grenspunt van een gegeven stel zintuigen. Stel u daarom twee opeenvolgende reeds gevormde gebieden van stof voor, waarvan elk correspondeert met een passend stel waarnemingsorganen. We moeten toegeven dat tussen deze twee gebieden van stof een onophoudelijke circulatie plaatsvindt, en als we de atomen en moleculen van (zeg) het laagste gebied volgen bij hun transformatie in opgaande richting, dan zullen deze op een punt komen, waarop ze geheel buiten het bereik vallen van de vermogens die we op het lagere gebied gebruiken. In feite verdwijnt daar de stof van het lagere gebied voor onze waarneming in het niet – of liever, zij gaat over naar het hogere gebied; en de toestand van de stof die correspondeert met zo’n punt van overgang, moet ongetwijfeld bijzondere en niet gemakkelijk te ontdekken eigenschappen bezitten. Fohat brengt ‘zeven’ van ‘dergelijke neutrale middelpunten’15 voort, en zet de stof tot werkzaamheid en ontwikkeling aan, wanneer – zoals Milton zegt – :

‘Goede grondslagen (zijn) gelegd om op te bouwen . . .’

      Het oeratoom (anu) kan niet worden vermenigvuldigd, noch in zijn toestand vóór de geboorte, noch als eerstgeborene; daarom wordt het ‘TOTAALSOM’ genoemd, natuurlijk figuurlijk opgevat, omdat die ‘TOTAALSOM’ onbegrensd is. (Zie het Aanhangsel bij dit Deel.) Wat voor de natuurkundige, die alleen maar de wereld van zichtbare oorzaken en gevolgen kent, de afgrond van het niets is, is voor de occultist de grenzeloze Ruimte van het goddelijke plenum. Naast veel andere bezwaren tegen de leer van een eindeloze evolutie en re-involutie (of wederopneming) van de Kosmos – een proces dat volgens de brahmaanse en esoterische leer geen begin of einde heeft – wordt de occultist gezegd, dat het niet zo kan zijn, omdat ‘zoals de hedendaagse wetenschappelijke filosofie algemeen erkent, het noodzakelijk is dat de Natuur tenslotte uitgeput raakt’. Indien de neiging van de Natuur ‘om uitgeput te raken’ als zo’n zwaarwegend bezwaar tegen de occulte kosmogonie moet worden beschouwd, dan vragen wij: ‘Hoe verklaren uw positivisten, vrijdenkers en geleerden dan de dicht aaneengesloten menigte van actieve sterrenstelsels rondom ons?’ Zij hadden een eeuwigheid om ‘uitgeput te raken’; waarom is de Kosmos dan niet een enorme inerte massa? Zelfs de maan wordt alleen maar volgens een hypothese voor een ‘uitgeput geraakte’ dode planeet aangezien, en de sterrenkunde schijnt niet veel van dergelijke dode planeten16 te kennen. De vraag is niet te beantwoorden. Maar afgezien hiervan moet men bedenken, dat de opvatting dat de hoeveelheid ‘transformeerbare energie’ in ons kleine zonnestelsel zou opraken, uitsluitend berust op de foutieve voorstelling van een ‘witgloeiende hete zon’ die eeuwig zijn hitte in de Ruimte uitstraalt, zonder dat deze wordt aangevuld. Wij antwoorden hierop, dat de natuur slechts uitgeput raakt en van het objectieve gebied verdwijnt, om na een tijd van rust uit het subjectieve gebied opnieuw te voorschijn te komen en zich te verheffen. Onze Kosmos en onze Natuur zullen slechts tot een einde komen om op een volmaakter gebied na iedere PRALAYA te herrijzen. De stof van de oosterse filosofen is niet de ‘stof’ en de Natuur van de westerse metafysici. Want wat is stof? En vooral, wat is onze wetenschappelijke filosofie anders dan wat Kant zo toepasselijk en zo beleefd omschreef als ‘de wetenschap van de grenzen aan onze kennis’? Waartoe hebben de vele pogingen van de wetenschap geleid om alle verschijnselen van het organische leven als enkel fysische en chemische werkingen samen te vatten, met elkaar in verband te brengen en te omschrijven? In het algemeen tot speculaties, niet meer dan zeepbellen, die stuk voor stuk uiteenspatten, voordat de geleerden werkelijke feiten konden ontdekken. Dit alles zou zijn vermeden, en de kennis zou enorm zijn vooruitgegaan, als de wetenschap en haar filosofie er zich maar van hadden onthouden hypothesen te aanvaarden, uitsluitend op basis van eenzijdige kennis van hun stof17.
      Als geen stoffelijk intellect in staat is de zandkorrels te tellen die een paar mijlen zeekust bedekken, of de meest innerlijke aard en essentie van die korrels te peilen, die tastbaar en zichtbaar op de hand van de natuuronderzoeker liggen, hoe kan dan een materialist grenzen stellen aan de wetten, die de bestaansvoorwaarden van de atomen in de oer-chaos veranderen, of iets met zekerheid weten over de vermogens en de mogelijkheden van hun atomen en moleculen, vóór en na hun samenvoeging tot werelden? Deze onveranderlijke en eeuwige moleculen – veel talrijker in de ruimte dan de zandkorrels langs de kust van de oceaan – kunnen naar samenstelling verschillen overeenkomstig hun bestaansgebieden, evenals de zielensubstantie verschilt van haar voertuig, het lichaam. Ieder atoom heeft zeven gebieden van zijn of van bestaan, wordt ons geleerd; en ieder gebied wordt beheerst door zijn eigen wetten van evolutie en wederopneming. Astronomen, geologen en natuurkundigen, aan wie geen enkel, al was het maar benaderend, chronologisch gegeven bekend is, dat als uitgangspunt zou kunnen dienen bij een poging de leeftijd van onze planeet of de oorsprong van het zonnestelsel te bepalen, verwijderen zich bij iedere nieuwe hypothese verder en verder van de kust van de feiten naar de peilloze diepten van de speculatieve ontologie18. De Wet van de Analogie in het bouwplan van de stelsels buiten en van de planeten binnen ons zonnestelsel, heeft niet noodzakelijk betrekking op de eindige voorwaarden waaraan ieder zichtbaar lichaam op ons bestaansgebied is onderworpen. In de occulte wetenschap is deze wet de eerste en de belangrijkste sleutel tot de kosmische natuurkunde, maar zij moet tot in de kleinste bijzonderheden worden bestudeerd en ‘zeven keer worden omgedraaid’ voordat men haar begrijpt. De occulte filosofie is de enige wetenschap die ons dat kan leren. Hoe kan men dan het al of niet waar zijn van de stelling van de occultist, dat ‘de Kosmos eeuwig is in zijn onvoorwaardelijke collectiviteit en slechts eindig in zijn voorwaardelijke manifestaties’ laten afhangen van die eenzijdig op het stoffelijke gebaseerde uitspraak dat ‘de Natuur noodzakelijk uitgeput moet raken’?

      Met deze verzen – de 4de sloka van Stanza VI – eindigt dat gedeelte van de stanza’s dat betrekking heeft op de universele kosmogonie na de laatste mahapralaya of de universele vernietiging die, wanneer zij komt, alle gedifferentieerde dingen, zowel goden als atomen, uit de Ruimte wegvaagt als even zoveel dorre bladeren. Vanaf dit vers houden de stanza’s zich alleen bezig met ons zonnestelsel in het algemeen en dus ook met de planeetketens daarin, en met de geschiedenis van onze bol (de 4de en zijn keten) in het bijzonder. Alle stanza’s en verzen, die hier in Deel I volgen, betreffen alleen de evolutie van en op onze aarde. Over de laatste wordt een vreemde lering gehuldigd – natuurlijk alleen vreemd van het standpunt van de moderne wetenschap – die wij moeten bekendmaken.
Maar voordat wij heel nieuwe en tamelijk verrassende theorieën aan de lezer voorleggen, moeten wij ter verklaring enkele inleidende woorden uitspreken. Dit is beslist nodig, omdat deze theorieën niet alleen met de moderne wetenschap in strijd zijn, maar ook op sommige punten in tegenspraak zijn met eerder gedane mededelingen door andere theosofen, die zich voor hun uitleg en weergave van deze leringen op dezelfde autoriteit beroepen als wij19.
      Hierdoor kan de mening ontstaan dat er duidelijk een tegenspraak is tussen personen die dezelfde leer uitleggen, terwijl het verschil in werkelijkheid een gevolg is van de onvolledigheid van de informatie die is verstrekt aan vroegere schrijvers, die daardoor enkele foutieve conclusies trokken en zich bij hun poging het publiek een volledig stelsel aan te bieden, overgaven aan voorbarige speculaties. Daarom moet de lezer die de theosofie al bestudeert, zich niet verbazen op deze bladzijden verbeteringen aan te treffen van bepaalde mededelingen uit verschillende theosofische boeken, en ook de opheldering van bepaalde punten die nog duister waren, omdat ze niet volledig konden worden medegedeeld. Er zijn veel vragen, waarmee zelfs de schrijver van ‘Esoteric Buddhism’ (het beste en nauwkeurigste van die boeken) zich niet heeft beziggehouden. Aan de andere kant heeft zelfs hij verschillende onjuiste opvattingen verkondigd, die nu in het ware mystieke licht moeten worden gesteld, voor zover de schrijfster daartoe in staat is.
      Wij laten nu een korte onderbreking volgen tussen de zojuist verklaarde en de nog volgende sloka’s, want de kosmische tijdperken die ze scheiden, hebben een onmetelijke duur. Dit geeft ons ruim de tijd voor een overzicht in vogelvlucht van enkele punten betreffende de Geheime Leer, die aan het publiek zijn voorgelegd in een min of meer onzeker en soms verkeerd licht.

 

Noten:

  1. Deze stanza is vertaald uit de Chinese tekst en de namen, de equivalenten van de oorspronkelijke termen, zijn behouden. De echte esoterische benamingen kunnen niet worden gegeven, omdat ze de lezer slechts zouden verwarren. De brahmaanse leer heeft er geen equivalenten voor. Vach schijnt in veel opzichten de Chinese Kwan-Yin te benaderen, maar er is in India geen bepaalde verering van Vach onder deze naam, zoals in China wel van Kwan-Yin. Geen enkel exoterisch religieus stelsel heeft ooit een vrouwelijke schepper aanvaard en daarom werd de vrouw vanaf het eerste opkomen van volksreligies als de mindere van de man beschouwd en behandeld. Alleen in China en Egypte werden Kwan-Yin en Isis op één lijn gesteld met de mannelijke goden. De esoterie negeert de beide seksen. Haar hoogste godheid is even geslachtloos als vormloos, noch vader noch moeder, en haar eerste gemanifesteerde wezens, zowel hemelse als aardse, worden alleen maar geleidelijk androgyn en scheiden zich tenslotte in verschillende seksen.
  2. Zie ‘The Theosophist’ van februari 1887, blz. 305, de eerste lezing over de Bhagavad-gita.
  3. De spreker zegt op blz. 306: ‘De evolutie begint door de verstandelijke energie van de logos, en niet alleen maar tengevolge van de mogelijkheden die in Mulaprakriti liggen besloten. Dit licht van de logos is de schakel . . . tussen de objectieve stof en de subjectieve gedachte van Eswara (of logos). In verschillende boeddhistische boeken wordt het fohat genoemd. Het is het ene werktuig waarmee de logos werkt.’
  4. Madhya noemt men iets, waarvan het begin en het einde onbekend zijn, en para betekent oneindig. Al deze uitdrukkingen hebben betrekking op oneindigheid en de indeling van de tijd.
  5. Van het Sanskriet laya, het punt waarop iedere differentiatie van de stof heeft opgehouden.
  6. ‘Fohat’ heeft verschillende betekenissen. (Zie Stanza V, Toelichting en hieronder.) Hij wordt de ‘bouwer van de bouwers’ genoemd, omdat de kracht die hij verpersoonlijkt, onze zevenvoudige keten heeft gevormd.
  7. De schimmen van onze voorhistorische voorouders zouden dit compliment kunnen terugspelen naar de hedendaagse natuurkundigen, nu nieuwe ontdekkingen in de scheikunde de heer Crookes F.R.S. ertoe hebben gebracht toe te geven, dat de wetenschap nog duizend mijl is verwijderd van de kennis van de samengestelde aard van de eenvoudigste molecule. Wij vernemen van hem dat zoiets als een werkelijk eenvoudige geheel homogene molecule in de scheikunde terra incognita is. ‘Waar moeten we de grenslijn trekken?’ vraagt hij; ‘is er geen uitweg uit deze verwarring? Moeten we òf het elementaire onderzoek zo streng maken, dat maar 60 of 70 kandidaten daar doorkomen, òf moeten we de deuren van het onderzoek zo wijd openzetten, dat het aantal toegelatenen alleen door het aantal aanvragers wordt beperkt?’ En dan geeft de geleerde heer treffende voorbeelden. Hij zegt: ‘Neem het geval van yttrium. Het heeft zijn bepaalde atoomgewicht, het gedroeg zich in elk opzicht als een enkelvoudige stof, een element waaraan we wel iets kunnen toevoegen, maar waarvan we niets konden afnemen. Als echter dit yttrium, dit veronderstelde homogene geheel, wordt onderworpen aan een bepaalde methode van splitsing, wordt het ontleed in delen, die onderling niet volkomen identiek zijn en die een gradatie van eigenschappen vertonen. Of neem het geval van didymium. We hadden hier een stof, die alle erkende eigenschappen van een element vertoonde. Zij was met veel moeite gescheiden van andere stoffen, die haar in hun eigenschappen dicht benaderden, en tijdens dit kritieke procédé was zij onderworpen aan een heel zorgvuldige behandeling en een nauwgezette bestudering. Maar toen kwam een andere scheikundige, die deze homogeen veronderstelde stof behandelde met een bijzonder procédé van splitsing en deze ontleedde in de twee stoffen praseodymium en neodymium, waartussen bepaalde verschillen zijn waar te nemen. Bovendien hebben wij zelfs nu geen zekerheid, dat neodymium en praseodymium enkelvoudige stoffen zijn. Integendeel, ook zij vertonen symptomen van splitsing. Wanneer wij nu vinden dat één verondersteld element bij juiste behandeling ongelijke moleculen bevat, hebben wij beslist het recht te vragen of dergelijke resultaten niet kunnen worden verkregen bij andere elementen, misschien bij alle elementen, als ze op de goede manier worden behandeld. We kunnen zelfs vragen waar het verdeelproces zal ophouden – een proces dat natuurlijk verschillen vooronderstelt tussen de individuele moleculen van iedere soort. En bij deze opeenvolgende scheidingen vinden we natuurlijk stoffen die elkaar steeds dichter benaderen.’ (Toespraak van de voorzitter voor de Royal Society of Chemists, maart 1888.)
  8. Dit wordt door dezelfde geleerde in de aangehaalde voordracht nog eens bevestigd; hij citeert Clerk Maxwell, die zegt ‘dat de elementen niet absoluut homogeen zijn’. Hij schrijft: ‘Het is moeilijk zich een selectie en een eliminatie van tussensoorten voor te stellen, want waar kunnen deze geëlimineerde moleculen zijn gebleven, indien – wij hebben namelijk redenen om dit te geloven – de waterstof, enz. van de vaste sterren bestaat uit moleculen die in alle opzichten met de onze identiek zijn.’ En hij voegt eraan toe: ‘In de eerste plaats kunnen we deze absolute moleculaire identiteit in twijfel trekken, want we hebben tot dusver geen andere middelen gehad om tot een conclusie te komen, dan door de spectroscoop worden verschaft, terwijl men erkent dat, om de spectra van twee lichamen nauwkeurig te vergelijken en te onderscheiden, deze moeten worden onderzocht onder gelijke omstandigheden van temperatuur, druk en alle andere fysische voorwaarden. We hebben ongetwijfeld in het spectrum van de zon stralen gezien die we niet hebben kunnen identificeren.’
  9. ‘Iedere wereld heeft haar fohat, die in zijn eigen sfeer van actie alomtegenwoordig is. Maar er zijn evenveel fohats als werelden, die alle in vermogen en graad van manifestatie verschillen. De individuele fohats vormen samen één universele collectieve fohat – de entiteit als aspect van de ene absolute niet-entiteit, die absoluut Zijn, ‘SAT’ is. Miljoenen en miljarden werelden worden in elk manvantara voortgebracht’, wordt er gezegd. Daarom moeten er veel fohats zijn, die we beschouwen als bewuste en intelligente krachten, ongetwijfeld tot ergernis van wetenschappelijke denkers. Niettemin beschouwen de occultisten, die daar goede redenen voor hebben, alle krachten van de Natuur als werkelijke, hoewel bovenzinnelijke toestanden van de stof, en als mogelijke objecten van waarneming voor wezens die de daarvoor vereiste zintuigen bezitten.
  10. Als zo’n denkbeeldige scheikundige intuïtief was ingesteld, en voor een ogenblik evenals de oude alchemisten uit de sleur van de strikt ‘exacte wetenschap’ zou stappen, dan zou hij mogelijk voor zijn durf worden beloond.
  11. Wie de trage zuurstof zou omzetten in haar allotropische toestand van ozon met een bepaalde mate van alchimistische werkzaamheid, door haar terug te brengen tot haar zuivere essentie (daartoe bestaan middelen), zou daardoor een vervanging voor een ‘levenselixer’ ontdekken en dit voor praktisch gebruik gereedmaken.
  12. Noot vert. De term ‘ring’ wordt soms door theosofen gebruikt als synoniem voor ‘cyclus’, hetzij kosmisch, hetzij geologisch, metafysisch of in andere zin. (Zie H.P.B., The Theosophical Glossary, Londen 1892.)
  13. Volgens brahmaanse berekeningen een periode van 311.040.000.000.000 jaar.
  14. Zie ‘Scientific Arena’, een maandblad gewijd aan hedendaagse filosofische leringen en de invloed daarvan op het religieuze denken van deze tijd, New York. Redacteur: A. Wilford Hall, Ph. D., LL. D. (Juli, augustus en september 1886.)
  15. Dit is volgens ons de naam die door Keely uit Philadelphia is gegeven aan wat hij noemt de ‘etherische centra’. Keely is de uitvinder van de beroemde ‘motor’ die, zoals zijn bewonderaars hoopten, was bestemd om een omwenteling in de wereld te veroorzaken op het punt van de motorische kracht.
  16. De maan is alleen maar dood voor zover het haar innerlijke ‘beginselen’ betreft, dus psychisch en geestelijk, hoe vreemd deze uitspraak ook schijnt. Stoffelijk is zij als een half verlamd lichaam. In het occultisme noemt men haar terecht de ‘waanzinnige moeder’, de grote maanzieke in de sterrenwereld.
  17. Het geval van Uranus en Neptunus – waarvan de satellieten, respectievelijk vier en één, zoals men dacht in hun banen van oost naar west draaiden, terwijl alle andere satellieten van west naar oost rondgaan – is een heel goed voorbeeld, omdat het laat zien hoe onbetrouwbaar alle a priori speculaties zijn, zelfs als ze zijn gebaseerd op strikt wiskundige analyse. De beroemde door Kant en Laplace opgestelde hypothese over de vorming van ons zonnestelsel uit nevelringen was in hoofdzaak gebaseerd op het bovengenoemde feit, dat alle planeten in dezelfde richting ronddraaiden. Op basis van dit feit, dat in de tijd van Laplace wiskundig werd aangetoond, was deze grote astronoom bereid op grond van de waarschijnlijkheidsrekening, drie miljard tegen één te wedden dat de volgende te ontdekken planeet in haar stelsel dezelfde eigenschap zou vertonen van beweging in oostelijke richting. De onveranderlijke wetten van de wetenschappelijke wiskunde werden ‘omvergeworpen door verdere proefnemingen en waarnemingen’, zei men toen. Dit denkbeeld, dat Laplace een fout heeft gemaakt, wordt tot op heden aanvaard; maar enkele sterrenkundigen zijn er tenslotte in geslaagd aan te tonen(?) dat de fout lag in het feit dat men de bewering van Laplace als een vergissing had beschouwd, en er worden nu stappen gedaan om zonder de algemene aandacht te trekken de flater te herstellen. Men kan nog veel meer van zulke onaangename verrassingen verwachten, zelfs bij hypothesen van zuiver natuurkundige aard. Welke andere ontgoochelingen kunnen er dan nog liggen in vragen van transcendentale, occulte aard? In ieder geval leert het occultisme dat de zogenaamde ‘teruggaande rotatie’ een feit is.
  18. De occultisten, die het volste vertrouwen hebben in hun eigen nauwkeurige verslagen, zowel astronomische als wiskundige, berekenen de ouderdom van de mensheid en verklaren dat deze (in gescheiden seksen verdeeld) in deze Ronde precies 18.618.727 jaar heeft bestaan, zoals de brahmaanse leringen en zelfs enige hindoekalenders aangeven.
  19. ‘Esoteric Buddhism’ en ‘Man’.

De Geheime Leer 1:166-182

© 1988 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag