Theosophical University Press Agency

pagina achteruit Inhoud deel 1 pagina vooruit

Stanza 6

1. Door de kracht van de moeder van mededogen en kennis (a), Kuan-yin1, de ‘triade’ Kuan-shih-yin, die woont in Kuan-yin-tien (b), doet fohat, de adem van hun nageslacht, de zoon van de zonen, nadat deze uit de diepste afgrond (chaos) de schijnvorm had opgeroepen van hsien-chan (ons heelal) en de zeven elementen, het volgende:

(a) De moeder van mededogen en kennis wordt ‘de triade’ Kuan-shih-yin genoemd, omdat ze in haar metafysische en kosmische betrekkingen de ‘moeder, de vrouw en de dochter’ van de logos is, zoals ze in de latere theologische vertalingen ook ‘de vader, de zoon en (de vrouwelijke) heilige geest’ – de sakti of energie – werd, de essentie van de drie. In de esoterie van de Vedanta is daiviprakriti, het door Isvara – de logos – gemanifesteerde licht, tegelijk de moeder en de dochter van de logos, of het woord, van parabrahman.2 In de esoterie van de leringen van over de Himalaya is ze echter – in de hiërarchie van de allegorische en metafysische theogonie – ‘de moeder’ of abstracte ideële stof, mulaprakriti, de wortel van de natuur; metafysisch gezien staat ze in verband met adi-bhuta, gemanifesteerd in de logos, Avalokitesvara; en vanuit een zuiver occult en kosmisch standpunt met fohat3, de ‘zoon van de zonen’, de androgyne energie die voortkomt uit dit ‘licht van de logos’, en die zich op het gebied van het objectieve heelal manifesteert als de verborgen en ook als de zichtbaar gemaakte elektriciteit – die het leven is.

(b) Kuan-yin-tien betekent de ‘melodieuze hemel van het geluid’, de verblijfplaats van Kuan-yin, of letterlijk de ‘goddelijke stem’. Deze ‘stem’ is een synoniem van het verbum of het woord: ‘spraak’, als de uitdrukking van het denken. Zo kan men het verband nagaan met, en zelfs de oorsprong van, de Hebreeuwse Bath-Kol, de ‘dochter van de goddelijke stem’, of verbum, of de mannelijke en vrouwelijke logos, de ‘hemelse mens’ of Adam-Kadmon, die tegelijkertijd Sefira is. Laatstgenoemde werd ongetwijfeld voorafgegaan door Vach van de hindoes, de godin van de spraak, of van het woord. Want Vach – over wie wordt gezegd dat ze de dochter en het vrouwelijke deel van Brahma is, een ‘door de goden voortgebrachte’ – is samen met Kuan-yin, Isis (ook de dochter, vrouw en zuster van Osiris) en andere godinnen, als het ware de vrouwelijke logos, de godin van de actieve krachten in de natuur, het woord, de stem of het geluid, en de spraak. Als Kuan-yin de ‘melodieuze stem’ is, dan is Vach dit ook; ‘de melodieuze koe van wie de melk levensonderhoud en water gaf’ (het vrouwelijke beginsel) – ‘die ons voedsel en levensonderhoud biedt’, zoals moeder natuur. Ze is bij het scheppingswerk verbonden met de prajapati’s. Ze is naar keuze mannelijk en vrouwelijk, evenals Eva en Adam. En ze is een vorm van aditi – het beginsel dat hoger staat dan ether – in akasa, de synthese van alle natuurkrachten. Zo zijn Vach en Kuan-yin beide het magische vermogen van occult geluid in de natuur en de ether – de ‘stem’ die hsien-chan, de bedrieglijke vorm van het heelal, uit de chaos en de zeven elementen tevoorschijn roept.

Zo ziet men in Manu dat Brahma (ook de logos) zijn lichaam in twee stukken verdeelt, een mannelijk en een vrouwelijk, en dat hij in het laatstgenoemde, dat Vach is, Viraj schept, die hij zelf is, of opnieuw Brahma. Op deze manier spreekt een geleerde Vedanta-occultist over die ‘godin’, en verklaart waarom Isvara (of Brahma) het verbum of de logos wordt genoemd; waarom hij in feite Sabda-Brahman wordt genoemd:

De uitleg die ik u ga geven, zal u volkomen mystiek toeschijnen, maar is niettemin van enorme betekenis als hij goed wordt begrepen. Onze oude schrijvers zeiden dat er vier soorten Vach zijn [zie de Rig-Veda en de Upanishads]. . . . Vaikhari-Vach is wat we uitspreken. Elke soort Vaikhari-Vach bestaat in haar madhyama-, verder in haar pasyanti-, en ten slotte in haar para-vorm.4 Deze pranava wordt Vach genoemd, omdat de vier beginselen van de grote kosmos met deze vier vormen van Vach corresponderen. Het hele gemanifesteerde zonnestelsel bestaat in zijn sukshma-vorm in dit licht of deze energie van de logos, omdat het beeld ervan wordt opgevangen en overgebracht op kosmische stof. . . . De hele kosmos in zijn objectieve vorm is Vaikhari-Vach, het licht van de logos is de madhyama-vorm, en de logos zelf de pasyanti-vorm, en parabrahman is de para-vorm of het para-aspect van die Vach. We moeten bepaalde uitspraken van verschillende filosofen, die erop neerkomen dat de gemanifesteerde kosmos het woord is dat als kosmos is gemanifesteerd, in het licht van deze uitleg proberen te begrijpen.5

Stanza 6 – vervolg

2. De snelle en stralende brengt de zeven laya-centra6 (a) voort, waarover niemand meester zal zijn tot de grote dag ‘wees met ons’, en hij grondvest het heelal op deze eeuwige fundamenten, terwijl hij hsien-chan omringt met de elementaire kiemen (b).

(a) De zeven laya-centra zijn de zeven nulpunten, waarbij we het woord nul – op eenzelfde manier als scheikundigen – gebruiken om een punt aan te geven waar volgens de esoterie differentiatie begint. Vanuit deze centra – waarachter de esoterische filosofie ons de vage metafysische contouren laat waarnemen van de ‘zeven zonen’ van leven en licht, de zeven logoi van de hermetische en alle andere filosofen – begint de differentiatie van de elementen die deel gaan uitmaken van de samenstelling van ons zonnestelsel. Er is vaak gevraagd hoe fohat precies moet worden gedefinieerd en wat zijn vermogens en functies zijn, want het lijkt alsof hij die van een persoonlijke god uitoefent, zoals opgevat in de volksreligies. Het antwoord is hierboven gegeven in de toelichting op stanza 5. Zoals in de lezingen over de Bhagavad Gita terecht wordt gezegd: ‘De hele kosmos moet wel bestaan in de ene bron van energie waaruit dit licht [fohat] emaneert.’7 Of we nu zeven of slechts vier beginselen in de kosmos en in de mens onderscheiden, er zijn zeven krachten van en in de fysieke natuur; en dezelfde autoriteit verklaart dat ‘prajña, of het vermogen om waar te nemen, bestaat uit zeven verschillende aspecten die overeenkomen met de zeven toestanden van de stof’. Want ‘evenals een mens is samengesteld uit zeven beginselen, bestaat gedifferentieerde stof in het zonnestelsel in zeven verschillende toestanden’.8 Dat geldt ook voor fohat9. Hij is één en zeven, en staat op kosmisch gebied achter alle manifestaties zoals licht, warmte, geluid, adhesie, enz., en is de ‘geest’ van elektriciteit, die het leven van het heelal is. Als abstractie noemen we hem het ene leven; als objectieve en zichtbare werkelijkheid spreken we van een zevenvoudige ladder van manifestatie, die op de bovenste sport begint met de ene onkenbare oorzakelijkheid, en eindigt als alomtegenwoordig denkvermogen en leven dat in elk atoom van de stof woont. Terwijl dus de wetenschap spreekt over haar evolutie door redeloze stof, blinde kracht, en doelloze beweging, wijzen de occultisten op een intelligente wet en een bewust leven, en voegen eraan toe dat fohat de leidende geest van dit alles is. Toch is hij in het geheel geen persoonlijke god, maar de emanatie van die andere achter hem staande machten, die de christenen de ‘boodschappers’ van hun God noemen (die in werkelijkheid slechts de elohim is, of beter gezegd een van de zeven scheppers die elohim worden genoemd), en wij de ‘boodschapper van de oorspronkelijke zonen van leven en licht’.

(b) De ‘elementaire kiemen’ waarmee hij hsien-chan (het ‘heelal’) vult uit tien-hsin (letterlijk de ‘hemel van het denkvermogen’, of dat wat absoluut is), zijn de atomen van de wetenschap en de monaden van Leibniz.

Stanza 6 – vervolg

3. Van de zeven (elementen) – eerst één gemanifesteerd, zes verborgen; twee gemanifesteerd, vijf verborgen; drie gemanifesteerd, vier verborgen; vier voortgebracht, drie verscholen; vier en een tsan (gedeelte) onthuld, tweeënhalf verborgen; zes nog te manifesteren, één terzijde gelegd (a). Ten slotte zeven wentelende kleine wielen, waarvan het ene het andere voortbrengt (b).

(a) Hoewel deze stanza’s betrekking hebben op het gehele heelal na een mahapralaya (algehele vernietiging), heeft deze zin toch, zoals iedere onderzoeker van het occultisme kan zien, ook bij analogie betrekking op de evolutie en de uiteindelijke vorming van de oorspronkelijke (hoewel samengestelde) zeven elementen op onze aarde. Hiervan zijn nu vier elementen volledig gemanifesteerd, terwijl het vijfde – ether – dit maar gedeeltelijk is, omdat we nog nauwelijks in de tweede helft van de vierde ronde zijn; daarom zal het vijfde element zich pas in de vijfde ronde geheel manifesteren. De werelden, waaronder de onze, werden natuurlijk als kiemen oorspronkelijk ontwikkeld uit het ene element in zijn tweede stadium (‘vader-moeder’, de ziel van de gedifferentieerde wereld, niet wat Emerson de ‘overziel’ noemt), of we dit nu evenals de moderne wetenschap kosmisch stof en vuurnevel noemen, dan wel volgens het occultisme: akasa, jivatman, goddelijk astraal licht, of de ‘ziel van de wereld’. Maar dit eerste evolutiestadium werd na verloop van tijd gevolgd door het volgende. Geen wereld, en geen hemellichaam, kon op het objectieve gebied worden opgebouwd, als de elementen niet al voldoende waren gedifferentieerd uit hun oorspronkelijke, in laya rustende, ilus. De term ‘laya’ is een synoniem van nirvana, en betreft in feite het nirvanische uiteenvallen van alle substanties die na een levenscyclus zijn opgegaan in de sluimer van hun oorspronkelijke toestand. Het is de lichtgevende maar onbelichaamde schaduw van de stof die was, het rijk van passiviteit, waarin de actieve krachten van het heelal tijdens hun rustperiode sluimeren.

Nu we spreken over elementen: de Ouden wordt vaak verweten dat ze ‘veronderstelden dat hun elementen enkelvoudig waren en niet te ontleden.10 Ook dit is een niet te rechtvaardigen bewering. In ieder geval kunnen hun ingewijde filosofen moeilijk hiervan worden beschuldigd, want zij zijn het die vanaf het begin allegorieën en religieuze mythen hebben bedacht. Als ze onbekend waren geweest met de heterogeniteit van hun elementen, dan zouden ze vuur, lucht, water, aarde, en aether niet hebben verpersoonlijkt; hun kosmische goden en godinnen zouden nooit zijn gezegend met zo’n nageslacht, met zoveel zonen en dochters, elementen geboren uit en binnen ieder afzonderlijk element. Alchemie en occulte verschijnselen zouden zelfs in theorie hersenschimmen en valstrikken zijn geweest, als de Ouden niets hadden geweten van de vermogens en wisselwerkingen en eigenschappen van alle elementen die deel uitmaken van de samenstelling van lucht, water, aarde, en zelfs vuur. Laatstgenoemde is tot nu toe een terra incognita voor de moderne wetenschap, die genoodzaakt is het beweging, ontwikkeling van licht en warmte, of toestand van ontbranding, te noemen; kortom, het te definiëren aan de hand van zijn uiterlijke aspecten, terwijl ze onbekend blijft met zijn werkelijke aard. Maar wat de moderne wetenschap niet schijnt te beseffen is dat, hoe gedifferentieerd die enkelvoudige scheikundige atomen misschien ook zijn geweest – de oude filosofie noemde deze atomen ‘de scheppers van hun respectieve ouders’, vaders, broers, echtgenoten van hun moeders, en die moeders de dochters van haar eigen zonen, bijvoorbeeld Aditi en Daksha – hoe gedifferentieerd die elementen in het begin misschien ook waren, ze toch niet de aan de wetenschap bekende samengestelde stoffen waren die ze nu zijn. Noch water, noch lucht, noch aarde (een synoniem voor vaste stoffen in het algemeen) bestonden in hun tegenwoordige vorm, als vertegenwoordigers van de enige drie toestanden van de stof die de wetenschap erkent. Want al deze – zelfs vuur – zijn voortbrengselen die al zijn gerecombineerd door de atmosferen van volledig gevormde bollen, zodat ze in de eerste perioden van de vorming van de aarde iets met een geheel eigen aard waren. Nu de voorwaarden en wetten die ons zonnestelsel beheersen volledig zijn ontwikkeld, en de atmosfeer van onze aarde en ook die van elke andere bol bij wijze van spreken een eigen smeltkroes is geworden, vindt er volgens de occulte wetenschap in de ruimte een voortdurende uitwisseling plaats van moleculen, of beter gezegd van atomen, die met elkaar in wisselwerking staan, en zo equivalente combinaties vormen die op elke planeet weer anders zijn. Onder de grootste natuur- en scheikundigen zijn enkele wetenschappers die dit feit beginnen te vermoeden, dat aan de occultisten al eeuwenlang bekend is geweest. De spectroscoop laat alleen de waarschijnlijke overeenkomst zien (gebaseerd op uiterlijke gegevens) van aardse en sterrenstof; hij kan niet verder gaan, noch aantonen of de atomen elkaar volgens de natuur- en scheikunde op dezelfde manier en onder gelijke omstandigheden aantrekken als ze op onze planeet geacht worden te doen. Men kan zich voorstellen dat de temperatuurschaal, van de hoogste tot de laagste denkbare graad, één en dezelfde is in en voor het gehele heelal; niettemin verschillen haar eigenschappen, behalve die van ontbinding en verbinding, op elke planeet. Zo nemen atomen nieuwe bestaansvormen aan, waarvan de natuurkunde nooit heeft gedroomd, en die voor haar onkenbaar zijn. De essentie van komeetstof vertoont bijvoorbeeld ‘heel andere schei- of natuurkundige eigenschappen dan die waarmee de grootste scheikundigen en natuurkundigen van de aarde bekend zijn’.11 En zelfs die stof ondergaat tijdens een snelle doorgang door onze atmosfeer een bepaalde verandering van aard. Zo verschillen dus niet alleen de elementen van onze planeten maar zelfs die van al haar zusters in het zonnestelsel in hun verbindingen evenveel van elkaar als van de kosmische elementen buiten de grenzen van ons zonnestelsel.12 Ze kunnen dus niet als maatstaf worden genomen om dezelfde elementen in andere werelden mee te vergelijken.13 Elk atoom wordt in zijn maagdelijke oertoestand bewaard in de schoot van de eeuwige moeder, maar als het buiten de grenzen van haar gebied wordt geboren, is het veroordeeld tot onophoudelijke differentiatie. ‘De moeder slaapt, toch ademt ze voortdurend.’ En elke ademtocht zendt haar proteïsche voortbrengselen uit naar het gebied van manifestatie, waar ze, meegevoerd door de uitstromende golf, door fohat worden verspreid, en naar of voorbij de ene of de andere planetaire atmosfeer worden gedreven. Als het atoom eenmaal door laatstgenoemde is gevangen, is het verloren; zijn oorspronkelijke zuiverheid is voor altijd verdwenen, tenzij het lot het van die atmosfeer losmaakt door het te voeren naar ‘een uitvloeiende stroom’ (een occulte uitdrukking die een heel ander proces aanduidt dan dat wat met die uitdrukking gewoonlijk wordt bedoeld). In dat geval kan het opnieuw naar het grensland worden gevoerd waar het was omgekomen, en door een vlucht, niet naar de ruimte boven maar naar de ruimte binnenin, zal het in een toestand van differentieel evenwicht worden gebracht en weer vrolijk worden opgenomen. Als een werkelijk geleerde occultist-alchemist het ‘leven en de avonturen van een atoom’ zou beschrijven, dan zou hij zich daardoor beslist de diepe minachting van een hedendaagse scheikundige op de hals halen, maar later misschien ook zijn dankbaarheid.14 Hoe dan ook, ‘De adem van de vader-moeder komt koud en stralend naar buiten en wordt heet en bedorven, om opnieuw af te koelen, en in de eeuwige schoot van de innerlijke ruimte te worden gezuiverd’, zegt de Toelichting. De mens neemt op de bergtop koude zuivere lucht op, en stoot die onzuiver, heet en veranderd uit. Omdat van elke bol de hogere dampkring de mond is en de lagere de longen zijn, ademt de mens van onze planeet slechts het afval van de ‘moeder’ in; daarom ‘is hij gedoemd erop te sterven’.15

(b) Het proces dat wordt omschreven als ‘de kleine wielen, waarvan het ene het andere voortbrengt’, vindt plaats op het zesde gebied van bovenaf, en op het gebied van de meest stoffelijke wereld in de gemanifesteerde kosmos – ons aardse gebied. Deze ‘zeven wielen’ zijn onze planeetketen (zie de toelichtingen op sloka’s 5 en 6). Met ‘wielen’ worden in het algemeen de verschillende sferen en krachtcentra bedoeld, maar in dit geval hebben ze betrekking op onze zevenvoudige ring.

Stanza 6 – vervolg

4. Hij bouwt ze naar het voorbeeld van oudere wielen (werelden), en plaatst ze op de onvergankelijke centra (a).

Hoe bouwt fohat ze? Hij verzamelt het vurige stof. Hij maakt ballen van vuur, schiet erdoorheen en eromheen, terwijl hij ze leven inblaast, en brengt ze dan in beweging, sommige in de ene richting, andere in de andere richting. Ze zijn koud, hij maakt ze heet. Ze zijn droog, hij maakt ze vochtig. Ze stralen, hij waait ze koelte toe en laat ze afkoelen (b).

Zo werkt fohat van de ene schemering tot de andere, zeven eeuwigheden lang.16

(a) De werelden worden gebouwd ‘naar het voorbeeld van oudere wielen’, d.w.z. van de wielen die in voorafgaande manvantara’s bestonden en in pralaya zijn gegaan, omdat de wet voor de geboorte, de groei, en het verval van alles in de kosmos, van de zon tot de glimworm in het gras, één is. Bij elk nieuw verschijnen is het een eeuwigdurend werk van vervolmaking, maar de substantie-stof en de krachten zijn alle één en dezelfde. Maar deze wet werkt op elke planeet door allerlei kleinere wetten. De ‘onvergankelijke laya-centra’ zijn van groot belang, en hun betekenis moet volledig worden begrepen als men een helder begrip wil hebben van de oude kosmogonie, waarvan de theorieën nu in het occultisme zijn opgenomen. Eén ding kan nu al worden gezegd. De werelden worden niet op of boven, noch in de laya-centra gebouwd, want het nulpunt is een toestand, en niet een of ander wiskundig punt.

(b) Men moet bedenken dat fohat, de constructieve kracht van de kosmische elektriciteit, evenals Rudra aan Brahma, ‘aan het brein van de vader en de schoot van de moeder’ is ontsprongen, zoals men in beeldspraak zegt, en zich daarna heeft gemetamorfoseerd in een mannelijk en een vrouwelijk beginsel, dat wil zeggen een polariteit, in positieve en negatieve elektriciteit. Hij heeft zeven zonen die zijn broeders zijn; en fohat is genoodzaakt telkens opnieuw geboren te worden, als twee van zijn zoon-broeders in te nauw contact met elkaar komen – of dit nu een omhelzing of een gevecht is. Om dit te vermijden bindt en verenigt hij degenen van ongelijksoortige aard, en scheidt die met een gelijksoortig temperament. Zoals iedereen kan zien, heeft dit natuurlijk betrekking op elektriciteit die door wrijving is opgewekt, en op de wet van aantrekking tussen twee voorwerpen van ongelijke, en van afstoting tussen objecten van gelijke polariteit. De zeven ‘zoon-broeders’ vertegenwoordigen en verpersoonlijken echter de zeven vormen van kosmisch magnetisme die in het praktisch occultisme de ‘zeven radicalen’ worden genoemd, waarvan de samenwerkende en actieve nakomelingen diverse soorten energie zijn, onder andere elektriciteit, magnetisme, geluid, licht, warmte, cohesie, enz. De occulte wetenschap omschrijft deze in hun verborgen werkingen alle als bovenzinnelijke gevolgen, en in de wereld van zintuiglijke waarneming als objectieve verschijnselen. Om eerstgenoemde waar te nemen, zijn abnormale vermogens nodig; voor laatstgenoemde, onze gewone fysieke zintuigen. Ze behoren alle tot, en zijn de uitstralingen van, nog bovenzinnelijker spirituele eigenschappen – niet verpersoonlijkt door, maar behorend tot, werkelijke en bewuste oorzaken. Het zou erger dan nutteloos zijn te proberen van zulke entiteiten een beschrijving te geven. De lezer moet bedenken dat volgens onze leer, die dit heelal van verschijnselen als een grote illusie beschouwt, een lichaam meer nadert tot de werkelijkheid naargelang het zich dichter bij de onbekende substantie bevindt, omdat het dan verder afstaat van deze wereld van maya. Hoewel dus de moleculaire samenstelling van hun lichamen niet is af te leiden uit hun manifestaties op dit bewustzijnsgebied, bezitten ze niettemin (gezien vanuit het standpunt van de adept-occultist) in het relatief noumenale heelal – in tegenstelling tot het heelal van verschijnselen – een karakteristieke objectieve, zo niet een stoffelijke structuur. De wetenschappers kunnen ze door stof voortgebrachte kracht of krachten noemen, of hun ‘bewegingsvormen’, als ze dat willen; het occultisme ziet in deze gevolgen ‘elementalen’ (krachten), en in de directe oorzaken die ze teweegbrengen, intelligente goddelijke werkers. Het nauwe verband van deze elementalen (geleid door de feilloze hand van de bestuurders) – hun wisselwerkingen zouden we kunnen zeggen – met de elementen van zuivere stof, heeft onze aardse verschijnselen, zoals licht, warmte, magnetisme, enz., tot gevolg.

We zullen het natuurlijk nooit eens worden met de Amerikaanse substantialisten,17 die elke kracht en energie – licht, warmte, elektriciteit of cohesie – een ‘entiteit’ noemen, want dit zou hetzelfde zijn als dat we het lawaai van het ratelen van de wielen van een voertuig een entiteit zouden noemen, en zo dat ‘lawaai’ zouden verwarren en vereenzelvigen met de bestuurder op, en de leidende meester-intelligentie in het voertuig. Maar we geven die naam beslist aan de ‘bestuurders’ en aan die leidende intelligenties – de heersende dhyani-chohans, zoals we hebben gezien. De ‘elementalen’, of natuurkrachten, zijn de werkende, hoewel onzichtbare of beter gezegd niet waarneembare, secundaire oorzaken en zelf weer de gevolgen van primaire oorzaken achter de sluier van alle aardse verschijnselen. Elektriciteit, licht, warmte, enz., heten terecht de ‘geesten of schaduwen van stof in beweging’, d.w.z. bovenzinnelijke toestanden van de stof, waarvan wij slechts de gevolgen kunnen waarnemen. Om de hierboven gegeven vergelijking verder uit te werken: de gewaarwording van licht is zoals het geluid van ratelende wielen zuiver het gevolg van een verschijnsel, dat geen bestaan heeft buiten de waarnemer. De onmiddellijke oorzaak van de gewaarwording is te vergelijken met de bestuurder – een bovenzinnelijke toestand van stof in beweging, een natuurkracht of elementaal. Maar zoals de eigenaar van het rijtuig van binnenuit de bestuurder aanwijzingen geeft, staan achter die natuurkrachten de hogere en noumenale oorzaken, de intelligenties, uit de essentie van wie deze ‘moeder’toestanden uitstralen, die de talloze miljarden elementalen of psychische natuurgeesten voortbrengen, zoals iedere druppel water zijn fysieke, uiterst kleine infusoriën voortbrengt.18 Fohat regelt het overbrengen van de beginselen van de ene planeet naar de andere, van de ene ster naar een andere – de dochterster. Als een planeet sterft, worden haar bezielende beginselen overgebracht naar een laya- of slapend centrum, dat potentiële maar sluimerende energie bevat, en dat zo tot leven wordt gewekt en zich tot een nieuw hemellichaam begint te vormen.19

Het is heel opmerkelijk dat de natuurkundigen, terwijl ze hun volslagen onwetendheid over de ware aard van zelfs de aardse stof eerlijk toegeven – de oorspronkelijke substantie wordt meer als een droom dan als een nuchtere werkelijkheid beschouwd – zich niettemin een oordeel over die stof aanmatigen, en beweren te weten wat deze in verschillende samenstellingen wel en niet kan doen. De wetenschappers kennen haar (de stof) nog niet eens oppervlakkig, en toch willen ze dogmatiseren. Ze is een ‘bewegingsvorm’ en niets anders. Maar de kracht die aanwezig is in de adem van een levend mens, wanneer hij een stofje van de tafel blaast, is ontegenzeglijk ook een ‘bewegingsvorm’, en niet een eigenschap van de stof, of de deeltjes van dat stofje. Ze emaneert uit de levende en denkende entiteit die ademde, of de impuls nu bewust of onbewust ontstond. Immers, wanneer we aan de stof – iets waarover tot dusver niets bekend is – een inherente eigenschap toekennen die kracht wordt genoemd, over de aard waarvan we nog minder weten, dan creëren we een veel groter probleem dan wanneer we aannemen dat onze ‘natuurgeesten’ bij elk natuurverschijnsel een rol spelen.

De occultisten, die – als ze zich precies willen uitdrukken – niet zeggen dat de stof, maar alleen de substantie of essentie van de stof (d.w.z. de wortel van alles, mulaprakriti), onvernietigbaar en eeuwig is, beweren dat alle zogenaamde natuurkrachten, elektriciteit, magnetisme, licht, warmte, enz., beslist geen bewegingsvormen van stofdeeltjes zijn, maar dat ze in wezen, d.w.z. in hun uiteindelijke samenstelling, de gedifferentieerde aspecten zijn van die universele beweging die op de eerste bladzijden van dit deel (zie de Proloog) wordt besproken en verklaard. Als men zegt dat fohat ‘zeven laya-centra’ voortbrengt, betekent dit dat de grote wet (theïsten noemen die misschien God) voor vormgevende of scheppende doeleinden haar eeuwigdurende beweging op zeven onzichtbare punten binnen het gemanifesteerde heelal laat ophouden of, beter gezegd, wijzigt. ‘De grote adem graaft door de ruimte heen zeven gaten in laya, om die tijdens het manvantara te laten ronddraaien’ (Occulte catechismus). We hebben gezegd dat laya is wat de wetenschap het nulpunt of de nullijn zou kunnen noemen – het rijk van absolute passiviteit, of de ene werkelijke absolute kracht, het noumenon van de zevende toestand van dat wat we in onze onwetendheid ‘kracht’ noemen en als zodanig erkennen; of ook wel het noumenon van de ongedifferentieerde kosmische substantie, die zelf een onbereikbaar en onkenbaar object is voor begrensde waarneming; de wortel en de basis van alle objectieve en subjectieve toestanden; de neutrale as, niet een van de vele aspecten, maar de kern ervan. Men kan de betekenis verduidelijken als men probeert zich een neutrale kern voor te stellen – de droom van de zoekers naar een eeuwigdurende beweging. Een ‘neutrale kern’ is in een bepaald opzicht het grenspunt van een gegeven stel zintuigen. Stel u daarom twee opeenvolgende gebieden van reeds gevormde stof voor, die elk corresponderen met een passend stel waarnemingsorganen. We moeten erkennen dat tussen deze twee gebieden van stof een onophoudelijke circulatie plaatsvindt, en als we de atomen en moleculen van (zeg) het laagste gebied volgen bij hun transformatie in opgaande richting, dan zullen deze op een punt komen waarop ze geheel buiten het bereik vallen van de vermogens die we op het lagere gebied gebruiken. In feite verdwijnt daar de stof van het lagere gebied voor onze waarneming in het niet – of, beter gezegd, ze gaat over naar het hogere gebied; en de toestand van de stof die correspondeert met zo’n punt van overgang moet ongetwijfeld bijzondere en niet gemakkelijk te ontdekken eigenschappen bezitten. Fohat brengt ‘zeven’ van ‘zulke neutrale kernen’20 voort, en zet de stof tot activiteit en ontwikkeling aan, wanneer – zoals Milton zegt – ‘Een goede basis [is] gelegd om op te bouwen . . .’21

Het oeratoom (anu) kan niet worden verveelvoudigd, noch in zijn toestand vóór de geboorte noch als eerstgeborene; daarom wordt het ‘totaalsom’ genoemd, natuurlijk figuurlijk opgevat, omdat die ‘totaalsom’ onbegrensd is. (Zie de appendix bij dit deel.) Wat voor de natuurkundige, die alleen maar de wereld van zichtbare oorzaken en gevolgen kent, de afgrond van het niets is, is voor de occultist de grenzeloze ruimte van het goddelijk plenum. Naast vele andere bezwaren tegen de leer van een eindeloze evolutie en re-involutie (of wederopneming) van de kosmos – een proces dat volgens de brahmaanse en esoterische leer geen begin of einde heeft – wordt de occultist gezegd dat het niet zo kan zijn, omdat ‘het volgens de algemeen aanvaarde opvattingen van de hedendaagse wetenschappelijke filosofie noodzakelijk is dat de natuur ten slotte uitgeput raakt’. Indien de neiging van de natuur ‘om uitgeput te raken’ als zo’n zwaarwegend bezwaar tegen de occulte kosmogonie moet worden beschouwd, dan vragen we: ‘Hoe verklaren uw positivisten, vrijdenkers en wetenschappers dan de dichte menigte van actieve sterrenstelsels rondom ons?’ Ze hadden een eeuwigheid om ‘uitgeput te raken’; waarom is de kosmos dan niet een enorme inerte massa? Zelfs de maan wordt alleen maar volgens een hypothese voor een ‘uitgeput geraakte’ dode planeet aangezien, en de astronomie schijnt niet veel van zulke dode planeten te kennen.22 De vraag is niet te beantwoorden. Maar afgezien hiervan moet men bedenken dat de opvatting dat de hoeveelheid ‘transformeerbare energie’ in ons kleine zonnestelsel zou opraken, uitsluitend berust op de onjuiste voorstelling van een ‘witgloeiende hete zon’ die eeuwig zijn warmte de ruimte in straalt, zonder dat deze wordt aangevuld. We antwoorden hierop dat de natuur slechts uitgeput raakt en van het objectieve gebied verdwijnt om na een tijd van rust uit het subjectieve gebied opnieuw tevoorschijn te komen en zich te verheffen. Onze kosmos en onze natuur zullen slechts tot een einde komen om op een volmaakter gebied na elke pralaya te herrijzen. De stof van de oosterse filosofen is niet de ‘stof’ en de natuur van de westerse metafysici. Want wat is stof? En vooral, wat is de wetenschappelijke filosofie anders dan dat wat Kant zo toepasselijk en zo elegant omschreef als ‘de wetenschap van de grenzen aan onze kennis’? Waartoe hebben de vele pogingen van de wetenschap geleid om alle verschijnselen van het organische leven als enkel natuur- en scheikundige werkingen samen te vatten, met elkaar in verband te brengen en te omschrijven? In het algemeen tot speculaties, niet meer dan zeepbellen, die stuk voor stuk uiteenspatten vóór de wetenschappers werkelijke feiten konden ontdekken. Dit alles zou zijn vermeden, en de kennis zou enorm zijn vooruitgegaan, als de wetenschap en haar filosofie zich maar ervan hadden onthouden hypothesen te aanvaarden, uitsluitend op basis van eenzijdige kennis van hun stof.23

Als geen enkel fysiek intellect in staat is de zandkorrels te tellen die een paar kilometers zeekust bedekken, of de meest innerlijke aard en essentie van die korrels te peilen, die tastbaar en zichtbaar op de hand van de natuuronderzoeker liggen, hoe kan een materialist dan grenzen stellen aan de wetten die de bestaanswijze en omstandigheden van de atomen in de oerchaos veranderen, of iets met zekerheid weten over de vermogens en krachten van hun atomen en moleculen, vóór en nadat ze tot werelden werden geordend? Deze onveranderlijke en eeuwige moleculen – veel talrijker in de ruimte dan de zandkorrels langs de kust van de oceaan – kunnen qua samenstelling verschillen overeenkomstig hun bestaansgebieden, evenals de zielensubstantie verschilt van haar voertuig, het lichaam. Elk atoom heeft zeven gebieden van zijn of van bestaan, wordt ons geleerd; en elk gebied wordt beheerst door zijn eigen wetten van evolutie en wederopneming. Astronomen, geologen en natuurkundigen – aan wie geen enkel chronologisch gegeven bekend is dat zelfs maar bij benadering als uitgangspunt zou kunnen dienen om de leeftijd van onze planeet of de oorsprong van het zonnestelsel te bepalen – verwijderen zich bij elke nieuwe hypothese verder en verder van de kust van de feiten naar de peilloze diepten van de theoretische ontologie.24 De wet van de analogie heeft voor het bouwplan van de stelsels buiten en van de planeten binnen ons zonnestelsel niet noodzakelijk betrekking op de eindige voorwaarden waaraan elk zichtbaar lichaam op ons bestaansgebied onderworpen is. In de occulte wetenschap is deze wet de eerste en de belangrijkste sleutel tot de kosmische natuurkunde, maar ze moet tot in de kleinste bijzonderheden worden bestudeerd, en ‘zeven keer worden omgedraaid’, vóór men haar begrijpt. De occulte filosofie is de enige wetenschap die ons dat kan leren. Hoe kan men dan het al of niet waar zijn van de stelling van de occultist dat ‘de kosmos eeuwig is in zijn onvoorwaardelijke collectiviteit en alleen eindig is in zijn voorwaardelijke manifestaties’, laten afhangen van die eenzijdig op het fysieke gebaseerde uitspraak dat ‘de natuur noodzakelijk uitgeput moet raken’?

––––––––––

Met deze verzen – de vierde sloka van stanza 6 – eindigt dat gedeelte van de stanza’s dat betrekking heeft op de universele kosmogonie na de laatste mahapralaya of universele vernietiging, die, wanneer ze komt, alle gedifferentieerde dingen, zowel goden als atomen, uit de ruimte wegvaagt als evenzoveel dorre bladeren. Vanaf dit vers houden de stanza’s zich alleen bezig met ons zonnestelsel in het algemeen, en dus ook met de planeetketens daarin, en met de geschiedenis van onze bol (de vierde en zijn keten) in het bijzonder. Alle stanza’s en verzen die hier in deel 1 volgen, betreffen alleen de evolutie van en op onze aarde. Over laatstgenoemde wordt een vreemde lering aangenomen – natuurlijk alleen vreemd vanuit het standpunt van de moderne wetenschap – die we moeten bekendmaken.

Maar voordat we heel nieuwe en tamelijk verrassende theorieën aan de lezer voorleggen, moeten we kort enige toelichting geven. Dit is beslist nodig, omdat deze theorieën niet alleen met de moderne wetenschap in strijd zijn, maar ook op sommige punten met eerder gedane mededelingen door andere theosofen, die zich voor hun uitleg en weergave van deze leringen op dezelfde autoriteit beroepen als wij.25

Hierdoor kan de indruk ontstaan dat personen die dezelfde leer uitleggen elkaar duidelijk tegenspreken, terwijl het verschil in feite een gevolg is van de onvolledigheid van de informatie die is verstrekt aan eerdere schrijvers, die daardoor enkele onjuiste conclusies trokken en zich bij hun poging het publiek een volledig stelsel aan te bieden, overgaven aan voorbarige speculaties. Daarom moet de lezer die de theosofie al bestudeert, zich niet verbazen op deze bladzijden verbeteringen aan te treffen van bepaalde mededelingen uit verschillende theosofische boeken, en ook de opheldering van bepaalde punten die nog duister waren, omdat ze niet volledig konden worden meegedeeld. Er zijn veel vragen waarmee zelfs de schrijver van Esoteric Buddhism (het beste en nauwkeurigste van die boeken) zich niet heeft beziggehouden. Aan de andere kant heeft zelfs hij verschillende onjuiste opvattingen verkondigd die nu in het ware mystieke licht moeten worden gesteld, voor zover de schrijfster daartoe in staat is.

Laten we ons betoog daarom kort onderbreken tussen de zojuist verklaarde en de nog volgende sloka’s, want de kosmische tijdperken die ze scheiden, hebben een onmetelijke duur. Dit geeft ons ruim de tijd voor een overzicht in vogelvlucht van enkele punten betreffende de geheime leer, die aan het publiek zijn voorgelegd in een min of meer onzeker en soms verkeerd licht.

Noten

  1. Deze stanza is vertaald uit de Chinese tekst, en de namen, de equivalenten van de oorspronkelijke termen, zijn behouden. De echte esoterische benamingen kunnen niet worden gegeven, omdat ze de lezer slechts zouden verwarren. De brahmaanse leer heeft er geen equivalenten voor. Vach schijnt in veel opzichten de Chinese Kuan-yin te benaderen, maar er is in India geen reguliere verering van Vach onder deze naam, zoals in China wel van Kuan-yin. Geen enkel exoterisch religieus stelsel heeft ooit een vrouwelijke schepper aanvaard, en daarom werd de vrouw vanaf het eerste opkomen van volksreligies als de mindere van de man beschouwd en behandeld. Alleen in China en Egypte werden Kuan-yin en Isis op één lijn gesteld met de mannelijke goden. De esoterie negeert beide seksen. Haar hoogste godheid is evenzeer geslachtloos als vormloos, noch vader noch moeder, en haar eerste gemanifesteerde wezens, zowel hemelse als aardse, worden alleen maar geleidelijk androgyn, en scheiden zich ten slotte in verschillende seksen.
  2. The Theosophist, februari 1887, blz. 305-6, de eerste lezing over de Bhagavad Gita.
  3. Subba Row zegt: ‘De evolutie begint met de verstandelijke energie van de logos . . . niet alleen door de krachten die in mulaprakriti besloten liggen. Dit licht van de logos is de schakel . . . tussen de objectieve stof en het subjectieve denken van Isvara [of logos]. In verschillende boeddhistische boeken wordt het fohat genoemd. Het is het ene instrument waarmee de logos werkt.’ (Op.cit., blz. 306.)
  4. Madhya noemt men iets waarvan het begin en het einde onbekend zijn, en para betekent oneindig. Al deze uitdrukkingen hebben betrekking op oneindigheid en de indeling van de tijd.
  5. The Theosophist, febr. 1887, blz. 307.
  6. Van het Sanskriet laya, het punt in de stof waar elke differentiatie is opgehouden.
  7. The Theosophist, febr. 1887, blz. 307.
  8. Subba Row, ‘A personal and an impersonal God’, The Theosophist, februari 1883, blz. 105.
  9. ‘Fohat’ heeft verschillende betekenissen. (Zie stanza 5, toelichting, blz. 137ev.) Hij wordt de ‘bouwer van de bouwers’ genoemd, omdat de kracht die hij verpersoonlijkt, onze zevenvoudige keten heeft gevormd.
  10. De schimmen van onze prehistorische voorouders zouden dit compliment kunnen terugspelen naar de hedendaagse natuurkundigen, nu nieuwe ontdekkingen in de scheikunde Crookes, frs, ertoe hebben gebracht te erkennen dat de wetenschap nog duizend mijl verwijderd is van de kennis van de samengestelde aard van de eenvoudigste molecule. We vernemen van hem dat zoiets als een werkelijk eenvoudige, geheel homogene, molecule in de scheikunde terra incognita is. ‘Waar moeten we de grens trekken?’ vraagt hij; ‘is er geen uitweg uit deze verwarring? Moeten we aan het onderzoek van de elementen zo strenge eisen stellen dat maar 60 of 70 kandidaten daaraan voldoen, of moeten we de deuren van het onderzoek zo wijd openzetten dat het aantal toegelatenen alleen door het aantal aanvragers wordt beperkt?’ En dan geeft deze geleerde treffende voorbeelden. Hij zegt: ‘Neem het geval van yttrium. Het heeft zijn bepaalde atoomgewicht, het gedroeg zich in elk opzicht als een enkelvoudige stof, een element, waaraan we wel iets kunnen toevoegen, maar waarvan we niets konden afnemen. Als echter dit yttrium, dit veronderstelde homogene geheel, wordt onderworpen aan een bepaalde methode van splitsing, wordt het ontleed in delen die onderling niet volkomen identiek zijn, en die een gradatie van eigenschappen vertonen. Of neem het geval van didymium. We hadden hier een stof die alle erkende eigenschappen van een element vertoonde. Ze was met veel moeite gescheiden van andere stoffen die haar in hun eigenschappen dicht benaderden, en tijdens dit kritieke procédé was ze onderworpen aan een heel zorgvuldige behandeling en een nauwgezette bestudering. Maar toen kwam een andere scheikundige, die deze homogeen veronderstelde stof behandelde met een bijzondere splitsingsmethode, en deze ontleedde in de twee stoffen praseodymium en neodymium, waartussen bepaalde verschillen zijn waar te nemen. Bovendien hebben we zelfs nu geen zekerheid dat neodymium en praseodymium enkelvoudige stoffen zijn. Integendeel, ook zij vertonen symptomen van splitsing. Wanneer we nu vinden dat één verondersteld element bij juiste behandeling ongelijke moleculen bevat, hebben we beslist het recht te vragen of zulke resultaten niet kunnen worden verkregen bij andere elementen, misschien bij alle elementen, als ze op de juiste manier worden behandeld. We kunnen zelfs vragen waar het verdeelproces zal ophouden – een proces dat natuurlijk verschillen vooronderstelt tussen de individuele moleculen van elke soort. En bij deze opeenvolgende scheidingen vinden we natuurlijk stoffen die elkaar steeds dichter benaderen.’ (Toespraak gehouden door de voorzitter voor de Chemical Society, maart 1888: ‘Elements and meta-elements’, The Chemical News, mei, juni 1888, blz. 207, 217.)
  11. Five Years of Theosophy, blz. 241-2; H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, 2:219.
  12. Dit wordt door dezelfde wetenschapper in de geciteerde lezing nog eens bevestigd; hij citeert Clerk Maxwell, die zegt ‘dat de elementen niet absoluut homogeen zijn’. Hij schrijft: ‘Het is moeilijk zich een selectie en een eliminatie van tussensoorten voor te stellen, want waar kunnen deze geëlimineerde moleculen zijn gebleven, indien – we hebben namelijk redenen om dit te geloven – de waterstof, enz., van de vaste sterren bestaat uit moleculen die in alle opzichten identiek zijn met de onze?’ En hij voegt eraan toe: ‘In de eerste plaats kunnen we deze absolute moleculaire identiteit in twijfel trekken, want we hebben tot dusver geen andere middelen gehad om tot een conclusie te komen dan door de spectroscoop worden verschaft, terwijl men erkent dat, om de spectra van twee lichamen nauwkeurig te vergelijken en te onderscheiden, deze moeten worden onderzocht onder gelijke omstandigheden van temperatuur, druk en alle andere fysieke factoren. We hebben in het spectrum van de zon ongetwijfeld stralen gezien die we niet hebben kunnen identificeren.’ (The Chemical News, juni 1888, blz. 226.)
  13. ‘Elke wereld heeft haar fohat, die op zijn eigen werkterrein alomtegenwoordig is. Maar er zijn evenveel fohats als werelden, die alle in vermogen en graad van manifestatie verschillen. De individuele fohats vormen samen één universele collectieve fohat – de entiteit als aspect van de ene absolute niet-entiteit, die absolute zijn-heid, ‘sat’, is. Miljoenen en miljarden werelden worden in elk manvantara voortgebracht’, wordt er gezegd. Daarom moeten er veel fohats zijn, die we beschouwen als bewuste en intelligente krachten, ongetwijfeld tot ergernis van wetenschappers. Niettemin beschouwen de occultisten, die daar goede redenen voor hebben, alle krachten van de natuur als werkelijke, hoewel bovenzinnelijke toestanden van de stof, en als mogelijke objecten van waarneming voor wezens die over de daarvoor vereiste zintuigen beschikken.
  14. Als zo’n denkbeeldige scheikundige intuïtief was ingesteld, en voor een ogenblik – evenals de alchemisten uit de oudheid – de denkgroeven van de strikt ‘exacte wetenschap’ zou verlaten, dan wordt hij voor zijn moed misschien beloond.
  15. Wie trage zuurstof zou omzetten in haar allotropische toestand van ozon met een bepaalde mate van alchemistische werking, door haar terug te brengen tot haar zuivere essentie (daartoe bestaan middelen), zou daardoor een surrogaat voor een ‘levenselixer’ ontdekken en dit voor praktisch gebruik gereedmaken.
  16. Volgens brahmaanse berekeningen een periode van 311.040.000.000.000 jaar.
  17. Zie Scientific Arena, een maandblad gewijd aan hedendaagse filosofische leringen en de invloed daarvan op het religieuze denken van deze tijd. New York, A. Wilford Hall, phd, lld, redacteur; juli, augustus en september 1886.
  18. Zie afdeling 3, hfst. 15, ‘Goden, monaden, en atomen’, blz. 675ev.
  19. Zie blz. 182 hierna, ‘Enkele theosofische misvattingen, enz.’
  20. Dit is volgens ons de naam die door Keely uit Philadelphia is gegeven aan wat hij de ‘etherische centra’ noemt. Keely is de uitvinder van de beroemde ‘motor’ die, zoals zijn bewonderaars hoopten, bestemd was om in de wereld op het gebied van aandrijving een omwenteling teweeg te brengen.
  21. Paradise Lost, 4:521-2.
  22. De maan is alleen maar dood voor zover het haar innerlijke ‘beginselen’ betreft, dus psychisch en spiritueel, hoe vreemd deze uitspraak misschien ook lijkt. Fysiek is ze als een halfverlamd lichaam. In het occultisme noemt men haar terecht de ‘waanzinnige moeder’, de grote maanzieke in de sterrenwereld.
  23. Het geval van Uranus en Neptunus – waarvan de satellieten, respectievelijk vier en één, zoals men dacht in hun banen van oost naar west draaien, terwijl alle andere satellieten van west naar oost rondgaan – is een heel goed voorbeeld, omdat het laat zien hoe onbetrouwbaar alle speculaties op voorhand zijn, zelfs als ze op strikt wiskundige analyse zijn gebaseerd. De beroemde door Kant en Laplace opgestelde hypothese over de vorming van ons zonnestelsel uit nevelringen was in hoofdzaak gebaseerd op het bovengenoemde feit dat alle planeten in dezelfde richting ronddraaien. Op basis van dit feit, dat in de tijd van Laplace wiskundig werd aangetoond, was deze grote astronoom bereid op grond van de waarschijnlijkheidsrekening, drie miljard tegen één te wedden dat de volgende te ontdekken planeet in haar stelsel dezelfde eigenschap zou vertonen van beweging in oostelijke richting. De onveranderlijke wetten van de wetenschappelijke wiskunde werden ‘omvergeworpen door verdere experimenten en waarnemingen’, zei men toen. Dit denkbeeld, dat Laplace een fout heeft gemaakt, wordt tot op heden aanvaard; maar enkele astronomen zijn er ten slotte in geslaagd aan te tonen (?) dat de fout lag in het feit dat men de bewering van Laplace als een vergissing had beschouwd, en er worden nu stappen ondernomen om zonder de algemene aandacht te trekken de flater te herstellen. Men kan nog veel meer van zulke onaangename verrassingen verwachten, zelfs bij hypothesen van zuiver fysieke aard. Welke andere ontgoochelingen kunnen er dan nog liggen in vraagstukken van transcendentale, occulte aard? In ieder geval leert het occultisme dat de zogenaamde ‘retrograde rotatie’ een feit is.
  24. De occultisten, die het volste vertrouwen hebben in hun eigen nauwkeurige verslagen, zowel sterrenkundige als wiskundige, berekenen de ouderdom van de mensheid, en verklaren dat deze (in gescheiden seksen verdeeld) in deze ronde precies 18.618.727 jaar heeft bestaan, zoals de brahmaanse leringen en zelfs enkele hindoekalenders aangeven.
  25. A.P. Sinnett, Esoteric Buddhism (1885); Mohini Chatterji en Laura Holloway, Man: Fragments of Forgotten History (1885).

De geheime leer, 1:166-82
isbn 9789491433238, gebonden, 4de herziene druk 2019, bestel boek

© 2019 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag