Enkele vroegere theosofische misvattingen

over planeten, ronden en de mens

 

     Onder de elf weggelaten1 stanza’s is er een, die een volledige beschrijving geeft van de vorming van de opeenvolgende planeetketens, nadat de eerste kosmische en atomaire differentiatie was begonnen in het oorspronkelijke akosmische. Het is zinloos te spreken over ‘wetten die ontstaan als de godheid zich voorbereidt om te scheppen’, want (a) wetten zijn, of beter DE WET is, eeuwig en ongeschapen; en (b) de godheid is wet, en omgekeerd. Bovendien ontvouwt de ene eeuwige WET alles in de (toekomstige) gemanifesteerde Natuur volgens een zevenvoudig beginsel; daartoe behoren ook de talloze kringvormige ketens van werelden, die bestaan uit zeven bollen, trapsgewijze gerangschikt op de vier lagere gebieden van de wereld van vorming (de drie andere behoren tot het Heelal van de archetypen). Van deze zeven valt er maar één, de laagste en meest stoffelijke van die bollen, binnen ons gebied van waarneming; de zes andere liggen daarbuiten en zijn daarom voor het aardse oog onzichtbaar. Elk van die ketens van werelden is de nakomeling en schepping van een andere, lagere en dode keten – haar reïncarnatie om zo te zeggen. Om het duidelijker te zeggen: er wordt ons medegedeeld dat elk van de planeten – waarvan er maar zeven als heilig worden beschouwd, omdat ze worden bestuurd door de hoogste heersers of goden, en beslist niet omdat de Ouden niets wisten van de andere2 – , of deze bekend is of niet, zevenvoudig is, evenals de keten waartoe de Aarde behoort (zie ‘Esoteric Buddhism’). Alle planeten, zoals bijvoorbeeld Mercurius, Venus, Mars, Jupiter, Saturnus, enz., of onze Aarde, zijn voor ons even zichtbaar als onze bol dat waarschijnlijk is voor de bewoners van de andere planeten, als die er zijn, omdat ze alle op hetzelfde gebied liggen, terwijl de hogere medebollen van deze planeten zich op andere gebieden bevinden, volkomen buiten dat van onze aardse zintuigen. Omdat hun plaatsing ten opzichte van elkaar verderop wordt gegeven, en ook in het diagram dat behoort bij de Toelichtingen op vers 6 van Stanza VI, zijn nu slechts enkele woorden van toelichting nodig. Deze onzichtbare metgezellen corresponderen op merkwaardige manier met wat wij ‘de beginselen van de mens’ noemen. De zeven bollen bevinden zich op drie stoffelijke gebieden en één geestelijk gebied, die overeenkomen met de drie upadhi’s (stoffelijke grondslagen) en één geestelijk voertuig (vahan) van onze zeven beginselen in de mens. Wanneer wij, om een duidelijker beeld te verkrijgen, ons de beginselen van de mens voorstellen, gerangschikt zoals in het volgende schema, dan leidt dit tot het hier opgenomen diagram van relaties:

Diagram 1
     1 Omdat we hier van het algemene naar het bijzondere afdalen, in plaats van de inductieve methode van Aristoteles te gebruiken, staan de nummers in omgekeerde volgorde. De geest heeft nummer 1 in plaats van zoals gebruikelijk is – maar zoals eigenlijk niet zou moeten gebeuren – nummer 7.
     2 Of, zoals zij gewoonlijk worden genoemd, op dezelfde manier als in Esoteric Buddhism en andere boeken: 1. atma; 2. buddhi (of geestelijke ziel); 3. manas (menselijke ziel); 4. kamarupa (voertuig van begeerten en hartstochten); 5. linga sarira; 6. prana; 7. sthula sarira.

     De donkere horizontale lijnen van de lagere gebieden zijn in het ene geval de upadhi’s en in het geval van de planeetketen, de gebieden. Het diagram plaatst de menselijke beginselen natuurlijk niet geheel in de goede volgorde, maar het geeft wel de overeenkomst en de analogie aan waarop nu de aandacht wordt gevestigd. Zoals de lezer zal zien, gaat het voor beide entiteiten om een afdaling in de stof, om de aanpassing – zowel in mystieke als in stoffelijke zin – van de twee en om hun vermenging met elkaar voor de grote ‘strijd om het bestaan’ die hun wacht. Men vindt ‘entiteit’ misschien een vreemde uitdrukking voor een bol, maar de oude filosofen, die in de aarde een reusachtig ‘dier’ zagen, waren in hun tijd wijzer dan onze moderne geologen nu. Plinius, die de Aarde onze goede voedster en moeder noemde, het enige element dat de mens niet vijandig is, sprak meer naar waarheid dan Watts, die haar als Gods voetenbankje zag. Want de Aarde is alleen maar het voetenbankje van de mens bij zijn opgang naar hogere gebieden, het voorportaal

‘. . . . . . . naar glorierijke verblijven,
waardoorheen zich steeds een menigte verdringt.’

     Maar dit toont slechts aan, hoe bewonderenswaardig de occulte filosofie past bij alles in de Natuur en hoeveel logischer haar leerstellingen zijn dan de levenloze hypothetische speculaties van de natuurwetenschap.
     Als hij zover is gekomen, zal de mysticus beter zijn voorbereid om de occulte leer te begrijpen, hoewel iedere beoefenaar van de moderne wetenschap deze als belachelijke onzin kan en waarschijnlijk zal beschouwen. Maar de beoefenaar van het occultisme staat op het standpunt, dat de nu besproken theorie veel filosofischer en aannemelijker is dan alle andere. Deze is in ieder geval veel logischer dan de onlangs naar voren gebrachte theorie, dat de maan een deel van onze aarde zou zijn, dat werd weggeslingerd toen de laatste nog een vloeibare en kneedbare bol of massa was3.
     Men zegt dat de planeetketens hun ‘dagen’ en hun ‘nachten’ hebben, d.w.z. tijdperken van werkzaamheid of leven en van niet-activiteit of dood – en dat ze zich in de hemel gedragen zoals de mensen op aarde; ze brengen hun gelijken voort, worden oud en sterven als persoonlijkheid af, terwijl alleen hun geestelijke beginselen voortleven in hun nageslacht waarin ze zelf voortbestaan.
     Zonder nog de heel moeilijke taak te willen vervullen om het volledige proces in alle kosmische bijzonderheden bekend te maken, kunnen wij genoeg zeggen om er enig denkbeeld van te geven. Wanneer een planeetketen in haar laatste Ronde is, zendt haar bol 1 of A, voordat deze tenslotte afsterft, al zijn energie en ‘beginselen’ naar een neutraal centrum van latente kracht, een ‘layacentrum’, en bezielt daardoor een nieuwe kern van ongedifferentieerde substantie of stof, d.w.z. wekt deze op tot werkzaamheid of schenkt haar leven. Stel dat een dergelijk proces in de ‘planeet’keten van de maan heeft plaatsgehad; stel verder ter wille van het betoog (hoewel de hieronder aangehaalde theorie van Darwin onlangs is omvergeworpen, al is dit feit nog niet door een wiskundige berekening vastgesteld), dat de maan veel ouder is dan de aarde. Stel u de zes medebollen van de maan voor – eonen vóór de eerste van onze zeven bollen werd ontwikkeld – op precies dezelfde plaats ten opzichte van elkaar als de medebollen van onze keten nu innemen ten opzichte van onze aarde. (Zie in ‘Esoteric Buddhism’ de hoofdstukken over ‘de samenstelling van de mens’ en de ‘planeetketen’.) Dan zal men zich nu gemakkelijk kunnen voorstellen dat bol A van de maanketen, bol A van de aardketen bezielt en – sterft; dat daarna bol B van eerstgenoemde zijn energie in bol B van de nieuwe keten overbrengt; dat dan bol C van de maanketen als nakomeling bol C van de aardketen schept; dat vervolgens de maan (onze satelliet4) al haar leven, energie en vermogens laat overgaan in de laagste bol van onze planeetketen – bol D, onze aarde – en dat zij, nadat zij deze naar een nieuw centrum heeft overgebracht, praktisch een dode planeet wordt, waarvan de aswenteling vanaf de geboorte van onze bol bijna heeft opgehouden. De maan is nu het koude overblijfsel, de schaduw die wordt gesleept achter het nieuwe lichaam, waarin haar levenskrachten en ‘beginselen’ zijn overgegaan. Zij is gedoemd om tijdperken lang de aarde te blijven volgen, om door haar nakomelinge te worden aangetrokken en deze aan te trekken. Voortdurend door haar kind gevampiriseerd, wreekt zij zich door dit geheel te doordrenken met de verderfelijke, onzichtbare en giftige invloed die uitstraalt van de occulte kant van haar natuur. Want zij is een dood, maar toch een levend lichaam. De deeltjes van haar ontbindende lijk zijn vol werkzaam en destructief leven, hoewel het lichaam dat zij hadden gevormd zielloos en levenloos is. Haar uitstralingen zijn daarom tegelijk weldadig en schadelijk – deze situatie heeft haar parallel op aarde in het feit dat gras en planten nergens sappiger en weliger zijn dan op graven, terwijl tegelijkertijd de uitwasemingen van het kerkhof en van lijken dodelijk zijn. En evenals alle lijkenetende boze geesten of vampiers, is de maan de vriendin van de tovenaars en de vijand van degenen die niet waakzaam zijn. Vanaf de archaïsche tijdperken en de latere tijden van de heksen van Thessalië tot sommige hedendaagse Bengaalse tantrika’s waren haar aard en eigenschappen bekend aan iedere occultist, maar ze zijn een gesloten boek gebleven voor de natuurkundigen.
      Zo is de maan, beschouwd van sterrenkundig, geologisch en natuurkundig standpunt. Haar metafysische en psychische natuur moet in dit boek een occult geheim blijven, evenals het geval was in ‘Esoteric Buddhism’, ondanks de daarin gemaakte tamelijk optimistische bewering (5e druk, blz. 113) dat ‘er nu in het raadsel van de achtste sfeer niet veel geheimzinnigs is overgebleven’. Dit zijn inderdaad onderwerpen ‘waarover de adepten heel terughoudend zijn bij hun mededelingen aan niet-ingewijde leerlingen’; en omdat zij bovendien nooit enige openbare beschouwing erover hebben goedgekeurd of toegestaan, is het het beste er zo weinig mogelijk over te zeggen.
      Zonder echter het verboden gebied van de ‘achtste sfeer’ te betreden, kan het nuttig zijn enige aanvullende feiten te geven over de voormalige monaden van de maanketen – de ‘lunaire voorouders’ – omdat zij een belangrijke rol spelen bij het latere ‘ontstaan van de mens’. Dit brengt ons rechtstreeks tot de zevenvoudige samenstelling van de mens; en omdat er onlangs enige discussie is ontstaan over de classificatie die het beste kan worden gevolgd voor de verdeling van de microkosmische entiteit, worden nu twee stelsels toegevoegd, waardoor vergelijking eenvoudiger wordt. Het hierna volgende korte artikel is van T. Subba Row, een Vedanta-geleerde. Hij geeft de voorkeur aan de brahmaanse indeling van de raja-yoga, en van metafysisch standpunt heeft hij volkomen gelijk. Maar omdat het gaat om een eenvoudige keus en om doelmatigheid, houden wij ons in dit boek aan de ‘aloude’ classificatie van de ‘esoterische school van de arhats’ van de andere kant van de Himalaja. De volgende tabel met verklarende tekst is ontleend aan de ‘Theosophist’ van Madras, en ze komen ook voor in ‘Five Years of Theosophy’:


ZEVENVOUDIGE INDELING VOLGENS VERSCHILLENDE INDIASE STELSELS

     ‘Wij geven hieronder in tabelvorm de classificaties van de beginselen van de mens, die worden gevolgd door de leraren van het Boeddhisme en van de Vedanta:

1 Kosa (kosha) is letterlijk ‘schede’, het omhulsel van elk beginsel.
2 ‘Leven’.
3 Het astrale lichaam of linga sarira.
4 Sthula-upadhi, of basis van het beginsel.
5 Buddhi.

      Uit de voorafgaande tabel zal men zien dat het derde beginsel in de boeddhistische classificatie niet afzonderlijk wordt genoemd in de indeling volgens de Vedanta, omdat het alleen maar het voertuig van prana is. Verder blijkt het vierde beginsel te behoren tot de derde kosa (schede), omdat dit beginsel slechts het voertuig van de wilskracht vormt, die alleen maar een energie is van het denkvermogen. Ook moet worden opgemerkt dat de vignanamaya-kosa als iets anders wordt beschouwd dan de manomaya-kosa, omdat er na de dood een scheiding wordt gemaakt tussen – als het ware het lagere deel van het denkvermogen, dat nauwer is verwant met het vierde beginsel dan met het zesde, en anderzijds het hogere deel, dat zich aan het zesde hecht en dat feitelijk de basis is van de hogere geestelijke individualiteit van de mens.
      We kunnen onze lezers er hier verder op wijzen, dat de in de laatste kolom gegeven classificatie de beste en de eenvoudigste is voor alle praktische doeleinden die in verband staan met raja yoga. Hoewel er zeven beginselen in de mens zijn, zijn er maar drie verschillende upadhi’s (bases), in elk waarvan zijn atma onafhankelijk van de rest kan werken. Deze drie upadhi’s kunnen door een adept worden gescheiden, zonder dat hij zichzelf doodt. Hij kan niet de zeven beginselen van elkaar scheiden zonder zijn gestel te vernietigen.’

      De lezer zal nu beter kunnen inzien dat er tussen de drie upadhi’s van de raja yoga met de atma ervan, en onze drie upadhi’s, atma en de drie verdere indelingen in werkelijkheid maar heel weinig verschil is. Omdat bovendien iedere adept in het India aan deze en aan de andere kant van de Himalaja, of hij nu behoort tot de Patanjali-, de Aryasangha- of de Mahayana-school, een raja yogi moet worden, moet hij dus in beginsel en in theorie de taraka-raja classificatie aanvaarden, onverschillig tot welke classificatie hij voor praktische en occulte doeleinden zijn toevlucht neemt. Het doet er dus erg weinig toe, of men spreekt van de drie upadhi’s met hun drie aspecten en atma, de eeuwige en onsterfelijke synthese, of dat men ze de ‘zeven beginselen’ noemt.
      Voor degenen, die de leer over de zevenvoudige ketens van werelden in de Zonne-Kosmos niet uit de theosofische geschriften kennen, of die er wel over hebben gelezen maar deze niet goed hebben begrepen, geven wij nu een korte samenvatting ervan.
      1. Alles is zevenvoudig, zowel in het metafysische als in het stoffelijke Heelal. Daarom worden aan ieder hemellichaam, iedere planeet, zichtbaar of onzichtbaar, zes begeleidende bollen toegekend. (Zie Diagram no. 3 bij vers 6 in ‘STANZA VI, vervolg’.) De evolutie van het leven vindt plaats op deze zeven bollen of lichamen, van de eerste tot de zevende, in zeven RONDEN of zeven cyclussen.
      2. Deze bollen worden gevormd door middel van een proces dat de occultisten de ‘wedergeboorte van de planeetketens (of ringen)’ noemen. Wanneer de zevende en laatste Ronde van een van die ringen is begonnen, begint de hoogste of eerste bol ‘A’, gevolgd door alle andere tot de laatste toe, af te sterven, in plaats van een zekere rusttijd of ‘verduistering’ in te gaan, zoals in de voorafgaande Ronden. De ‘planetaire’ ontbinding (pralaya) is nabij, en haar uur heeft geslagen; iedere bol moet zijn leven en energie overdragen aan een andere planeet. (Zie Diagram no. 2 hierna, ‘De maan en de aarde’.)
      3. Onze aarde moet, als de zichtbare vertegenwoordigster van haar onzichtbare hogere medebollen, haar ‘heren’ of ‘beginselen’ (zie Diagram no. 1), evenals de andere bollen, zeven Ronden doormaken. Tijdens de eerste drie vormt en verdicht zij zich; tijdens de vierde wordt zij vaster en harder; tijdens de laatste drie keert zij geleidelijk terug tot haar oorspronkelijke etherische vorm: zij wordt om zo te zeggen vergeestelijkt.
      4. Haar mensheid ontwikkelt zich pas volledig in de vierde – onze tegenwoordige – Ronde. Tot aan deze vierde levenscyclus wordt zij slechts bij gebrek aan een meer toepasselijke term als ‘mensheid’ aangeduid. Evenals de rups die een pop en een vlinder wordt, gaat de mens, of liever wat mens zal worden, tijdens de eerste Ronde door alle vormen en natuurrijken en in de twee volgende Ronden door alle menselijke gedaanten heen. Wanneer hij bij het begin van de vierde in de tegenwoordige reeks levenscyclussen en rassen op onze aarde aankomt, is de mens de eerste vorm die erop verschijnt, alleen voorafgegaan door het delfstoffen- en het plantenrijk – waarbij zelfs het laatstgenoemde zijn evolutie door middel van de mens moet voortzetten. Dit zal in Deel II worden uiteengezet. Tijdens de drie komende Ronden zal de mensheid, evenals de bol waarop zij leeft, er steeds naar streven weer haar oorspronkelijke vorm aan te nemen, die van een menigte Dhyan-Chohans. De mens streeft ernaar een god te worden en dan – GOD, evenals elk ander atoom in het Heelal.
      ‘Al bij de tweede Ronde begint de evolutie volgens een heel ander plan te verlopen. Alleen tijdens de eerste Ronde wordt de (hemelse) mens op bol A een menselijk wezen, en op bol B, C, enz. (opnieuw) een delfstof, een plant en een dier. Vanaf de tweede Ronde verloopt het proces heel anders; maar u hebt voorzichtigheid geleerd . . . en ik raad u aan niets te zeggen voordat het tijd is om het te zeggen . . .’ (Uittreksel uit de brieven van de Leraar over verschillende onderwerpen.)
      5. Elke levenscyclus op bol D (onze aarde)5 bestaat uit zeven wortelrassen. Zij beginnen met het etherische en eindigen met het spirituele, volgens de dubbele lijn van lichamelijke en morele evolutie – van het begin van de aardronde tot het einde daarvan. (De ene is een ‘planeetronde’ van bol A tot bol G, de zevende; de andere is de ‘bol’- of aardronde.)
      Dit is heel goed beschreven in ‘Esoteric Buddhism’ en heeft voorlopig geen verdere toelichting nodig.
      6. Het eerste wortelras, d.w.z. de eerste ‘mensen’ op aarde (afgezien van hun vorm), was het nageslacht van de ‘hemelse mensen’ die in de filosofie van India terecht de ‘maanvoorvaderen’ of de pitri’s worden genoemd, waarvan er zeven klassen of hiërarchieën zijn. Omdat dit alles in de volgende hoofdstukken en in Deel II voldoende zal worden toegelicht, hoeft er hier niets meer over te worden gezegd.
      Maar aan de twee eerder genoemde boeken, die elk onderwerpen uit de occulte leer behandelen, moet speciale aandacht worden besteed. ‘Esoteric Buddhism’ is in theosofische kringen en zelfs in de buitenwereld te goed bekend, dan dat het nodig zou zijn uitvoerig op zijn verdiensten in te gaan. Het is een voortreffelijk boek en heeft nog voortreffelijker werk gedaan. Maar dit neemt niet weg dat het enkele onjuiste denkbeelden bevat, en dat het veel theosofen en leken ertoe heeft gebracht zich een onjuist beeld van de oosterse geheime leringen te vormen. Bovendien is het misschien een beetje te materialistisch.
      ‘MAN’, dat later verscheen, was een poging om de archaïsche leer vanuit een meer ideëel standpunt te brengen, om enkele visioenen in en uit het astrale licht te interpreteren en om enkele leringen weer te geven, die gedeeltelijk waren ontleend aan de gedachten van een Meester, maar die helaas verkeerd waren begrepen. Dit boek behandelt ook de evolutie van de eerste mensenrassen op aarde, en bevat enkele voortreffelijke bladzijden van filosofische aard. Maar overigens is het slechts een interessant mystiek romantisch verhaaltje. Het beantwoordde niet aan zijn doel, omdat aan de voorwaarden voor een juiste interpretatie van deze visioenen niet was voldaan. De lezer moet zich dus niet verbazen, als onze boeken deze vroegere beschrijvingen op verschillende punten tegenspreken.
      De esoterische ‘kosmogonie’ in het algemeen en de evolutie van de menselijke monade in het bijzonder worden in deze twee boeken en in andere, onafhankelijk daarvan door beginners geschreven theosofische boeken zo verschillend beschreven, dat het onmogelijk is met ons boek verder te gaan zonder deze twee eerder verschenen delen te vermelden, want beide – met name ‘Esoteric Buddhism’ – hebben een aantal bewonderaars. De tijd is gekomen om enkele zaken in verband hiermee toe te lichten. Mogelijke fouten moeten nu worden getoetst aan de oorspronkelijke leringen en worden verbeterd. Terwijl het ene boek te veel neigt naar de materialistische wetenschap, is het andere beslist te idealistisch en soms fantastisch.
      De eerste verwarringen en misvattingen ontstonden uit de – voor westerlingen tamelijk onbegrijpelijke – leer over de periodieke ‘verduisteringen’ en de opeenvolgende ‘Ronden’ van de bollen langs hun cirkelvormige ketens. Een daarvan heeft betrekking op de ‘vijfde’- en zelfs de ‘zesde’-ronders. Degenen die wisten dat een Ronde werd voorafgegaan en gevolgd door een langdurige pralaya, een rustpauze die een onoverbrugbare kloof teweegbracht tussen twee Ronden, tot de tijd aanbrak voor een hernieuwde levenscyclus, begrepen niets van de ‘gedachtefout’ om te spreken van ‘vijfde- en zesde-ronders’ in onze vierde Ronde. Gautama Boeddha, zo zei men, was een zesde-ronder, Plato en enkele andere grote filosofen en denkers, ‘vijfde-ronders’. Hoe kon dit? Een van de Meesters leerde en bevestigde, dat er zelfs nu op aarde zulke ‘vijfde-ronders’ waren; en hoewel men had begrepen dat hij zei dat de mensheid nog ‘in de vierde Ronde’ was, scheen hij op een andere plaats te zeggen, dat we in de vijfde waren. Hierop gaf een andere Leraar het ‘apocalyptische’ antwoord: ‘Een paar regendruppels maken nog geen moesson, al kondigen ze die aan.’ . . . ‘Nee, we zijn niet in de vijfde Ronde, maar mensen van de vijfde Ronde komen al een paar duizend jaar aan.’ Dit was nog erger dan het raadsel van de Sfinx! Beoefenaars van het occultisme onderwierpen hun hersenen aan de meest wilde speculaties. Lange tijd probeerden ze Oedipus te overtreffen en de beide beweringen met elkaar in overeenstemming te brengen. En omdat de Meesters bleven zwijgen, evenals de stenen Sfinx zelf, werden zij beschuldigd van inconsequentie, ‘tegenstrijdigheid’ en ‘gebrek aan overeenstemming’. Ze lieten echter eenvoudig de speculaties doorgaan, om het westerse denkvermogen een les te geven die het hard nodig heeft. De oriëntalisten hadden in hun verwaandheid en in hun gewoonte om iedere metafysische opvatting en uitdrukking te verstoffelijken, zonder enige ruimte te laten voor oosterse beeldspraak en allegorie, van de exoterische hindoefilosofie een warboel gemaakt, en nu deden de theosofen hetzelfde met de esoterische leringen. Het is duidelijk dat de laatstgenoemden tot nu toe de betekenis van de uitdrukking ‘vijfde- en zesde-ronders’ volstrekt niet hebben begrepen. De betekenis is echter eenvoudig deze: iedere ‘Ronde’ brengt een nieuwe ontwikkeling en zelfs een volkomen verandering teweeg in de verstandelijke, psychische, geestelijke en lichamelijke gesteldheid van de mens, waarbij al deze beginselen trapsgewijs in opgaande lijn evolueren. Hieruit volgt dat personen die, zoals Confucius en Plato, psychisch, verstandelijk en geestelijk tot de hogere evolutiegebieden behoorden, in onze vierde Ronde even ver waren als de gemiddelde mens zal zijn in de vijfde Ronde, waarvan de mensheid is bestemd om op deze evolutieladder veel hoger te staan dan onze tegenwoordige mensheid. Op dezelfde manier was Gautama Boeddha – de geïncarneerde wijsheid – nog hoger en groter dan de genoemde mensen, die vijfde-ronders heten, en worden Boeddha en Sankaracharya allegorisch zesde-ronders genoemd. Vandaar de verborgen wijsheid van de destijds ‘ontwijkend’ genoemde uitspraak, ‘dat een paar regendruppels nog geen moesson maken, al kondigen ze die aan’.
      En nu zal de waarheid van de in ‘Esoteric Buddhism’ gemaakte opmerking volkomen duidelijk zijn:
      ‘Wanneer men de ingewikkelde feiten van een geheel onbekende wetenschap voor de eerste keer aan een ongeoefend denkvermogen voorlegt, is het onmogelijk deze te geven met ieder passend voorbehoud . . . en met vermelding van abnormale ontwikkelingen. . . . We moeten ons eerst met de algemene regels tevredenstellen en ons pas later met de uitzonderingen bezighouden, en dit geldt in het bijzonder voor een studie, waarbij de veelal gevolgde traditionele onderwijsmethode erop is gericht om ieder nieuw denkbeeld in het geheugen te prenten, door de verwarring op te wekken die tenslotte weer door dat denkbeeld wordt tenietgedaan.’
      Doordat de schrijver van deze opmerking, zoals hij zegt, zelf ‘een – in het occultisme – ongeoefend denkvermogen’ had, leidden zijn eigen conclusies, en zijn betere bekendheid met moderne sterrenkundige theorieën dan met de archaïsche leer, hem er als vanzelf en onbewust toe, een aantal fouten te begaan, maar meer op detailpunten dan wat de ‘algemene regel’ betreft. Een daarvan zullen wij nu noemen. Het gaat om een kleinigheid, maar deze zou veel beginners tot foutieve opvattingen kunnen brengen. Maar evenals de misvattingen van de eerdere drukken in de aantekeningen van de vijfde druk werden verbeterd, kan ook de zesde worden herzien en gecorrigeerd. Er waren verschillende oorzaken voor dergelijke fouten. (1) Ze waren het gevolg van de pijnlijke noodzaak voor de leraren om antwoorden te geven, die als ‘ontwijkend’ werden beschouwd; de vragen waren te nadrukkelijk gesteld om onopgemerkt te blijven, terwijl ze aan de andere kant maar gedeeltelijk konden worden beantwoord. (2) Ondanks deze situatie werd de erkenning dat ‘een half ei beter is dan een lege dop’ maar al te vaak verkeerd begrepen en nauwelijks naar behoren gewaardeerd. Als gevolg daarvan gaven de Europese lekenchela’s zich soms over aan ongegronde speculaties. Hiertoe behoorden (a) het ‘mysterie van de achtste sfeer’ in verband met de maan en (b) de onjuiste bewering dat twee van de hogere bollen van de aardketen, twee van onze welbekende planeten waren: ‘afgezien van de Aarde . . . zijn er slechts twee andere werelden van onze keten zichtbaar . . . Mars en Mercurius . . .’ (Esoteric Buddhism, blz. 136.)
      Dit was een grote fout. Deze is echter evengoed te wijten aan de vaagheid en onvolledigheid van het antwoord van de Meester, als aan de vraag van de leerling zelf, die even vaag en onbepaald was.
      De vraag was: ‘Welke planeten, die aan de gewone wetenschap bekend zijn, behoren naast Mercurius tot ons stelsel van werelden?’ Als de vraagsteller nu met ‘stelsel van werelden’ onze aardketen of ‘snoer’ bedoelde, in plaats van het ‘zonnestelsel van werelden’ zoals het geval had moeten zijn, dan moest het antwoord wel verkeerd worden begrepen. Want het antwoord was: ‘Mars, enz., en vier andere planeten, waarvan de sterrenkunde niets weet. Noch A, B, noch Y, Z zijn bekend, noch ook kan men ze zien met behulp van fysische middelen, hoe volmaakt die ook zijn.’ Dit is duidelijk: (a) De sterrenkunde weet in werkelijkheid nog niets van de planeten, noch van de oude, noch van de in de moderne tijd ontdekte planeten. (b) Men kan geen begeleidende planeten van A tot Z zien, d.w.z. geen hogere bollen van een van de planeetketens in ons zonnestelsel6. Wat Mars, Mercurius en ‘de vier andere planeten’ betreft, deze staan in een betrekking tot de Aarde, waarover geen meester of vergevorderde occultist ooit zal spreken, en nog minder de aard ervan zal verklaren7.
      Wij verklaren daarom uitdrukkelijk dat de naar voren gebrachte theorie onhoudbaar is, met of zonder de verdere bewijzen die de moderne sterrenkunde ons levert. De natuurwetenschap kan ondersteunend, maar nog heel onzeker bewijsmateriaal aanvoeren, maar alleen voor wat betreft hemellichamen op hetzelfde gebied van stoffelijkheid als ons objectieve Heelal. Mars en Mercurius, Venus en Jupiter zijn, evenals alle andere tot dusver ontdekte (of nog te ontdekken) planeten, op zichzelf de vertegenwoordigers op ons gebied van dergelijke ketens. Zoals in een van de talrijke brieven van Sinnetts ‘Leraar’ duidelijk wordt verklaard, ‘zijn er talloze andere manvantarische ketens van bollen, zowel in als buiten ons zonnestelsel, die door intelligente wezens worden bewoond’. Maar noch Mars noch Mercurius behoort tot onze keten. Ze vormen, evenals de andere planeten, zevenvoudige eenheden in de grote menigte van ‘ketens’ van ons stelsel, en ze zijn alle even zichtbaar als hun hogere bollen onzichtbaar zijn.
      Als men verder nog beweert dat bepaalde uitdrukkingen in de brieven van de Leraar tot misverstand konden leiden, dan is het antwoord: Amen, zo was het. De schrijver van ‘Esoteric Buddhism’ begreep dat goed toen hij schreef, dat ‘de traditionele onderwijsmethoden zó zijn, dat . . . door verwarring te stichten’ . . . zij al of niet opheldering verschaffen, naargelang van de omstandigheden. In ieder geval, als wordt aangevoerd dat men dit eerder had kunnen verklaren, en de ware aard van de planeten direct had kunnen bekendmaken, zoals nu is gebeurd, dan is het antwoord: ‘Het werd toen niet raadzaam gevonden, want het zou hebben geleid tot een reeks verdere vragen, die in verband met hun esoterische karakter nooit konden worden beantwoord en die dus alleen maar moeilijkheden zouden hebben veroorzaakt.’ Vanaf het begin is verklaard en daarna herhaaldelijk bevestigd: (1) dat geen enkele theosoof, zelfs niet als aangenomen chela, – en dus in geen geval een lekenleerling – kon verwachten dat de geheime leringen hem grondig en volledig zouden worden verklaard, voordat hij zich onherroepelijk en plechtig aan de Broederschap had verbonden en tenminste één inwijding had ontvangen, omdat aan het publiek geen cijfers en getallen kunnen worden gegeven, want cijfers en getallen zijn de sleutel tot het esoterische stelsel; (2) dat wat werd geopenbaard, slechts de esoterische binnenkant was van wat is neergelegd in bijna alle exoterische geschriften van de wereldreligies – in het bijzonder in de Brahmana’s, en de Upanishads van de Veda’s en zelfs in de Purana’s. Het was een klein gedeelte van wat in deze boekdelen veel vollediger wordt onthuld; en zelfs dit is heel onvolledig en fragmentarisch.
      Toen de schrijfster met dit boek begon, en in de overtuiging dat de opvatting over Mars en Mercurius onjuist was, vroeg zij in een brief aan de Leraren om uitleg en om een gezaghebbende formulering. Deze ontving zij tijdig, en woordelijke uittreksels ervan volgen hieronder.
      ‘. . . Het is volkomen juist, dat Mars nu in een toestand van verduistering verkeert, en dat Mercurius daar juist begint uit te komen. U kunt daaraan toevoegen dat Venus in haar laatste Ronde is. . . . Als noch Mercurius noch Venus satellieten hebben, zijn de redenen daarvoor . . . (zie de eerder gegeven voetnoot, waar die redenen worden gegeven), en ook omdat Mars twee satellieten heeft, waarop hij geen recht heeft. . . . Phobos, de veronderstelde BINNEN-satelliet, is helemaal geen satelliet. Zoals langgeleden is opgemerkt door Laplace en nu door Faye (zie COMPTES RENDUS, Deel XC, blz. 569), heeft Phobos een te korte omlooptijd, en dus ‘moet er zich in de grondgedachte van de theorie een fout bevinden’, zoals Faye terecht opmerkt. . . . Verder zijn beide (Mars en Mercurius) zevenvoudige ketens, en zijn even onafhankelijk van de siderische heren en superieuren van de Aarde, als u onafhankelijk bent van de ‘beginselen’ van Klein Duimpje – die misschien zijn zes broertjes waren, met of zonder slaapmutsen. . . . ‘Voor sommige mensen is het bevredigen van de nieuwsgierigheid het doel van de kennis’, zei Bacon, die evengoed gelijk had door van deze waarheid uit te gaan, als degenen die deze vóór hem al kenden, gelijk hadden door WIJSHEID te scheiden van kennis en door grenzen te stellen aan wat in een bepaalde tijd openbaar zal worden gemaakt. . . . Bedenk:

‘. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . kennis woont
In hoofden vol gedachten van anderen,
Wijsheid in geesten die letten op die
van henzelf. . . .’

      U kunt dit degenen, aan wie u iets van de esoterische leer mededeelt, nooit te sterk inprenten. . . .
      Hier zijn nog enige uittreksels uit een andere brief, geschreven door dezelfde autoriteit. Ditmaal vormen ze een antwoord op enkele aan de Leraren voorgelegde tegenwerpingen. Deze berusten op uitermate wetenschappelijke en even doelloze redeneringen, namelijk dat het aanbeveling zou verdienen te proberen de esoterische theorieën in overeenstemming te brengen met de speculaties van de moderne wetenschap; ze waren geschreven door een jonge theosoof als waarschuwing tegen de ‘Geheime Leer’ en hadden betrekking op hetzelfde onderwerp. Hij had verklaard dat als er zulke zuster-aarden bestonden, ‘zij maar een heel klein beetje minder stoffelijk zouden moeten zijn dan onze bol’. Hoe kwam het dan, dat men ze niet kon zien? Het antwoord was:
      ‘. . . Indien psychische en geestelijke leringen vollediger werden begrepen, zou het vrijwel onmogelijk worden zich een dergelijke ongerijmdheid zelfs maar in te denken. Tenzij men minder moeite doet om het onverenigbare te verenigen, dat wil hier zeggen de metafysische en geestelijke wetenschappen met de fysische of natuurfilosofie – waarbij ‘natuur’ voor hen (de geleerden) een synoniem is van die stof, die valt binnen het waarnemingsgebied van hun lichamelijke zintuigen – kan geen werkelijke vooruitgang worden bereikt. Zoals vanaf het begin werd geleerd, is onze bol op het laagste punt van de neergaande boog, waar de stof die we waarnemen, zich in haar grofste vorm vertoont. . . . Het is dan ook logisch dat de bollen die onze aarde overschaduwen, op andere en hogere gebieden moeten liggen. Kortom, als bollen HANGEN ZE SAMEN met onze aarde, maar zij hebben niet DEZELFDE SUBSTANTIE als onze aarde en behoren daarom tot een geheel andere bewustzijnstoestand. Onze planeet is (evenals alle andere die we zien) aangepast aan de bijzondere toestand van haar mensheid, die toestand die ons in staat stelt met het blote oog de hemellichamen te zien die in essentie één zijn met ons aardse gebied en onze aardse substantie, evenals de bewoners van Jupiter, Mars en andere planeten onze kleine wereld kunnen waarnemen: omdat onze bewustzijnsgebieden, die hoewel in graad verschillend, toch naar soort gelijk zijn, zich in dezelfde laag van gedifferentieerde stof bevinden. . . . Wat ik schreef, was: ‘De kleinere pralaya betreft alleen onze kleine SNOEREN VAN BOLLEN.’ (In die tijd van spraakverwarring noemden we de ketens ‘snoeren’.) . . . ‘Tot zo’n snoer behoort onze aarde.’ Hieruit had duidelijk moeten blijken dat de andere planeten ook ‘snoeren’ of KETENS waren. . . . Indien hij (de opponent) ook maar het vage silhouet van een van die ‘planeten’ op de hogere gebieden zou willen waarnemen, moet hij eerst zelfs de ijle wolken van de astrale stof afschudden, die tussen hem en het volgende gebied hangen. . . .
      Zo wordt het duidelijk waarom wij, zelfs met behulp van de beste aardse telescopen, niet kunnen waarnemen wat buiten onze wereld van de stof ligt. Alleen degenen die wij adepten noemen en die weten waarop zij hun geestesoog moeten richten en hoe zij hun bewustzijn – zowel op stoffelijk als op psychisch gebied – naar andere terreinen van het zijn kunnen overbrengen, zijn in staat met gezag over zulke onderwerpen te spreken. En ze zeggen ons duidelijk:
      ‘Leid het leven dat noodzakelijk is voor het verkrijgen van die kennis en vermogens, en wijsheid zal vanzelf tot u komen. Steeds wanneer u in staat bent om uw bewustzijn af te stemmen op een van de zeven snaren van het ‘universele bewustzijn’; die snaren die zijn gespannen op het klankbord van de Kosmos en die trillen van eeuwigheid tot eeuwigheid; wanneer u ‘de muziek van de sferen’ grondig hebt bestudeerd, pas dan zult u geheel vrij zijn om uw kennis te delen met hen met wie dit veilig is. Maar wees intussen voorzichtig. Geef niet de grote waarheden, die het erfdeel zijn van de toekomstige rassen, aan onze tegenwoordige generatie. Probeer niet het geheim van het zijn en het niet-zijn te onthullen aan hen die niet in staat zijn de verborgen betekenis te begrijpen van het ZEVENSNARIGE instrument van Apollo – de lier van de stralende god: in elk van haar zeven snaren wonen de geest, de ziel en het astrale lichaam van de Kosmos, waarvan nu alleen de schil in handen van de moderne wetenschap is gevallen. . . . Wees voorzichtig, zeggen wij, voorzichtig en wijs, en vooral, let erop wat degenen die van u leren, geloven; opdat zij niet door zichzelf te misleiden, ook anderen misleiden . . . want dat is het lot van iedere waarheid waarmee de mensen nog niet zijn vertrouwd. . . . Laat liever de planeetketens en de andere boven- en onderkosmische mysteries een dromenland blijven voor degenen die niet kunnen zien en ook met geloven dat anderen dat kunnen. . . .’
      Het is te betreuren dat maar weinigen van ons deze wijze raad hebben opgevolgd; en dat veel onschatbare parels, veel juwelen van wijsheid, voor een vijand zijn geworpen die de waarde ervan niet kon begrijpen, van houding veranderde en ons verscheurde.
      ‘Laten wij ons indenken’, schreef dezelfde Meester aan zijn twee ‘lekenchela’s’, zoals hij de schrijver van ‘Esoteric Buddhism’ en een ander, die enige tijd zijn medeleerling was, noemde – ‘laten wij ons indenken DAT ONZE AARDE ER EEN IS UIT EEN GROEP VAN ZEVEN PLANETEN OF DOOR MENSEN BEWOONDE WERELDEN. . . . (De zeven planeten zijn de heilige planeten van de oudheid en zijn alle zevenvoudig.) Nu bereikt de levensgolf A, of liever wat bestemd is om A te worden, en wat tot dusver slechts kosmisch stof is (een ‘layacentrum’) . . . enz.’
      In deze eerste brieven, waarin uitdrukkingen moesten worden bedacht en woorden worden verzonnen, werden ‘ringen’ vaak ‘Ronden’, en de ‘Ronden’ werden levenscyclussen, en omgekeerd. De Leraar schreef aan een correspondent, die een ‘Ronde’ een ‘wereldring’ noemde, het volgende: ‘Ik geloof dat dit tot verdere verwarring zal leiden. We waren het erover eens om de doorgang van een monade van bol A naar bol G of Z een Ronde te noemen. . . . De ‘wereldring’ is juist. . . . Dring er bij . . . sterk op aan, vóór hij verdergaat, het eens te worden over de nomenclatuur. . . .’
      Ondanks die afspraak slopen er tengevolge van deze verwarring veel fouten in de eerste leringen. De Rassen werden in sommige gevallen zelfs verwisseld met de ‘Ronden’ en ‘ringen’, en dit leidde tot dezelfde soort fouten in ‘Man’. Al vanaf het begin had de Meester geschreven:
      ‘Omdat het mij niet is toegestaan u de hele waarheid mede te delen, of het aantal afzonderlijke onderdelen bekend te maken . . . kan ik u niet tevredenstellen.’
      Dit was in antwoord op de vragen: ‘Als wij het goed hebben, dan is het hele bestaan dat aan het tijdperk van de mens voorafgaat, 637’, enz. Op alle vragen in verband met getallen was het antwoord: ‘Probeer het vraagstuk van de 777 incarnaties op te lossen. . . . Ik ben weliswaar verplicht u geen inlichting te geven . . . maar als u het vraagstuk zelfstandig mocht oplossen, zal het mijn plicht zijn u dat te zeggen.’
      Maar deze vragen werden nooit op die manier opgelost, en de resultaten waren onophoudelijke verbijstering en fouten.
      Zelfs de leer over de zevenvoudige samenstelling van de hemellichamen en van de macrokosmos – waaruit de zevenvoudige verdeling van de microkosmos, of de mens, volgt – is tot dusver een van de meest esoterische geweest. In de oudheid werd deze gewoonlijk pas bij de inwijding onthuld, tegelijk met de heiligste getallen van de cyclussen. Zoals in een theosofisch tijdschrift8 werd gezegd, was men niet van plan het hele kosmogonische stelsel te openbaren en dit werd zelfs geen ogenblik mogelijk geacht in een tijd, toen spaarzaam enkele mededelingen werden gedaan in antwoord op brieven van de schrijver van ‘Esoteric Buddhism’, waarin deze een groot aantal vragen stelde. Hieronder waren vragen over problemen, die geen MEESTER, hoe hoog en onafhankelijk ook, zou mogen beantwoorden, omdat hij daardoor de sinds lange tijd meest geëerbiedigde en archaïsche mysteries van de oude tempelscholen aan de wereld zou onthullen. Daarom werden maar enkele leringen in hoofdlijnen bekendgemaakt, terwijl steeds bijzonderheden achterwege werden gelaten; alle pogingen om meer inlichtingen erover te krijgen, werden vanaf het begin stelselmatig ontweken. Dit is volkomen natuurlijk. Van de vier vidya’s – die behoren tot de in de Purana’s genoemde zeven takken van kennis – namelijk ‘yajna-vidya’ (het uitvoeren van religieuze riten om bepaalde gevolgen teweeg te brengen); ‘maha-vidya’, de grote (magische) kennis, die nu is ontaard in tantrika-eredienst; ‘guhya-vidya’, de wetenschap van de mantra’s en hun juiste ritme of manier van zingen, van mystieke bezweringen, enz. – kan alleen de laatste, ‘atma-vidya’ of de ware geestelijke en goddelijke wijsheid, een absoluut en definitief licht werpen op de leringen van de eerstgenoemde drie. Zonder de hulp van atma-vidya blijven de andere drie niet meer dan oppervlakkige wetenschappen, meetkundige grootheden die lengte en breedte hebben, maar geen dikte. Ze zijn als de ziel, de ledematen en het verstand van een slapend mens: in staat tot werktuiglijke bewegingen, tot verwarde dromen en zelfs tot slaapwandelen, en tot het teweegbrengen van zichtbare gevolgen, maar gestimuleerd door instinctmatige en niet door verstandelijke oorzaken, en allerminst door volkomen bewuste geestelijke impulsen. Uit de eerstgenoemde drie wetenschappen kan veel worden bekend gemaakt en verklaard. Maar tenzij atma-vidya de sleutel tot hun leringen verschaft, zullen ze altijd blijven als de stukken van een verscheurd leerboek, als de schaduwen van grote waarheden, die door de meest geestelijk ingestelden vaag worden onderscheiden, maar die uit elk verband worden gerukt door degenen die iedere schaduw aan de muur zouden willen spijkeren.
      Er ontstond ook grote verwarring bij de onderzoekers door de onvolledige uiteenzetting van de evolutieleer van de monaden. Voor een goed begrip ervan moet men zowel dit proces als dat van de geboorte van de bollen veel meer vanuit hun metafysische aspect onderzoeken dan van wat men een statistisch standpunt zou kunnen noemen, dat cijfers en getallen bevat die zelden algemeen mogen worden gebruikt. Helaas zijn maar weinigen geneigd deze leringen alleen metafysisch op te vatten. Zelfs de beste westerse schrijver over onze leer verklaart bij het bespreken van de evolutie van de monaden (‘Esoteric Buddhism’, blz. 46) dat ‘wij ons nu niet bezighouden met zuivere metafysica van die aard’. En als dat het geval is, zoals de Leraar in een brief aan hem opmerkt, ‘waarom zouden we dan onze leer prediken, waarom al dit zware werk en dit zwemmen tegen de stroom op? Waarom zou het westen . . . van het oosten . . . dat leren, wat toch nooit kan voldoen aan de speciale eisen van de esthetica?’ En hij vestigt de aandacht van zijn correspondent ‘op de geweldige moeilijkheden die wij (de adepten) ondervinden bij iedere poging om onze metafysica aan het westerse verstand uit te leggen’.
      En dat mag ook wel, want zonder metafysica is geen occulte filosofie en geen esoterie mogelijk. Het is hetzelfde als dat men zou proberen de aspiraties en de aandoeningen, de liefde en de haat, de meest geheime en heiligste werkingen van de ziel en het verstand van de levende mens, te verklaren door een anatomische beschrijving van de borstkas en de hersenen van zijn dode lichaam.
      Laten wij nu de twee bovengenoemde leringen onderzoeken, die in ‘Esoteric Buddhism’ nauwelijks worden genoemd, en deze voor zover dat in onze macht ligt, aanvullen.

 

Noten:

  1. Zie de aantekening op de vorige bladzijde die volgt op de toelichting en ook de samenvatting van de stanza’s aan het einde van de Proloog.
  2. In de Geheime Boeken worden veel meer planeten opgenoemd dan in moderne boeken over sterrenkunde.
  3. Samuel Laing, de schrijver van ‘Modern Science and Modern Thought’, zegt: ‘De conclusies op astronomisch gebied zijn theorieën die zijn gebaseerd op gegevens, zo onzeker, dat ze in sommige gevallen ongelooflijk korte uitkomsten geven, zoals bijvoorbeeld 15 miljoen jaar voor het hele tot nu toe verlopen vormingsproces van het zonnestelsel, maar in andere gevallen bijna ongelooflijk lange, zoals in het geval waar wordt verondersteld dat de maan van de aarde werd weggeslingerd, toen deze in drie uur om haar as wentelde, terwijl de grootst mogelijke werkelijke vertraging, afgeleid uit waarnemingen, 600 miljoen jaar nodig zou hebben om de aarde te laten rondwentelen in 23 in plaats van 24 uur’ (blz. 48). En als de natuurkundigen daarbij blijven, waarom moet dan de chronologie van de hindoes worden uitgelachen, omdat ze overdreven zou zijn?
  4. Zij is ontegenzeglijk de satelliet, maar dat tast de theorie niet aan, dat zij de aarde alles heeft gegeven behalve haar lijk. Om de theorie van Darwin te kunnen handhaven, moesten er behalve de zojuist weerlegde hypothese (zie de vorige voetnoot) andere en nog ongerijmder gissingen worden bedacht. De maan, zegt men, is bijna zesmaal zo snel afgekoeld als de aarde (Winchell, ‘World-Life’): ‘Als de aarde sinds de vorming van de aardkorst 14.000.000 jaar oud is, dan is de maan slechts elf en tweederde miljoen jaar oud sinds dat stadium . . .’, enz. En als onze maan niet anders dan een weggeslingerd stuk van onze aarde is, waarom kan er dan geen gelijke conclusie worden getrokken voor de manen van andere planeten? De sterrenkundigen ‘weten het niet’. Waarom zouden Venus en Mercurius geen satellieten hebben en waardoor als ze toch bestaan – zijn die dan gevormd? Omdat volgens ons de wetenschap maar één sleutel bezit – de sleutel van de stof – tot de geheimen van de natuur, terwijl de occulte filosofie zeven sleutels heeft en toelicht wat de wetenschap niet ziet. Mercurius en Venus hebben geen satellieten, maar evenals de Aarde hadden ze ‘ouders’. Beide zijn veel ouder dan de Aarde, en voordat laatstgenoemde haar zevende Ronde bereikt, zal haar moeder, de maan, zich geheel hebben opgelost, evenals de ‘manen’ van de andere planeten dat (al naar het geval) wel of niet deden, want er zijn planeten met een aantal manen – alweer een mysterie, dat door geen Oedipus van de sterrenkunde is opgelost.
  5. Wij houden ons in dit boek slechts terloops met andere bollen bezig.
  6. Natuurlijk met uitzondering van alle planeten die op de vierde plaats staan, zoals onze aarde, de maan, enz. Afschriften van alle ooit ontvangen of verzonden brieven, behalve enkele persoonlijke – ‘waarin geen leringen voorkomen’, zegt de Meester – zijn in het bezit van de schrijfster. Omdat het in het begin haar taak was om bepaalde punten die niet waren aangeroerd, te beantwoorden en te verklaren, is het meer dan aannemelijk dat, ondanks de vele aantekeningen op deze afschriften, de schrijfster door haar gebrek aan kennis van het Engels en haar vrees om te veel te zeggen, de gegeven informatie heeft verknoeid. In elk van deze gevallen neemt zij de hele schuld daarvoor op zich. Maar het is haar onmogelijk de onderzoekers nog langer in een waan te laten, of deze te doen geloven dat de fout ligt bij het esoterische stelsel.
  7. In dezelfde brief wordt uitdrukkelijk verklaard dat dit onmogelijk is: . . . ‘Probeer te begrijpen dat u mij vragen stelt die tot de hoogste inwijding behoren; dat ik u (slechts) een algemeen overzicht kan geven, maar dat ik niet op bijzonderheden durf of wil ingaan . . .’, schreef een van de Leraren aan de schrijver van ‘Esoteric Buddhism’.
  8. ‘Lucifer’, mei 1888.

 


De Geheime Leer 1:182-199

© 1988 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag