§ 14

Krachten – bewegingsvormen of intelligenties?

 

   Dit is dan het laatste woord van de natuurwetenschap tot dit jaar, 1888. Mechanische wetten zullen nooit de homogeniteit van de oorspronkelijke stof kunnen bewijzen, behalve als conclusie en als wanhopige noodzaak, wanneer er geen andere uitweg openstaat – zoals in het geval van de ether. De moderne wetenschap is alleen veilig op haar eigen gebied, binnen de stoffelijke grenzen van ons zonnestelsel; daarbuiten verschilt alles, elk stofdeeltje, van de stof die zij kent: die stof bestaat in toestanden waarvan de wetenschap zich geen denkbeeld kan vormen. Die stof, die werkelijk homogeen is, valt buiten de menselijke waarneming, indien de waarneming wordt beperkt tot de vijf zintuigen. We voelen de werking ervan door middel van die intelligenties, die het gevolg zijn van haar eerste differentiatie en die we Dhyāni-Chohans noemen; in de Hermetische boeken heten ze de ‘zeven heersers’; Pymander, de ‘goddelijke gedachte’, betitelt ze als de ‘bouwende machten’, en Asklepios noemt ze ‘opperste goden’. Zelfs zijn enkele sterrenkundigen ertoe gebracht in die stof te geloven – de werkelijke oorspronkelijke substantie, het noumenon van alle ‘stof’ die we kennen – en te wanhopen over de mogelijkheid om ooit de rotatie, de zwaartekracht en de oorsprong van de mechanische fysische wetten te verklaren, tenzij deze intelligenties door de wetenschap worden erkend. In het eerder aangehaalde boek van Wolf1 over sterrenkunde onderschrijft de auteur volledig de theorie van Kant, en deze theorie doet, zo niet in haar algemene aspecten, dan toch in elk geval in enkele opzichten, sterk denken aan bepaalde esoterische leringen. Hier hebben we het wereldstelsel, dat uit zijn as is herboren door middel van een nevelvlek; de uitstraling uit de dode en in de Ruimte ontbonden lichamen – het gevolg van het gloeien van het zonnecentrum, dat opnieuw tot leven werd gebracht door de brandbare stof van de planeten. In deze theorie, die is ontstaan en ontwikkeld in het brein van een jongeman van nauwelijks vijfentwintig jaar, die nooit zijn geboorteplaats, een stadje in het noorden van Pruisen (Königsberg) had verlaten, moet men wel òf een bezielende kracht van buiten, òf de reïncarnatie erkennen die de occultisten erin zien. Zij vult een leemte die Newton, met al zijn genialiteit, had opengelaten. Kant had beslist onze oorspronkelijke stof, het ākāśa, op het oog, toen hij voorstelde de moeilijkheid van Newton en zijn onvermogen om uit de natuurkrachten de eerste impuls te verklaren die aan de planeten wordt gegeven, weg te nemen door de vooronderstelling van een alles doordringende oorspronkelijke substantie. Want, zoals hij in hoofdstuk viii opmerkt, als men eenmaal erkent dat de volmaakte harmonie van de sterren en planeten en het samenvallen van de vlakken van hun banen het bestaan bewijzen van een natuurlijke oorzaak, die dus de eerste oorzaak zou zijn, ‘dan kan die oorzaak in werkelijkheid niet de stof zijn die nu de hemelse ruimten vult’. De beweging in de gedifferentieerde stof van wat oorspronkelijk de ruimte vulde – de ruimte was – moet de oorsprong zijn geweest van de tegenwoordige bewegingen van de hemellichamen, en deze oorspronkelijke stof ‘verdichtte zich tot die lichamen en verliet zo de ruimte die nu leeg blijkt te zijn’. Met andere woorden, diezelfde stof waaruit nu de planeten, de kometen en de zon zelf zijn samengesteld, heeft, nadat zij zich in het begin tot deze lichamen had gevormd, haar inherente eigenschap van beweging bewaard; deze eigenschap, die nu in hun kernen is geconcentreerd, leidt alle beweging. Er is maar een heel kleine verandering van woorden nodig en enige aanvullingen, om hieruit onze esoterische leer te maken.
   De laatstgenoemde leert dat deze oorspronkelijke prima materia, goddelijk en intelligent – de directe uitstraling van het Universele Denkvermogen, de daiviprakriti (het goddelijke licht dat voortkomt uit de logos2) – de kernen van al de ‘zelf-bewegende’ bollen in de Kosmos vormde. Zij is de bezielende, altijd aanwezige drijfkracht en het levensbeginsel, de levende ziel van de zonnen, manen, planeten en zelfs van onze aarde. De eerstgenoemde is latent, het laatste actief – de onzichtbare heerser en gids van het grove lichaam dat is verbonden met zijn ziel, die immers de geestelijke uitstraling is van deze verschillende planeetgeesten.
   Een andere heel occulte leerstelling is de theorie van Kant, dat de stof waaruit de bewoners en de dieren van andere planeten zijn gevormd, van een lichtere en ijlere aard en van een meer volmaakte bouw is naarmate ze verder van de zon afstaan. Deze laatste is overvol van levenselektriciteit, van het fysieke, levengevende beginsel. Daarom zijn de mensen op Mars etherischer dan wij, terwijl die op Venus grover zijn, hoewel veel intelligenter, maar minder spiritueel.
   Deze laatste leer is niet helemaal de onze – toch zijn die theorieën van Kant even metafysisch en transcendentaal als welke occulte leer ook; en meer dan één wetenschapper zou ze evenals Wolf aanvaarden, als hij maar ronduit zijn mening durfde te zeggen. Van dit denkvermogen en deze ziel van de zonnen en de sterren volgens Kant, is het maar één stap tot het mahat (denkvermogen) en prakriti van de Purāna’s. Als de wetenschap dit erkent, betekent dit immers slechts dat zij een natuurlijke oorzaak erkent, of zij haar geloof nu tot zulke metafysische hoogten uitstrekt of niet. Maar mahat, het denkvermogen, is dan ook een ‘god’, en de fysiologie verstaat onder ‘denkvermogen’ alleen een tijdelijke functie van het stoffelijke brein en meer niet.
   De satan van het materialisme lacht om dit alles zonder onderscheid en ontkent zowel het zichtbare als het onzichtbare. Omdat het in licht, warmte, elektriciteit en zelfs in het verschijnsel van het leven slechts aan stof inherente eigenschappen ziet, lacht het materialisme steeds wanneer het leven het levensbeginsel wordt genoemd en spot het met de gedachte dat het leven onafhankelijk en verschillend van het organisme is.
   Maar ook hierin, evenals in alle andere zaken, verschillen de wetenschappelijke meningen, en er zijn een aantal wetenschappers die opvattingen aanvaarden die erg overeenkomen met de onze. Zie bijvoorbeeld wat dr. Richardson, F.R.S. (elders uitvoerig aangehaald) zegt over dat ‘levensbeginsel’ dat hij ‘zenuw-ether’ noemt (Popular Science Review, Deel 10):

   ‘Ik spreek alleen over een werkelijk stoffelijk agens, voor de wereld in het algemeen mogelijk verfijnd, maar nu bestaand en substantieel: een agens dat de eigenschappen van gewicht en volume heeft, een agens dat scheikundige verbindingen kan aangaan en dan ook gevoelig is voor verandering in de fysieke toestand, een agens dat passief is in zijn werking, dat wil zeggen, altijd wordt bewogen door invloeden van buitenaf3, dat gehoorzaamt aan andere invloeden, een agens dat geen kracht tot initiatief heeft, geen vis of energia naturae4, maar dat toch een heel belangrijke, zo niet een hoofdrol speelt bij het teweegbrengen van de verschijnselen die het gevolg zijn van de werking van de energeia op zichtbare stof’ (blz. 379).

   Omdat de biologie en de fysiologie nu het bestaan van een ‘levensbeginsel’ geheel ontkennen, is deze passage samen met de erkenning van De Quatrefages een duidelijke bevestiging dat er wetenschappers zijn met dezelfde opvattingen over ‘occulte zaken’ als de theosofen en de occultisten. Deze erkennen een afzonderlijk levensbeginsel, onafhankelijk van het organisme. Dit beginsel is natuurlijk stoffelijk, omdat fysieke kracht niet van stof kan worden gescheiden, maar het bestaat uit een substantie die in een toestand verkeert die aan de wetenschap onbekend is. Voor hen is het leven iets meer dan slechts het op elkaar inwerken van moleculen en atomen. Er is een levensbeginsel, en zonder dit zouden moleculaire verbindingen nooit hebben geresulteerd in een levend organisme, en beslist niet in de zogenaamde ‘anorganische’ stof van ons bewustzijnsgebied.
   Met ‘moleculaire verbindingen’ bedoelt men natuurlijk die van de stof van onze tegenwoordige bedrieglijke waarnemingen; deze stof is alleen op ons gebied werkzaam. En dit is het belangrijkste punt dat aan de orde is5.
   De occultisten staan in hun overtuigingen dus niet alleen. Eigenlijk zijn ze ook niet zo dwaas dat ze zelfs de ‘zwaartekracht’ van de hedendaagse wetenschap tegelijk met andere fysische wetten verwerpen en in plaats daarvan aantrekking en afstoting aannemen. Bovendien zien ze in deze twee tegengestelde krachten slechts de twee aspecten van de universele eenheid, die men ‘het zich manifesterende denkvermogen’ noemt. In deze aspecten neemt het occultisme door middel van zijn grote zieners een ontelbare menigte werkzame wezens waar: kosmische Dhyāni-Chohans, wezens waarvan de essentie in haar tweevoudige natuur de oorzaak is van alle aardse verschijnselen. Want die essentie is één in substantie met de universele elektrische oceaan, die het leven is; en omdat zij, zoals gezegd, tweevoudig is – positief en negatief – zijn de emanaties van die tweevoudigheid nu op aarde werkzaam onder de naam ‘bewegingsvormen’. Want zelfs tegen het woord kracht kan men bezwaar gaan maken uit vrees dat het iemand zelfs maar in gedachten ertoe zou brengen deze van de stof te scheiden! Het tweeledige gevolg van die tweevoudige essentie wordt nu, zoals het occultisme zegt, de middelpuntzoekende en de middelpuntvliedende kracht genoemd, de negatieve en positieve polen of polariteit, warmte en kou, licht en duisternis, enz.
   En men beweert dat zelfs de grieks- en de rooms-katholieke christenen wijzer zijn door te geloven in engelen, aartsengelen, archonten, serafijnen en morgensterren, kortom in al die theologische deliciae humani generis, die de kosmische elementen regeren – zelfs als zij deze blindelings in verband brengen met en terugvoeren tot een antropomorfe god – dan de wetenschap door in het geheel niet daarin te geloven en deze aan mechanische krachten toe te schrijven. Want deze werken heel vaak met meer dan menselijke intelligentie en zakelijkheid. Niettemin ontkent men die intelligentie en schrijft deze toe aan blind toeval. Maar evenals De Maîstre gelijk had toen hij de wet van de zwaartekracht alleen maar een woord noemde dat ‘het onbekende iets’ verving (Soirées), hebben wij gelijk als we dezelfde opmerking toepassen op alle andere krachten van de wetenschap. En als men het bezwaar maakt dat de graaf een vurige rooms-katholiek was, dan kunnen we Le Couturier aanhalen, een even vurige materialist, die hetzelfde zei, evenals Herschel en veel anderen. (Zie Musée des Sciences, augustus 1856.)
   Van goden tot mensen, van werelden tot atomen, van een ster tot een nachtpitje, van de zon tot de levenswarmte van het meest onbetekenende organische wezen – is de wereld van vorm en bestaan een enorme keten, waarvan de schakels alle zijn verbonden. De wet van de analogie is de eerste sleutel tot het wereldprobleem, en men moet deze schakels naast elkaar bestuderen voor wat betreft hun onderlinge occulte relaties.
   Als dus de Geheime Leer ervan uitgaat dat voorwaardelijke en beperkte ruimte (plaats) geen werkelijk bestaan heeft, behalve in deze wereld van illusie – met andere woorden, voor onze waarneming – en verkondigt dat elk van de hogere en ook lagere werelden is vervlochten met onze eigen objectieve wereld; dat miljoenen dingen en wezens wat hun plaats betreft, rondom en in ons zijn, evenals wij rondom, met en in hen zijn; dan is dit geen metafysische manier van zeggen, maar een nuchter natuurfeit, hoe onbegrijpelijk dit ook is voor onze zintuigen.
   Maar men moet de manier van uitdrukken van het occultisme begrijpen, voor men zijn uitspraken bekritiseert. De Geheime Leer weigert bijvoorbeeld (zoals ook de wetenschap in een bepaald opzicht doet) om met betrekking tot onzichtbare sferen de woorden ‘boven’, ‘beneden’, ‘hoger’ en ‘lager’ te gebruiken, omdat deze geen betekenis hebben. Zelfs de termen ‘oost’ en ‘west’ zijn alleen maar conventioneel en slechts nodig als hulpmiddel voor onze menselijke waarnemingen. Want hoewel de aarde in het noorden en het zuiden haar twee vaste punten in de polen heeft, zijn toch zowel oost als west veranderlijk naar gelang van onze eigen plaats op het aardoppervlak, en tengevolge van haar draaiing van west naar oost. Wanneer dus over ‘andere werelden’ wordt gesproken – of die nu beter of slechter, spiritueler of nog stoffelijker, hoewel in beide gevallen onzichtbaar zijn – plaatst de occultist deze sferen niet buiten of binnen onze aarde, zoals de theologen en de dichters doen, want hun plaats is nergens in de ruimte die aan de niet-ingewijde bekend is en waarover deze zich een idee vormt. Ze zijn als het ware met onze wereld vermengd – ze doordringen deze en worden door haar doordrongen. Er zijn miljoenen en miljoenen werelden en firmamenten voor ons zichtbaar; er zijn nog grotere aantallen die niet meer door middel van telescopen zichtbaar zijn, en veel van deze laatste soort behoren niet tot onze objectieve bestaanssfeer. Hoewel ze even onzichtbaar zijn als wanneer ze zich miljoenen mijlen buiten ons zonnestelsel zouden bevinden, zijn ze toch met ons, bij ons, binnen onze eigen wereld en voor hun eigen bewoners even objectief en materieel als onze wereld voor ons is. Maar nogmaals, de relatie van deze werelden met de onze is niet zoals tussen een reeks eivormige dozen die in elkaar passen, zoals het speelgoed dat men Chinese poppen noemt; elk van deze werelden wordt geheel beheerst door haar eigen speciale wetten en omstandigheden en heeft geen rechtstreeks verband met onze sfeer. Zoals wij al zeiden, en voorzover wij weten of voelen, bewegen de bewoners van deze werelden zich misschien rondom ons en dwars door ons heen alsof ze door een lege ruimte gingen, terwijl hun woonplaatsen en landen de onze doordringen, hoewel ze ons gezichtsvermogen niet verstoren, omdat wij nog geen zintuigen hebben om hen te onderscheiden. Toch kunnen de adepten en zelfs sommige zieners en sensitieven door hun spirituele inzicht altijd meer of minder duidelijk de aanwezigheid en nabijheid van wezens waarnemen die behoren tot andere levenssferen. Degenen die behoren tot de (spiritueel) hogere werelden, treden alleen in verbinding met die aardse stervelingen die door individuele inspanning tot hen opstijgen, tot het hogere gebied dat zij bewonen. . . .
   ‘De zonen van Bhūmi (de aarde) beschouwen de zonen van de deva-loka’s (engelen-sferen) als hun goden; en de zonen van de lagere rijken zien op tot de mensen van bhūmi als tot hun deva’s (goden); maar de mensen blijven hiervan in hun blindheid onbewust. . . . Zij (de mensen) beven voor hen, terwijl ze hen gebruiken (voor magische doeleinden) . . . Het eerste mensenras bestond uit deuit het denkvermogen geboren zonenvan de eerstgenoemden. Zij (de pitri’s en deva’s) zijn onze voorvaderen. . . .’ (Deel II van de Toelichting op het Boek van dzyan).
   Zogenaamd ‘ontwikkelde mensen’ spotten met het denkbeeld van sylfen, salamanders, undinen en gnomen; de wetenschappers beschouwen alleen al het noemen van zo’n bijgeloof als een belediging; en met een minachting voor logica en gezond verstand, die vaak het voorrecht is van ‘erkende autoriteiten’, laten zij degenen aan wie zij onderricht moeten geven, in de absurde waan dat er in de hele Kosmos, of in ieder geval in onze eigen dampkring, geen andere bewuste intelligente wezens zijn dan wijzelf6. Elke andere mensheid (die bestaat uit heel andere menselijke wezens) dan een mensheid met twee benen, twee armen en een hoofd met menselijke gelaatstrekken, zou niet menselijk worden genoemd, hoewel de etymologie van het woord weinig te maken schijnt te hebben met het algemene voorkomen van een wezen. Terwijl de wetenschap dus zelfs de mogelijkheid dat er zulke (voor ons in het algemeen) onzichtbare wezens zijn, scherp afwijst, wordt de maatschappij ertoe gebracht deze gedachte openlijk te bespotten, hoewel men in het geheim dit alles gelooft. Zij begroet met gejuich werken als de Graaf de Gabalis en begrijpt niet dat openlijke satire het veiligste masker is.
   Niettemin bestaan er inderdaad zulke onzichtbare werelden. Ze zijn even dicht bevolkt als onze eigen wereld, en ze zijn in enorme aantallen door de schijnbare Ruimte verspreid; sommige zijn veel stoffelijker dan onze eigen wereld, andere worden geleidelijk etherischer, totdat ze vormloos en als een ‘adem’ zijn. Dat ons fysieke oog ze niet ziet, is geen reden om er niet in te geloven; de natuurkundigen kunnen noch hun ether en hun atomen, noch ‘bewegingsvormen’ of krachten zien. Toch aanvaarden ze deze en onderwijzen erover.
   Als we zelfs in de wereld waarmee we bekend zijn, stof vinden die een gedeeltelijke analogie met het vreemde idee van zulke onzichtbare werelden oplevert, dan schijnt het niet moeilijk te zijn om de mogelijkheid van het bestaan daarvan te erkennen. De staart van een komeet die, hoewel hij onze aandacht trekt door zijn helderheid, toch niet ons gezicht verstoort of belemmert op objecten die we er doorheen en erachter waarnemen, levert de eerste stap naar een bewijs ervan. De staart van een komeet gaat snel langs onze horizon en we zouden deze niet voelen en ons ook niet bewust zijn van zijn voorbijgaan, als hij niet helder schitterde, wat vaak wordt waargenomen door maar een paar mensen die in het verschijnsel zijn geïnteresseerd, terwijl alle anderen onbekend blijven met zijn aanwezigheid en zijn doortocht door of langs een deel van onze bol. Deze staart kan al of niet een bestanddeel zijn van het wezen van de komeet, maar zijn ijlheid dient hier als toelichting. Het gaat inderdaad niet om bijgeloof, maar eenvoudig om een eis van de transcendentale wetenschap en nog meer van de logica, als wij het bestaan aannemen van werelden die zijn gevormd uit nog veel ijlere stof dan de staart van een komeet. Door zo’n mogelijkheid te ontkennen, heeft de wetenschap de laatste eeuw noch de filosofie, noch de ware religie, maar eenvoudig de theologie in de kaart gespeeld. Om het bestaan van de veelheid van zelfs stoffelijke werelden beter te kunnen bestrijden – een geloof dat door veel geestelijken onverenigbaar wordt geacht met de leer en de stellingen van de bijbel7 – moest Maxwell de nagedachtenis van Newton belasteren en zijn lezers ervan proberen te overtuigen dat de beginselen van de filosofie van Newton ‘aan alle atheïstische stelsels ten grondslag liggen’. (Zie Deel II, Pluralité des Mondes.)
   ‘Dr. Whewell bestreed de opvatting van de veelheid van werelden door een beroep te doen op wetenschappelijk bewijsmateriaal’, schrijft prof. Winchell8. En als zelfs de bewoonbaarheid van fysieke werelden, van planeten en verafgelegen sterren, die boven ons bij tienduizenden schitteren, zó wordt bestreden, hoe weinig kans is er dan dat de onzichtbare werelden worden aanvaard, binnen de schijnbaar doorzichtige ruimte van onze eigen wereld!
   Maar als we ons een wereld kunnen voorstellen die is samengesteld uit stof die (voor onze zintuigen) nog ijler is dan de staart van een komeet, en dus ook bewoners die in verhouding tot hun bol even etherisch zijn als wij in vergelijking met onze harde rotsachtige aarde, dan is het geen wonder dat we ze niet waarnemen en ook hun aanwezigheid of zelfs hun bestaan niet opmerken. Maar in welk opzicht is dit denkbeeld strijdig met de wetenschap? Kan men niet veronderstellen dat mensen en dieren, planten en gesteenten een heel ander stel zintuigen bezitten dan wij? Kunnen hun organismen niet zijn geboren, worden ontwikkeld en bestaan onder andere wetten van het zijn, dan die onze kleine wereld beheersen? Is het absoluut noodzakelijk dat elk lichamelijk wezen zich moet hullen in ‘rokken van vellen’, zoals die waarvan Adam en Eva werden voorzien in de legende van Genesis? Er wordt ons echter door meer dan één wetenschapper gezegd dat lichamelijkheid ‘onder heel uiteenlopende omstandigheden kan bestaan’9. Weten we dan niet door de ontdekkingen van juist die alles ontkennende wetenschap, dat we zijn omringd door tienduizenden onzichtbare levens? Als deze microben, bacteriën en alle andere oneindig kleine wezens door hun geringe omvang voor ons onzichtbaar zijn, kunnen er anderzijds dan geen wezens zijn die even onzichtbaar zijn door de aard van hun weefsel of hun stof – eigenlijk door hun ijlheid? Hebben we omgekeerd in de komeetstof niet een ander voorbeeld van een halfzichtbare vorm van leven en stof? De zonnestraal die in ons vertrek schijnt, onthult op zijn weg tienduizenden wezentjes, die hun kleine leven doormaken en die ophouden te bestaan, geheel los van de vraag of onze grovere stoffelijkheid ze al of niet waarneemt. En dit geldt ook voor de microben en bacteriën en dergelijke onzichtbare wezens in andere elementen. Wij gingen eraan voorbij, tijdens die lange eeuwen van treurige onwetendheid, nadat de lamp van kennis in de heidense en diepzinnig filosofische stelsels had opgehouden haar heldere licht te werpen op de tijden van onverdraagzaamheid en fanatisme tijdens het vroege christendom; we zouden er ook nu graag weer aan voorbijgaan.
   En toch omringden deze levens ons toen evengoed als nu. Ze bleven bestaan, gehoorzaam aan hun eigen wetten, en we zijn pas begonnen kennis van hen en van hun gevolgen te nemen toen hun bestaan geleidelijk door de wetenschap werd onthuld.
   Hoelang heeft het geduurd tot de wereld is geworden wat zij nu is? Als men van kosmisch stof kan zeggen dat iets daarvan naar het heden is gekomen ‘dat nooit eerder tot de aarde had behoord’ (World-Life), hoeveel logischer is het dan om (zoals de occultisten) te geloven dat, tijdens de talloze miljoenen jaren die zijn verstreken sinds dit stof zich verzamelde en rond zijn kern van intelligente oersubstantie de bol vormde waarop wij leven, er een groot aantal mensheden – die evenveel van onze huidige mensheid verschilden, als de mensheid die zich over miljoenen jaren zal ontwikkelen, van onze rassen zal verschillen – verscheen, om evenals onze eigen mensheid zal doen, weer van het aardoppervlak te verdwijnen. Men ontkent het bestaan van die oorspronkelijke en ver in het verleden levende mensheden, omdat zij volgens de geologen geen tastbare overblijfselen hebben achtergelaten. Elk spoor van hen is weggevaagd, en daarom hebben ze nooit bestaan. Toch kan men hun overblijfselen – het zijn er inderdaad heel weinig – vinden, en zij moeten door geologisch onderzoek worden ontdekt. Maar zelfs als ze nooit worden gevonden, is er geen reden om te zeggen dat er nooit mensen konden hebben geleefd in de geologische tijden waarin de periode van hun aanwezigheid op aarde wordt geplaatst. Want hun organismen hadden geen warm bloed, geen dampkring en geen voedsel nodig; de schrijver van World-Life heeft gelijk, en het is niet zo overdreven om net als wij te geloven dat, zoals er volgens wetenschappelijke hypothesen nog altijd ‘psychische naturen kunnen zijn opgesloten in onverwoestbare vuursteen en platina’, er ook psychische naturen waren opgesloten in vormen van even onverwoestbare oerstof – de werkelijke voorouders van ons vijfde ras.
   Als we daarom, zoals in Deel II, over mensen spreken die deze bol 18.000.000 jaar geleden bewoonden, dan hebben we noch de mensen van onze huidige rassen in gedachten, noch de huidige atmosferische wetten, temperatuursomstandigheden, enz. De aarde en de mensheid hebben, evenals de zon, de maan en de planeten, alle hun groei, veranderingen, ontwikkelingen en geleidelijke evolutie in hun levensperioden; zij worden geboren, worden kleuters, dan kinderen, jongelui en volwassenen, ze worden oud en sterven tenslotte. Waarom zou de mensheid niet ook onder deze universele wet vallen? Uriël zegt tegen Henoch: ‘Zie, ik heb u alle dingen getoond. U ziet de zon, de maan en degenen die de sterren van de hemel leiden, die al hun werkingen, seizoenen en verschijningen laten terugkeren . . . In de dagen van de zondaars zullen de jaren worden verkort . . . alles wat op aarde is gedaan, zal worden omvergeworpen . . . de maan zal haar wetten veranderen’ . . . enz. (Hfst. lxxix.)
   De ‘dagen van de zondaars’ betekende de tijd waarin de stof haar volledige heerschappij op aarde zou uitoefenen, en de mens het toppunt van fysieke ontwikkeling in gestalte en dierlijkheid zou hebben bereikt. Dat gebeurde in het tijdperk van de Atlantiërs, ongeveer op het punt halverwege hun Ras (het vierde), dat verdronk zoals door Uriël was voorspeld. Na die tijd begon de mens in lichaamslengte, kracht en jaren af te nemen, zoals in Deel II zal worden aangetoond. Maar omdat we halverwege ons onderras van het vijfde Wortelras zijn – in elk onderras het toppunt van stoffelijkheid – zijn de dierlijke neigingen, hoewel verfijnder, niet minder ontwikkeld, en dat zijn ze hoofdzakelijk in beschaafde landen.

 

Noten:

  1. Les hypothèses cosmogoniques. Examen des Théories Scientifiques modernes sur l’Origine des Mondes, suivi de la Traduction de la Théorie du Ciel de Kant.’
  2. Dit ‘licht’ noemen wij fohat.
  3. Dit is een fout, die een stoffelijk agens vooronderstelt dat verschilt van de invloeden die het doen bewegen, d.w.z. blinde stof en misschien weer ‘God’, terwijl dit ene leven god en de goden ‘zelf’ is.
  4. Dezelfde fout.
  5. ‘Is de jīva een mythe, zoals de wetenschap zegt, of niet?’, vragen sommige theosofen, die aarzelen tussen de materialistische en de idealistische wetenschap. De moeilijkheid bij het werkelijk begrijpen van esoterische problemen over de ‘uiteindelijke toestand van de stof’ is weer de oude kwestie van het objectieve en het subjectieve. Wat is stof? Is de stof van ons huidige objectieve bewustzijn iets anders dan onze gewaarwordingen? Inderdaad, onze gewaarwordingen komen van buitenaf, maar kunnen we werkelijk (behalve als het om verschijnselen gaat) spreken over de ‘grove stof’ van dit gebied als over een entiteit, die los van ons staat en onafhankelijk van ons is? Op al dergelijke opmerkingen antwoordt het occultisme: inderdaad, in werkelijkheid is de stof niet onafhankelijk van onze gewaarwordingen en bestaat niet daarbuiten. De mens is een illusie: toegegeven. Maar het werkelijke bestaan van andere, nog meer denkbeeldige, maar niet minder reële entiteiten dan wij, is geen bewering die wordt verzwakt door het idealisme van de Vedānta en zelfs dat van Kant, maar er eerder door wordt versterkt.
  6. Zelfs de vraag of er meer dan één wereld is die wordt bewoond door bewuste wezens, wordt verworpen of met de grootste voorzichtigheid benaderd! Maar zie wat de grote sterrenkundige Camille Flammarion zegt in zijn Pluralité des Mondes.
  7. Niettemin zal op basis van het getuigenis van de bijbel zelf en van goede christelijke theologen zoals kardinaal Wiseman, worden aangetoond dat deze veelheid van werelden zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament wordt onderwezen.
  8. Zie Pluralité des Mondes, waarin een lijst wordt gegeven van veel wetenschappers die de theorie probeerden te bewijzen.
  9. Prof. A. Winchell maakt in zijn betoog over de veelheid van werelden de volgende opmerkingen: ‘Het is helemaal niet onwaarschijnlijk dat moeilijk smeltbare substanties zodanig kunnen worden vermengd met andere substanties, die ons al of niet bekend zijn, dat zij een veel grotere afwisseling van warmte en kou kunnen verdragen dan voor aardse organismen mogelijk is. De weefsels van dieren op aarde zijn nu eenmaal geschikt voor aardse omstandigheden. Toch vinden we zelfs hier verschillende typen en soorten dieren die zijn aangepast aan de eisen, gesteld door heel uiteenlopende omstandigheden . . . Dat een dier een viervoeter of tweevoeter zou moeten zijn, is iets dat niet afhangt van de noodzaak van zo’n bestaansvorm, instinct of intelligentie. Dat een dier juist vijf zintuigen moet bezitten is geen noodzaak voor een gewaarwordend bestaan. Er zijn misschien dieren op aarde zonder reuk- en smaakvermogen. Er zijn misschien wezens op andere werelden, en zelfs op deze, die een groter aantal zintuigen hebben dan wij. Dat dit mogelijk is, blijkt als we de grote waarschijnlijkheid in aanmerking nemen, dat andere eigenschappen en andere bestaansvormen aan de Kosmos ter beschikking staan, en zelfs aan de aardse stof. Er zijn dieren die voortleven waar de denkende mens zou omkomen – in de bodem, in de rivier, en de zee’ . . . (en waarom dan geen menselijke wezens met een andere bestaansvorm?) . . . ‘Evenmin is het voor een belichaamd denkend bestaan een vereiste dat er warm bloed aanwezig is, of een zodanige temperatuur dat de vormen van de stof waaruit het organisme is samengesteld, niet veranderen. Er kunnen intelligenties zijn die zijn belichaamd volgens een plan, waarbij processen van injectie, assimilatie en reproductie geen rol spelen. Zulke lichamen zouden geen dagelijks voedsel en warmte nodig hebben. Zij zouden in de diepten van de oceaan verloren kunnen zijn, of op een stormachtige rots kunnen liggen tijdens de orkanen van een poolwinter, of honderden jaren lang in een vulkaan zijn verzonken, en toch hun bewustzijn en denkvermogen hebben behouden. Het is denkbaar. Waarom zouden er in onvergankelijke vuursteen en in platina geen psychische naturen kunnen zijn opgesloten? Deze substanties staan naar hun aard niet verder af van intelligentie dan koolstof, waterstof, zuurstof en kalk. Maar om de gedachte niet tot zulke uitersten (?) door te voeren: zouden er geen hoge intelligenties kunnen zijn belichaamd in omhulsels die even ongevoelig zijn voor uiterlijke omstandigheden als de salie van de vlakten van het westen, of de korstmossen van Labrador, de raderdiertjes die jarenlang in gedroogde toestand overblijven, of de sporen van bacteriën die in kokend water blijven leven . . . Wij geven dit slechts in overweging om de lezer eraan te herinneren hoe weinig men op basis van het lichamelijke bestaan op aarde kan zeggen over de noodzakelijke voorwaarden voor intelligent georganiseerd bestaan. Intelligentie is naar haar aard even universeel en even gelijkvormig als de wetten van het Heelal. Lichamen zijn slechts lokale aanpassingen van de intelligentie aan bijzondere uitingsvormen van universele stof of kracht.’ (World-Life, or Comparative Geology, blz. 496-98 e.v.)

 


De Geheime Leer 1:665-75

© 1988 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag