§ 9

De zonnetheorie

Een korte analyse van de samengestelde en enkelvoudige elementen van de wetenschap tegenover de occulte leringen. In hoeverre is deze theorie, zoals die algemeen wordt aanvaard, wetenschappelijk?


   In zijn antwoord op de aanval door dr. Gull op de theorie van de levenskracht (in de occulte filosofie onafscheidelijk verbonden met de elementen van de Ouden) heeft prof. Beale, de grote fysioloog, enige woorden te zeggen die even suggestief als mooi zijn:
   ‘Er is een mysterie in het leven, een mysterie dat nog nooit is doorgrond en dat groter lijkt naarmate de verschijnselen van het leven dieper worden bestudeerd en overdacht. In levende centra – die veel centraler liggen dan de centra die men bij de sterkste vergroting kan zien, in centra van levende stof, waar het oog niet kan doordringen, maar waarop het verstand zich kan richten – vinden veranderingen plaats, over de aard waarvan de verst gevorderde natuurkundigen en scheikundigen ons geen idee kunnen geven. Ook is er niet de minste reden om te denken dat de aard van deze veranderingen ooit door natuurkundig onderzoek zal worden vastgesteld, omdat zij ongetwijfeld van een orde of een aard zijn die volkomen verschilt van die waaraan ieder ander ons bekend verschijnsel kan worden toegeschreven.’
   Het occultisme plaatst dit ‘mysterie’, of de oorsprong van de levensessentie, in hetzelfde centrum als de kern van de prima materia van ons zonnestelsel (want ze zijn één).
   ‘De zon is het hart van de zonnewereld (het zonnestelsel) en zijn brein is verborgen achter de (zichtbare) zon. Vandaar worden gewaarwordingen uitgezonden naar ieder zenuwcentrum van het grote lichaam, en de golven van de levensessentie vloeien in iedere slagader en ader. . . . De planeten vormen zijn ledematen en geven zijn ritme aan. . . .’ (Toelichting.)
   Elders (in The Theosophist) werd uiteengezet dat de occulte filosofie ontkent dat de zon een verbrandende bol is, maar deze eenvoudig omschrijft als een wereld, een gloeiende bol, terwijl de echte zon erachter is verborgen en de zichtbare zon alleen zijn weerkaatsing, zijn schil is. De wilgenbladeren van Nasmyth, die Sir J. Herschel ten onrechte aanzag voor ‘bewoners van de zon’, zijn de reservoirs van de levensenergie van de zon, ‘de levenselektriciteit die het hele stelsel voedt . . . De zon in abscondito is dus de voorraadschuur van onze kleine Kosmos, wekt zelf zijn levensfluïdum op en ontvangt altijd evenveel als hij uitzendt’, en de zichtbare zon is slechts een raam dat is uitgehakt in het werkelijke paleis en de tegenwoordigheid van de zon, dat echter nauwgezet het interieur weerkaatst.
   Tijdens het manvantarische tijdperk of leven van de zon circuleert het levensfluïdum dus regelmatig door ons stelsel, waarvan de zon het hart is – evenals het bloed in het menselijke lichaam circuleert; de zon trekt zich iedere keer even ritmisch samen als het menselijke hart. Maar in plaats van de omloop in een paar seconden te volbrengen, heeft het zonnebloed daarvoor tien zonnejaren nodig en een heel jaar om door zijn boezems en kamers te stromen, voordat het door de longen spoelt en dan doorgaat naar de grote aderen en slagaderen van het stelsel.
   Dit zal de wetenschap niet ontkennen, want de astronomie kent de vaste cyclus van elf jaar, wanneer het aantal zonnevlekken toeneemt1, en dit is het gevolg van het samentrekken van het zonnehart. Het heelal (in dit geval onze wereld) ademt, evenals de mens en ieder levend wezen, iedere plant en zelfs de mineralen op aarde doen, en zoals onze aardbol zelf iedere vierentwintig uur ademt. Het donkere gebied wordt niet veroorzaakt ‘door de absorptie die wordt teweeggebracht door de dampen die uit de schoot van de zon tevoorschijn komen en zich tussen de waarnemer en de fotosfeer bevinden’, zoals pater Secchi zou willen (Le Soleil, II, 184). Evenmin worden de vlekken gevormd ‘doordat stof (verhitte gasvormige stof) bij het binnendringen op de zonneschijf een projectie vormt’ (ibid). Er is een overeenkomst met het regelmatige en gezonde kloppen van het hart, terwijl het levensfluïdum door zijn holle spieren stroomt. Zou men het menselijke hart lichtgevend, en het levende en kloppende orgaan zichtbaar kunnen maken, zodat men het op een scherm kan projecteren, zoals de sterrenkundigen bij hun voordrachten gebruiken – bijvoorbeeld over de maan – dan zou iedereen het verschijnsel van de zonnevlekken iedere seconde herhaald zien, tengevolge van zijn samentrekking en het stromen van het bloed.
   In een boek over geologie wordt gezegd dat het de droom van de wetenschap is dat ‘men eens zal ontdekken dat alle erkende scheikundige elementen alleen maar modificaties zijn van een enkel stoffelijk element’. (World-Life, blz. 48.)
   De occulte filosofie heeft dit sinds het bestaan van de menselijke spraak en van de talen onderwezen en voegt er alleen volgens het beginsel van de onveranderlijke wet van de analogie – ‘zo boven, zo beneden’ – dat andere axioma aan toe, nl. dat er in werkelijkheid geen geest en ook geen stof is, maar alleen talloze aspecten van het Ene altijd verborgen is (of Sat). Het homogene oorspronkelijke element is alleen op het aardse gebied van bewustzijn en gewaarwording eenvoudig en enkelvoudig, omdat de stof tenslotte niets anders is dan het gevolg van onze eigen bewustzijnstoestanden, en de geest een denkbeeld van de psychische intuïtie. Zelfs op het volgende hogere gebied zou dat enkelvoudige element, dat op onze aarde door de huidige wetenschap wordt gedefinieerd als het uiteindelijke ondeelbare bestanddeel van de een of andere soort stof, in de wereld van een hogere spirituele waarneming worden bestempeld tot iets heel erg ingewikkelds. Men zou ontdekken dat ons zuiverste water, in plaats van zijn twee erkende enkelvoudige elementen zuurstof en waterstof, veel andere bestanddelen oplevert, waarvan onze hedendaagse aardse scheikunde nog niet eens droomt. Zowel in het rijk van de stof als in het rijk van de geest bestaat de schaduw van datgene wat wordt gekend op het gebied van de objectiviteit, ook op dat van de zuivere subjectiviteit. Het stofdeeltje van perfect homogene substantie, het dierlijke protoplasma van de moneren2 van Haeckel, wordt nu opgevat als de archebiosis van het aardse bestaan (het ‘protoplasma’ van Huxley)3; en de Bathybius Haeckelii moet worden teruggevoerd tot zijn vóór-aardse archebiosis. Deze wordt door de sterrenkundigen voor het eerst waargenomen in zijn derde evolutiestadium en in de zogenaamde ‘tweede schepping’. Maar de onderzoekers van de esoterische filosofie begrijpen de geheime betekenis van de stanza maar al te goed: ‘Brahmā heeft in wezen het aspect van prakriti, zowel geëvolueerd als niet-geëvolueerd . . . Geest, o tweemaal geborene (ingewijde), is het leidende aspect van Brahmā. Het volgende is een tweevoudig aspect – van prakriti en purusha, zowel geëvolueerd als niet-geëvolueerd; en tijd is het laatste!’ Anu is een van de namen van Brahmā (die verschilt van het onzijdige Brahma) en betekent ‘atoom’: anīyāmsam anīyasām, ‘het meest atomaire van het atomaire’, de ‘onveranderlijke en onvergankelijke (achyuta) purushottama’.
   De elementen die ons nu bekend zijn – hoeveel er ook mogen zijn – zoals ze nu worden opgevat en gedefinieerd, zijn dus beslist niet de oorspronkelijke elementen, en kunnen dat ook niet zijn. Die werden gevormd uit ‘het stremsel van de koude stralende moeder’ en ‘het vuurzaad van de hete vader’, die ‘één zijn’ of, uitgedrukt in de duidelijker taal van de hedendaagse wetenschap, die elementen waren ontstaan in de diepten van de oorspronkelijke vuurnevel – de massa’s gloeiende dampen van de onoplosbare nevelvlekken, want oplosbare nevelvlekken zijn geen klasse van eigenlijke nevelvlekken, zoals prof. Newcomb aantoont (in zijn Popular Astronomy, blz. 444).
   Volgens hem zijn meer dan de helft van wat eerst ten onrechte voor nevelvlekken werd gehouden, wat hij ‘sterrengroepen’ noemt. De nu bekende elementen hebben hun blijvende toestand in deze vierde Ronde en in dit vijfde Ras bereikt. Ze hebben een korte rustperiode voordat ze opnieuw worden voortgestuwd in hun opwaartse spirituele evolutie; als het ‘levende vuur van Orcus’ de meest onoplosbare elementen zal scheiden en ze opnieuw in het oorspronkelijke ene verspreiden.
   Intussen gaat de occultist verder, zoals in de toelichtingen op de zeven stanza’s is aangetoond. Hij kan dan nauwelijks hopen op enige hulp of erkenning van de wetenschap, die zowel zijn ‘anīyāmsam anīyasām’ (het absoluut spirituele atoom), als zijn mānasaputra’s – ‘uit het denkvermogen geboren mensen’ – zal verwerpen. Door het ‘enkelvoudige stoffelijke element’ te herleiden tot één absoluut onoplosbaar element – geest of ‘wortelstof’, en het zo tegelijkertijd buiten het bereik en het terrein van de natuurfilosofie te plaatsen – heeft de occultist natuurlijk maar weinig gemeen met de orthodoxe wetenschappers. Hij beweert dat geest en stof twee facetten zijn van de onkenbare eenheid, en dat hun schijnbaar tegengestelde aspecten afhankelijk zijn van (a) de verschillende graden van differentiatie van de stof en (b) de graden van bewustzijn die door de mens zelf zijn bereikt. Dit is echter metafysica en heeft weinig te maken met fysica – hoe groot in haar eigen aardse beperktheid die natuurfilosofie nu ook mag zijn.
   Niettemin, als de wetenschap eenmaal, zo niet het werkelijke bestaan, dan in ieder geval de mogelijkheid van het bestaan erkent van een Heelal met zijn talloze vormen, toestanden en aspecten, opgebouwd uit een ‘enkelvoudige substantie’4, dan moet zij verdergaan. Tenzij ze ook de mogelijkheid van één element erkent, of het ene leven van de occultisten, zal ze die ‘enkelvoudige substantie’, vooral als deze wordt beperkt tot de zonne-nevelvlekken, evenals de doodkist van Mohammed midden in de lucht moeten ophangen, hoewel zonder de magneet die de kist ondersteunt. Al zijn we niet in staat met enige mate van nauwkeurigheid vast te stellen wat de nevelvlektheorie wel betekent, dankzij prof. Winchell en enkele sterrenkundigen die het daarmee niet eens zijn, hebben we, gelukkig voor de speculatieve natuurkundigen, wel kunnen leren wat deze niet betekent5. (Zie boven).
   Ongelukkigerwijs lost dit nog lang niet zelfs de eenvoudigste problemen op die de geleerden bij hun onderzoek naar de waarheid hebben gekweld en nog steeds kwellen. We moeten onze onderzoekingen voortzetten, te beginnen met de vroegste hypothesen van de hedendaagse wetenschap, als we willen ontdekken waar en waarom deze zondigt. Misschien zal men besluiten dat Stallo toch gelijk heeft, dat de flaters, tegenstrijdigheden en fouten, die zijn gemaakt door de eminentste geleerden, eenvoudig zijn toe te schrijven aan hun abnormale houding. Ze zijn en willen ondanks alles materialistisch blijven, en toch ‘zijn de algemene beginselen van de mechanische atoomtheorie – de grondslag van de hedendaagse natuurkunde – in wezen gelijk aan de voornaamste leringen van de ontologische metafysica’. Zo ‘worden de fundamentele fouten van de ontologie duidelijk, naarmate de natuurwetenschap vooruitgaat’. (Inl., blz. VI, Concepts of Modern Physics.) De wetenschap is doortrokken van metafysische begrippen, maar de geleerden willen dit niet erkennen en vechten wanhopig om atomair-mechanische maskers te zetten op zuiver onstoffelijke en spirituele natuurwetten op ons gebied – en weigeren hun wezenlijke bestaan zelfs op andere gebieden toe te geven, waarvan zij alleen al het bestaan a priori verwerpen.
   Het is echter gemakkelijk aan te tonen hoe de geleerden, die verknocht zijn aan hun materialistische opvattingen, sinds de tijd van Newton hebben geprobeerd feiten en waarheid valse maskers voor te binden. Maar hun taak wordt elk jaar moeilijker en elk jaar komt de scheikunde, meer nog dan alle andere wetenschappen, dichter en dichter bij het gebied van het occulte in de natuur. Zij neemt juist die waarheden op die door de occulte wetenschappen eeuwenlang zijn onderwezen, maar die tot nu toe bitter zijn bespot. ‘De stof is eeuwig’, zegt de esoterische leer. Maar de stof die de occultisten zich in haar laya- of nultoestand voorstellen, is niet de stof van de hedendaagse wetenschap; zelfs niet in haar meest ijle gasvormige toestand. De ‘stralende stof’ van Crookes zou stof van de grofste soort schijnen in het gebied van het begin, omdat stof zuivere geest wordt, voordat zij zelfs tot haar eerste punt van differentiatie is teruggekeerd. Als dus de adept of de alchemist eraan toevoegt dat, hoewel de stof eeuwig is, want zij is pradhāna, er toch atomen worden geboren in elk nieuw manvantara of wederopbouw van het heelal, is dit niet zo’n tegenstrijdigheid als een materialist, die in niets buiten het atoom gelooft, zou kunnen denken. Er is een verschil tussen gemanifesteerde en niet-gemanifesteerde stof, tussen pradhāna, de beginloze en eindeloze oorzaak, en prakriti of het gemanifesteerde gevolg. De śloka zegt:
   ‘Wat de niet-geëvolueerde oorzaak is, wordt door de meest eminente wijzen nadrukkelijk pradhāna genoemd, oorspronkelijke grondslag, die zeer fijn prakriti is, nl. wat eeuwig is en wat tegelijk wel en niet is, niet anders dan een proces6.’
   Wat in het hedendaagse spraakgebruik respectievelijk geest en stof wordt genoemd, is in eeuwigheid een als de eeuwigdurende oorzaak, en het is noch geest noch stof, maar het – in het Sanskriet tat (‘dat’) – alles wat is, was of zal zijn, alles wat de verbeelding van een mens zich kan voorstellen. Zelfs het exoterische pantheïsme van het hindoeïsme geeft het weer zoals geen enkele monotheïstische filosofie ooit heeft gedaan, want in verheven bewoordingen begint de kosmogonie ervan op de welbekende manier:
   ‘Er was geen dag en geen nacht, geen hemel en geen aarde, geen duisternis en geen licht. En er was niets anders dat door de zintuigen of door de verstandelijke vermogens kon worden waargenomen. Er was toen één Brahmā, in wezen prakriti (Natuur) en geest. Want de twee aspecten van Vishnu, die verschillen van zijn hoogste essentiële aspect, zijn prakriti en geest, en Brahman. Als deze twee andere aspecten van hem niet langer voortbestaan maar worden opgelost, dan wordt dat aspect waaruit vorm en de rest – d.w.z. de schepping – opnieuw voortkomen, tijd genoemd, o tweemaal geborene.’
   Dat wat is opgelost, of het bedrieglijke tweevoudige aspect van Dat, waarvan de essentie eeuwig een is, noemen we eeuwige stof of substantie (Zie Afd. II, ‘Oorspronkelijke substantie en goddelijke gedachte’), vormloos, geslachtloos, niet waarneembaar, zelfs niet voor ons zesde zintuig of het denkvermogen7, waarin we daarom weigeren te zien wat de monotheïsten een persoonlijke, antropomorfe God noemen.
   Hoe worden deze twee stellingen – ‘de stof is eeuwig’ en ‘het atoom is periodiek en niet eeuwig’ – door de hedendaagse exacte wetenschap gezien? De materialistische natuurkundige zal ze bekritiseren en er smalend om lachen. De ruimdenkende en vooruitstrevende geleerde echter, de ware en ernstige wetenschappelijke zoeker naar waarheid, bijvoorbeeld de eminente scheikundige Crookes, zal de waarschijnlijkheid van de twee beweringen bevestigen. Want nauwelijks was de echo van zijn lezing over de ‘Genesis van de elementen’ weggestorven – de lezing die door hem werd gehouden voor de scheikunde-afdeling van de British Association op de laatste bijeenkomst in Birmingham, en die iedere aanhanger van de evolutieleer die deze hoorde of las, zo ontstelde – of er volgde er nog een in maart 1888. Nogmaals legt de voorzitter van de Chemical Society de vruchten van enkele nieuwe ontdekkingen op het gebied van de atomen aan de wetenschappelijke wereld en aan het publiek voor, en deze ontdekkingen rechtvaardigen de occulte leringen in elk opzicht. Ze zijn zelfs nog opzienbarender dan de beweringen die hij in de eerste lezing (die later wordt aangehaald) deed, en verdienen ongetwijfeld de aandacht van iedere occultist, theosoof en metafysicus. Dit is wat hij zegt in zijn ‘Elementen en meta-elementen’, en daarmee rechtvaardigt hij de beschuldigingen en voorspellingen van Stallo, met de onbevreesdheid van een wetenschappelijke geest die de wetenschap liefheeft ter wille van de waarheid, ongeacht de gevolgen voor zijn eigen roem en reputatie. We halen zijn eigen woorden aan:

   Sta mij toe, heren, voor korte tijd uw aandacht te vragen voor een onderwerp dat de grondbeginselen van de scheikunde betreft, een onderwerp dat ons ertoe kan brengen het mogelijke bestaan te erkennen van stoffen die, hoewel zij geen verbindingen of mengsels zijn, geen elementen zijn in de strikte betekenis van het woord – stoffen die ik zo vrij ben ‘meta-elementen’ te noemen. Om mijn bedoeling uit te leggen is het nodig dat ik terugga tot ons begrip van een element. Wat is het criterium voor het zijn van een element? Waar moeten we de scheidslijn trekken tussen afzonderlijk bestaan en identiteit? Niemand betwijfelt dat zuurstof, natrium, chloor en zwavel afzonderlijke elementen zijn; en als we komen tot groepen zoals chloor, broom, jodium, enz., voelen we nog steeds geen twijfel, hoewel als er graden van ‘element zijn’ waren toegestaan – en daartoe zullen we wellicht uiteindelijk komen – zou men misschien erkennen dat chloor meer verwant is met broom dan met zuurstof, natrium of zwavel. Verder staan nikkel en kobalt dicht bij elkaar, heel dicht, hoewel niemand hun aanspraak op een plaats als afzonderlijk element zal betwisten. Toch moet ik vragen wat de heersende opvatting onder scheikundigen zou zijn geweest, als de respectievelijke oplossingen van deze stoffen en hun verbindingen gelijke kleuren hadden vertoond, in plaats van kleuren die bij benadering complementair zijn. Zou hun verschillende aard ook dan zijn erkend? Als we verdergaan en tot de zogenaamde zeldzame stoffen komen, hebben we minder vaste grond onder de voeten. Misschien kunnen we scandium, ytterbium en andere soortgelijke stoffen toelaten als elementen, maar wat moeten we zeggen in het geval van praseo- en neo-dymium, waartussen geen duidelijk afgebakend scheikundig verschil bestaat; hun voornaamste aanspraak op een afzonderlijke individualiteit berust op kleine verschillen in basisch en kristalliserend vermogen, ofschoon hun fysische verschillen, zoals door spectrumwaarnemingen wordt aangetoond, heel sterk zijn afgebakend. Zelfs hier kunnen we ons voorstellen dat de meerderheid van de scheikundigen zou neigen tot toegevendheid, zodat zij deze twee stoffen binnen de tovercirkel zouden toelaten. Of zij zich, als ze dat doen, kunnen beroepen op een algemeen beginsel, is een open vraag. Als we deze kandidaten toelaten, hoe kunnen we het dan rechtvaardigen om de reeks elementaire stoffen of meta-elementen uit te sluiten, waarmee Krüss en Nilson ons bekend hebben gemaakt? Hier zijn de spectrumverschillen duidelijk, terwijl mijn eigen onderzoekingen naar didymium ook een klein verschil laten zien in basisch vermogen tussen tenminste enkele van deze twijfelachtige stoffen. In dezelfde categorie moet men de talrijke afzonderlijke stoffen opnemen waarin yttrium, erbium, samarium en andere ‘elementen’ – gewoonlijk zo genoemd – vermoedelijk zijn en worden opgesplitst. Waar moeten we dan de grens trekken? De verschillende groepen gaan zo onmerkbaar in elkaar over, dat het onmogelijk is een scherpe grens te trekken tussen twee willekeurige aangrenzende stoffen en te zeggen dat de stof aan deze kant van de grens een element is, terwijl die aan de andere kant dat niet is, of alleen maar iets dat op een element lijkt of het benadert. Overal waar een ogenschijnlijk redelijke grenslijn kan worden getrokken, zou het ongetwijfeld gemakkelijk zijn de meeste stoffen dadelijk aan de goede kant in te delen, want bij alle classificaties ontstaat de echte moeilijkheid pas als men de grenslijn nadert. Kleine scheikundige verschillen worden natuurlijk toegelaten, en tot op zekere hoogte ook duidelijke natuurkundige verschillen. Wat moeten we echter zeggen als het enige scheikundige verschil een bijna onmerkbare neiging is van de ene stof – van een paar of van een groep stoffen – om eerder dan de andere neer te slaan? Verder zijn er gevallen waar de scheikundige verschillen vrijwel verdwijnen, hoewel er nog wel duidelijke natuurkundige verschillen blijven. Hier stuiten we op een nieuwe moeilijkheid: wat is in zulke duistere gevallen scheikundig en wat is natuurkundig? Hebben we niet het recht een lichte neiging van een ontstaand amorf bezinksel om eerder dan een ander neer te slaan, een ‘natuurkundig verschil’ te noemen? En mogen we kleurreacties, die afhangen van de hoeveelheid van een zuur, en die variëren met de sterkte van de oplossing en met het gebruikte oplosmiddel, geen ‘scheikundige verschillen’ noemen? Ik zie niet in hoe we een elementair karakter kunnen ontzeggen aan een stof die door duidelijke kleur- of spectrumreacties van een andere verschilt, terwijl we het wel toekennen aan een andere stof die daarop alleen maar aanspraak maakt op grond van een heel klein verschil in basisch vermogen. Als we eenmaal de deur ver genoeg hebben geopend om enige spectrumverschillen toe te laten, dan moeten we onderzoeken hoe gering een verschil moet zijn om een kandidaat door te laten. Ik zal uit mijn eigen ervaring voorbeelden geven van enkele van deze twijfelachtige kandidaten.

   En hier noemt de grote scheikundige verschillende gevallen van het heel merkwaardige gedrag van moleculen en stoffen die schijnbaar gelijk zijn en waarvan men toch, als men ze van heel nabij bestudeert, ontdekt dat ze verschillen vertonen die, hoe onmerkbaar ook, toch laten zien dat geen ervan een enkelvoudige stof is, en dat de 60 of 70 elementen die in de scheikunde worden aanvaard, niet langer het hele gebied beslaan. Hun namen zijn kennelijk legio, maar omdat het zogenaamde ‘periodieke stelsel’ een onbeperkte vermeerdering van elementen in de weg staat, is Crookes verplicht een middel te vinden om de nieuwe ontdekking met de oude theorie in overeenstemming te brengen. ‘Die theorie’, zegt hij:

‘heeft zo’n overvloedige bevestiging gevonden dat we niet lichtvaardig een verklaring van verschijnselen kunnen aanvaarden die er niet mee in overeenstemming is. Maar als we de elementen versterkt denken door een groot aantal stoffen die enigszins van elkaar verschillen in hun eigenschappen en die, als ik de uitdrukking mag gebruiken, aggregaties van nevelvlekken vormen waar we vroeger afzonderlijke sterren zagen of dachten te zien, dan kan het periodieke stelsel niet langer worden gehandhaafd. Dit wil zeggen, niet langer, als we aan onze gebruikelijke opvatting van een element vasthouden. Laten we deze opvatting dan veranderen. Lees voor ‘element’ ‘elementaire groep’ – zulke elementaire groepen nemen dan de plaats in van de oude elementen in het periodieke stelsel – en de moeilijkheid vervalt. Laten we bij het definiëren van een element niet een uiterlijke grens nemen, maar een inwendig kenmerk. Laten we bijvoorbeeld zeggen dat de kleinste weegbare hoeveelheid yttrium een verzameling elementaire atomen is, die bijna oneindig veel meer op elkaar lijken dan op de atomen van een ander element dat dit benadert. Hieruit volgt niet noodzakelijk, dat de atomen onderling absoluut gelijk moeten zijn. Het atoomgewicht dat we aan yttrium toeschreven, stelt daarom slechts een gemiddelde waarde voor, waaromheen de werkelijke gewichten van de individuele atomen van het ‘element’ binnen bepaalde grenzen variëren. Maar als mijn vermoeden houdbaar is en we de atomen van elkaar konden scheiden, dan zouden we ontdekken dat hun gewicht varieert binnen nauwe grenzen aan beide kanten van het gemiddelde. Het opdelingsproces zelf houdt het bestaan in van zulke verschillen in bepaalde stoffen.’

   Zo hebben feit en waarheid opnieuw de ‘exacte’ wetenschap gedwongen haar opvattingen te verruimen en haar terminologie te veranderen, die het grote aantal stoffen versluierde en deze tot één stof terugbracht – zoals de zevenvoudige Elohim en hun menigten, die door de materialistische ijveraars werden omgevormd tot één Jehova. Vervang de scheikundige termen ‘molecule’, ‘atoom’, ‘deeltje’, enz., door de woorden ‘menigten’, ‘monaden’, ‘deva’s’, enz., en men zou kunnen denken dat het ontstaan van goden, de oorspronkelijke evolutie van manvantarische intelligente krachten, werd beschreven. Maar de geleerde spreker voegt iets nog suggestievers toe aan zijn beschrijvende opmerkingen; of dat bewust of onbewust gebeurt, wie zal het zeggen? Want hij zegt het volgende:

   ‘Tot voor kort gingen zulke stoffen voor elementen door. Ze hadden vaste scheikundige en natuurkundige eigenschappen; ze hadden erkende atoomgewichten. Als we een zuivere verdunde oplossing van zo’n stof, bijvoorbeeld yttrium, nemen en als we daaraan een overmaat van sterke ammonia toevoegen, krijgen we een neerslag die volkomen homogeen schijnt te zijn. Maar als we in plaats daarvan heel verdunde ammonia toevoegen in een hoeveelheid die voldoende is om slechts de helft van de aanwezige base neer te laten slaan, krijgen we niet direct daarna een bezinksel. Als we het geheel stevig omroeren om zeker te zijn van een uniform mengsel van de oplossing en de ammonia, en het vat een uur laten staan, terwijl we zorgvuldig stof vermijden, blijft de vloeistof nog steeds helder en doorschijnend, zonder enig spoor van troebelheid. Na drie of vier uur zal echter een opaalkleurig waas verschijnen en de volgende ochtend zal zich een bezinksel hebben gevormd. Laten we ons nu afvragen wat de betekenis van dit verschijnsel kan zijn. De hoeveelheid neerslag veroorzakende stof die was toegevoegd, was niet voldoende om meer dan de helft van het aanwezige yttrium te laten bezinken, en dus heeft zich enige uren lang een soort selectieproces voorgedaan. Het bezinksel is kennelijk niet willekeurig tot stand gekomen, waarbij die moleculen van de base werden ontleed, die toevallig met een overeenkomstige molecule ammoniak in contact kwamen, want we hebben ervoor gezorgd dat de vloeistoffen gelijkmatig werden gemengd, zodat de ene molecule van het oorspronkelijke zout niet méér zou worden blootgesteld aan ontleding dan de andere. Als we verder de tijd in aanmerking nemen die verstrijkt vóór er een bezinksel verschijnt, kunnen we niet ontkomen aan de conclusie dat het proces, dat de eerste paar uren aan de gang was, van selectieve aard is. Het probleem is niet, waarom er een bezinksel ontstaat, maar wat bepaalt of ertoe leidt dat sommige atomen neerslaan en dat andere in oplossing blijven. Welke kracht laat elk atoom uit het grote aantal aanwezige atomen het juiste pad kiezen? We kunnen ons een richtinggevende kracht voorstellen, die de atomen een voor een de revue laat passeren en het ene uitkiest om neer te slaan en het andere om in oplossing te blijven, totdat alle op hun plaats zijn gekomen.’

   De cursivering in de bovenstaande passage is van ons. Een wetenschapper kan zich terecht afvragen: ‘Welke kracht richt elk atoom’, en waardoor is de aard ervan selectief? De theïsten zouden de vraag beantwoorden door te zeggen: ‘God’, en zouden daarmee, filosofisch gezien, niets oplossen. Het occultisme antwoordt op zijn eigen pantheïstische gronden en verwijst de lezer naar een volgend hoofdstuk: ‘Goden, monaden en atomen’. De geleerde spreker ziet erin wat zijn belangrijkste zorg is: de wegwijzers en de sporen van een pad dat kan leiden tot de ontdekking en het volledige bewijs van een homogeen element in de natuur. Hij merkt op:

   ‘Om zo’n selectie tot stand te kunnen brengen, moeten er kennelijk enige kleine verschillen zijn op grond waarvan men kan selecteren, en dit is bijna zeker een verschil in basisch vermogen, zó klein, dat het door geen enkele nu bekende proef kan worden opgemerkt, terwijl het zich er wel voor leent om te worden aangekweekt en aangemoedigd, tot op een punt waar het verschil door gewone proeven kan worden vastgesteld.’

   Er is geen wetenschappelijk bewijs nodig voor het occultisme, dat op de hoogte is van het bestaan en de aanwezigheid in de Natuur van het Ene eeuwige element, bij de eerste differentiatie waarvan de levensboom periodiek wortel schiet. Het occultisme zegt: de oude wijsheid heeft het probleem eeuwen geleden opgelost. Ja, ernstige en ook spottende lezer, de wetenschap nadert langzaam maar zeker onze gebieden van het occulte. Zij wordt door haar eigen ontdekkingen gedwongen ons taalgebruik en onze symbolen over te nemen, of zij dit wil of niet. De scheikunde wordt nu door de feiten gedwongen om zelfs onze voorstelling van de evolutie van de goden en atomen te aanvaarden, die zo veelbetekenend en onmiskenbaar wordt afgebeeld door de staf van Mercurius, de god van de wijsheid, en door de allegorische taal van de wijzen uit de oudheid. Een toelichting op de esoterische leer zegt:
   . . . ‘Bij elk begin (elk nieuw manvantara) groeit en daalt de stam van de aśvattha (de boom van het Leven en het Zijn, de staf van Mercurius) neer uit de twee donkere vleugels van de zwaan (hamsa) van het leven. De twee slangen, de eeuwig levende en haar illusie (geest en stof), waarvan de twee koppen groeien uit de ene kop tussen de vleugels, dalen nauw ineengestrengeld af langs de stam. De twee staarten verenigen zich op aarde (het gemanifesteerde Heelal) tot één, en dit is de grote illusie, o lanoo!’
    Iedereen weet wat de staf van Mercurius is, die al door de Grieken is gewijzigd. Het oorspronkelijke symbool – met de drievoudige kop van de slang – werd veranderd in een staf met een knop, en de twee lagere koppen werden gescheiden, waardoor de oorspronkelijke betekenis wat werd vervormd. Toch is het voor ons doel de best mogelijke illustratie, deze laya-staf omstrengeld door twee slangen. De wonderbaarlijke krachten van de magische staf van Mercurius werden terecht door alle dichters uit de oudheid bezongen, en degenen die de geheime betekenis ervan begrepen, hadden daarvoor een heel goede reden.
   Wat zegt nu de geleerde voorzitter van de Chemical Society of Great Britain in diezelfde lezing, dat enige betrekking heeft op, of betekenis voor, onze bovengenoemde leer? Erg weinig; alleen dit – en niets meer:

   ‘In mijn al eerder genoemde toespraak in Birmingham heb ik mijn toehoorders gevraagd zich de werking van twee krachten op de oorspronkelijke protyle voor te stellen. De ene is de tijd, gepaard gaande met een daling van de temperatuur. De andere, die als een machtige slinger heen en weer beweegt, met periodieke cyclussen van eb en vloed, rust en activiteit, is nauw verbonden met de onweegbare stof, essentie of bron van energie die elektriciteit heet. Nu bereikt een vergelijking als deze haar doel als zij de aandacht vestigt op het bepaalde feit waarop zij de nadruk wil leggen, maar men moet niet verwachten dat zij noodzakelijk met alle feiten parallel loopt. Naast het verlagen van de temperatuur en de periodieke eb en vloed van positieve of negatieve elektriciteit, nodig om de nieuw ontstane elementen hun bepaalde valentie te verlenen, moet kennelijk nog een derde factor in aanmerking worden genomen. De Natuur werkt niet in een plat vlak, ze vraagt ruimte voor haar kosmogonische werkingen, en als we ruimte als derde factor introduceren, lijkt alles duidelijk. Laten we in plaats van een slinger, die wel tot op zekere hoogte een goed beeld vormt, maar als feit onmogelijk is, zoeken naar een bevredigender manier om uit te beelden wat naar mijn mening kan hebben plaatsgevonden. Laten we ons het zigzagdiagram voorstellen, dat niet in een vlak is getekend, maar in de driedimensionale ruimte geprojecteerd. Welke figuur kunnen we het beste kiezen om te voldoen aan alle voorwaarden die er een rol bij spelen? Veel feiten kunnen goed worden verklaard als men veronderstelt dat de projectie in de ruimte van de zigzagcurve van prof. Emerson Reynolds een spiraal is. Deze figuur is echter ontoelaatbaar, omdat de curve tweemaal in elke cyclus door een punt moet gaan dat, wat elektriciteit en scheikundige energie betreft, neutraal is. We moeten daarom een andere figuur kiezen. Een achtvorm (8) of dubbele lus kan men tot een zigzaglijn verkorten en ook tot een spiraal, en deze voldoet aan alle eisen van het probleem.’

   Een dubbele lus voor de neerwaartse evolutie, van geest naar stof; een andere spiraalvorm misschien op het weer-involuerende pad naar boven, van stof naar geest, en het noodzakelijke geleidelijke en uiteindelijke weer opgaan in de layatoestand, wat de wetenschap op haar eigen manier noemt ‘het wat elektriciteit betreft neutrale punt’, enz., ofwel het nulpunt. Dit zijn de feiten en de verklaring die het occultisme biedt. Men kan het met de grootste zekerheid en het grootste vertrouwen aan de wetenschap overlaten om ze eens te rechtvaardigen. Laten we echter wat meer vernemen over dit genetische oertype van de symbolische staf van Mercurius.

   ‘Zo’n figuur zal ontstaan uit drie heel eenvoudige gelijktijdige bewegingen. Ten eerste een enkelvoudige slingering heen en weer (zeg oost-west); ten tweede een enkelvoudige slingering loodrecht op de eerstgenoemde (zeg noord-zuid) met de halve slingertijd – d.w.z. tweemaal zo snel; ten derde een beweging loodrecht op deze twee (zeg naar beneden), die in haar eenvoudigste vorm een onveranderlijke snelheid zou hebben. Als we deze figuur in de ruimte projecteren, ontdekken we bij onderzoek dat de punten van de curven waar chloor, broom en jodium worden gevormd, dicht onder elkaar komen; dat geldt ook voor zwavel, selenium en tellurium, verder voor fosfor, arsenicum en antimoon, en op dezelfde manier voor andere reeksen van onderling overeenkomende stoffen. Men kan zich afvragen of dit schema verklaart hoe en waarom de elementen in deze volgorde verschijnen? Laten we ons een cyclische verplaatsing in de ruimte voorstellen, waarbij elke omwenteling getuige is van het ontstaan van de groep elementen, die ik eerder heb voorgesteld als die elementen, die tijdens een volledige schommeling van de slinger worden voortgebracht. Laten we veronderstellen dat één cyclus zo is voltooid, dat het centrum van de onbekende scheppende kracht op zijn machtige reis door de ruimte de oorspronkelijke atomen – de zaden, als ik die uitdrukking mag gebruiken – langs zijn weg heeft verspreid; de atomen die nu zullen samensmelten en zich ontwikkelen tot de groepen die nu bekend zijn als lithium, beryllium, borium, koolstof, stikstof, zuurstof, fluor, natrium, magnesium, aluminium, silicium, fosfor, zwavel en chloor. Welk type weg wordt nu hoogstwaarschijnlijk gevolgd? Als deze strikt werd beperkt tot hetzelfde temperatuurs- en tijdsgebied, zou de volgende elementaire groep die verschijnt, weer die van lithium zijn geweest, en de oorspronkelijke cyclus zou eeuwig worden herhaald en deze zou keer op keer dezelfde 14 elementen voortbrengen. De omstandigheden zijn echter niet geheel dezelfde. De ruimte en de elektriciteit zijn als tevoren, maar de temperatuur is veranderd en dus, in plaats dat de lithiumatomen worden aangevuld met atomen die in alle opzichten daaraan analoog zijn, vormen de atomaire groepen die ontstaan als de tweede cyclus begint, geen lithium maar de rechtstreekse afstammeling daarvan: kalium. Stel dus dat de voortbrengende kracht in cyclussen heen en weer reist langs een achtvormig pad, zoals hierboven werd geopperd, terwijl tegelijk de temperatuur daalt en de tijd voortgaat – variaties die ik heb geprobeerd voor te stellen door de neerwaartse beweging – dan kruist iedere lus van de achtvormige weg dezelfde verticale lijn op telkens lagere punten. Geprojecteerd in de ruimte, vertoont de curve een centrale lijn die neutraal is zover het de elektriciteit betreft, en neutraal in scheikundige eigenschappen – positieve elektriciteit aan de noordkant en negatieve aan de zuidkant. De overheersende valentie wordt bepaald door de afstand ten oosten en ten westen van de neutrale middelste lijn; één-atomige elementen zijn er één stap van verwijderd, twee-atomige twee stappen, enz. In elke opeenvolgende lus geldt dezelfde wet.’

   En, als om de stelling van de occulte wetenschap en de hindoefilosofie te bewijzen, dat tijdens de pralaya de twee aspecten van de onkenbare godheid, ‘de zwaan in de duisternis’ – prakriti en purusha, de natuur of de stof in al haar vormen en geest – ‘niet langer blijven bestaan maar (absoluut) worden opgelost’, vernemen we de wetenschappelijke conclusie van de grote Engelse scheikundige, die zijn bewijzen bekroont door te zeggen: ‘We hebben nu de vorming van de scheikundige elementen uit knopen en leegten in een oorspronkelijk vormloos fluïdum gevolgd. We hebben de mogelijkheid, ja zelfs de waarschijnlijkheid aangetoond, dat de atomen niet eeuwig bestaan, maar met alle andere geschapen wezens de kenmerken van verval en dood delen.’
   Het occultisme stemt hiermee in, omdat het de wetenschappelijke ‘mogelijkheid’ en ‘waarschijnlijkheid’ als aangetoonde feiten ziet, die geen verder bewijs of enig van buiten komend fysiek getuigenis nodig hebben. Niettemin herhaalt het even beslist als ooit tevoren: ‘de stof is eeuwig en wordt alleen maar periodiek atomair (haar aspect).’ Dit is even zeker als dat die andere stelling, die bijna unaniem door de sterrenkundigen en natuurkundigen wordt aanvaard – namelijk dat de slijtage van het lichaam van het Heelal steeds doorgaat en dat deze uiteindelijk zal leiden tot het uitdoven van de zonnevuren en de vernietiging van het Heelal – zoals de wetenschappers zich dit voorstellen, onjuist is. Zoals het in tijd en eeuwigheid altijd is geweest, zal het gemanifesteerde Heelal periodiek uiteenvallen, maar (a) na elke ‘dag van Brahmā’ zal er een gedeeltelijke pralaya zijn; en (b) pas na het verstrijken van iedere eeuw van Brahmā, een universele pralaya – de mahā-pralaya. Maar de wetenschappelijke oorzaken voor zo’n uiteenvallen, zoals die door de exacte wetenschap naar voren worden gebracht, hebben niets te maken met de werkelijke oorzaken. Hoe dit ook mag zijn, het occultisme wordt nogmaals door de wetenschap gerechtvaardigd, want Crookes zei:

   ‘We hebben, met argumenten die zijn ontleend aan het scheikundige laboratorium, aangetoond dat er in stof, die aan elke toets op het zijn van een element voldoet, heel kleine nuanceverschillen zijn, die selectie mogelijk maken. We hebben gezien dat het aloude verschil tussen elementen en verbindingen niet langer gelijke tred houdt met de ontwikkeling van de scheikunde, maar moet worden gewijzigd om een heel grote groep tussenliggende stoffen – ‘meta-elementen’ – op te nemen. We hebben aangetoond hoe aan de bezwaren van Clerk-Maxwell, hoe gewichtig deze ook zijn, het hoofd kan worden geboden. Tenslotte hebben we redenen aangevoerd voor de opvatting dat de oorspronkelijke stof werd gevormd door de werking van een voortbrengende kracht, die met tussenpozen atomen afwierp, die waren voorzien van variërende hoeveelheden oorspronkelijke vormen van energie. Als we enige gissingen durven te maken over de bron van energie die in een scheikundig atoom is belichaamd, kunnen we naar mijn mening vooropstellen dat de warmtestralingen, die door de ether naar buiten worden verspreid vanuit de weegbare stof van het heelal, door middel van een ons nog onbekend natuurproces aan de grenzen van het heelal worden omgezet in de oorspronkelijke – de essentiële – bewegingen van de scheikundige atomen. Op het moment dat deze atomen worden gevormd, graviteren ze naar binnen en geven zo aan het heelal de energie terug die dit anders door stralingswarmte zou verliezen. Als dit vermoeden gegrond is, valt de schrikaanjagende voorspelling van Sir William Thomson over het uiteindelijke verval van het heelal door het verdwijnen van zijn energie, in het water. Mijne heren, het lijkt mij dat de kwestie van de elementen voorlopig op deze manier kan worden behandeld. Onze geringe kennis van deze eerste mysteriën breidt zich gestadig, langzaam maar zeker uit.’

   Zelfs onze ‘zevenvoudige’ leer schijnt door een bijzondere en merkwaardige samenloop van omstandigheden de wetenschap te dwingen haar te aanvaarden. Als we het goed begrijpen, spreekt de scheikunde van veertien groepen oorspronkelijke atomen – lithium, beryllium, borium, koolstof, stikstof, zuurstof, fluor, natrium, magnesium, aluminium, silicium, fosfor, zwavel en chloor; en als Crookes de ‘dominante valenties’ bespreekt, somt hij zeven groepen hiervan op, want hij zegt:

   ‘Terwijl het machtige brandpunt van scheppende energie rondgaat, zien we het in opeenvolgende cyclussen in een deel van de ruimte zaden zaaien van lithium, kalium, rubidium en caesium; in een ander deel chloor, broom en jodium; in een derde, natrium, koper, zilver en goud; in een vierde, zwavel, selenium en tellurium; in een vijfde, beryllium, calcium, strontium en barium; in een zesde, magnesium, zink, cadmium en kwik; in een zevende, fosfor, arsenicum, antimoon en bismut’, hetgeen enerzijds zeven groepen geeft; en nadat hij ‘in andere delen de andere elementen’ heeft aangegeven, nl. aluminium, gallium, indium en thallium; silicium, germanium en tin; koolstof, titanium en zirconium’,

voegt hij eraan toe: ‘Terwijl voor de drie groepen elementen die door prof. Mendelejew zijn verbannen naar een soort hospitaal voor ongeneeslijke zieken – zijn achtste familie – een natuurlijke plaats bij de neutrale as wordt gevonden.’ Het kan interessant zijn om deze ‘zeven van de achtste familie van ongeneeslijke zieken’ te vergelijken met de allegorieën over de zeven oorspronkelijke zonen van de ‘moeder, de oneindige ruimte’ of aditi, en de achtste, door haar verstoten, zoon. Men kan zo veel vreemde samenlopen ontdekken tussen ‘die tussenliggende schakels . . . die meta-elementen of elementoïden worden genoemd, en de schakels die de occulte wetenschap hun noumenoi noemt’, de intelligente geesten en heersers van die groepen monaden en atomen. Maar dit zou ons te ver voeren. Laten we er tevreden mee zijn dat het feit wordt erkend dat ‘deze afwijking van absolute homogeniteit de samenstelling kenmerkt van deze moleculen of verzamelingen van stof die we elementen noemen, en die misschien duidelijker zal zijn als we in onze verbeelding terugkeren tot de vroegste dageraad van ons stoffelijke heelal, en we in tegenwoordigheid van het Grote Geheim proberen de processen van de evolutie van de elementen te beschouwen’. Zo neemt tenslotte de wetenschap, vertegenwoordigd door haar hoogste beoefenaars, om zich verstaanbaarder te maken voor de leken, het taalgebruik van oude adepten zoals Roger Bacon aan, en keert zij terug tot de ‘protyle’. Dit alles geeft hoop en is een veelzeggend ‘teken van de tijd’.
   Inderdaad zijn er veel van deze ‘tekens’ en het worden er dagelijks meer; maar geen ervan is belangrijker dan de zojuist genoemde. Want nu is de kloof tussen de occulte ‘bijgelovige en onwetenschappelijke’ leringen en de ‘exacte’ wetenschap volledig overbrugd en bevindt zich tenminste een van de weinige eminente scheikundigen van deze tijd in het gebied van de oneindige mogelijkheden van het occultisme. Elke nieuwe stap die hij doet, zal hem dichter en dichter bij dat geheimzinnige middelpunt brengen van waaruit de ontelbare paden uitstralen, die de geest omlaag in de stof voeren en die de goden en de levende monaden omvormen tot de mens en de voor indrukken gevoelige natuur.
   Maar we hebben in het volgende hoofdstuk nog iets meer over dit onderwerp te zeggen.

 

Noten:

  1. Niet alleen ontkent zij de gebeurtenis niet, hoewel ze deze zoals altijd toeschrijft aan een verkeerde oorzaak, en elke theorie iedere andere tegenspreekt (zie de theorieën van Secchi, van Faye en van Young), waarbij de vlekken afhangen van de opeenhoping aan het oppervlak van dampen die koeler zijn dan de fotosfeer (?), enz., maar er zijn wetenschappers die met behulp van de vlekken astrologie beoefenen. Prof. Jevons schrijft alle grote periodieke handelscrises toe aan de invloed van de zonnevlekken in elk elfde jaar van de cyclus (zie zijn Investigations into Currency and Finance). Dit is beslist lof en een aanmoediging waard.
  2. Noot vert. Verzamelnaam voor bepaalde eencellige dieren.
  3. Ongelukkigerwijs is de ‘archebiosis van het aardse bestaan’, terwijl deze bladzijden worden geschreven, bij een iets nauwkeuriger scheikundige analyse veranderd in een eenvoudige neerslag van calciumsulfaat – dus vanuit wetenschappelijk standpunt zelfs geen organische substantie!!! Sic transit gloria mundi!
  4. In zijn World-Life – blz. 48 – zegt prof. Winchell in de toegevoegde voetnoten: ‘Men erkent algemeen dat de stof bij uitzonderlijk hoge temperaturen in een niet gebonden toestand verkeert – dat wil zeggen, dat er geen scheikundige verbinding kan bestaan.’ Hij zou om de eenheid van de stof te bewijzen, een beroep willen doen op het spectrum, dat bij elk geval van homogeniteit een heldere lijn zal laten zien, terwijl in het geval dat er verschillende moleculaire rangschikkingen bestaan – bijvoorbeeld in de nevelvlekken of in een ster – ‘het spectrum uit twee of drie heldere lijnen moet bestaan’! Dit zou geen bewijs vóór of tegen zijn voor de natuurkundige-occultist, die stelt dat – buiten een bepaalde grens van zichtbare stof – spectrum, telescoop en microscoop van geen enkel nut zijn. De eenheid van de stof, van wat voor de alchemist werkelijke kosmische stof is, of ‘aarde van Adam’, zoals de kabbalisten deze noemen, kan moeilijk worden bewezen of weerlegd, niet door de Franse geleerde Dumas, die wijst op ‘de samengestelde aard van de ‘elementen’ op grond van bepaalde verhoudingen van atoomgewichten’, en zelfs niet door de ‘stralende stof’ van Crookes, hoewel zijn experimenten het best schijnen ‘te worden begrepen volgens de hypothese van de homogeniteit van de elementen van de stof en de continuïteit van de toestanden van de stof’. Want dit alles gaat niet verder dan de stoffelijke materie, om zo te zeggen, zelfs niet in wat het spectrum laat zien, dat moderne ‘oog van Śiva’ van de fysische experimenten. Het is alleen over deze stof dat St. Claire Deville kon zeggen dat ‘als lichamen, waarvan men denkt dat ze enkelvoudig zijn, zich met elkaar verbinden, ze verdwijnen en als individu worden vernietigd’, eenvoudig omdat hij die lichamen niet kon volgen in hun verdere vormverandering in de wereld van de spirituele kosmische stof. De hedendaagse wetenschap zal werkelijk nooit diep genoeg in de kosmologische formaties kunnen doordringen om de wortels te vinden van de wereldstof of materie, tenzij ze langs dezelfde gedachtelijnen werkt als de middeleeuwse alchemist.
  5. World-Life, Ibid.
  6. Deel I, hfst. II, Vishnu Purāna, Engelse vertaling van Fitzedward Hall.
  7. Zie het voorafgaande hoofdstuk VIII, ‘Leven, kracht of zwaartekracht’, de aanhaling uit de Anugītā.

 


De Geheime Leer 1:596-611

© 1988 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag