§ 3

Oorspronkelijke substantie en goddelijke gedachte


   ‘Omdat het onredelijk zou zijn te beweren dat we alle bestaande oorzaken al kennen, moet men ons toestaan zo nodig een heel nieuw agens aan te nemen.’
   ‘Als we veronderstellen, wat tot dusver niet helemaal juist is, dat de golfhypothese alle feiten verklaart, moeten we nog beslissen of daarmee het bestaan van een golvende ether is bewezen. We kunnen niet met zekerheid beweren dat geen enkele andere veronderstelling de feiten kan verklaren. Men geeft toe dat Newtons deeltjeshypothese is vastgelopen op de interferentie; en er is op het ogenblik geen concurrerende theorie. Toch is het bijzonder wenselijk bij al dergelijke hypothesen enige aanvullende bevestiging te verkrijgen, een van elders komend bewijs, voor DE VERONDERSTELDE ETHER. . . . Sommige hypothesen bestaan uit veronderstellingen over de fijne structuur en de werkingen van de lichamen. Deze veronderstellingen kunnen uiteraard nooit rechtstreeks worden bewezen. Hun enige verdienste is dat zij de verschijnselen op een geschikte manier beschrijven. Het zijn REPRESENTATIEVE VERZINSELS.’ (Logic, door Alexander Bain, LL.D., Deel II, blz. 133.)

   Ether, deze hypothetische Proteus, een van de ‘representatieve verzinsels’ van de moderne wetenschap – dat niettemin al zo lang werd aangenomen – is een van de lagere ‘beginselen’ van wat wij de OORSPRONKELIJKE SUBSTANTIE (in het Sanskriet akāsa) noemen, een van de dromen van voorheen, die nu opnieuw de droom van de moderne wetenschap is geworden. Het is de grootste, en ook de stoutmoedigste, van de nog bestaande speculaties van de filosofen uit de oudheid. Voor de occultisten is echter zowel de ETHER als de oorspronkelijke substantie een werkelijkheid. Om het duidelijk te stellen, ETHER is het astrale licht, en de oorspronkelijke substantie is AKĀSA, de upadhi van de GODDELIJKE GEDACHTE.
   Volgens het moderne taalgebruik zou men laatstgenoemde beter KOSMISCHE VERBEELDING kunnen noemen – geest – en het eerstgenoemde KOSMISCHE SUBSTANTIE – stof. Deze, de alfa en de omega van het Zijn, vormen slechts de twee facetten van het ene Absolute Bestaan. Dit laatste werd in de oudheid nooit met een bepaalde naam aangeroepen of zelfs maar genoemd, behalve in een allegorie. In het oudste Arische ras, dat van de Hindoes, heeft de eredienst bij de intellectuele klassen nooit (zoals bij de Grieken) bestaan uit een vurige verering van prachtige vormen en kunst, wat later leidde tot antropomorfisme. Maar terwijl de Griekse filosoof vormen vereerde en alleen de hindoewijze ‘de ware relatie opmerkte tussen de aardse schoonheid en de eeuwige waarheid’, hebben de onontwikkelden van ieder volk geen van beiden ooit begrepen.
   Ook nu begrijpen ze het niet. De evolutie van het GODSBEGRIP houdt gelijke tred met de verstandelijke ontwikkeling van de mens zelf. Dit is zo waar, dat het hoogste ideaal waarnaar de religieuze geest in een tijdperk kan opstijgen, aan de filosofische geest in een volgende periode slechts een grove karikatuur zal toeschijnen! De filosofen zelf moesten worden ingewijd in de waarnemingsmysteriën, voordat zij de juiste opvatting van de Ouden in verband met dit heel metafysische onderwerp konden begrijpen. Anders – zonder zo’n inwijding – zal er voor iedere denker even duidelijk en onmiskenbaar een ‘tot hier toe en niet verder’ zijn, bepaald door zijn intellectuele vermogen, als er krachtens de wet van karma een grens is aan de vooruitgang van een land of ras in zijn cyclus. Zonder inwijding moeten de idealen van het religieuze denken van die tijd altijd zijn gekortwiekt en niet in staat zijn om zich hoger te verheffen, want zowel idealistische als realistische denkers en zelfs vrijdenkers zijn slechts het resultaat en het natuurlijke product van hun omgeving en van hun tijd. De idealen van beiden zijn slechts het noodzakelijke gevolg van hun temperament, en de uitkomst van die fase van intellectuele vooruitgang, die een volk als geheel heeft bereikt. Vandaar dat, zoals al opgemerkt, de hoogste vlucht van de hedendaagse (westerse) metafysica nog ver van de waarheid verwijderd is gebleven. Veel van de gangbare agnostische speculaties over het bestaan van de ‘Eerste Oorzaak’ zijn niet veel beter dan een verkapt materialisme – alleen de terminologie is verschillend. Zelfs een groot denker als Herbert Spencer spreekt soms over het ‘Onkenbare’ in termen waaruit de dodelijke invloed van het materialistische denken blijkt, dat als de moordende sirocco alle tegenwoordige ontologische speculaties heeft doen verdorren en verwelken1.
   Vanaf de vroegste tijden van het vierde Ras, toen alleen de geest werd vereerd en het mysterie was geopenbaard, tot de laatste bloeitijd van de Griekse kunst bij de dageraad van het christendom – durfden alleen de Hellenen in het openbaar een altaar voor de ONBEKENDE GOD op te richten. Welke diepzinnige gedachten Paulus ook mag hebben gehad toen hij aan de Atheners verklaarde dat deze ‘onbekende’, die zij onwetend vereerden, de ware door hem verkondigde god was – deze godheid was niet ‘Jehova’ (zie ‘Het Heilige der Heiligen’), en ook was hij niet ‘de maker van de wereld en van alle dingen’. Want het is niet de ‘God van Israël’, maar het ‘Onbekende’ van de oude en moderne pantheïst, dat ‘niet woont in door handen gemaakte tempels’ (Handelingen, xvii, 23-4).
   De goddelijke gedachte kan niet worden omschreven en haar betekenis kan niet worden verklaard, behalve door de talloze manifestaties van de kosmische substantie waarin de eerstgenoemde geestelijk wordt aangevoeld door degenen die dat kunnen. Als men dit zegt nadat men haar heeft omschreven als de onbekende godheid, die abstract, onpersoonlijk en geslachtloos is en die de grondslag moet vormen van iedere kosmogonie en de daaropvolgende evolutie, zegt men in feite helemaal niets. Het is alsof men een transcendente vergelijking van voorwaarden voor de verzameling van ware waarden wil vinden, terwijl men voor de afleiding daarvan alleen maar beschikt over een aantal onbekende grootheden. Men vindt de plaats van die onbekende godheid op de oude primitieve symbolische kaarten, waar zij, zoals eerder is aangegeven, wordt voorgesteld door een grenzeloze duisternis, tegen de achtergrond waarvan het eerste middelpunt in wit verschijnt – als symbool van het verschijnen van de even oude en eeuwig bestaande GEEST-STOF in de wereld van de verschijnselen, vóór haar eerste differentiatie. Wanneer ‘het ene twee wordt’, kan men het aanduiden als geest en stof. Iedere manifestatie van bewustzijn, weerspiegeld of direct, en van onbewuste doelgerichtheid (om een moderne uitdrukking uit de westerse zogenaamde filosofie te gebruiken), kan tot ‘geest’ worden teruggebracht, zoals blijkt uit het levensbeginsel en uit de onderwerping van de Natuur aan de majestueuze voortgang volgens de onveranderlijke wet. ‘Stof’ moet echter worden beschouwd als objectiviteit in haar zuiverste abstractie – de uit zichzelf bestaande basis, waarvan de zevenvoudige manvantarische differentiaties de objectieve werkelijkheid vormen, die ten grondslag ligt aan de verschijnselen van iedere fase van het bewuste bestaan. Tijdens de periode van de universele pralaya is er geen kosmische verbeelding, en de verschillend gedifferentieerde toestanden van de kosmische substantie zijn weer opgelost in de oorspronkelijke toestand van abstracte potentiële objectiviteit.
   De manvantarische impuls begint met het opnieuw ontwaken van de kosmische verbeelding (het ‘universele denkvermogen’), terwijl tegelijkertijd en parallel daarmee de kosmische substantie voor het eerst tevoorschijn komt – deze laatste is het manvantarische voertuig van het eerstgenoemde – uit haar ongedifferentieerde toestand van pralaya. Dan weerspiegelt de absolute wijsheid zich in haar eigen ideeën; dit resulteert in kosmische energie (fohat) door een transcendentaal proces, dat het menselijke bewustzijn te boven gaat en hiervoor onbegrijpelijk is. De schoot van de inerte substantie doortrillend, brengt fohat deze tot activiteit en geleidt haar primaire differentiaties op alle zeven gebieden van kosmisch bewustzijn. Zo zijn er zeven protylen (zoals deze nu worden genoemd), terwijl ze in de Arische oudheid de zeven prakriti of naturen werden genoemd; elk voor zich diende als de relatief homogene basis die, terwijl de heterogeniteit (in de evolutie van het Heelal) toeneemt, zich differentieert tot de prachtige samengesteldheid die verschijnselen op de gebieden van waarneming bieden. Het woord ‘relatief’ wordt met opzet gebruikt, omdat alleen al het bestaan van zo’n proces, dat resulteert in de primaire scheiding van de ongedifferentieerde kosmische substantie in haar zevenvoudige grondslagen van de evolutie, ons dwingt om de protyle2 van ieder gebied te beschouwen als slechts een tussenfase die de substantie doorloopt, terwijl ze op weg is van abstractheid naar volledige objectiviteit.
   Men zegt dat de kosmische verbeelding niet bestaat tijdens de perioden van pralaya, eenvoudig omdat er niemand en niets is om de gevolgen ervan waar te nemen. Bewustzijn, half-bewustzijn of zelfs ‘onbewuste doelgerichtheid’ kunnen zich niet manifesteren, behalve door middel van een stoffelijk voertuig; dat wil zeggen dat op ons gebied, waar het menselijke bewustzijn in normale toestand niet kan uitstijgen boven wat bekendstaat als de transcendente metafysica, de geest alleen door een soort moleculair aggregaat of weefsel opwelt in een stroom van individuele of onderbewuste subjectiviteit. En omdat stof, die los van de waarneming bestaat, alleen maar een abstractie is, zijn deze beide aspecten van het ABSOLUTE – kosmische substantie en kosmische verbeelding – onderling afhankelijk. Als men heel nauwkeurig is, zou men – om verwarring en misvatting te vermijden – het woord ‘stof’ moeten toepassen op de verzameling van objecten die kunnen worden waargenomen, en het woord ‘substantie’ op de noumena. Omdat de verschijnselen op ons gebied de schepping zijn van het waarnemende ego – de vormgevingen van zijn eigen subjectiviteit – kunnen alle ‘toestanden van de stof die de verzameling waargenomen objecten vertegenwoordigen’ voor de kinderen van ons gebied slechts een relatief bestaan hebben, dat zuiver tot de verschijnselen behoort. Zoals de aanhangers van het moderne idealisme zouden zeggen, heeft de samenwerking van subject en object het zintuiglijk waarneembare voorwerp of verschijnsel tot gevolg. Dit leidt echter niet noodzakelijk tot de conclusie dat hetzelfde geldt voor alle andere gebieden; dat de samenwerking van die twee op de gebieden van hun zevenvoudige differentiatie een zevenvoudige verzameling van verschijnselen tot gevolg heeft, die eveneens geen op zichzelf staand bestaan hebben. Het zijn echter concrete werkelijkheden voor die wezens voor wie ze een deel van hun ervaring zijn, op dezelfde manier als de rotsen en rivieren om ons heen werkelijkheden zijn vanuit het standpunt van een natuurkundige, hoewel het voor de metafysicus onwerkelijke illusies van de zintuigen zijn. Het zou onjuist zijn zoiets te zeggen of zelfs maar te denken. Vanuit het standpunt van de hoogste metafysica is het gehele Heelal, de goden inbegrepen, een illusie; maar de illusie van degene die zelf een illusie is, is op ieder gebied van bewustzijn verschillend. We hebben evenmin het recht te dogmatiseren over de mogelijke aard van de waarnemingsvermogens van een ego op bijvoorbeeld het zesde gebied, als om onze waarnemingen gelijk te stellen aan of als maatstaf te gebruiken voor die van een mier voor haar soort van bewustzijn. Het zuivere object los van bewustzijn3 is voor ons onbekend, zolang we op het gebied van onze driedimensionale wereld leven, omdat we alleen de mentale toestanden kennen die het in het waarnemende ego opwekt. En zolang de tegenstelling tussen subject en object voortduurt – namelijk zolang wij over onze vijf zintuigen beschikken en meer niet, en niet weten hoe we ons alles waarnemende Ego (het hogere Zelf) van de slavernij van deze zintuigen moeten bevrijden – zolang zal het voor het persoonlijke ego onmogelijk zijn de barrière te doorbreken die het scheidt van een kennis van de dingen op zichzelf (of substantie). Dat ego, dat voortgaat op een boog van toenemende subjectiviteit, moet de ervaringen van ieder gebied volledig doormaken. Maar pas wanneer de eenheid is opgegaan in het AL, op dit of op een ander gebied, en wanneer zowel subject als object verdwijnen in de toestand van de absolute ontkenning, d.i. nirvana (ontkenning, ook hier alleen vanuit ons gebied), wordt die top van alwetendheid beklommen – de kennis van dingen op zichzelf, en komt men dichter bij de oplossing van het nog ontzagwekkender raadsel, waarvoor zelfs de hoogste Dhyan-Chohan in stilte en onwetendheid moet buigen – het onuitsprekelijke mysterie van wat de aanhangers van de Vedanta PARABRAHMAM noemen.
   Omdat dit zo is, hebben allen die probeerden aan het onkenbare beginsel een naam te geven, het eenvoudig verlaagd. Alleen al door te spreken over de kosmische verbeelding – behalve wat haar fenomenale aspect betreft – is het alsof men probeert de oorspronkelijke Chaos te bottelen, of om op de EEUWIGHEID een gedrukt etiket te plakken.
   Wat is dan de ‘oorspronkelijke substantie’, dat geheimzinnige begrip waarover de alchemie altijd sprak en dat in ieder tijdperk het onderwerp werd van filosofische speculaties? Wat kan zij tenslotte zijn, zelfs in haar verschijningsvorm van vóór de differentiatie? Zelfs die is het AL in de gemanifesteerde Natuur en voor onze zintuigen niets. Zij wordt in iedere kosmogonie door verschillende namen aangeduid, iedere filosofie verwijst ernaar en zij blijkt tot heden de steeds ongrijpbare PROTEUS in de Natuur te zijn. We raken de oorspronkelijke substantie aan, maar voelen haar niet; we kijken ernaar, maar zien haar niet; we ademen haar in, maar bemerken haar niet; we horen en ruiken haar zonder enig vermoeden dat zij er is; want zij is in iedere molecule van wat we in onze verbeelding en onwetendheid beschouwen als stof in een van haar toestanden, of opvatten als een gevoel, een gedachte, een emotie. . . . Kortom, zij is de ‘upadhi’ of het voertuig van ieder mogelijk verschijnsel, of dit nu stoffelijk, verstandelijk of psychisch is. In de eerste zinnen van Genesis, en eveneens in de Chaldeeuwse kosmogonie, in de Purāna’s van India en in het Egyptische Dodenboek, overal opent zij de cyclus van de manifestatie. Zij wordt ‘Chaos’ genoemd, en het aangezicht van de wateren, voortgebracht door de Geest die uit het Onbekende voortkomt, onder welke naam dan ook. (Zie ‘Chaos, Theos, Kosmos’.)
   De schrijvers van de heilige geschriften in India gaan dieper in op de oorsprong van de dingen die zich hebben ontwikkeld dan Thales of Job, want ze zeggen:
   ‘Uit INTELLIGENTIE (in de Purāna’s MAHAT genoemd), verbonden met ONWETENDHEID (Īśvara, als persoonlijke godheid), vergezeld van zijn projecterende kracht, waarin de eigenschap van traagheid (tamas, ongevoeligheid) overheerst, komt ether voort – uit ether lucht, uit lucht warmte, uit warmte water en uit water aarde’ met alles daarop. ‘Uit DIT, uit ditzelfde ZELF, werd de ether voortgebracht’, zegt de Veda (Taittirīya Upanishad II. 1.)
   Zo wordt duidelijk dat niet deze ether, die pas in de vierde plaats is ontsprongen uit een uitstraling van de intelligentie ‘verbonden met onwetendheid’, het hoge beginsel is, het vergoddelijkte Wezen dat als samengesteld geheel, door de Grieken en Latijnen werd vereerd onder de naam ‘Pater omnipotens Aether’ en ‘Magnus Aether’. De zevenvoudige indeling en de ontelbare onderverdelingen en verschillen die de Ouden maakten tussen de krachten van de collectieve ether – vanaf zijn buitenste rand van gevolgen waarmee onze wetenschap zo goed bekend is, tot de ‘onweegbare substantie’, die eens als de ‘ether van de Ruimte’ werd erkend, maar nu wel snel zal worden verworpen – zijn altijd voor elke tak van kennis kwellende raadsels geweest. De huidige kenners van de mythologie en van de symboliek, in verwarring gebracht doordat ditzelfde vergoddelijkte wezen in dezelfde religieuze stelsels aan de ene kant op onbegrijpelijke manier wordt verheerlijkt en aan de andere kant verlaagd, worden vaak tot de meest lachwekkende fouten gebracht. De kerk, rotsvast in al haar vroegere interpretatiefouten, heeft van de ether de verblijfplaats van haar satanische krijgsmachten gemaakt4. De hele hiërarchie van de ‘gevallen’ engelen bevindt zich daar; de cosmocratores – of (volgens Bossuet) de ‘werelddragers’; mundi tenentes – de ‘wereldhouders’ zoals Tertullianus ze noemt; en mundi domini – ‘wereldheerschappijen’, of liever heersers; de curbati of gekromden’, enz., die zo de sterren en de hemellichamen in hun banen tot duivels maken!
   Het onderscheid dat wordt gemaakt tussen de zeven toestanden van de ether (zelf een van de zeven kosmische beginselen), terwijl de aether van de Ouden het universele vuur is, kan men zien aan de geboden van respectievelijk Zoroaster en Psellus. De eerste zei: ‘Raadpleeg het alleen als het geen vorm of gestalte heeft’, absque forma et figura, wat betekent zonder vlammen of brandende kolen. Psellus leert: ‘Wanneer het vorm heeft, schenk er dan geen aandacht aan, maar als het geen vorm heeft, gehoorzaam het dan, want dan is het heilig vuur, en alles wat het u zal onthullen, zal waar zijn5.’ Dit bewijst dat de ether, zelf een aspect van akāsa, op zijn beurt verschillende aspecten of ‘beginselen’ heeft.
   Alle oude volkeren vergoddelijkten de aether in zijn onweegbare aspect en vermogen. Vergilius noemt Jupiter Pater omnipotens Aether, ‘de grote Aether’6. ‘De hindoes hebben hem ook bij hun godheden opgenomen, onder de naam akāsa (de synthese van aether). En de ontwerper van het homoiomerische filosofische stelsel, Anaxagoras van Clazomenae, geloofde vast dat de geestelijke oervormen van alle dingen, zowel als hun elementen, waren te vinden in de grenzeloze ether, waar zij waren voortgebracht, waaruit zij zich ontwikkelden en waarheen zij terugkeerden – een occulte lering.
   Zo wordt duidelijk dat het eerste denkbeeld van een persoonlijke scheppende godheid is voortgekomen uit de ether, toen het meest omvattende aspect daarvan was vermenselijkt. Bij de hindoefilosofen zijn de elementen tamas, d.w.z. ‘onverlicht door het verstand, dat zij verduisteren’.
   We moeten nu het vraagstuk van de mystieke betekenis van de ‘oorspronkelijke Chaos’ en van het wortelbeginsel volledig bespreken en laten zien hoe ze in de oude filosofieën in verband stonden met akāsa, ten onrechte vertaald met aether, en ook met maya (illusie) – waarvan īśvara het mannelijke aspect vormt. Later zullen we spreken over het verstandelijke ‘beginsel’, of liever over de onzichtbare onstoffelijke eigenschappen van de zichtbare en stoffelijke elementen, die ‘zijn voortgekomen uit de oorspronkelijke Chaos’.
   Want in ‘ISIS ONTSLUIERD’ wordt de vraag gesteld: ‘Wat is de oorspronkelijke Chaos anders dan aether?’ Niet de tegenwoordige ether, zoals die nu wordt opgevat, maar zoals deze lang vóór de tijd van Mozes aan de oude filosofen bekend was: aether, met al zijn geheimzinnige en occulte eigenschappen, die in zich de kiemen voor de universele schepping bevat. De hoogste aether of akāsa is de hemelse maagd en de moeder van alle bestaande vormen en wezens, en vanuit haar schoot worden stof en leven, kracht en werking in het bestaan geroepen, zodra deze is ‘bevrucht’ door de goddelijke geest. Aether is de aditi van de hindoes, en hij is akāsa. Elektriciteit, magnetisme, warmte, licht en chemische werking worden zo weinig begrepen, zelfs nu nieuwe feiten voortdurend de omvang van onze kennis vergroten. Wie weet waar de macht van deze proteïsche reus – de aether – ophoudt, of waar zijn geheimzinnige oorsprong ligt? Wie, bedoelen wij, die de geest ontkent, die erin werkt en die alle zichtbare vormen eruit ontwikkelt?
   Het zal gemakkelijk zijn aan te tonen dat de kosmogonische legenden overal in de wereld zijn gebaseerd op een kennis die de Ouden hadden van die wetenschappen, die zich in onze tijd hebben verenigd om de evolutieleer te ondersteunen; en dat nader onderzoek het bewijs kan leveren dat die Ouden veel beter op de hoogte waren dan wij nu, met het feit van de evolutie zelf, in zowel haar fysieke als haar geestelijke aspecten. ‘Voor de oude filosofen was de evolutie een universele stelling, een leer die het geheel omvat, en een vaststaand beginsel, terwijl de hedendaagse aanhangers van de evolutiegedachte ons slechts speculatieve theorieën kunnen bieden, met bijzondere, zo niet geheel negatieve leerstellingen. De vertegenwoordigers van onze moderne wijsheid hebben geen gronden om de discussie te beëindigen en te doen alsof het een uitgemaakte zaak is, alleen omdat de duistere bewoordingen van het veel latere mozaïsche verhaal in strijd zijn met de vaste exegese van de ‘exacte wetenschap’.’ (Isis Ontsluierd.)
   Als men de ‘wetten (of voorschriften) van Manu’ beschouwt, vindt men de oervorm van al deze denkbeelden. Terwijl ze (voor de westerse wereld) in hun oorspronkelijke vorm grotendeels verloren zijn gegaan en ze door latere tussen- en toevoegsels zijn misvormd, hebben ze niettemin genoeg van hun oude geest bewaard om het karakter daarvan te tonen. ‘De zelfbestaande Heer (Vishnu, Narayana, enz.) verdreef de duisternis’, manifesteerde zich en, ‘omdat hij wenste uit zijn essentie wezens voort te brengen, schiep hij in het begin alleen water. Daarin wierp hij zaad. . . . Dat werd een gouden Ei.’ (v. 6, 7, 8, 9.) Waar komt deze zelfbestaande Heer vandaan? Men noemt het dit, en het wordt aangeduid als ‘duisternis, niet waarneembaar, zonder bepaalde eigenschappen, niet te ontdekken, alsof het geheel in slaap is’. (v. 5.) Nadat hij ‘die in de wereld Brahmā wordt genoemd’ een goddelijk jaar lang in dat Ei heeft gewoond, splijt hij dat Ei in tweeën; van het bovenste gedeelte vormt hij de hemel en van het onderste de aarde en van het midden de atmosfeer en ‘de eeuwige plaats van de wateren’. (12, 13.)
   Direct na deze verzen volgt er echter iets dat voor ons van meer belang is, omdat het onze esoterische leringen volledig bevestigt. In de verzen 14 tot 36 wordt de evolutie weergegeven in de volgorde zoals die in de esoterische filosofie wordt beschreven. Dit kan niet gemakkelijk worden tegengesproken. Zelfs Medhātithi, de zoon van Vīrasvāmin en de schrijver van de toelichting, ‘het Manubhāsya’, dat volgens de westerse oriëntalisten dateert uit 1000 n.Chr., helpt ons met zijn opmerkingen de waarheid te verduidelijken. Hij toonde zich òf onwillig meer bekend te maken, omdat hij de waarheid kende die niet in handen van oningewijden moet vallen, òf hij begreep het werkelijk niet. Wat hij heeft bekendgemaakt, maakt niettemin het zevenvoudige beginsel in de mens en in de natuur duidelijk genoeg.
   Laten we beginnen met Hoofdstuk I van de ‘voorschriften’ of ‘wetten’, nadat de zelfbestaande Heer, de zich niet manifesterende logos van de Onbekende ‘Duisternis’ zich manifesteert in het gouden Ei. Uit dit ‘Ei’, uit . . .
   (11.) Dat wat de ongescheiden (niet gedifferentieerde) eeuwige oorzaak is, dat wat is en niet is, daaruit kwam dat mannelijke voort, dat in de wereld Brahmā wordt genoemd . . .
   Evenals in alle ware filosofische stelsels, wordt hier zelfs het ‘Ei’, of de cirkel (of de nul), grenzeloze oneindigheid, aangeduid met HET7; en Brahmā, slechts de eerste eenheid, wordt de mannelijke god genoemd, dat wil zeggen het bevruchtende beginsel. Het is of 10 (tien), de decade. Alleen op het gebied van het zevenvoudige of onze wereld wordt het Brahmā genoemd. Op dat van de verenigde decade in het rijk van de werkelijkheid is deze mannelijke Brahmā een illusie.
   (14.) ‘Uit het Zelf (ātmanah) schiep hij het denkvermogen, (1) dat is en niet is; (2) en uit het denkvermogen, het ego-isme (zelfbewustzijn) de heerser; (3) de Heer.’
   (1) Het denkvermogen is manas. Medhātithi, de commentator, merkt hier terecht op dat het tegengestelde het geval is en toont aan dat hier al sprake is van tussenvoeging en herschikking; immers manas ontspringt aan ahamkara of (universeel) zelfbewustzijn, zoals manas in de microkosmos voortkomt uit mahat, of maha-buddhi (buddhi in de mens). Want manas is tweevoudig, en zoals door Colebrooke is aangetoond en vertaald, ‘dient het als zintuig en om te handelen en is het een orgaan door affiniteit, en verwant met de rest’. ‘De rest’ betekent hier dat manas, ons vijfde beginsel (het vijfde, omdat in tegenstelling tot de ware filosofische volgorde, het lichaam het eerste was genoemd)8 verwant is, zowel met atma-buddhi als met de vier lagere beginselen. Vandaar onze leer dat manas atma-buddhi volgt in devachan, en dat het lagere (het bezinksel, het overblijfsel van) manas achterblijft met het kamarupa in de limbus of kamaloka, de verblijfplaats van de ‘schillen’.
   (2) Dit is de betekenis van manas, dat ‘is en niet is’.
   (3) Medhātithi vertaalt het door ‘degene die bewust is van het ik’ of ego en niet, zoals de oriëntalisten, door ‘heerser’. Zo vertalen zij vers 16 als volgt: ‘Nadat hij de fijne delen van die zes (het grote Zelf en de vijf zintuigen) van buitengewone helderheid had laten binnengaan in de elementen van het Zelf (Atmamātrāsu), schiep hij alle wezens.’
   Volgens Medhātithi zou er echter moeten staan mātrā-chit in plaats van ‘Atmamātrāsu’ en de zin zou dus als volgt moeten luiden:
   ‘Nadat hij de fijne delen van die zes van buitengewone helderheid met elementen van het zelf had doordrongen, schiep hij alle wezens.’
   Deze laatste versie moet de juiste zijn, omdat hij, het Zelf, is wat wij atmā noemen en dus het zevende beginsel vormt, de synthese van de ‘zes’. Dit is ook de mening van de bewerker van het Mānava-dharma-Shāstra, die intuïtief veel dieper schijnt te zijn doorgedrongen in de geest van de filosofie, dan de vertaler van de ‘voorschriften van Manu’, wijlen dr. Burnell. Want hij toont weinig aarzeling om te kiezen tussen de tekst van Kulluka en de commentaren van Medhātithi. Hij verwerpt de tanmātra, of fijne elementen, en de ātmamātrāsu van Kulluka, en terwijl hij de beginselen toepast op het kosmische Zelf, zegt hij: ‘De zes schijnen eerder het manas te zijn plus de vijf beginselen: ether, lucht, vuur, water en aarde’; ‘nadat hij vijf van deze zes delen had verenigd met het geestelijke element (het zevende), schiep hij (zo) alle bestaande dingen’; ātmamātra is daarom het geestelijke atoom, in tegenstelling tot de elementaire niet denkende ‘elementen van zichzelf’. Hij corrigeert de vertaling van vers 17 als volgt.
   (17.) ‘Evenals de fijne elementen van de lichamelijke vormen van Dit Ene afhankelijk zijn van deze zes, noemen de wijzen zijn vorm çarira’ (sharira) – en hij zegt dat ‘elementen’ hier gedeelten (of beginselen) betekenen; deze interpretatie wordt bevestigd door vers 19, dat luidt:
   (19.) ‘Dit niet-eeuwige (Heelal) komt dan voort uit het eeuwige, door middel van de fijne vorm-elementen van die zeven roemrijke beginselen’ (purusha).
   In een commentaar hierop merkt de bewerker op, dat volgens Medhātithi ‘de vijf elementen en het denkvermogen (manas) en het zelfbewustzijn (ahamkara)9 worden bedoeld’; ‘fijne elementen’ (betekenen) evenals hierboven ‘vijf vormdelen’ (of beginselen). Want vers 20 toont dit aan wanneer er over deze (vijf elementen, of) ‘vijf vormdelen’ (rupa plus manas en zelfbewustzijn) wordt gezegd, dat deze de ‘zeven purusha’ of beginselen vormen die in de Purāna’s de ‘zeven prākriti’s’ worden genoemd.
   Bovendien spreekt vers 27 over deze ‘vijf elementen’ of ‘vijf gedeelten’ als ‘zij, die de atomaire, vernietigbare gedeelten worden genoemd’ – en die dus ‘verschillen van de atomen van de nyāya’.
   Deze scheppende Brahmā, die uit het wereld- of gouden ei tevoorschijn komt, verenigt zowel het mannelijke als het vrouwelijke beginsel in zich. Kortom, hij is dezelfde als alle scheppende protologoi. Van Brahmā kon echter niet, zoals van Dionysos, worden gezegd: ‘πρωτόγονον διϕυῆ τρίγονον Βακχεῖον Ἄνακτα Ἄγριον ἄρρητον κρύϕιον δικέρωτα δίμορϕον’ – een maan-Jehova – inderdaad Bacchus, met David die naakt voor zijn symbool in de ark danst – omdat er nooit in zijn naam en te zijner ere losbandige Dionysia waren ingesteld. Zulke openbare erediensten waren alle exoterisch, en de grote universele symbolen werden algemeen verwrongen, zoals nu gebeurt met die van Krishna door de Vallabachārya’s van Bombay, de volgelingen van de kind-god. Maar zijn deze volksgoden de ware godheid? Vormen zij het hoogste punt en de synthese van de zevenvoudige schepping, de mens inbegrepen? Nooit! Elk vormt een van de sporten van die zevenvoudige ladder van goddelijk bewustzijn, zowel bij de heidenen als bij de christenen. Men zegt immers ook dat Ain-Soph zich manifesteert door middel van de zeven letters van de naam Jehova(h), aan wie, nadat hij zich de plaats van de Onbekende Onbegrensde had toegeëigend, zijn aanbidders de zeven engelen van de Tegenwoordigheid – zijn zeven beginselen – gaven. Toch worden ze in bijna iedere school genoemd. In de zuivere sankhya-filosofie worden mahat, ahamkara en de vijf tanmātra’s, de zeven prakriti’s (of naturen) genoemd, en men telt ze vanaf maha-buddhi of mahat tot aan de aarde. (Zie Sánkhya Karika III en de commentaren.)
   Niettemin, hoe ernstig de oorspronkelijke elohistische versie door Ezra voor rabbijnse doeleinden ook is verminkt, hoe weerzinwekkend soms zelfs de esoterische betekenis van de Hebreeuwse boekrollen is – dit is nog veel meer het geval dan voor de uiterlijke sluier of bekleding kan gelden10 – zodra men de jehovistische gedeelten buiten beschouwing laat, stelt men vast dat de boeken van Mozes, vooral in de eerste zes hoofdstukken, vol staan met zuiver occulte en onschatbare kennis.
   Leest men ze met behulp van de Kabbala, dan vindt men een ongeëvenaarde tempel van occulte waarheden, een bron van diep verborgen schoonheid, verscholen onder een bouwwerk waarvan de zichtbare architectuur, ondanks haar schijnbare symmetrie, niet bestand is tegen de kritiek van het nuchtere verstand, en ook niet haar ouderdom kan openbaren, want zij behoort aan alle tijden. Er ligt meer wijsheid verborgen in de exoterische fabels van de Purāna’s en van de bijbel dan in alle exoterische feiten en wetenschap in de wereldliteratuur, en meer ware OCCULTE wetenschap dan er exacte kennis is in alle hogescholen. Of, duidelijker en krachtiger uitgedrukt, er is evenveel esoterische wijsheid in sommige gedeelten van de exoterische Purāna’s en van de Pentateuch, als onzin en opzettelijke kinderlijke fantasieën, wanneer men ze uitsluitend letterlijk leest en volgens de dodelijke interpretaties van de grote dogmatische religies, en vooral van sekten.
   Laat men de eerste verzen van Hoofdstuk I van Genesis lezen en erover nadenken. Daar beveelt ‘God’ aan een andere ‘god’, die zijn bevelen uitvoert – zelfs in de voorzichtige King James vertaling van de Engelse protestanten.
   In het ‘begin’ – het Hebreeuws heeft geen woord om het begrip ‘eeuwigheid’ uit te drukken11 – vormt ‘God’ de hemel en de aarde; en laatstgenoemde is ‘zonder vorm en leeg’, terwijl de eerste in werkelijkheid niet de hemel is, maar de ‘diepte’, de Chaos, met duisternis op haar aangezicht12.
   ‘En de geest van GOD zweefde boven de wateren’ (v. 2), of de grote diepte van de oneindige Ruimte. En deze geest is Nara-yana, of Vishnu. ‘En God zei: Laat er een uitspansel zijn. . . .’ (v. 6); en ‘God’, de tweede, gehoorzaamde en ‘maakte het uitspansel’ (v. 7). ‘En God zei: Laat er licht zijn’, en ‘er was licht’. Dit laatste betekent echter in het geheel niet licht, maar – volgens de Kabbala – de androgyne ‘Adam Kadmon’, of Sephira (geestelijk licht), want die zijn één; of, volgens het Chaldeeuwse ‘Boek van de Getallen’, de secundaire engelen; de eerste zijn de Elohim, die het geheel zijn van die ‘vormende’ god. Want tot wie werden die bevelende woorden gericht? En wie beveelt? Wat beveelt is de eeuwige wet en hij die gehoorzaamt, de Elohim, de bekende grootheid die werkt in en met x, dat is de coëfficiënt van de onbekende grootheid, de krachten van de ENE KRACHT. Dit alles is occultisme, en het is te vinden in de archaïsche STANZA’S. Het speelt geen rol of we deze ‘krachten’ de Dhyan-Chohans noemen, of zoals Johannes de Ophanim.
   ‘Het ene universele licht, dat voor de mens duisternis is, bestaat altijd’, zegt het Chaldeeuwse ‘Boek van de Getallen’. Periodiek komt hieruit de ENERGIE voort die in de ‘diepte’ of Chaos, de voorraadschuur van toekomstige werelden, wordt weerspiegeld en die, eenmaal ontwaakt, de latente krachten opwekt en bevrucht die de daarin altijd aanwezige eeuwige vermogens zijn. Dan ontwaken opnieuw de Brahmā’s en Boeddha’s – de eeuwig bestaande krachten – en een nieuw Heelal komt tot stand. . . .
   In de Sepher Jezireh, het kabbalistische boek van de schepping, heeft de schrijver kennelijk de woorden van Manu herhaald. Daarin stelt men het zo voor, dat de goddelijke substantie in eeuwigheid alleen heeft bestaan, grenzeloos en absoluut, en dat deze uit zichzelf de geest heeft uitgezonden13. ‘Een is de geest van de levende god, gezegend zij ZIJN naam, die eeuwig leeft! Stem, geest en woord, dit is de heilige geest14; en dit is de kabbalistische abstracte drie-eenheid, die door de christelijke kerkvaders zonder meer is vermenselijkt. Uit dit drievoudige ENE vloeide de hele Kosmos voort. Eerst kwam Uit EEN het getal TWEE voort, of lucht (de vader), het scheppende element; toen kwam het getal DRIE, water (de moeder), voort uit de lucht; ether of vuur voltooit de mystieke vier, de Arba-il15. ‘Toen de verborgene van de verborgenen zich wilde openbaren, maakte hij eerst een punt (het oorspronkelijke punt of de eerste sephiroth, lucht, of heilige geest), gaf er een heilige vorm aan (de tien sephiroth, of de hemelse mens) en bedekte het met een rijk en prachtig gewaad, dat de wereld is16.’
   ‘Hij maakt de wind tot zijn boodschappers en vlammend vuur tot zijn dienaren’, zegt de Jezireh, en toont zo het kosmische karakter aan van de later euhemeristisch verklaarde elementen17, en ook dat de geest elk atoom in de Kosmos doordringt.
   Deze ‘oorspronkelijke substantie’ wordt door sommigen Chaos genoemd: Plato en de pythagoreeërs noemden deze de wereldziel, nadat zij was bevrucht door de geest van dat wat op de oorspronkelijke wateren of de Chaos zweeft. De kabbalisten zeggen dat het zwevende beginsel de reeks droombeelden van een zichtbaar, gemanifesteerd Heelal schiep door zich daarin te weerspiegelen. Chaos vóór – ether na de ‘weerspiegeling’; het is steeds de godheid die alle Ruimte en dingen doordringt. Het is de onzichtbare, onweegbare geest van de dingen en het onzichtbare, maar goed voelbare fluïdum dat uitstraalt van de vingers van een gezonde magnetiseur, want het is vitale elektriciteit – het LEVEN zelf. Het wordt door de markies De Mirville spottend ‘de nevelige almachtige’ genoemd, en de theürgen en occultisten noemen het nog steeds ‘het levende vuur’; en iedere hindoe, die bij zonsopgang een bepaalde soort meditatie beoefent, kent de gevolgen ervan18. Het is de ‘geest van het licht’ en magnes. Zoals een tegenstander het terecht heeft uitgedrukt, zijn magus en magnes twee takken die groeien aan dezelfde stam en die dezelfde gevolgen teweegbrengen. En in deze benaming ‘levend vuur’ kunnen we ook de betekenis ontdekken van de raadselachtige zin in de Zend-Avesta: ‘Er is een vuur dat kennis verleent over de toekomst, de wetenschap en beminnelijke taal’, d.w.z. dat een buitengewone welsprekendheid ontwikkelt in de profetes, de sensitieve en zelfs in sommige redenaars.
   Over dit ‘vuur’ wordt gesproken in alle hindoegeschriften en ook in de kabbalistische boeken. De Zohar verklaart het als het ‘witte verborgen vuur in de resha trivrah’ (het witte hoofd); de wil daarvan laat het vurige fluïdum in 370 stromen in alle richtingen van het heelal vloeien. Het komt overeen met de ‘slang die met 370 sprongen loopt’ van de Siphrah Dzenioota, de slang die – wanneer de ‘volmaakte mens’, de metatron, is opgewekt, dat is wanneer de goddelijke mens in de dierlijke mens woont – drie geesten wordt; volgens ons theosofische spraakgebruik wil dat zeggen: die atmabuddhi-manas is. (Zie Afdeling 2 in Deel 2, § 3, ‘De vele betekenissen van de oorlog in de hemel’.)
   Geest of kosmische verbeeldingskracht en kosmische substantie – de ether is een van de beginselen daarvan – zijn dus één en omvatten de ELEMENTEN, in de betekenis die Paulus eraan hecht. Deze elementen zijn de versluierde synthese waarmee de Dhyan-Chohans, Deva’s, Sephiroth, Amshaspends, Aartsengelen, enz. worden aangeduid. De ether van de wetenschap – de Ilus van Berosus of de protyle van de scheikunde – vormt om zo te zeggen de (betrekkelijk) ruwe grondstof waaruit de bovengenoemde ‘bouwers’, volgens het plan dat eeuwig voor hen in de GODDELIJKE GEDACHTE is uitgestippeld, de stelsels in de kosmos vormen. Het zijn ‘mythen’, zegt men ons. ‘Evenmin als ether en de atomen’, antwoorden wij. De laatste twee zijn absoluut noodzakelijk voor de natuurwetenschap; de ‘bouwers’ zijn even absoluut noodzakelijk voor de metafysica. Men verwijt ons: ‘U hebt ze nooit gezien.’ Wij vragen de materialisten dan: ‘Hebt u ooit de ether gezien, of uw atomen, of misschien uw KRACHT?’ Bovendien erkent A.R. Wallace, een van de grootste westerse evolutionisten van deze tijd en de assistent van Darwin – als hij de ontoereikendheid bespreekt van de natuurlijke selectie als enige verklaring van de stoffelijke vorm van de mens – de leidende invloed van ‘hogere intelligenties’ als een ‘noodzakelijk onderdeel van de grote wetten die het stoffelijke Heelal besturen’ (Contributions to the Theory of Natural Selection).
   Deze ‘hogere intelligenties’ zijn de Dhyan-Chohans van de occultisten.
   Inderdaad hebben vrijwel alle mythen in de religieuze stelsels die het vermelden waard zijn, zowel een historische als een wetenschappelijke grondslag. ‘Mythen’, merkt Pococke terecht op, ‘blijken nu fabels te zijn voorzover wij ze verkeerd begrijpen; maar waarheden voorzover ze ooit eens werden begrepen’.
   De overheersende en duidelijkste gedachte – die in alle oude leringen wordt gevonden met betrekking tot de kosmische evolutie en de eerste ‘schepping’ van onze bol met al zijn voortbrengselen, organische en anorganische (een vreemd woord voor een occultist) – is dat de hele Kosmos uit de GODDELIJKE GEDACHTE is voortgekomen. Deze gedachte doordringt de stof, die evenals de ENE WERKELIJKHEID eeuwig bestaat; en alles wat leeft en ademt, ontwikkelt zich uit de emanaties van het ENE Onveranderlijke – Parabrahm = Mulaprakriti, de eeuwige ene wortel. De eerstgenoemde is om zo te zeggen het aspect van het centrale punt dat naar binnen is gekeerd, naar gebieden die geheel ontoegankelijk zijn voor het menselijke verstand, en is volstrekte abstractie, terwijl het in zijn aspect van Mulaprakriti – de eeuwige wortel van alles – ons tenminste een vaag begrip geeft van het mysterie van het Zijn.

   ‘Daarom werd in het binnenste van de tempels onderwezen dat dit zichtbare heelal van geest en stof slechts het concrete beeld is van de ideële abstractie; het werd gebouwd volgens het model van de eerste GODDELIJKE IDEE. Ons heelal heeft dus eeuwig in een latente toestand bestaan. De ziel die dit zuiver geestelijke heelal in leven houdt, is de centrale zon, de hoogste godheid zelf. Niet de Ene bouwde de concrete vorm van de idee, maar de eerstgeborene, en omdat zij werd opgebouwd volgens de meetkundige figuur van de dodecaëder19, ‘behaagde het de eerstgeborene twaalfduizend jaar over zijn schepping te doen’. Dit laatste getal komt tot uitdrukking in de Tyrrheense kosmogonie20, die zegt dat de mens in het zesde millennium werd geschapen. Dit komt overeen met de Egyptische theorie van 6000 ‘jaar’21 en met de Hebreeuwse berekening. Maar het is de exoterische vorm ervan. De geheime berekening verklaart dat de ‘twaalfduizend en de 6000 jaar’ JAREN VAN BRAHMA zijn – waarbij één dag van Brahmā gelijk is aan 4.320.000.000 jaar. Sanchoniathon22 verklaart in zijn Kosmogonie dat toen de wind (geest) verliefd werd op zijn eigen beginselen (de chaos), er een innige vereniging plaatsvond; deze verbinding werd pothos genoemd en hieruit ontstond het zaad van alles. En de chaos kende zijn eigen voortbrengsel niet, want hij had geen zintuigen, maar uit zijn omarming met de wind ontstond Mōt, of de ilus (modder)23. Hieruit kwamen de kiemen van de schepping en de voortbrenging van het heelal voort.’
   ‘Zeus-Zen (de aether) en Chthonia (de chaotische aarde) en Metis (het water), de vrouwen van eerstgenoemde; Osiris en Isis-Latona – de eerstgenoemde god stelt ook de ether voor – de eerste emanatie van de hoogste godheid, Amun, de oorspronkelijke bron van het licht; weer stelt de godin aarde en water voor; Mithras24, de uit een rots geboren god, het symbool van het mannelijke wereldvuur of het verpersoonlijkte oorspronkelijke licht, en Mithra, de vuurgodin, tegelijk zijn moeder en zijn vrouw: het zuivere element vuur (het actieve of mannelijke beginsel), beschouwd als licht en warmte, in verbinding met aarde en water of stof (vrouwelijk of passief, elementen van kosmische voortbrenging). Mithras is de zoon van Bordj, de Perzische wereldberg25, van waaruit hij als een schitterende lichtstraal tevoorschijn schoot. Brahmā, de vuurgod en zijn vruchtbare echtgenote; en Agni van de hindoes – uit het lichaam van deze stralende godheid komen duizend stromen van heerlijkheid en zeven vuurtongen voort en ter ere van hem onderhouden bepaalde brahmanen tot heden een eeuwig vuur – ; Siva, verpersoonlijkt door de wereldberg van de hindoes, de Meru: deze verschrikkelijke vuurgoden, die volgens de legende evenals de joodse Jehova in een vuurzuil uit de hemel zijn neergedaald, en een dozijn andere archaïsche godheden met een dubbel geslacht, verkondigen allen luid hun verborgen betekenis. En wat zouden deze tweevoudige mythen anders kunnen betekenen dan het psycho-chemische beginsel van de oorspronkelijke schepping? De eerste evolutie in haar drievoudige manifestatie van geest, kracht en stof; de goddelijke wisselwerking bij haar uitgangspunt, allegorisch voorgesteld als het huwelijk van vuur en water, de voortbrengselen van de elektriserende geest, de vereniging van het mannelijke actieve beginsel met het vrouwelijke passieve element, die de ouders worden van hun aardse kind, de kosmische stof, de prima materia, waarvan de ziel de aether is en waarvan de schaduw het ASTRALE LICHT is!’ (Isis Ontsluierd.)

   De fragmenten van de stelsels die ons nu hebben bereikt, worden als absurde fabels verworpen. Niettemin bezit de occulte wetenschap – die zelfs de grote vloed heeft overleefd die de voordiluviaanse reuzen en zelfs de herinnering aan hen heeft verzwolgen, behalve in de Geheime Leer, de bijbel en andere geschriften – nog steeds de sleutel tot alle wereldvraagstukken.
   Laten wij die sleutel toepassen op de schaarse fragmenten van lang vergeten kosmogonieën en proberen met behulp van de verspreid voorkomende gedeelten daarvan de eens universele kosmogonie van de Geheime Leer weer op te bouwen. De sleutel past op alle. Niemand kan de oude filosofieën serieus bestuderen zonder op te merken dat de opvallende gelijkheid van opvatting daarin – heel vaak in hun exoterische vorm, en altijd in hun verborgen geest – niet het gevolg is van louter toeval, maar van een overeenkomstig plan; en dat er tijdens de jeugd van de mensheid – toen er geen kerken, geloofsopvattingen of sekten waren, maar ieder mens zijn eigen priester was – één taal, één kennis en één universele religie bestond. En indien wordt aangetoond dat het religieuze denken van de mens al in die tijden, die door de welige groei van de overlevering aan onze blik zijn onttrokken, zich op alle delen van de aardbol in dezelfde geest heeft ontwikkeld, dan wordt het duidelijk dat die gedachte – op welke breedtegraad ook geboren, in het koude noorden of het brandende zuiden, in het oosten of het westen – werd geïnspireerd door dezelfde openbaringen en dat de mens werd grootgebracht onder de beschermende schaduw van dezelfde BOOM VAN KENNIS.

 

Noten:

  1. Wanneer hij bijvoorbeeld de ‘Eerste Oorzaak’ – het ONKENBARE – een vermogen noemt, ‘dat zich door de verschijnselen manifesteert’ en ‘een oneindige eeuwige energie’(?), is het duidelijk dat hij slechts het stoffelijke aspect van het mysterie van het Zijn heeft begrepen – alleen de energieën van de kosmische substantie. Het eeuwig bestaande aspect van de ENE WERKELIJKHEID – kosmische verbeelding – (wat het noumenon daarvan betreft, dit schijnt niet te bestaan in de geest van de grote denker) wordt volledig buiten beschouwing gelaten. Ongetwijfeld is deze eenzijdige manier om het probleem te behandelen voor een groot deel het gevolg van de verderfelijke westerse gewoonte om bewustzijn ondergeschikt te maken aan of te beschouwen als een ‘bijproduct’ van moleculaire beweging.
  2. De term protyle is afkomstig van Crookes, de eminente scheikundige, die deze naam gaf aan de pre-materie, als men de oorspronkelijke en zuiver homogene substanties zo mag noemen, waarvan de wetenschap het bestaan vermoedt – ook al is dat nog niet werkelijk gevonden – in de kleinste bestanddelen van het atoom. Maar de beginnende scheiding van de oorspronkelijke materie in atomen en moleculen ontstaat pas na de evolutie van de zeven protylen. Crookes is naar de laatste daarvan op zoek, nu hij onlangs de mogelijkheid heeft ontdekt van het bestaan ervan op ons gebied. [Zie ook de eerste noot van de vertaler bij de Toelichting op Stanza II, 4.]
  3. Kosmische verbeelding, geconcentreerd in een beginsel of upadhi (basis), heeft het bewustzijn van het individuele ego tot gevolg. De manifestatie ervan varieert met het niveau van de upadhi. Door wat bekend staat als manas, verschijnt zij bijvoorbeeld als bewustzijn van het denkvermogen; door het fijner gedifferentieerde weefsel (de zesde toestand van de stof) van buddhi, dat berust op de ervaring van manas – als een stroom van geestelijke INTUÏTIE.
  4. Want zo heeft de kerk Hoofdstuk VI, vers 12 aan de Efeziërs opgevat. ‘Want wij strijden niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de heersers van de duisternis van deze wereld.’Verderop noemt Paulus het geestelijke kwaad (‘wickedness’ in de Engelse teksten) dat IS VERSPREID IN DE LUCHT – ‘Spiritualia nequitiae in coelestibus’; de Latijnse teksten geven verschillende namen aan dat ‘kwaad’, de onschuldige ‘elementalen’. De kerk heeft deze keer echter gelijk, maar ongelijk als ze hen allen duivels noemt. Het ASTRALE LICHT of de lagere ether is inderdaad vol bewuste, halfbewuste en onbewuste wezens; maar de kerk heeft minder macht over hen dan over onzichtbare microben of muskieten.
  5. Effatum XVI. ‘Orakels van Zoroaster’.
  6. Georgica. Deel II.
  7. De ideële top van de driehoek van Pythagoras: zie in Deel II de Hoofdstukken ‘Kruis en cirkel’ en de ‘Vroegste symboliek van het kruis’.
  8. Zie de vertaling van A. Coke Burnell, uitgegeven door Ed. W. Hopkins, Ph. D.
  9. Ahamkara heeft als universeel zelfbewustzijn, evenals manas, een drievoudig aspect. Want dit begrip van ‘ik’, of van iemands ego, is òf sattva, ‘zuivere rust’, òf het verschijnt als rajas, ‘het actieve’, òf het blijft tamas en ‘stagneert’ in duisternis. Het behoort tot de hemel en tot de aarde en neemt van elk de eigenschappen aan.
  10. Zie ‘Het Heilige der Heiligen’.
  11. Het woord ‘eeuwigheid’, dat de christelijke theologen gebruiken in de betekenis van ‘voor altijd en altijd’, bestaat niet in de Hebreeuwse taal – noch als woord, noch als begrip. Le Clerc zegt dat oulom alleen een tijd betekent waarvan het begin of het einde onbekend is. Het betekent niet ‘oneindige duur’, en in het Oude Testament betekent voor altijd alleen maar een ‘lange tijd’. Ook in de Purāna’s wordt de term ‘eeuwigheid’ niet in de christelijke betekenis gebruikt. Want in het Vishnu Purāna staat duidelijk dat met eeuwigheid en onsterfelijkheid slechts wordt bedoeld ‘een bestaan tot aan het eind van de kalpa’ (Deel II, hoofdstuk viii).
  12. De orfische theogonie is zuiver oosters en Indiaas van geest. De opeenvolgende transformaties die zij heeft ondergaan, hebben haar nu ver verwijderd van de geest van de oude kosmogonie, zoals men kan zien als men haar zelfs maar met de theogonie van Hesiodus vergelijkt. Toch breekt de ware Arische hindoegeest overal door, zowel in de orfische theogonie als in die van Hesiodus. (Zie het opmerkelijke boek van James Darmesteter, Cosmogonies Aryennes, in zijn Essais Orientaux.) Zo is de oorspronkelijke Griekse opvatting van de Chaos dezelfde als die van de Geheime Wijsheid-religie. Bij Hesiodus is daarom de Chaos oneindig, grenzeloos, zonder einde en zonder begin van duur, een abstractie en tegelijk een zichtbare aanwezigheid: RUIMTE, gevuld met duisternis, die oerstof is in haar vóór-kosmische toestand.Want in etymologische zin is Chaos volgens Aristoteles Ruimte, en Ruimte is in onze filosofie de altijd ongeziene en onkenbare godheid.
  13. De gemanifesteerde geest; absolute goddelijke geest is één met absolute goddelijke substantie: Parabrahm en Mulaprakriti zijn in essentie één. Daarom zijn kosmische verbeeldingskracht en kosmische substantie in hun oorspronkelijke karakter ook één.
  14. Sepher Jezireh, hfst. 1, Mishna ix.
  15. Ibid. Abram is afgeleid van Arba.
  16. Zohar, I, 2a
  17. Sepher Jezireh, Mishna ix, 10. Overal in de Handelingen noemt Paulus de onzichtbare kosmische wezens de ‘elementen’. (Zie de Griekse teksten.) Maar nu worden de elementen verlaagd en beperkt tot atomen, waarover tot dusver niets bekend is en die evenals de ether alleen maar ‘kinderen van de noodzakelijkheid’ zijn – zoals we in Isis zeiden. ‘De arme oorspronkelijke elementen zijn al lang verbannen, en onze eerzuchtige natuurkundigen wedijveren met elkaar om te bepalen wie aan het jonge gebroed van de ruim zestig elementaire substanties er nog een zal toevoegen.’ Intussen woedt er in de hedendaagse scheikunde een oorlog over woorden. Men ontzegt ons het recht deze substanties ‘scheikundige elementen’ te noemen, want het zijn niet de ‘oorspronkelijke beginselen van uit eigen kracht bestaande essenties waaruit het heelal werd opgebouwd’, althans volgens Plato. Zulke met het woord element samenhangende denkbeelden waren goed genoeg voor de ‘oude Griekse filosofie’, maar de hedendaagse wetenschap verwerpt ze; want zoals professor Crookes zegt: ‘Het zijn ongelukkige termen’, en de experimentele wetenschap wil ‘niets te maken hebben met enige soort essentie die zij niet kan zien, ruiken of proeven. Zij laat de andere aan de metafysici over. . . .’ Zelfs voor dit weinige moeten we dankbaar zijn.
  18. Toen wij in Isis Ontsluierd over dit onderwerp schreven, zeiden we dat het was: ‘De Chaos van de Ouden, het heilige vuur van de Zoroastriërs, of het Atash-Behram van de Parsi’s, het Hermesvuur, het Elmusvuur van de oude Germanen, de bliksem van Cybele, de brandende toorts van Apollo, de vlam op het altaar van Pan; het onuitblusbare vuur in de tempel op de Acropolis en in die van Vesta; de vuurvlam op de helm van Pluto, de schitterende vonken op de hoofddeksels van de Dioscuren en op het hoofd van de Gorgonen, de helm van Pallas en de staf van Mercurius; de Egyptische Phtha-Ra, de Griekse Zeus Cataibates (de neerdalende) van Pausanias; de pinkstervuurtongen, het brandende braambos van Mozes, de vuurzuil in de Exodus en de ‘brandende lamp’ van Abram, het eeuwige vuur van de hel, de dampen van het orakel van Delphi, het siderische licht van de rozenkruisers, het AKĀSA van de hindoe-adepten, het astrale licht van Eliphas Lévi, de zenuw-aura en het fluïdum van de magnetiseurs, het od van Reichenbach, het psychod en de ectenische kracht van Thury, de psychische kracht van Sergeant Cox en het atmosferische magnetisme van sommige natuurkenners, het galvanisme en tenslotte de elektriciteit – dit zijn alle slechts verschillende namen voor veel verschillende manifestaties of gevolgen van dezelfde geheimzinnige, allesdoordringende oorzaak, de Griekse Archeus.’ Wij voegen er nu aan toe: het is dit alles en nog veel meer.
  19. Plato, Timaeus.
  20. Suidas, zie Tyrrhenia.
  21. De lezer zal begrijpen dat met ‘jaren’ ‘tijdperken’ worden bedoeld, en niet tijdvakken van dertien maanmaanden elk.
  22. Zie de Griekse vertaling door Philo Byblius.
  23. Cory, Ancient Fragments.
  24. Mithras werd door de Perzen beschouwd als de theos ek petras – de god van de rots.
  25. Bordj wordt een vuurberg, een vulkaan genoemd; daarom bevat hij vuur, rots, aarde en water: de mannelijke of actieve en de vrouwelijke of passieve elementen. De mythe geeft te denken.

 


De Geheime Leer 1:355-73

© 1988 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag