§ 25

De mysteriën van het zevental

 


B

De tetraktis in verband met de zevenhoek

 

   Het getal zeven, als een samenstelling van 3 en 4, is dus het factorelement in elke oude religie, omdat het het factorelement in de natuur is. Het gebruik ervan moet worden gerechtvaardigd, en er moet worden aangetoond dat zeven het getal par excellence is, want sinds het verschijnen van Esoteric Buddhism zijn vaak bezwaren gemaakt en is vaak twijfel geuit over de juistheid van deze bewering.
   We wijzen de lezer er nu dadelijk op dat bij al dergelijke numerieke verdelingen het ene universele beginsel – hoewel het wordt aangeduid als (het) ene, omdat het het Enige is – nooit bij de berekeningen wordt betrokken. Het staat in zijn hoedanigheid van het Absolute, het oneindige en de universele abstractie geheel op zichzelf en is onafhankelijk van elke andere macht, noumenaal of fenomenaal. Het ‘is noch stof noch geest; het is noch ego noch niet-ego; en het is noch object noch subject’, zegt de schrijver van Personal and Impersonal God, en hij voegt eraan toe:

   ‘In de taal van de hindoefilosofen is het de oorspronkelijke en eeuwige combinatie van purusha (geest) en prakriti (stof). Omdat de aanhangers van de Advaita de opvatting huldigen dat een uitwendig voorwerp uitsluitend het product is van onze mentale toestanden, is prakriti niets meer dan een illusie, en is purusha de enige werkelijkheid; het is het ene bestaan dat in het heelal van de ideeën blijft. Dit . . . dan is het Parabrahm van de Advaita-aanhangers . . .’
   ‘Zelfs als er een persoonlijke god was met zoiets als een stoffelijke upādhi (fysieke basis van welke vorm ook), zou er vanuit het standpunt van een aanhanger van de Advaita evenveel reden zijn om zijn noumenale bestaan te betwijfelen, als bij elk ander voorwerp. Volgens hen kan een bewuste god niet de oorsprong van het Heelal zijn, omdat zijn ego het gevolg zou zijn van een voorafgaande oorzaak, indien het woord bewust althans in zijn gewone betekenis wordt opgevat. Zij kunnen niet toegeven dat het totaal van alle bewustzijnstoestanden in het Heelal hun godheid is, omdat deze toestanden voortdurend veranderen en omdat de kosmische ideeënvorming tijdens pralaya ophoudt. Er is maar één blijvende toestand in het Heelal, namelijk de toestand van volkomen onbewustheid, in feite zuivere chidākāśam (het veld van bewustzijn). Wanneer mijn lezers eenmaal inzien dat dit grootse heelal in werkelijkheid slechts een enorm aggregaat van verschillende bewustzijnstoestanden is, zullen zij zich niet verbazen te vernemen dat de uiteindelijke toestand van onbewustheid door de aanhangers van de Advaita wordt opgevat als Parabrahmam1.’

   Hoewel dit ‘enorme aggregaat van verschillende bewustzijnstoestanden’ zelf geheel buiten menselijke beschouwing en berekening valt, is het toch een zevental, in zijn totaliteit geheel samengesteld uit zevenvoudige groepen; eenvoudig omdat ‘het vermogen tot waarneming in zeven verschillende aspecten bestaat, die overeenkomen met de zeven toestanden van de stof’ (ibid), of de zeven eigenschappen of gesteldheden van de stof. En daarom beginnen in de esoterische berekeningen de getallen 1 tot en met 7 met het eerste gemanifesteerde beginsel, dat nummer één is als we van boven af beginnen, en nummer zeven als we van beneden af, of vanaf het laagste beginsel, rekenen.
   Het viertal wordt zowel in de Kabbala als door Pythagoras als het volmaaktste of liever als het heilige getal opgevat, omdat het voortkwam uit de een, de eerste gemanifesteerde eenheid, of liever de drie in één. Toch is de laatstgenoemde altijd onpersoonlijk, geslachtloos, onbegrijpelijk geweest, hoewel binnen de mogelijkheden van de hogere mentale waarnemingen.
   Nu was de eerste manifestatie van de eeuwige monade nooit bedoeld om als symbool te dienen van een ander symbool, het ongeborene voor het element-geborene, of de ene logos voor de hemelse mens. Tetragrammaton of de Tetraktis van de Grieken is de tweede logos, de demiurgos. Het viertal is, zoals Thomas Taylor dacht (zie de Pythagorean Triangle), ‘het dier zelf van Plato die, zoals Syrianus terecht opmerkt, de beste van de pythagoreeërs was; het staat aan het uiteinde van de begrijpelijke triade, zoals heel bevredigend wordt aangetoond door Proclus in het derde boek van zijn verhandeling over de theologie van Plato. En tussen deze twee triaden (de dubbele driehoek), de ene begrijpelijk, de andere verstandelijk, bestaat een andere orde van goden, die aan de beide uitersten deel heeft.’ ‘De pythagorische wereld’, zegt Plutarchus (in De anim. procr., 1027) ‘bestond uit een dubbel viertal’. Deze uitspraak bevestigt wat er werd gezegd over de keuze door de exoterische theologieën van de lagere Tetraktis. Want: ‘Het viertal van de verstandelijke wereld (de wereld van mahat) is t’agathon, nous, psyche, hyle; terwijl dat van de waarneembare wereld (van de stof) – die eigenlijk is wat Pythagoras met het woord Kosmos bedoelde – vuur, lucht, water en aarde is. De vier elementen staan bekend onder de naam rizomata, de wortels of beginselen van alle gemengde lichamen’, d.w.z. de lagere Tetraktis is de wortel van de illusie van de wereld van de stof; en dit is het tetragrammaton van de joden en de ‘geheimzinnige godheid’ waarover de hedendaagse kabbalisten zoveel drukte maken!
   ‘Het getal vier vormt dus het rekenkundige gemiddelde tussen de monade en het zevental, omdat het alle vermogens bevat, zowel van de voortbrengende als de voortgebrachte getallen; want van alle getallen onder de tien wordt dit uit een bepaald getal gemaakt; de verdubbelde duade vormt een viertal, en het viertal verdubbeld of opengevouwen vormt het zevental. Twee met zichzelf vermenigvuldigd geeft vier; en weer met zichzelf vermenigvuldigd, de eerste kubus. Deze eerste kubus is een vruchtbaar getal, de grondslag van veelheid en verscheidenheid, bestaande uit twee en vier (steunende op de monade, de zevende). Zo vloeien de beide beginselen van tijdelijke dingen, de piramide en de kubus, vorm en stof, voort uit één bron, de vierhoek (op aarde), de monade (in de hemel) . . .’ (Zie Reuchlin, Cabala, I, ii.)
   Hierin zegt Reuchlin, de grote autoriteit op het gebied van de Kabbala, dat de kubus stof is, terwijl de piramide of de triade ‘vorm’ is. Bij de hermetici wordt het getal vier alleen dan het symbool van de waarheid, als het tot een kubus is uitgebreid, die opengevouwen zeven vormt, als symbool van de mannelijke en vrouwelijke elementen en het element van het leven2.
   Sommige onderzoekers vonden het moeilijk te verklaren dat de verticale lijn, die mannelijk is, in het kruis (zie de voetnoot) een vierdelige lijn wordt – omdat vier een vrouwelijk getal is – terwijl de horizontale (de lijn van de stof) driedelig wordt. Maar dit is gemakkelijk te verklaren. Omdat de verticale en de horizontale balk of dubbele lijn het middenvlak van de opengevouwen kubus gemeen hebben, wordt het om zo te zeggen neutraal terrein en behoort tot geen van beide. De geestlijn blijft driedelig en de stoflijn tweedelig – twee is een even getal en dus ook vrouwelijk. Bovendien waren volgens Theon de pythagoreeërs, die aan de Tetraktis de naam harmonie gaven, ‘omdat zij een diatessaron in sesquitertia is’, van mening dat ‘de verdeling van de canon van het monochord door de tetraktis werd gemaakt in de duade, triade en tetrade; want het omvat een sesquitertia, een sesquialtera, een dubbele, een driedelige en een vierdelige verhouding, waarvan de sectie 27 is’. ‘In het oude muziekschrift bestond het tetrachord uit drie toonafstanden of intervallen en vier toontrappen, die door de Grieken diatessaron worden genoemd en door ons een kwart.’ Bovendien varieerde het viertal, hoewel het een even en dus een vrouwelijk (‘hels’) getal was, naar gelang van zijn vorm. Dit is aangetoond door Stanley (in Pythag., blz. 61). De 4 werd door de pythagoreeërs de sleutelbewaarster van de Natuur genoemd; maar in vereniging met de 3, die haar tot zeven maakte, werd zij het volmaaktste en meest harmonische getal – de natuur zelf. De vier was ‘de mannelijke met een vrouwelijke vorm’, wanneer zij het kruis vormde; en zeven is ‘de meesteres van de maan’, want deze planeet wordt gedwongen elke zeven dagen haar uiterlijk te veranderen. Op het getal zeven baseerde Pythagoras zijn leer over de harmonie en muziek van de sferen, waarbij hij de afstand van de Maan tot de Aarde ‘een toon’ noemde, van de Maan tot Mercurius een halve toon, vandaar naar Venus hetzelfde; van Venus tot de Zon 1 1/2 toon; van de Zon tot Mars één toon; vandaar tot Jupiter een halve toon; van Jupiter tot Saturnus een halve toon; en vandaar tot de Dierenriem één toon; in totaal zeven tonen – de diapason harmonie. Alle melodie van de natuur is in die zeven tonen, en wordt daarom ‘de stem van de Natuur’ genoemd.
   Plutarchus verklaart (de Plac. Phil., blz. 878) dat de Achaïsche Grieken het viertal als de wortel en het beginsel van alle dingen beschouwden, omdat dit het getal van de elementen was, die alle zichtbare en onzichtbare geschapen dingen voortbrachten. Bij de broeders van het rozenkruis vormde de figuur van het kruis of de opengevouwen kubus het onderwerp van een verhandeling in een van de theosofische graden van Peuvret, en werd behandeld volgens de fundamentele beginselen van licht en duisternis, of goed en kwaad.

‘De begrijpelijke wereld komt op deze manier voort uit het goddelijke denkvermogen (of eenheid). De Tetraktis die zich bezint op haar eigen essentie, de eerste eenheid, voortbrengster van alle dingen, en op haar eigen begin, zegt het volgende: eenmaal een, tweemaal twee, en onmiddellijk verrijst er een viertal, met op zijn top de hoogste eenheid, en wordt een piramide, waarvan de basis een vlak vierkant is, dat overeenkomt met een oppervlak waarop het stralende licht van de goddelijke eenheid de vorm van onlichamelijk vuur voortbrengt, als gevolg van de afdaling van Juno (stof) naar lagere dingen. Daaruit komt essentieel licht voort, dat niet brandt maar verlicht. Dit is de schepping van de middenwereld, die de Hebreeën het Opperste noemen, de wereld van de (hun) godheid. Zij wordt Olympus genoemd, geheel en al licht en vol afzonderlijke vormen, waar de zetel van de onsterfelijke goden is, ‘deūm domus alta’, waarvan de top eenheid is, de muur drie-eenheid en het oppervlak viereenheid.’ (Reuchlin, Cabala, blz. 689.)

   Het ‘oppervlak’ moet dus een vlak zonder betekenis blijven, wanneer het aan zichzelf wordt overgelaten. Omdat de eenheid de viereenheid slechts ‘verlicht’, moet de bekende lagere vier voor zichzelf uit de drie-eenheid ook een muur bouwen, indien zij zich wil manifesteren. Bovendien is het tetragrammaton, of microprosopus, dezelfde als ‘Jehova’ die zich volstrekt ten onrechte het ‘was, is, zal zijn’ aanmatigt, dat nu is vertaald met ‘ik ben die ik ben’, en wordt geïnterpreteerd als betrekking hebbend op de hoogste abstracte godheid, terwijl het esoterisch en naar waarheid slechts de periodiek chaotische, woelige en eeuwige stof betekent met al haar mogelijkheden. Want het tetragrammaton is één met de Natuur of Isis, en is de exoterische reeks van androgyne goden, zoals Osiris-Isis, Jupiter-Juno, Brahmā-Vāch, of de kabbalistische Jah-hovah; alle mannelijk en vrouwelijk. Bij de volkeren van de oudheid werd de naam van elke antropomorfe god geschreven met vier letters, zoals Marcellus Vicinus terecht opmerkte. Zo was hij bij de Egyptenaren Teut; bij de Arabieren Alla; bij de Perzen Sire; bij de Magi Orsi; bij de Mohammedanen Abdi; bij de Grieken Theos; bij de oude Turken Esar; bij de Romeinen Deus; waaraan J. Lorenzo Anania het Duitse Gott, het Sarmatische Bouh, enz., toevoegt.
   Omdat de monade één is en een oneven getal, noemden de Ouden de oneven getallen de enige volmaakte getallen; en beschouwden ze – misschien zelfzuchtig, maar toch als een feit – alle als mannelijk en volmaakt, omdat ze van toepassing waren op de hemelse goden, terwijl even getallen, zoals twee, vier, zes en vooral acht, omdat ze vrouwelijk waren, als onvolmaakt werden beschouwd en alleen werden gegeven aan de aardse en helse godheden. In zijn achtste herdersdicht maakt Vergilius hiervan melding door te zeggen ‘numero deus impare gaudet’, ‘oneven getallen behagen de goden’.
   Maar de pythagoreeërs beschouwden het getal zeven of de heptagoon als een religieus en volmaakt getal. Het werd ‘telesphoros’ genoemd, omdat door dit getal alles in het Heelal en de mensheid tot zijn einde, d.w.z. zijn hoogtepunt, wordt gevoerd (Philo, de Mund. opif.). De leer van de sferen, vanaf de tijd van Lemurië tot aan Pythagoras, toont aan dat zowel de zeven krachten van de aardse en ondermaanse natuur, die onder het bestuur van de zeven heilige planeten3 staan, als de zeven grote krachten van het Heelal, te werk gaan en zich evolueren in zeven tonen, die de zeven noten van de toonladder zijn. De heptade (ons zevental) werd beschouwd ‘als het getal van een maagd, omdat het ongeboren is’ (evenals de logos of de ‘aja’ van de aanhangers van de Vedānta); ‘zonder een vader of een moeder, maar rechtstreeks uit de monade voortkomend, die de oorsprong en de kroon van alle dingen is’ (Pythag. Triangle, blz. 174). En als men de heptade rechtstreeks uit de monade laat voortkomen, dan is zij, zoals in de Geheime Leer van de oudste scholen wordt onderwezen, het volmaakte en heilige getal van ons mahāmanvantara.
   Het zevental of de heptade was inderdaad aan verschillende goden en godinnen gewijd; aan Mars met zijn zeven volgelingen, aan Osiris, van wie het lichaam in zeven en tweemaal zeven stukken werd verdeeld; aan Apollo (de Zon), tussen zijn zeven planeten, die op zijn zevensnarige harp de hymne aan de zevenstralige speelt; aan Minerva, de vaderloze en moederloze, en aan anderen.
   Het occultisme aan deze kant van de Himalaja moet met zijn stelsels van zeven en op grond hiervan, worden beschouwd als het oudste, de oorsprong van alle. Het wordt door enkele door neoplatonisten achtergelaten fragmenten bestreden; en de bewonderaars van deze laatsten, die nauwelijks begrijpen wat zij verdedigen, zeggen ons: ‘Zie, uw voorgangers geloofden slechts in de drievoudige mens, die bestaat uit geest, ziel en lichaam. Zie, de tāraka rāja yoga van India beperkt die verdeling tot 3, wij tot 4, en de kenners van de Vedanta tot 5 (kośa’s).’ Wij van de archaïsche school vragen hierop:
   Waarom zegt de Griekse dichter dan dat ‘er niet vier maar zeven de lof zingen van de geestelijke zon’, ἙΠΤΑ ΜΕ? Hij zegt:

‘Zeven klinkende letters bezingen mijn lof,
De onsterfelijke god, de almachtige godheid.’ . . .

   Waarom wordt verder de drie-enige iao (de mysteriegod) de ‘viervoudige’ genoemd en komen toch de drievoudige en viervoudige symbolen bij de christenen onder één verenigde naam voor – de Jehovah van de zeven letters? Waarom is verder in de Hebreeuwse Shebā de eed (de pythagorische Tetraktis) identiek met het getal 7; of, zoals G. Massey zegt, ‘een eed afleggen was synoniem met ‘in zevenen verdelen’, en de 10, uitgedrukt door de letter yod, was het volledige getal van iao-sabaoth, de tienletterige God’? In de Veiling van Lucianus vraagt Pythagoras: ‘Hoe telt u?’ Het antwoord is: ‘Een, twee, drie, vier.’ ‘Ziet u dan’, zegt Pythagoras, ‘dat in wat u opvat als vier, er tien zijn; een volmaakte driehoek en onze eed (Tetraktis, vier!)’, of zeven. Waarom zegt Proclus in Timaeus, hfst. iii: ‘De vader van de gouden verzen viert de Tetraktis als de bron van de eeuwige natuur?’
   Eenvoudig omdat die westerse kabbalisten die de exoterische bewijzen tegen ons aanvoeren, geen idee hebben van de werkelijke esoterische betekenis. Omdat alle oude kosmologieën – de oudste kosmografieën van de oudste twee volkeren van het vijfde Wortelras, de Hindoe-ariërs en de Egyptenaren, en ook de eerste Chinese rassen (de overblijfselen van het vierde of Atlantische Ras) – al hun mysteriën baseerden op het getal 10, waarbij de hogere driehoek stond voor de onzichtbare en metafysische wereld, en de lagere drie en vier, of het zevental, voor het fysieke gebied. Het was niet de joodse bijbel, die aan het getal zeven bekendheid gaf. Hesiodus gebruikte de woorden ‘de zevende is de heilige dag’ vóór men ooit van de sabbat van ‘Mozes’ had gehoord. Het gebruik van het getal zeven is nooit tot één volk beperkt geweest. Hiervan getuigen de zeven vazen in de tempel van de zon bij de ruïnes van Babian in Boven-Egypte; de zeven vuren die eeuwenlang onafgebroken brandden voor de altaren van Mithra; de zeven heilige plaatsen van de Arabieren, de zeven schiereilanden, de zeven eilanden, de zeven zeeën, bergen en rivieren van India, en van de Zohar (zie Ibn Gebirol); de Joodse sephiroth van de zeven heerlijkheden; de zeven gotische godheden, de zeven werelden van de Chaldeeën en hun zeven geesten; de zeven sterrenbeelden die door Hesiodus en Homerus worden genoemd, en de eindeloze reeks zevens die de oriëntalisten aantreffen in elk handschrift dat zij ontdekken.
   Tenslotte het volgende: er is genoeg naar voren gebracht om aan te tonen waarom de menselijke beginselen in de esoterische scholen in zeven waren en zijn verdeeld. Maak er vier van en dit zal òf een mens zonder zijn lagere aardse elementen overlaten, òf, uit een fysiek gezichtspunt beschouwd, hem tot een zielloos dier maken. Het Viertal moet het hogere of het lagere zijn, de hemelse of de aardse Tetraktis: om overeenkomstig de leringen van de esoterische oude school begrijpelijk te worden, moet de mens worden opgevat als een Zevental. Dit werd zo goed begrepen, dat zelfs de zogenaamde christelijke gnostici dit aloude stelsel overnamen (zie de § over ‘De zeven zielen’). Dit bleef lange tijd geheim, omdat geen enkel handschrift uit die tijd er duidelijk genoeg over sprak om de scepticus te overtuigen, al had men er een vermoeden van. Maar de letterkundige curiositeit van onze eeuw komt ons hier te hulp – het oudste en best bewaarde evangelie van de gnostici, Pistis Sophia, ΠΙϹΤΙϹ ϹΟΦΙΑ. Om het bewijs volledig te maken, zullen we een autoriteit (C.W. King) citeren – de enige archeoloog die een flauw vermoeden van deze ingewikkelde leer had en de beste schrijver van deze tijd over de gnostici en hun gemmen.
   Volgens dit buitengewone stuk religieuze literatuur – een waar gnostisch fossiel – is de menselijke entiteit de zevenvoudige straal uit het Ene4, zoals ook onze school leert. Zij bestaat uit zeven elementen, waarvan er vier aan de vier kabbalistische gemanifesteerde werelden zijn ontleend. Zo ‘krijgt zij van Asia de nephesh of de zetel van de fysieke begeerten (ook de levensadem); van Jezirah, de ruach of zetel van de hartstochten (?!); van Briah de neshamah, en van Aziluth krijgt zij de chaiah of het beginsel van het geestelijke leven’ (King). ‘Dit lijkt op een aanpassing van de theorie van Plato, dat de ziel haar respectievelijke vermogens van de planeten ontvangt bij haar benedenwaartse tocht door hun sferen. Maar de Pistis Sophia geeft met haar gebruikelijke vrijmoedigheid aan deze theorie een veel dichterlijker vorm (§ 282).’ De innerlijke mens bestaat eveneens uit vier samenstellende delen, maar deze worden verschaft door de opstandige aeonen van de sferen, die de kracht zijn – een deel van het goddelijke licht (‘divinae particula aurae’) dat nog in hen is overgebleven; de ziel (het vijfde) ‘gevormd uit de tranen van hun ogen en het zweet van hun kwellingen; het Ἀντίμιμον Πνεύματοϛ, nabootsing van de geest (die schijnt overeen te komen met ons geweten), (het zesde); en tenslotte de Μοῖρα, het lot5 (het karmische ego), dat tot taak heeft de mens naar het voor hem bestemde einde te brengen; als hij door het vuur moet sterven, hem naar het vuur te leiden; als hij door een wild beest moet sterven, hem naar het wilde beest te leiden, enz.6’ – het zevende!

 

Noten:

  1. Five Years of Theosophy, het artikel ‘Personal and Impersonal God’.
  2. In de Hebrew Egyptian Mystery, the Source of Measures toont de schrijver (op blz. 50) aan, dat de figuur van de opengevouwen kubus in verband met de cirkel . . . ‘een echt kruis . . . wordt, of een teken met de tau-vorm, en het hechten van de cirkel aan deze laatste geeft het ansatakruis van de Egyptenaren . . . terwijl er maar zes vlakken aan een kubus zijn,
     
    (opengevouwen kubus)
    vertoont de voorstelling van het kruis als de opengevouwen kubus, wat de kruisbalken betreft, één vlak van de kubus, dat de beide balken gemeenschappelijk hebben, en dat tot beide kan worden gerekend . . . (d. i. één keer horizontaal geteld en één keer verticaal) . . . 4 voor de rechtopstaande en 3 voor de dwarsbalk, die samen zeven vormen’. Hij voegt eraan toe: ‘Hier hebben we de beroemde 4 en 3 en 7.’ De esoterische filosofie verklaart dat vier het symbool van het Heelal in zijn potentiële toestand is, of chaotische stof, en dat er geest nodig is om het actief te doordringen, d.w.z. de oorspronkelijke abstracte driehoek moet zijn ééndimensionale eigenschap opgeven en zich over die stof verspreiden, en zo een gemanifesteerde basis vormen in de driedi-mensionale ruimte, opdat het Heelal zich begrijpelijk zal manifesteren. Dit wordt bereikt door de opengevouwen kubus. Vandaar het ansatakruis als het symbool van de mens, de voortbrenging en het leven. In Egypte betekende ank: ziel, leven en bloed. Het is de bezielde, levende mens, het zevental.
  3. De zeven planeten zijn niet tot dit aantal beperkt omdat de Ouden geen andere kenden, maar eenvoudig omdat zij de oorspronkelijke of aanvankelijke huizen van de zeven logoi waren. Er mogen negen en negenennegentig andere planeten worden ontdekt – dat verandert niets aan het feit dat alleen deze zeven heilig zijn.
  4. De zeven energiecentra die door de werking van fohat op het ene element werden geëvolueerd of objectief gemaakt; of in feite het ‘zevende beginsel’ van de zeven elementen die door de gemanifesteerde Kosmos heen bestaan. Wij kunnen er hier op wijzen dat zij inderdaad de sephiroth van de kabbalisten zijn; de ‘zeven gaven van de heilige geest’ in het christelijke stelsel; en in een mystieke betekenis, de zeven kinderen of zonen van Devakī die vóór de geboorte van Krishna door Kamsa werden gedood. Onze zeven beginselen symboliseren deze alle. We moeten ze verlaten of ons van hen ontdoen vóór we de Krishna- of Christustoestand, die van jīvanmukta bereiken, en ons geheel concentreren in het hoogste, het zevende of het ene.
  5. Μοῖρα is in dit geval bestemming, niet ‘lot’, omdat het een benaming en geen eigennaam is. (Zie de vertaling van Wolf in Odyssee 22, 413.) Maar Moira, de godin van het lot, is een godheid ‘die evenals Ἀῖσα aan allen hun deel van goed en kwaad geeft’, en is dus karma (zie Liddell). Met deze afkorting wordt echter de aan het lot of karma onderworpene bedoeld, het zelf of ego en dat wat wordt herboren. Evenmin is Ἀντίμιμον Πνεύματοϛ ons geweten, maar ons buddhi; ook is het niet de ‘nabootsing van de geest’ maar ‘daarnaar gevormd’ of een tegenhanger van de geest – wat buddhi is, als het voertuig van ātman (zie Ar. Thesm. 17, en de definities van Liddell).
  6. C.W. King, Gnostics, blz. 38.

 


De Geheime Leer 2:681-9

© 1988 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag