Een panoramisch overzicht van de eerste rassen


    Er ligt een tijdperk van enige miljoenen jaren tussen het eerste ‘verstandeloze’ ras en de hoog intelligente en intellectuele latere ‘Lemuriërs’; en er is nog zo’n periode tussen de vroegste beschaving van de Atlantiërs en het historische tijdperk.
    Als getuigen van de Lemuriërs zijn slechts een paar zwijgende gedenktekens in de vorm van een half dozijn gebroken reuzenbeelden en oude cyclopische ruïnes overgebleven. Hieraan besteedt men geen aandacht, want het zijn ‘voortbrengselen van blinde natuurkrachten’, zoals sommigen ons verzekeren, en ‘heel modern’ volgens anderen. De scepticus en de materialist negeren minachtend de traditie, en de te ijverige geestelijke maakt ze telkens weer ondergeschikt aan de bijbel. Telkens wanneer een legende niet past in de ‘zondvloedtheorie’ van Noach, wordt deze door de christelijke geestelijkheid verklaard tot ‘de waanzinnig ijlende stem van het oude bijgeloof’. Men ontkent het bestaan van Atlantis, als men het al niet verwart met Lemurië en andere verdwenen continenten, misschien omdat Lemurië voor de helft een schepping van de hedendaagse wetenschap is en men er daarom in moet geloven, terwijl het Atlantis van Plato door de meeste geleerden als een droom wordt beschouwd.
    Atlantis wordt door volgelingen van Plato vaak beschreven als een verlengstuk van Afrika. Men vermoedt ook dat er aan de oostkust een oud continent heeft bestaan. Maar Afrika als continent is nooit een onderdeel geweest van Lemurië of Atlantis, zoals we overeenkwamen het derde en het vierde continent te noemen. Hun archaïsche benamingen worden in de Purana’s of elders niet genoemd. Maar als men slechts één van de esoterische sleutels bezit, wordt het een gemakkelijke taak om deze verdwenen landen te herkennen in de talloze ‘landen van de goden’, deva’s en muni’s die in de Purana’s worden beschreven, in hun varsha’s, dvipa’s en zones. Hun Sveta-Dvipa verhief zich in de eerste tijd van Lemurië als een reusachtige piek uit de bodem van de zee, terwijl het gebied tussen de Atlas en Madagascar door water werd ingenomen tot ongeveer de beginperiode van Atlantis (na het verdwijnen van Lemurië), toen Afrika van de bodem van de oceaan oprees en de Atlas half verzonk.
    Het is natuurlijk onmogelijk om te proberen, zelfs in het kader van een aantal boekdelen, een samenhangend en gedetailleerd verslag te geven van de evolutie en vooruitgang van de eerste drie rassen – maar we kunnen er wel een algemeen overzicht van geven, en dat gaan we nu doen. Het eerste Ras had geen eigen geschiedenis. Over het tweede Ras kan men hetzelfde zeggen. Wij zullen daarom alleen aan de Lemuriërs en de Atlantiërs zorgvuldig aandacht moeten besteden, voordat wij kunnen proberen de geschiedenis van ons eigen Ras (het vijfde) te geven.
    Wat is er bekend over andere continenten dan onze tegenwoordige, en wat weet of aanvaardt de geschiedenis over de eerste rassen? Alles wat buiten de weerzinwekkende speculaties van de materialistische wetenschap ligt, wordt beklad met de minachtende term ‘bijgeloof’. De wijzen van tegenwoordig willen niets geloven. De ‘gevleugelde’ en hermafrodiete rassen van Plato en zijn gouden eeuw onder de regering van Saturnus en de goden, worden door Haeckel rustig teruggebracht tot hun nieuwe plaats in de natuur: hij ‘toont aan’ dat onze goddelijke rassen afstammen van smalneusapen en dat onze voorouder een klont zeeslib is.
    Niettemin, zoals Faber het uitdrukt, ‘zal men ontdekken dat de verzinsels van de oude poëzie . . . een stuk historische waarheid bevatten’. Hoe eenzijdig de pogingen van de geleerde schrijver van de ‘Mysteries of the Kabiri’ ook zijn – pogingen die er overal in zijn beide delen op zijn gericht de klassieke mythen en symbolen van het oude heidendom te dwingen om ‘te getuigen van de waarheid van de Schrift’ – de tijd en het verdere onderzoek hebben tenminste gedeeltelijk die ‘waarheid’ gewroken door deze ongesluierd te laten zien. Zo zijn het integendeel juist de knappe aanpassingen van de Schrift, die getuigenis afleggen van de grote wijsheid van het archaïsche heidendom. En dit ondanks de volstrekte verwarring waarin de waarheid over de Kabiri – de geheimzinnigste goden uit de oudheid – werd gebracht door de fantastische en tegenstrijdige speculaties van bisschop Cumberland, dr. Shuckford, Cudworth, Vallancey, enz., en tenslotte door Faber. Toch moesten al deze geleerden, van de eerste tot de laatste, tot een bepaalde conclusie komen, die door de laatstgenoemde werd geformuleerd. ‘We hebben geen reden om aan te nemen’, schrijft hij, ‘dat de afgodendienst van de heidense wereld alleen maar een willekeurig verzinsel was; integendeel, deze schijnt bijna overal te zijn gebaseerd op een overgeleverde herinnering aan bepaalde ware gebeurtenissen. Ik heb begrepen dat deze gebeurtenissen betrekking hebben op de vernietiging van het eerste (in de esoterische leringen het vierde) mensenras door de wateren van de zondvloed.’ (Hfst. I, blz. 9.) Hieraan voegt Faber toe:

    ‘Ik ben ervan overtuigd dat de overlevering over het verzinken van het eiland Phlegyae dezelfde is als die van het verzinken van het eiland Atlantis. Het komt mij voor dat beide betrekking hebben op één grote gebeurtenis, het verzinken van de hele wereld onder de wateren van de zondvloed of, als we veronderstellen dat het gebogen aardoppervlak in de oorspronkelijke positie is gebleven, op het rijzen van de centrale wateren daarboven. Bailly doet inderdaad in zijn boek over het Atlantis van Plato, waarvan het doel kennelijk is het gezag van de chronologie van de Schrift te verkleinen, moeite om te bewijzen dat de Atlantiërs een heel oud noordelijk volk waren, lang vóór de Hindoes, de Feniciërs en de Egyptenaren.’ (‘A Dissertation on the Kabiri’, blz. 284.)

    Faber is het hier eens met Bailly, die zich geleerder en intuïtiever toont dan degenen die de bijbelse chronologie aanvaarden. Ook heeft de laatstgenoemde geen ongelijk als hij zegt dat de Atlantiërs dezelfden waren als de titanen en de reuzen. (Zie ‘Lettres sur l’Atlantide’.) Faber is volkomen bereid de opvatting van zijn Franse collega over te nemen, want Bailly noemt Cosmas Indico-Pleustes, die een oude overlevering over Noach bewaarde – dat deze ‘vroeger het eiland Atlantis bewoonde’ (ibid). Of dit eiland het ‘Poseidonis’ was dat in ‘Esoteric Buddhism’ wordt genoemd, of het continent Atlantis, doet er niet veel toe. De overlevering bestaat en wordt genoemd door een christen.
    Geen occultist zou er ooit over denken Noach zijn rechten te ontnemen, wanneer men beweert dat hij een Atlantiër is; want dit zou eenvoudig bewijzen dat de israëlieten het verhaal van Vaivasvata Manu, Xisuthrus en zoveel anderen herhaalden en dat zij alleen de naam veranderden, met evenveel recht als elk ander volk of andere stam. Waartegen wij bezwaar maken, is de letterlijke aanvaarding van de bijbelse chronologie, omdat deze onzinnig is en noch met de geologische gegevens, noch met de rede overeenstemt. Bovendien, als Noach een Atlantiër was, dan was hij een titan, een reus, zoals Faber aantoont; en als hij een reus was, waarom wordt hij dan in Genesis niet zo genoemd1?
    De fout van Bailly was de overstroming van Atlantis te verwerpen, en de Atlantiërs eenvoudig een noordelijk en nadiluviaans volk te noemen, dat echter, zoals hij zegt, ‘bloeide vóór het stichten van de Hindoe-, Egyptische en Fenicische rijken’. Ook hierin zou hij gelijk hebben gehad, als hij maar het bestaan had gekend van wat wij zijn overeengekomen Lemurië te noemen. Want de Atlantiërs waren voor de Lemuriërs nadiluviaans, en Lemurië werd niet zoals Atlantis overstroomd, maar verzonk onder de golven tengevolge van aardbevingen en onderaards vuur, evenals Groot-Brittannië en Europa eens zal overkomen. De onwetendheid van onze geleerden – die noch de overlevering willen aanvaarden dat er al verschillende continenten zijn verzonken, noch de periodieke wet die tijdens het hele manvantara werkt – is de belangrijkste oorzaak van alle verwarring. Ook hier heeft Bailly geen ongelijk als hij ons verzekert dat de Hindoes, de Egyptenaren en de Feniciërs na de Atlantiërs kwamen, want de laatstgenoemden behoorden tot het vierde Ras, terwijl de Ariërs en hun Semitische tak tot het vijfde behoren. Plato, die het verhaal herhaalt zoals dat door de priesters van Egypte aan Solon werd verteld, verwart opzettelijk (zoals elke ingewijde zou doen) de twee continenten, en schrijft aan het kleine eiland dat het laatst verzonk alle gebeurtenissen toe die behoorden bij de twee reusachtige continenten, het voorhistorische en dat van de overlevering. Daarom beschrijft hij het eerste mensenpaar, uit wie de hele eilandbevolking was voortgekomen, als uit aarde gevormd. Hiermee bedoelt hij niet Adam en Eva en ook niet zijn eigen Helleense voorouders. Zijn taal is eenvoudig allegorisch, en als hij het over ‘aarde’ heeft, bedoelt hij ‘stof’, omdat de Atlantiërs inderdaad het eerste zuiver menselijke en aardse ras waren – zij die eraan voorafgingen, waren meer goddelijk en etherisch dan menselijk en vast.
    Toch moet Plato, evenals iedere andere ingewijde adept, bekend zijn geweest met de geschiedenis van het derde Ras na zijn ‘val’, hoewel hij zijn kennis nooit met zoveel woorden heeft laten blijken, omdat hij was gebonden door een gelofte van stilzwijgen en geheimhouding. Niettemin wordt het nu – nadat men zich vertrouwd heeft gemaakt met een benadering van de chronologie van de oosterse volkeren, die geheel op de Arische berekeningen was gebaseerd en deze volgde – misschien gemakkelijker zich de enorme tijdperken voor te stellen die moeten zijn verlopen sinds de scheiding van de seksen, zonder nog te spreken over het eerste of zelfs het tweede Wortelras. Omdat deze het begripsvermogen van personen die in het westerse denken zijn geoefend, te boven zullen gaan, schijnt het nutteloos om in detail over het eerste en tweede en zelfs over het derde Ras in zijn vroegste stadium te spreken2. Men moet beginnen met dit laatste, op het punt dat het zijn volledig menselijke periode had bereikt, anders zal de oningewijde lezer hopeloos in de war raken.
    Het DERDE RAS VIEL – en schiep niet meer: het verwekte zijn nakomelingen. Omdat het in de tijd van de scheiding nog geen denkvermogen had, verwekte het bovendien afwijkende nakomelingen, totdat zijn fysiologische natuur zijn instincten in de juiste richting had aangepast. Evenals de ‘heren goden’ van de bijbel, hadden de ‘zonen van wijsheid’, de Dhyan-Chohans, hen gewaarschuwd niet van de door de Natuur verboden vrucht te eten, maar de waarschuwing bleek geen effect te hebben. De mensen zagen het ongepaste – we moeten niet zeggen de zonde – van wat ze hadden gedaan pas in toen het te laat was: nadat de engelen-monaden uit hogere sferen in hen waren geïncarneerd en hen van verstand hadden voorzien. Tot dan toe waren ze eenvoudig stoffelijk gebleven, evenals de dieren die uit hen waren voortgekomen. Want wat is het onderscheid? De leer zegt dat het enige verschil tussen bezielde en onbezielde voorwerpen op aarde, tussen een dierlijke en een menselijke vorm, eruit bestaat dat in sommige de verschillende ‘vuren’ niet en in andere wèl werkzaam zijn. De levensvuren zijn in alle dingen en in geen atoom ontbreken ze. Maar in geen enkel dier zijn de drie hogere beginselen ontwaakt; ze zijn er eenvoudig als mogelijkheid, slapend, en bestaan dus niet. En de dierlijke vormen van de mensen zouden tot op deze dag nog zo zijn, als ze in de toestand waren gelaten waarin ze uit de lichamen van hun voorouders kwamen, van wie ze schaduwen waren, om slechts door de vermogens en de krachten die aanwezig zijn in de stof, te groeien en zich te ontplooien. Maar zoals in PYMANDER wordt gezegd:
    ‘Dit is een mysterie dat tot nu toe was verzegeld en verborgen. De Natuur3 en de mens4 brachten gezamenlijk iets wonderbaarlijks voort; de harmonische vermenging van de essentie van de zeven (pitri’s, bestuurders) en haar eigen essentie; het vuur en de geest en de Natuur (het noumenon van de stof); die (vermenging) bracht onmiddellijk zeven mensen van tegengesteld geslacht (negatief en positief) voort, overeenkomstig de essenties van de zeven bestuurders.’ (Divine Pymander, Hfst. 1, sect. 16.)
    Zo spreekt Hermes, de driemaal grote ingewijde5, ‘de kracht van de goddelijke gedachte’. Paulus, een andere ingewijde, noemde onze wereld ‘de raadselachtige spiegel van de zuivere waarheid’, en Gregorius van Nazianzus bevestigde de uitspraak van Hermes door te verklaren dat ‘zichtbare dingen slechts de schaduw en de omtrek zijn van dingen die we niet kunnen zien’. Het is eeuwig een combinatie, en de beelden worden herhaald van de bovenste tot de onderste sport van de ladder van het zijn. De ‘val van de engelen’ en de ‘oorlog in de hemel’ worden op elk gebied herhaald, waarbij de lagere ‘spiegel’ het beeld van de hogere spiegel vervormt, en elk dat op zijn eigen manier herhaalt. Zo zijn de christelijke dogma’s slechts herinneringen aan de paradigma’s van Plato, die voorzichtig over deze dingen sprak, zoals elke ingewijde zou doen. Maar het is allemaal zoals in deze paar zinnen van de Desatir wordt uitgedrukt:
    ‘Alles wat op aarde is, zegt de Heer (Ormazd), is de schaduw van iets dat in de hogere sferen is. Dit lichtgevende voorwerp (licht, vuur, enz.) is de schaduw van dat wat nog meer licht geeft, en zo verder, tot het mij, het licht van de lichten, bereikt.’
    In de kabbalistische boeken, en vooral in de Zohar, is het denkbeeld, dat al het objectieve op aarde of in dit Heelal de schaduw – dyooknah – is van het eeuwige licht of de godheid, heel sterk aanwezig.
    Het derde Ras was in het begin bij uitstek de heldere schaduw van de goden, die volgens de overlevering na de allegorische oorlog in de hemel naar de aarde worden verbannen. Deze werd op aarde nog allegorischer, want het was de oorlog tussen geest en stof. Deze oorlog zal voortduren tot de innerlijke en goddelijke mens zijn uiterlijke aardse zelf aanpast aan zijn eigen geestelijke natuur. Tot die tijd zullen de duistere en vurige hartstochten van dit aardse zelf in een eeuwige vijandschap zijn verwikkeld met zijn meester, de goddelijke mens. Maar eens zal het dier worden getemd, omdat zijn aard zal zijn veranderd, en er zal tussen beide weer harmonie heersen, evenals vóór de ‘val’, toen zelfs de sterfelijke mens door de elementen werd geschapen en niet werd geboren.
    Het bovenstaande wordt in alle grote theogonieën duidelijk gemaakt, voornamelijk in de Griekse (zie Hesiodus en zijn theogonie). Het verminken van Ouranos door zijn zoon Kronos, die hem zo tot impotentie veroordeelt, is door de hedendaagse mythografen nooit begrepen. Toch is de allegorie heel duidelijk; en omdat deze algemeen verspreid was6, moet zij een groot abstract en filosofisch denkbeeld hebben bevat, dat nu voor onze hedendaagse wijzen verloren is gegaan. Deze straf in de allegorie geeft inderdaad ‘een nieuw tijdperk, een tweede fase in de ontwikkeling van de schepping’ aan, zoals terecht wordt opgemerkt door Decharme (Mythologie de la Grèce Antique, blz. 7), die echter geen poging doet om deze te verklaren. Ouranos heeft geprobeerd die ontwikkeling of natuurlijke evolutie te belemmeren door al zijn kinderen te doden zodra ze waren geboren. Ouranos, die alle scheppende krachten van en in de Chaos (de Ruimte of de gemanifesteerde godheid) verpersoonlijkt, wordt daarvoor dus gestraft; want door die krachten evolueren de pitri’s uit zichzelf de oorspronkelijke mensen – evenals deze mensen later hun nakomelingen evolueren – zonder enig gevoel of verlangen om zich voort te planten. Het werk van de voortbrenging, dat een moment werd onderbroken, gaat over in de handen van Kronos7, de tijd, die zich verenigt met Rhea (in de esoterie de aarde – stof in het algemeen), en zo na hemelse, aardse titanen voortbrengt. Deze hele symboliek heeft betrekking op de mysteriën van de evolutie.
    Deze allegorie is de exoterische versie van de esoterische leer die in dit gedeelte van ons boek wordt gegeven. Want in Kronos zien wij dezelfde geschiedenis herhaald. Zoals Ouranos zijn kinderen uit Gaia (in de wereld van manifestatie één met aditi of de grote kosmische diepte) doodde door ze in de schoot van de aarde, Tythea, op te sluiten, zo doodde Kronos in dit tweede stadium van de schepping zijn kinderen uit Rhea – door ze te verslinden. Dit is een bedekte verwijzing naar de vruchteloze pogingen van de Aarde of de Natuur om zonder hulp werkelijke menselijke mensen te scheppen. (Zie onze Stanza’s III-X e.v. en ook het verhaal van Berosus over de oorspronkelijke schepping.) De tijd verslindt zijn eigen vruchteloze werk. Dan komt Zeus-Jupiter, die op zijn beurt zijn vader onttroont8. Jupiter de titan is in één betekenis Prometheus9 en verschilt van Zeus, de grote ‘vader van de goden’. Hij is bij Hesiodus de ‘oneerbiedige zoon’. Hermes noemt hem de ‘hemelse mens’ (Pymander); en zelfs in de bijbel vindt men hem terug onder de naam Adam en later – door omzetting – onder de naam Cham. Toch zijn dit allen personificaties van de ‘zonen van wijsheid’. De nodige bevestiging dat Jupiter behoort tot de zuiver menselijke Atlantische cyclus – als men Ouranos en Kronos die aan hem voorafgaan, onvoldoende vindt – kan men vinden bij Hesiodus, die ons meedeelt dat de onsterfelijken de mensen hebben gemaakt en de gouden en zilveren eeuw hebben geschapen (het eerste en het tweede Ras); terwijl Jupiter de geslachten van het bronzen tijdperk (een mengsel van twee elementen), van helden en de mensen van de ijzeren eeuw schiep. Daarna zendt hij door middel van Pandora zijn noodlottige geschenk aan Epimetheus10. Hesiodus noemt dit geschenk ‘een noodlottige gift’, of de eerste vrouw. Het was een straf, verklaart hij, die aan de mens was gezonden ‘voor de diefstal van het goddelijke scheppende vuur’. Haar verschijning op aarde is het teken van allerlei soorten kwaad. Vóór zij verscheen, leefden de mensenrassen gelukkig, vrij van ziekte en lijden – zoals diezelfde rassen leefden onder het bestuur van Yima, volgens de mazdeïsche Vendidad.
    Door een zorgvuldige vergelijking van Hesiodus, de Rig Veda, de Zend-Avesta, enz. kan men in de universele overlevering twee zondvloeden vinden, maar in geen enkele theogonie, behalve in de bijbel, wordt ooit een eerste mens genoemd11. Overal verschijnt de mens van ons ras na een door water teweeggebrachte ramp, waarna de overlevering alleen de verschillende benamingen van continenten en eilanden noemt, die als hun tijd12 aanbreekt onder de golven van de oceaan verzinken. ‘Goden en stervelingen hebben een gemeenschappelijke oorsprong’, zegt Hesiodus (ibid. v. 1c8); en Pindarus zegt hem dit na (Nem. VI, 1). Deukalion en Pyrrha, die aan de zondvloed ontkomen door een ark te bouwen zoals die van Noach (zie Apollod. 1, 7, 2 en Ovidius, Metam. 1, 260, 899), vragen Jupiter het mensenras, dat hij onder de wateren van de zondvloed had laten omkomen, weer tot leven te brengen. Volgens de Slavische mythologie (Litouwse legende, in Grimm, Deutsche Myth. 1, 545) verdronken alle mensen en bleven er maar twee oude mensen over, een man en zijn vrouw. Toen gaf Pram-gimas (de ‘meester van alles’) hun de raad zevenmaal op de rotsen van de aarde te springen, en er werden zeven nieuwe rassen (paren) geboren, waaruit de negen Litouwse stammen voortkwamen. Zoals de schrijver van Mythologie de la Grèce Antique goed heeft ingezien, betekenen de vier eeuwen tijdperken, en zijn ze ook een allegorische verwijzing naar de rassen. ‘De opeenvolgende rassen, die zonder enige overgangsperiode werden vernietigd en vervangen door andere’, zegt hij, ‘worden in Griekenland gekenmerkt door de namen van metalen, om hun steeds afnemende waarde uit te drukken. Goud, het schitterendste en kostbaarste metaal van alle, symbool van zuiverheid . . . kenmerkt het eerste Ras . . . De mensen van het tweede Ras, die van de zilveren eeuw, staan al lager dan die van het eerste. Omdat zij inerte en zwakke schepselen zijn, is hun hele leven niet meer dan een lange wezenloze kindertijd . . . Zij verdwijnen. . . . De mensen uit de bronzen eeuw zijn robuust en gewelddadig (het derde Ras); hun kracht is uitzonderlijk groot. Zij hadden wapens van brons en woningen van brons, en gebruikten niets dan brons. IJzer, het zwarte metaal, was nog onbekend.’ (Op. at. D., 143-155). Het vierde geslacht (Ras) is volgens Hesiodus dat van de helden die vóór Thebe vielen (zie ‘De Zeven tegen Thebe’ door Aeschylus), of onder de muren van Troje.
    De vier rassen worden door de oudste Griekse dichters genoemd, hoewel heel verward en anachronistisch; onze leringen worden dus nogmaals door de klassieken bevestigd. Maar dit is allemaal ‘mythologie’ en dichtkunst. Wat heeft de hedendaagse wetenschap op zo’n euhemerisatie van oude verhalen te zeggen? Het vonnis is niet moeilijk te voorzien. Daarom moet men proberen om er bij voorbaat op te antwoorden en te bewijzen dat verhalen en empirische speculaties tot het terrein van diezelfde wetenschap behoren, en wel in die mate dat geen geleerde ook maar enig recht heeft om, met zo’n zware balk in eigen oog, te wijzen op de splinter in het oog van de occultist, zelfs als die splinter niet een product van de verbeelding van onze tegenstander is.

 

Noten:

  1. Dit wordt aangetoond door Faber, eveneens een vrome christen, die zegt dat ‘ook het gezin van Noach . . . namen droeg van Atlantiërs en titanen; en de grote aartsvader zelf werd bij wijze van eerbetoon Atlas en Titan genoemd’. (Deel II, blz. 285.) En als dat zo is, moet Noach volgens de bijbel de nakomeling zijn geweest van de zonen van God, de gevallen engelen, volgens dezelfde autoriteit, en van de ‘dochters van de mensen die mooi waren’ (zie Genesis, hfst. vi). En waarom ook niet, want zijn vader Lamech doodde een man en was met al zijn zonen en dochters (die in de zondvloed omkwamen) even slecht als de rest van de mensheid.
  2. In dat prachtige boek van Donnelly, ‘Atlantis, the Antediluvian World’, kondigt de schrijver, als hij spreekt over de Arische kolonies uit Atlantis en over de kunsten en wetenschappen – de erfenis van ons vierde Ras – dapper aan, dat ‘de wortels van de hedendaagse instellingen teruggaan op het Mioceen’. Dit is voor een geleerde uit de tegenwoordige tijd een enorme concessie; maar de beschaving dateert van nog verder terug dan de Atlantiërs van het Mioceen. De mens uit het ‘Secundair’ zal worden ontdekt en met hem zijn lang vergeten beschaving.
  3. De Natuur is het natuurlijke lichaam, de schaduw van de voorouders.
  4. De MENS is, zoals gezegd, de ‘hemelse mens’.
  5. De ‘Pymander’ van onze musea en bibliotheken is een verkorting van een van de boeken van Thoth, door een platonist uit Alexandrië. In de derde eeuw werd deze door een joodse kabbalist omgewerkt naar oude Hebreeuwse en Fenicische handschriften en de ‘Genesis van Henoch’ genoemd. Maar zelfs de verminkte overblijfselen laten zien hoe nauw de tekst overeenkomt met de archaïsche leer, zoals blijkt uit de schepping van de zeven scheppers en de zeven oorspronkelijke mensen. Henoch, Thoth of Hermes, Orpheus en Kadmus zijn algemene benamingen, takken en spruiten van de zeven oorspronkelijke wijzen (geïncarneerde Dhyan-Chohans of deva’s, in illusoire, niet in sterfelijke lichamen), die de mensheid al haar kennis hadden bijgebracht, en waarvan de eerste leerlingen de namen van hun meester aannamen. Deze gewoonte ging over van het vierde op het vijfde Ras. Vandaar de overeenstemming van de overleveringen over Hermes (van wie de egyptologen er vijf kennen), Henoch, enz.: ze zijn allen de uitvinders van de letters, geen van hen sterft zonder dat hij voortleeft, en ze zijn de eerste inwijders in en grondleggers van de mysteriën. De Genesis van Henoch treft men sinds kort niet meer aan bij de kabbalisten. Guillaume Postel zag het boek. Het was ongetwijfeld voor een groot deel overgeschreven uit de boeken van Hermes, en veel ouder dan de boeken van Mozes, zoals Eliphas Lévi zijn lezers meedeelt.
  6. Ouranos is een gewijzigde Varuna, ‘de universele omvatter’, de al-omvatter, en een van de oudste vedische godheden – RUIMTE, de maker van hemel en aarde, omdat beide uit zijn zaad (of het zaad ervan) zijn gemanifesteerd. Pas later werd Varuna het hoofd van de aditya’s en een soort Neptunus, die rijdt op de LeviathanMakara, nu het heiligste en geheimzinnigste teken van de Dierenriem. Varuna, ‘zonder wie geen schepsel zelfs maar met de ogen kan knipperen’, werd evenals Ouranos verlaagd en viel eveneens in de voortplanting. Zijn functies, ‘de meest verheven kosmische functies’, zoals Muir ze noemt, werden door het exoterische antropomorfisme van de hemel tot de aarde verlaagd. Zoals dezelfde oriëntalist zegt: ‘De eigenschappen die (in de Veda’s) aan Varuna worden toegeschreven, verlenen zijn karakter een morele verheffing en heiligheid die veel groter zijn dan die aan enige andere vedische godheid worden toegeschreven.’ Maar om de reden voor zijn val, evenals die van Ouranos, goed te begrijpen, moet men in iedere exoterische religie het onvolmaakte en zondige werk van de menselijke verbeelding zien, en ook de mysteriën bestuderen die Varuna, zoals men zegt, aan Vasishta heeft meegedeeld. Maar . . . ‘zijn geheimen en die van Mitra mogen niet aan de dwazen worden onthuld’.
  7. Kronos is niet alleen Χρόνοϛ, de tijd, maar komt ook, zoals Bréal aantoonde in zijn Hercule et Cacus (blz. 57), van de wortel kar, ‘maken, scheppen’. Wij betwijfelen echter of Bréal en Decharme, die hem aanhaalt, ook gelijk hebben als zij zeggen dat in de Veda’s Kronan een scheppende god is. Bréal bedoelde waarschijnlijk Karma, of beter VisvaKarma, de scheppende god, de ‘almachtige’ en de ‘grote architect van de wereld’.
  8. De titanenstrijd is, althans in de theogonie, de strijd om de oppermacht van de kinderen van Ouranos en Gaia (of hemel en aarde in hun abstracte betekenis), de titanen, tegen de kinderen van Kronos, van wie Zeus het hoofd is. Het is in zekere zin de eeuwige strijd, die nog steeds voortduurt, tussen de geestelijke innerlijke mens en de mens van vlees.
  9. Evenals de ‘Heer God’ of Jehova esoterisch Kaïn is, en ook de ‘verleidende slang’, het mannelijke deel van de androgyne Eva, vóór haar ‘val’; het vrouwelijke deel van Adam Kadmon; de linkerkant of binah van de rechterkant chochmah in de eerste triade van de sephiroth.
  10. In de Egyptische legende die de ‘Twee broeders’ heet en die is vertaald door Maspero (de voormalige directeur van het Bulaq-museum), wordt het oorspronkelijke verhaal van Pandora gegeven. Noum, de beroemde hemelse kunstenaar, schept een wonderbaarlijke schoonheid, een meisje, dat hij naar Batoo zendt, waarna het geluk van de laatstgenoemde wordt vernietigd. Batoo is natuurlijk de man en Eva het meisje. (Zie Maspero, ‘Egyptian Legends’, en ook Decharme, ‘Mythologie de la Grèce Antique’.)
  11. Yima is niet de ‘eerste mens’ in de Vendidad, maar alleen in de theorieën van de oriëntalisten. Zie hierna.
  12. Beotië, daarna het oude Athene, en Eleusis werden overstroomd.

De Geheime Leer 2:297-306

© 1988 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag