Archaïsche leringen in de purana’s en in genesis

Stoffelijke evolutie


    De schrijfster kan niet te veel bewijzen geven dat het hier beschreven stelsel van kosmogonie en antropogonie werkelijk bestond, dat de geschriften ervan inderdaad bewaard zijn gebleven en dat dit stelsel zelfs in de hedendaagse versies van de oude geschriften wordt weerspiegeld.
    De Purana’s en de joodse heilige geschriften zijn gebaseerd op hetzelfde stelsel van evolutie dat, esoterisch gelezen en in moderne taal uitgedrukt, even wetenschappelijk zou blijken te zijn als veel van wat nu geldt als de allerlaatste ontdekking. Het enige verschil tussen de twee stelsels is dat de Purana’s, die evenveel en misschien meer aandacht besteden aan de oorzaken dan aan de gevolgen, meer verwijzen naar de vóórkosmische en vóórgenetische tijdperken dan naar die van de zogenaamde schepping, terwijl de bijbel maar een paar woorden over het eerstgenoemde tijdperk zegt en zich direct stort in de stoffelijke ontstaansgeschiedenis en voortgaat met zijn allegorieën over het vijfde Ras, terwijl de rassen vóór Adam vrijwel worden overgeslagen.
    Welke aanvallen men ook richt op de volgorde van de schepping in Genesis – en naar de dode letter opgevat leent dit verhaal zich bewonderenswaardig goed voor kritiek1 – wie de Purana’s van de hindoes leest, zal ondanks de allegorische overdrijvingen ontdekken dat ze geheel in overeenstemming zijn met de natuurwetenschap.
    Zelfs wat oppervlakkig beschouwd de volstrekt onzinnige allegorie schijnt te zijn van Brahma die de vorm van een everzwijn aanneemt om de aarde van onder de wateren te redden, vindt in de geheime toelichtingen een volkomen wetenschappelijke verklaring. Deze allegorie staat in verband met het telkens weer oprijzen en verzinken van de aardbodem en met het voortdurende afwisselen van water en land vanaf de vroegste tot de laatste geologische tijdperken van onze bol; want de wetenschap leert ons nu dat negen tiende van de gelaagde formaties van de aardkorst geleidelijk onder water zijn gevormd, op de bodem van de zeeën. Men veronderstelt dat de oude Ariërs hoegenaamd niets hebben geweten van biologie, geologie, enz. Aan het joodse ras wordt anderzijds zelfs door zijn strengste criticus, een onverzoenlijke tegenstander van de bijbel (‘Modern Science and Modern Thought’, blz. 337), de verdienste toegeschreven het denkbeeld van het monotheïsme ‘eerder te hebben gevormd en standvastiger te hebben behouden dan alle andere minder filosofische en meer immorele religies (!!) van de oude wereld’. Terwijl in de bijbelse esoterie fysiologische seksuele mysteriën symbolisch zijn weergegeven, en niet veel meer dan dat (iets waarvoor heel weinig echte filosofie nodig is), vindt men echter in de Purana’s de meest wetenschappelijke en filosofische ‘dageraad van de schepping’ die – als men haar onpartijdig zou ontleden en uit de sprookjesachtige allegorieën in duidelijke taal zou overbrengen – zou aantonen dat er op de hedendaagse dierkunde, geologie, sterrenkunde en bijna alle takken van hedendaagse kennis, in de oude wetenschap is vooruitgelopen en dat deze in hun algemene trekken, zo niet in bijzonderheden zoals tegenwoordig, aan de filosofen bekend waren!
    De puranische sterrenkunde met al haar opzettelijke geheimhouding en verwarring, met het doel de niet-ingewijden op een dwaalspoor te brengen, was, zoals zelfs Bentley heeft aangetoond, een werkelijke wetenschap; en degenen die vertrouwd zijn met de mysteriën van de sterrenkundige verhandelingen van de hindoes, zullen kunnen bewijzen dat de hedendaagse theorieën over de voortgaande verdichting van nevelvlekken, nevelachtige sterren en zonnen, met de nauwkeurigste details over de cyclische voortgang van de sterrenbeelden – veel nauwkeuriger dan de Europeanen zelfs nu hebben – voor chronologische en andere doeleinden in India precies bekend waren.
    Op het gebied van de geologie en de zoölogie vinden we hetzelfde. Wat zijn alle mythen en eindeloze stambomen van de zeven prajapati’s en hun zonen, de zeven rishi’s of manu’s en hun vrouwen, zonen en nakomelingen, anders dan een uitgebreid en gedetailleerd verslag van de voortgaande ontwikkeling en evolutie van de dierlijke schepping, de ene soort na de andere? Waren de diepzinnig filosofische en metafysische Ariërs – de opstellers van de meest volmaakte filosofische stelsels van transcendentale psychologie, van wetten over ethica en van een grammatica zoals die van Panini, van de Sankhya- en Vedantastelsels en van een morele code (het boeddhisme), die door Max Müller de volmaaktste op aarde wordt genoemd – zulke dwazen of kinderen, dat zij hun tijd verspilden met het schrijven van sprookjes, wat de Purana’s nu schijnen te zijn in de ogen van hen die niet het flauwste begrip hebben van hun geheime betekenis? Wat is de fabel, de stamboom en de oorsprong van Kasyapa met zijn twaalf vrouwen, bij wie hij een talrijk en gevarieerd nageslacht had van naga’s (slangen), reptielen, vogels en allerlei andere soorten levende wezens, en die dus de vader was van alle soorten dieren, anders dan een versluierd verslag van de volgorde van de evolutie in deze ronde? Tot dusver hebben we nog geen enkele oriëntalist gezien die ook maar enig begrip had van de waarheden die onder de allegorieën en personificaties schuil gaan. ‘De Satapatha Brahmana’, zegt een van hen, ‘geeft een niet erg begrijpelijk verhaal van de oorsprong van Kasyapa . . . Hij was de zoon van Marichi, de zoon van Brahma, de vader van Vivasvat, de vader van Manu, de voorvader van de mensheid . . . Nadat hij de vorm van een schildpad had aangenomen, schiep Prajapati nakomelingen. Wat hij schiep, maakte hij (Sanskr. akarot), vandaar het woord kurma (schildpad). Kasyapa betekent schildpad; daarom zegt men: ‘Alle schepselen zijn afstammelingen van Kasyapa’, enz.’ (Hindu Class. Dict.)
    Hij was dit alles; hij was ook de vader van Garuda, de vogel, de ‘koning van de gevederde stam’, die afstamt van en van hetzelfde geslacht is als de reptielen, de naga’s; en die later hun doodsvijand wordt, omdat hij ook een cyclus, een tijdsperiode is, als in de loop van de evolutie de vogels, die zich uit de reptielen ontwikkelden, bij hun ‘strijd om het bestaan’ – ‘het overleven van de geschiktsten’, enz. – zich bij voorkeur keerden tegen degenen uit wie zij voortkwamen, om ze te verslinden, misschien gedreven door een natuurwet, om plaats te maken voor andere en meer volmaakte soorten. (Zie Afdeling II, ‘Symboliek’.)
    In die bewonderenswaardige samenvatting van ‘Modern Science and Modern Thought’ wordt aan Gladstone een les in biologie gegeven, die aantoont dat deze volkomen in strijd is met de bijbel. De schrijver merkt op dat de geologie, te beginnen met:

    ‘. . . het oudste bekende fossiel, het Eozoon Canadense van de Laurentische formatie, zich voortzette in een keten met stevig gesmede schakels, door het Siluur met zijn overvloed van weekdieren, schaaldieren en wormachtige dieren en de eerste sporen van vissen; het Devoon met overwegend vissen en het eerste verschijnen van reptielen; het Mesozoïcum met zijn kikvorsachtigen (of de familie van de kikkers); de formaties van het Secundair, waarin reptielen van de zee, het land en de lucht de overhand hadden en de eerste bescheiden vormen van gewervelde landdieren begonnen te verschijnen; en tenslotte het Tertiair, waarin zoogdieren overvloedig voorkwamen, die zich type na type en soort na soort geleidelijk differentieerden en specialiseerden, door het Eoceen, het Mioceen en het Plioceen, tot we komen bij de ijstijden en de voorhistorische perioden en bij een positief bewijs van het bestaan van de mens.’

    Dezelfde volgorde, plus de beschrijving van dieren die aan de hedendaagse wetenschap onbekend zijn, vindt men in de toelichtingen op de Purana’s in het algemeen en in het boek van Dzyan in het bijzonder. Het enige verschil, en zonder twijfel een gewichtig verschil – omdat het de geestelijke en goddelijke aard van de mens betreft, onafhankelijk van zijn stoffelijke lichaam in deze wereld van illusie, waarin alleen de valse persoonlijkheid en haar in de hersenen zetelende basis aan de orthodoxe psychologie bekend zijn – is het volgende. Omdat de mens in alle zogenaamde ‘zeven scheppingen’ is geweest, die de allegorie vormen van de zeven evolutionaire veranderingen, of de onderrassen, zoals we ze kunnen noemen, van het eerste Wortelras van de mensheid – was de MENS in deze Ronde vanaf het begin op aarde. Nadat hij in de voorafgaande drie Ronden2 door alle natuurrijken was gegaan, was zijn stoffelijke omhulsel – dat aan de temperaturen van die vroege tijdperken was aangepast – gereed om de goddelijke pelgrim te ontvangen bij de eerste dageraad van het menselijke leven, d.i. 18.000.000 jaar geleden. Pas halverwege het derde Wortelras werd aan de mens manas geschonken. Eenmaal verenigd, werden de twee en vervolgens de drie één; want hoewel de lagere dieren, van de amoebe tot de mens, hun monaden ontvingen, waarin alle hogere eigenschappen potentieel aanwezig zijn, moeten alle in sluimerende toestand blijven totdat elk ervan zijn menselijke vorm bereikt. Vóór dit stadium ontwikkelt manas (denkvermogen) zich niet in hen3. In de dieren zijn alle beginselen verlamd en in een foetusachtige toestand, behalve het tweede (het levensbeginsel) en het derde (het astrale) en de rudimenten van het vierde (kama, dat begeerte, instinct is), waarvan de intensiteit en ontwikkeling varieert en verandert met de soort. Voor de materialist die de theorie van Darwin is toegedaan, zal dit klinken als een sprookje, een mystificatie; voor wie gelooft in de innerlijke, geestelijke mens, zal deze uitspraak niets onnatuurlijks bevatten.
    De schrijfster is er zeker van dat men hiertegen zogenaamd onoverkomelijke bezwaren zal inbrengen. Men zal ons zeggen dat de lijn van de embryologie, de geleidelijke ontwikkeling van elk individueel leven en de voortgang van wat, zoals men weet, plaatsvindt in de reeks van voortgaande stadia van specialisatie – dat dit alles in strijd is met het denkbeeld dat de mens aan de zoogdieren voorafging. De mens begint als het nederigste en primitiefste wormachtige schepsel, ‘uit het oorspronkelijke protoplasmadeeltje en de van een kern voorziene cel waarin alle leven zijn oorsprong vindt’ en ‘ontwikkelt zich via stadia die niet zijn te onderscheiden van die van de vis, het reptiel en het zoogdier, totdat de cel tenslotte de heel gespecialiseerde ontwikkeling van de vierhandigen bereikt, en als allerlaatste het menselijke type’. (Laing, 335.)
    Dit is volkomen wetenschappelijk en we hebben daar geen bezwaar tegen, want dit alles heeft betrekking op het omhulsel van de mens – zijn lichaam, dat in zijn groei evenals elke andere (zogenaamde) morfologische eenheid, natuurlijk aan zulke metamorfosen is onderworpen. Degenen die verkondigen dat de transformatie van het delfstoffenatoom plaatsvindt door kristallisatie – wat dezelfde functie is en in dezelfde relatie staat tot zijn (zogenaamde) anorganische upadhi (of basis) als de formatie van cellen tot hun organische kernen, door de stadia van plant. insect en dier heen tot aan de mens – zullen deze theorie niet verwerpen, omdat deze tenslotte zal leiden tot de erkenning van een universele godheid in de natuur, altijd aanwezig en altijd onzichtbaar en onkenbaar, en van intra-kosmische goden, die allen mensen waren4.
    Maar we zouden willen vragen wat de wetenschap en haar exacte en nu axiomatische ontdekkingen tegen onze occulte theorie bewijzen? Zij die geloven in de wet van de evolutie en de geleidelijke voortgaande ontwikkeling uit een cel (die van een vitale cel een morfologische cel werd, totdat zij als zuiver protoplasma ontwaakte) – kunnen ongetwijfeld nooit hun geloof tot één lijn van evolutie beperken. De levenstypen zijn ontelbaar; en de voortgang van de evolutie gaat bovendien niet in elke soort even snel. De samenstelling van de oerstof in het Siluur – we bedoelen de ‘oer’stof van de wetenschap – is in elke essentiële bijzonderheid, met uitzondering van haar huidige graad van grofheid, dezelfde als de levende oerstof van nu. En we vinden niet wat we zouden moeten vinden, als de nu orthodoxe evolutietheorie geheel juist was, namelijk een constante, steeds verdere vooruitgang in alle soorten wezens. Wat zien wij in plaats daarvan? Terwijl de tussenliggende groepen van dierlijk leven alle naar een hoger type streven en terwijl specialisaties, nu eens van het ene type en dan van het andere, door de geologische tijdperken heen tot ontwikkeling komen, van vorm veranderen, nieuwe vormen aannemen, en in de beschrijving van de paleontologen van het ene tijdperk tot het andere met kaleidoscopische snelheid verschijnen en verdwijnen, zijn de enige twee uitzonderingen op de algemene regel de levenstypen aan de beide tegengestelde polen van het leven en de soort, nl. – DE MENS en de lagere bestaansvormen!
    ‘Bepaalde duidelijk onderscheiden vormen van levende wezens hebben gedurende enorm lange tijdperken bestaan, en niet alleen de veranderingen van de stoffelijke omstandigheden overleefd, maar zijn vrijwel onveranderd gebleven, terwijl andere levensvormen zijn verschenen en verdwenen. Zulke vormen kan men ‘blijvende typen’ van leven noemen; en zowel in de dieren- als in de plantenwereld zijn de voorbeelden ervan overvloedig genoeg.’ (Huxley, ‘Proceed. of Roy. Inst.’, deel iii, blz. 151.)
    Niettemin geeft men ons geen enkele goede reden waarom Darwin reptielen, vogels, amfibieën, vissen, weekdieren, enz. met elkaar verbindt als afstammelingen van moneren. Evenmin deelt men ons mee of bijvoorbeeld reptielen directe afstammelingen zijn van de amfibieën, deze laatstgenoemde van de vissen en vissen van lagere vormen – wat zij ongetwijfeld zijn. Want de monaden zijn op elke planeet in de drie voorafgaande Ronden door al deze bestaansvormen tot de mens toe heengegaan; elke Ronde, zowel als elke volgende bol, van A tot G, was de arena van dezelfde evolutie en moet dit nog steeds zijn, alleen wordt deze elke keer op een hechtere materiële basis herhaald. Daarom is de vraag: ‘Welke relatie is er tussen de astrale prototypen van de derde Ronde en de gewone stoffelijke ontwikkeling bij het ontstaan van de organische soorten die aan de zoogdieren voorafgingen?’ – gemakkelijk te beantwoorden. Het ene is het schaduwachtige prototype van het andere, de voorlopige, nauwelijks omlijnde en vluchtige schets op het doek van objecten die bestemd zijn om onder het penseel van de schilder hun uiteindelijke en levendige vorm te krijgen. De vis ontwikkelde zich in de schaduwen van vijvers tot een amfibie – een kikker – en de mens doorliep al zijn metamorfosen op deze bol in de derde Ronde, evenals hij dat in deze, zijn vierde cyclus deed. De typen van de derde Ronde droegen bij tot de vorming van de typen van deze. Op strikt analoge manier wordt de cyclus van zeven Ronden van de geleidelijke vorming van de mens door alle natuurrijken heen, op microscopische schaal herhaald in de eerste zeven maanden van de ontwikkeling van een toekomstige mens. Laat de lezer over deze analogie nadenken en haar uitwerken. Evenals de ongeboren baby van zeven maanden, hoewel geheel gereed, toch nog twee maanden nodig heeft om kracht te verzamelen en stevigheid te krijgen, zo blijft ook de mens, nadat hij zijn evolutie tijdens zeven Ronden heeft voltooid, nog twee perioden in de schoot van Moeder Natuur, voordat hij als Dhyani wordt geboren, of liever herboren, nog volmaakter dan hij was voordat hij als een monade op de nieuw gebouwde keten van werelden zijn reis begon. Laat de lezer over dit mysterie nadenken, dan zal hij er gemakkelijk van overtuigd raken dat, zoals er ook stoffelijke schakels tussen vele klassen zijn, er ook nauwkeurig afgebakende gebieden zijn waarin de astrale evolutie samenvloeit met de stoffelijke. Hierover spreekt de wetenschap met geen woord. Zij zegt dat de mens met en uit de aap is geëvolueerd. Maar zie nu de tegenspraak.
    Huxley wijst vervolgens op planten, varens, wolfsklauwen – waarvan sommige naar soort overeenkomen met de nu levende – die in het Carboon voorkwamen, want: ‘De dennenappel van de oölitische araucaria is nauwelijks te onderscheiden van die van bestaande soorten . . . Onderafdelingen van het dierenrijk geven dezelfde voorbeelden. De globigerina van de Atlantische peilingen komt overeen met de soorten van hetzelfde geslacht uit het Krijt . . . de tafelkoralen uit het Siluur lijken wonderbaarlijk veel op de puntkoralen in onze eigen zeeën . . . De hoogste groep van de arachnida, de schorpioenen, wordt in de steenkoollagen vertegenwoordigd door een geslacht dat van zijn levende soortgenoten alleen verschilt met betrekking tot . . . de ogen’, enz.; dit alles kan worden besloten met de gezaghebbende uitspraak van dr. Carpenter over de foraminifera. Hij zegt: ‘Er is geen bewijs voor enige fundamentele wijziging of vooruitgang van het type van de foraminifera vanaf het Paleozoïcum tot de huidige tijd . . . De fauna van de foraminifera uit onze eigen tijd biedt waarschijnlijk een grotere verscheidenheid dan er in enige vroegere periode bestond; maar er is geen aanwijzing voor een neiging tot het zich verheffen tot een hoger type.’ (‘Introduction to the study of the Foraminifera’, blz. xi.)
    Terwijl dus de foraminifera, een protozoön van het laagste levenstype, zonder mond en zonder ogen, geen teken van verandering vertonen, behalve dat deze nu in grotere verscheidenheid voorkomen dan vroeger, vertoont de mens, die op de hoogste sport van de levensladder staat, nog minder verandering, zoals we hebben gezien; want het skelet van zijn paleolithische voorouder blijkt in sommige opzichten zelfs superieur aan zijn huidige geraamte te zijn. Waar is dan de beweerde uniformiteit in de wet, de absolute regel dat de ene soort geleidelijk overgaat in de andere, en onmerkbaar stapje voor stapje in hogere typen? We zien dat Sir William Thomson aanneemt dat 400.000.000 jaar in de geschiedenis van de aarde zijn voorbijgegaan sinds de oppervlakte van de bol voldoende was afgekoeld om de aanwezigheid van levende wezens mogelijk te maken5; en wij vinden tijdens die enorme periode alleen al in het oölitische tijdperk, de zogenaamde ‘eeuw van de reptielen’, een buitengewone verscheidenheid en overvloed aan saurische vormen, terwijl het amfibische type zijn hoogste ontwikkeling bereikt. We horen over ichthyosaurussen en plesiosaurussen in de meren en rivieren en over gevleugelde krokodillen en hagedissen die door de lucht vliegen. Daarna, in het Tertiair, ‘vertoont het zoogdiertype opmerkelijke afwijkingen ten opzichte van vroeger bestaande vormen . . . mastodonten, megatheriums en andere logge bewoners van oude wouden en vlakten; en vervolgens’ brengt men ons op de hoogte van ‘de geleidelijke overgang van één van de vertakkingen van de orde van de vierhandigen in die wezens uit wie de oorspronkelijke mens zelf zou kunnen beweren te zijn voortgekomen’. (‘The Beginnings of Life’.)
    Hij zou dat kunnen beweren, maar niemand, behalve de materialisten, kan inzien waarom hij dat zou moeten doen, want er is niet de geringste noodzaak voor; evenmin wordt zo’n evolutie door feiten bevestigd, want degenen die het meeste belang hebben bij het bewijs daarvoor, erkennen dat het hun niet is gelukt om een enkel feit te vinden dat hun theorie ondersteunt. Het is niet noodzakelijk dat de talloze levenstypen de leden van één voortgaande reeks vertegenwoordigen. Ze zijn ‘de producten van verschillende uiteenlopende evolutionaire ontwikkelingen, die nu eens in de ene en dan weer in de andere richting plaatsvinden’. Daarom is de uitspraak dat de aap zich ontwikkelde tot de orde van de vierhandigen, veel beter te rechtvaardigen dan dat de oorspronkelijke mens die, zoals uit zijn in de oudste lagen gevonden fossielen blijkt, in zijn menselijke specialisatie stationair is gebleven – en van wie geen variëteit is aangetroffen behalve in kleur en gelaatstype – zich samen met de aap uit een gemeenschappelijke voorouder heeft ontwikkeld.
    Dat de mens evenals andere dieren ontstaat in een cel en zich ontwikkelt ‘door stadia die niet zijn te onderscheiden van die van de vis, het reptiel en het zoogdier, totdat de cel de sterk gespecialiseerde ontwikkeling van het vierhandige en tenslotte het menselijke type bereikt’, is een duizenden jaren oud occult axioma. Het kabbalistische axioma: ‘Een steen wordt een plant; een plant een dier; een dier een mens; een mens een god’, blijft door de eeuwen heen van kracht. Haeckel laat in zijn Schöpfungsgeschichte een dubbele tekening zien die twee embryo’s voorstelt – van een hond van zes weken en van een mens van acht weken. Afgezien van een klein verschil in het hoofd, dat op de plaats van de hersenen bij de mens groter en breder is, zijn de twee niet te onderscheiden. ‘Inderdaad kunnen we zeggen dat ieder mens door het stadium van vis en reptiel heengaat, voordat hij komt bij dat van het zoogdier en tenslotte van de mens. Als we hem in een meer gevorderd stadium beschouwen, waar het embryo de reptielvorm al heeft gepasseerd . . . blijft de ontwikkelingslijn een aanzienlijke tijd dezelfde als bij andere zoogdieren. De rudimentaire ledematen zijn precies gelijk, de vijf vingers en tenen ontwikkelen zich op dezelfde manier en de overeenkomst tussen het embryo van een mens en een hond is na de groei van de eerste vier weken zo groot dat het vrijwel onmogelijk is ze te onderscheiden. Zelfs op de leeftijd van acht weken is het menselijke embryo een dier met een staart, dat nauwelijks valt te onderscheiden van het embryo van een hondje’ (‘Modern Science’, enz., blz. 171).
    Waarom laat men dan de mens en de hond zich niet ontwikkelen uit een gemeenschappelijke voorouder, of uit een reptiel – een naga, in plaats van de mens aan de vierhandigen te koppelen? Dit zou even logisch zijn, en zelfs logischer. De vorm en de ontwikkelingsstadia van het menselijke embryo zijn sinds het begin van de historische tijden niet veranderd, en deze metamorfosen waren zowel aan Aesculapius en Hippocrates als aan Huxley bekend. Omdat de kabbalisten het al in voorhistorische tijden hadden opgemerkt, is het geen nieuwe ontdekking. In ‘Isis’, Deel I, blz. 389 (Engelse uitgave) wordt dit opgemerkt en half uitgelegd.
    Daar het embryo van de mens niet méér lijkt op dat van de aap dan op dat van ieder ander zoogdier, maar in zich de totaliteit van de natuurrijken bevat, en omdat het een ‘blijvend levenstype’ schijnt te zijn, in veel hogere mate dan zelfs de foraminifera, schijnt het even onlogisch hem uit de aap te laten evolueren, als zijn oorsprong terug te voeren tot de kikker of de hond. Zowel de occulte als de oosterse filosofieën geloven in evolutie, die Manu en Kapila6 veel duidelijker uiteenzetten dan welke hedendaagse geleerde ook. Het is niet nodig te herhalen wat in Isis Ontsluierd volledig werd besproken, omdat de lezer al deze betogen en de beschrijving van de grondslag van alle oosterse leringen over evolutie in onze eerste boeken kan vinden7. Maar geen occultist kan de onhoudbare stelling aanvaarden, dat alle nu bestaande vormen, ‘van de structuurloze amoebe tot de mens’, in rechte lijn afstammen van organismen die miljoenen en miljoenen jaren vóór de geboorte van de mens in het pre-Siluur in de zee of in de landmodder leefden. De occultisten geloven in een inherente wet van voortgaande ontwikkeling8. Darwin heeft dit nooit geloofd, en zegt dat zelf.
    Op blz. 145 van de ‘Origin of Species’ lezen we dat, daar het geen voordeel kan opleveren ‘voor het infusiediertje of een ingewandsworm . . . om hoger te worden georganiseerd’, de ‘natuurlijke selectie’ – die niet noodzakelijk een voortgaande ontwikkeling inhoudt – het infusiediertje en de worm (de ‘blijvende typen’) met rust laat.
    Er schijnt in zo’n gedrag van de Natuur niet veel uniformiteit van wet te schuilen; en het lijkt meer op de discriminerende werking van een of andere bovennatuurlijke selectie; misschien heeft dat aspect van karma, dat de occultisten van het oosten de ‘wet van vertraging’ zouden noemen, er iets mee te maken.
    Maar er bestaat alle reden eraan te twijfelen of Darwin zelf ooit aan zijn wet zo’n belang hechtte als zijn atheïstische volgelingen nu doen. De kennis over de verschillende levende vormen in verstreken geologische tijdperken is heel mager. De redenen die dr. Bastian hiervoor aanvoert zijn heel suggestief: (1) de onvolkomen manier waarop de diverse vormen in de aardlagen van een bepaalde periode zijn vertegenwoordigd; (2) de uiterst beperkte aard van de onderzoekingen in deze weinig representatieve aardlagen; (3) een groot gedeelte van het bewijsmateriaal is voor ons volstrekt ontoegankelijk – bijna alles wat ligt onder de formatie van het Siluur is door de tijd uitgewist, terwijl tweederde van het aardoppervlak waarin de resterende lagen zijn te vinden, nu door zeeën is bedekt. Daarom zegt Darwin zelf:
    ‘Om de beeldspraak van Lyell voort te zetten: ik beschouw het geologische bewijsmateriaal als een slecht bijgehouden geschiedenis van de wereld, geschreven in een veranderend dialect; van deze geschiedenis bezitten we alleen het laatste deel, dat slechts twee of drie landen betreft. Van dit deel is alleen hier en daar een kort hoofdstuk bewaard gebleven, en van elke bladzijde slechts hier en daar een paar regels.’
    Op grond van zulke magere gegevens kan het laatste woord van de wetenschap beslist niet worden gesproken. En het is ook niet op grond van menselijke trots of van een onredelijk geloof dat de mens zelfs hier op aarde – (in ons tijdperk misschien) – de hoogste levensvorm vertegenwoordigt, dat het occultisme ontkent dat alle voorgaande vormen van menselijk leven behoorden tot lagere typen dan het onze, want dat is niet zo. Het doet dit eenvoudig omdat de ‘ontbrekende schakel’, die de bestaande theorie onweerlegbaar zou moeten bewijzen, nooit door de paleontologen zal worden gevonden. Als men evenals wij gelooft dat de mens (tijdens de voorafgaande Ronden) is geëvolueerd uit en gegaan door de laagste vormen van elk plantaardig en dierlijk leven op aarde, dan is er niets vernederends in het denkbeeld dat de orang-oetan een voorouder van onze stoffelijke vorm is. Integendeel, want het zou de occulte leer met betrekking tot de uiteindelijke evolutie van alles in de aardse natuur tot de mens, onweerstaanbaar naar voren brengen. Men kan zich zelfs afvragen hoe het komt dat biologen en antropologen – als zij eenmaal de theorie hebben aanvaard dat de mens van de aap afstamt – tot dusver de toekomstige evolutie van de bestaande apen tot mensen buiten beschouwing hebben gelaten? Dit is slechts een logisch gevolg van de eerste theorie, tenzij de wetenschap van de mens een bevoorrecht wezen zou maken, en van zijn evolutie iets zonder precedent in de natuur, een heel bijzonder en uniek geval. En daarheen wordt de natuurwetenschap door dit alles geleid. De occultisten verwerpen echter de hypothese van Darwin en vooral die van Haeckel, omdat in werkelijkheid de aap en niet de mens een speciaal en uniek geval is. De aapachtige is een toevallige schepping, een kunstmatig product, het gevolg van een onnatuurlijk proces.
    Volgens ons is de occulte leer logischer. Deze verkondigt een cyclische, nooit veranderende wet in de natuur, waarbij laatstgenoemde geen persoonlijk ‘speciaal doel’ heeft, maar werkt volgens een uniform plan dat het hele manvantarische tijdperk door van kracht blijft en zowel op de landworm als op de mens betrekking heeft. Geen van beide heeft om het bestaan gevraagd, daarom vallen beide onder dezelfde evolutionaire wet en moeten beide zich volgens de karmische wet verder ontwikkelen. Beide zijn begonnen in hetzelfde neutrale levenscentrum en beide moeten bij het voltooien van de cyclus weer daarin opgaan.
    We ontkennen niet dat de mens in de vorige Ronde inderdaad een reusachtig aapachtig wezen was; en als we zeggen ‘de mens’, dan zouden we misschien moeten zeggen de ruwe vorm, die zich ontwikkelde voor het gebruik door de mens in deze Ronde – waarvan we het midden of het overgangspunt nog maar nauwelijks hebben bereikt. Tijdens de eerste twee en een half Wortelrassen was de mens ook niet wat hij nu is. Zoals gezegd, bereikte hij dat punt volgens ons pas 18.000.000 jaar geleden tijdens het Secundair.
    Tot die tijd was hij volgens de overlevering en de occulte leer ‘een god op aarde die in de stof was gevallen’, of in de voortplanting. Dit kan men al of niet aanvaarden, omdat de Geheime Leer niet als een onfeilbaar dogma wordt opgelegd; en omdat dit, of men haar voorhistorische getuigenis nu aanvaardt of verwerpt, niets heeft te maken met het vraagstuk van de werkelijke mens en zijn innerlijke natuur, want de genoemde val heeft geen erfzonde op de mensheid achtergelaten. Maar dit is al voldoende behandeld.
    Verder wordt ons geleerd dat de transformaties die de mens doormaakte op de neergaande boog – die middelpuntvliedend is voor de geest en middelpuntzoekend voor de stof – en die waarop hij zich vervolgens voorbereidt en die hij moet doormaken op zijn opgaande pad, dat de richting van de twee krachten zal omkeren (de stof zal middelpuntvliedend worden en de geest middelpuntzoekend) ook de antropoïde aap te wachten staan. Dit geldt in elk geval voor de soorten die in deze Ronde de het dichtst bij de mens staande trap hebben bereikt. En deze zullen alle in de vijfde Ronde mensen zijn, zoals de tegenwoordige mensen in de derde, de voorgaande Ronde, aapachtige vormen bewoonden.
    Zie dan in de hedendaagse bewoners van de grote wouden van Sumatra de verbasterde en verkleinde voorbeelden – ‘vervaagde kopieën’, zoals Huxley zegt – van onszelf, zoals wij (de meerderheid van de mensheid) waren in de eerste onderrassen van het vierde Wortelras in de periode die de ‘val in de voortplanting’ wordt genoemd. De aap die wij kennen, is niet het product van natuurlijke evolutie maar een toevalligheid, een kruising tussen een dierlijk wezen of vorm en de mens. Zoals in dit Deel (Het ontstaan van de mens) is aangetoond, begon het dier zonder spraak het eerst met geslachtelijk verkeer, omdat het zich het eerst in mannetjes en vrouwtjes scheidde. Het was ook niet de bedoeling van de Natuur dat de mens het voorbeeld van de dieren zou volgen – zoals blijkt uit de betrekkelijk pijnloze voortplanting van de soort bij de dieren en het verschrikkelijke lijden en het gevaar daarbij in het geval van de vrouw. De aap is inderdaad, zoals in Isis Ontsluierd (Deel II, blz. 278, Engelse uitgave) is opgemerkt, ‘een transformatie van soort die rechtstreeks is verbonden met die van de mensenfamilie – een bastaardtak die op hun eigen stam was geënt voordat deze (de mens) volledig was geperfectioneerd’. De apen zijn miljoenen jaren jonger dan de sprekende mens, en zijn de laatste tijdgenoten van ons vijfde Ras. Het is daarom heel belangrijk te bedenken dat de ego’s van de apen entiteiten zijn die door hun karma zijn gedwongen te incarneren in de dierlijke vormen die het gevolg waren van de bestialiteit van de mensen van het eind van het derde en het begin van het vierde Ras. Het zijn entiteiten die het ‘menselijke stadium’ al vóór deze Ronde hadden bereikt. Zij vormen dus een uitzondering op de algemene regel. De talloze overleveringen over saters zijn geen fabels, maar geven een uitgestorven ras van diermensen weer. De dierlijke ‘Eva’s’ waren hun voormoeders en de menselijke ‘Adams’ hun voorvaderen; vandaar de kabbalistische allegorie van Lilith of Lilatu, de eerste vrouw van Adam, die in de talmoed wordt beschreven als een bekoorlijke vrouw met lang golvend haar – een vrouwelijk behaard dier van een nu onbekende aard, maar toch een vrouwelijk dier – die in de kabbalistische en talmoedische allegorieën de vrouwelijke weerspiegeling wordt genoemd van Samaël, Samaël-Lilith, of mens en dier verenigd, een wezen dat wordt genoemd hayo bischat, het beest of het boze beest (Zohar). Uit deze onnatuurlijke vereniging kwamen de huidige apen voort. De laatstgenoemde zijn inderdaad ‘mensen zonder spraak’, en zullen in de vijfde Ronde sprekende dieren (of mensen van een lagere orde) worden, terwijl de adepten van een bepaalde school hopen dat sommige ego’s van de apen met een hogere intelligentie weer zullen verschijnen aan het einde van het zesde Wortelras. Wat hun vorm zal zijn is van secundair belang. De vorm betekent niets. Soorten en geslachten van de flora, fauna en van het hoogste dier, haar bekroning – de mens, veranderen en variëren naar gelang van de omgeving en klimatologische verschillen, niet alleen met elke Ronde, maar eveneens met elk Wortelras en ook na elke geologische ramp, die een eind maakt aan of een keerpunt veroorzaakt in dat ras. Tijdens het zesde Wortelras zullen de fossielen van de orang, de gorilla en de chimpansee die van uitgestorven vierhandige zoogdieren zijn, en nieuwe vormen – hoewel geringer in aantal en steeds verder van elkaar verwijderd naarmate de eeuwen verstrijken en het einde van het manvantara nadert – zullen zich ontwikkelen uit de ‘afgeworpen typen’ van de mensenrassen, wanneer ze uit het slijk van het stoffelijke leven weer overgaan tot het astrale leven. Voor de mens er was, waren er geen apen, en ze zullen zijn uitgestorven vóór het zevende Ras zich ontwikkelt. Karma zal de monaden van de achtergebleven mensen van ons ras verder leiden en onderbrengen in de nieuw ontwikkelde menselijke vormen van de op deze manier fysiologisch herboren baviaan. (Maar zie Afdeling III, Aanhangsels.)
    Dit zal natuurlijk pas over miljoenen jaren plaatsvinden. Maar het beeld van deze cyclische voortgang van alles wat nu op aarde leeft en ademt, van elke soort op haar beurt, is juist en heeft geen ‘speciale schepping’ of wonderbaarlijke vorming nodig van mens, dier en plant uit het niets.
    Zo verklaart de occulte wetenschap de afwezigheid van schakels tussen aap en mens, en laat zien dat de eerstgenoemde evolueerde uit de laatstgenoemde.

 

Noten:

  1. De ongelukkige poging van Gladstone om het verhaal van Genesis in overeenstemming te brengen met de wetenschap (zie Nineteenth Century, ‘Dawn of Creation’ en de ‘Proem to Genesis’, 1886), heeft hem een door Huxley geslingerde bliksem van Jupiter bezorgd. De dode letter van het verhaal rechtvaardigde zo’n poging niet; en zijn viervoudige orde of indeling van de bezielde schepping is een steen geworden die, in plaats van de vlieg op het hoofd van de slapende vriend te doden, de man zelf doodde. Gladstone heeft Genesis voorgoed vermoord. Maar dit bewijst niet dat er geen esoterie in aanwezig is. Het feit dat de joden en alle christenen, de hedendaagse zowel als de eerste sekten, het verhaal tweeduizend jaar lang letterlijk hebben opgevat, bewijst slechts hun onwetendheid; en het toont de grote vindingrijkheid en constructieve bekwaamheid van de ingewijde rabbi’s, die de twee verhalen – het elohistische en het jehovistische – esoterisch hebben opgebouwd en de betekenis ervan door de klinkerloze symbolen of woordtekens in de oorspronkelijke tekst opzettelijk hebben verward. De zes dagen – yom – van de schepping betekenen zes tijdperken van evolutie, en de zevende die van het hoogtepunt van perfectie (niet van rust), en hebben betrekking op de zeven Ronden en de zeven Rassen met in elk een specifieke ‘schepping’; hoewel het gebruik van de woorden boker, dageraad of ochtend en crib, avondschemering – die esoterisch dezelfde betekenis hebben als sandhya, schemering, in het Sanskriet – hebben geleid tot de beschuldiging van de grofste onwetendheid over de volgorde van de evolutie.
  2. ‘Volg de wet van de analogie’, leren de Meesters. Atma-buddhi is tweevoudig en manas is drievoudig, omdat het eerstgenoemde twee aspecten heeft en het laatstgenoemde drie, d.i. als een beginsel per se, dat in zijn hogere aspect naar atma-buddhi streeft en in zijn lagere natuur kama volgt, de zetel van aardse en dierlijke begeerten en hartstochten. Vergelijk nu de evolutie van de Rassen, waarvan het eerste en het tweede van de aard van atma-buddhi zijn, hun passieve geestelijke nageslacht, terwijl het derde Wortelras fysiologisch en psychisch drie verschillende verdelingen of aspecten laat zien; het eerste is zonder zonden; het middelste ontwaakt tot intelligentie; en het derde en laatste is beslist dierlijk, d.i. manas dat bezwijkt voor de verleidingen van kama.
  3. ‘De mensen worden pas voltooid tijdens hun derde cyclus (ras), tegen het begin van de vierde. Ze worden tot ‘goden’ gemaakt, goede en kwade, en zijn pas verantwoordelijk wanneer de twee bogen elkaar ontmoeten (na 3 1/2 ronde tegen het begin van het vijfde Ras). Ze worden zo gemaakt door de nirmanakaya (geestelijke of astrale overblijfselen) van de rudra-kumara’s, vervloekt om weer op aarde te worden geboren; d.w.z. gedoemd om op hun beurt en op natuurlijke wijze te reïncarneren in de hogere opgaande boog van de aardse cyclus.’ (Toelichting IX.)
  4. De hele moeilijkheid is deze: fysiologen noch pathologen zullen ooit erkennen dat de cel-voortbrengende substantie (de cytoblastema) en de moederloog waaruit de kristallen voortkomen, één en dezelfde essentie zijn, behalve in differentiatie voor bepaalde doeleinden.
  5. Trans. of Geolog. Soc. of Glasgow’, deel iii. Vreemd genoeg is hij onlangs van mening veranderd. De zon, zegt hij, is slechts 15.000.000 jaar oud.
  6. Vandaar de filosofie in de allegorie van de 7, 10 en tenslotte 21 prajapati’s, rishi’s, muni’s, enz., die allen tot vaders van verschillende dingen en wezens worden gemaakt. De volgorde van de zeven klassen of orden van planten, dieren en zelfs onbezielde dingen – die in de Purana’s door elkaar voorkomen – wordt in een aantal toelichtingen wel goed weergegeven. Zo is Prithu de vader van de aarde. Hij melkt haar, en laat haar alle soorten graan en groente dragen, die alle worden genoemd en gespecificeerd. Kasyapa is de vader van alle reptielen, slangen, demonen, enz.
  7. Zie Deel I, blz. 151ev (Engelse uitgave) over de boom van de evolutie, de ‘Wereldboom’.
  8. Maar in toom gehouden en gewijzigd door de wet van vertraging, die aan de vooruitgang van alle soorten een beperking oplegt als er een hoger type verschijnt.

De Geheime Leer 2:283-97

© 1988 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag