§ 2

De voorouders die de wetenschap aan de mensheid biedt

 

   ‘De belangrijkste vraag voor de mensheid – het probleem dat aan alle andere ten grondslag ligt en interessanter is dan welk ook – is het vaststellen van de plaats die de mens in de Natuur inneemt en van zijn relaties met het Heelal van de dingen.’    – Huxley

   De wereld is nu verdeeld en aarzelt tussen goddelijke voorouders – Adam en Eva of de maanpitri’s – en Bathybius Haeckelii, de geleiachtige kluizenaar van de zilte diepte. Nu de occulte theorie is uitgelegd, kan deze worden vergeleken met die van het hedendaagse materialisme. De lezer wordt uitgenodigd tussen deze twee te kiezen nadat hij ze op hun respectievelijke verdiensten heeft beoordeeld.
   Wij kunnen enige troost over de verwerping van onze goddelijke voorouders putten uit het feit dat de beschouwingen van Haeckel door de strikt exacte wetenschap niet beter worden behandeld dan de onze. Om de fylogenese van Haeckel wordt door de vijanden van zijn fantastische evolutie, door andere en grotere wetenschappers, niet minder gelachen dan om onze oerrassen. Wij kunnen Du Bois-Reymond gemakkelijk geloven als hij zegt dat ‘in de ogen van de historische criticus de stambomen van ons ras, geschetst in de ‘Schöpfungsgeschichte’, ongeveer evenveel waarde hebben als de stambomen van de homerische helden’.
   Als dit vaststaat, zal iedereen zien dat de ene hypothese even goed is als de andere. En wanneer die Duitse natuuronderzoeker (Haeckel) zelf toegeeft dat noch de geologie (in haar beschrijving van het verleden), noch de geschiedenis van de afstamming van de organismen ooit zal ‘opklimmen tot het niveau van een werkelijk exacte wetenschap’1, wordt aan de occulte wetenschap een ruime mogelijkheid gelaten om haar aantekeningen te maken en haar protesten in te dienen. Men laat de wereld de keuze tussen de leringen van Paracelsus, de ‘vader van de moderne scheikunde’, en die van Haeckel, de vader van de mythische Sozura. Meer verlangen wij niet.
   Zonder zich de vrijheid te veroorloven deel te nemen aan de twist tussen zulke heel geleerde natuuronderzoekers als Du Bois-Reymond en Haeckel over onze bloedverwantschap met ‘die voorouders (van ons) die zijn opgeklommen van eencellige klassen, wormen, schedellozen, vissen, amfibieën en reptielen tot de vogels’ – kan men in enkele woorden een paar vragen stellen ter informatie van onze lezers. Als we van die gelegenheid gebruikmaken en daarbij de theorieën van Darwin over natuurlijke selectie, enz., in gedachten houden, zouden we de wetenschap – voor wat betreft de oorsprong van de mensen- en diersoorten – willen vragen welke van de twee evolutietheorieën die hierboven zijn beschreven, de meest wetenschappelijke is, of de meest onwetenschappelijke, als men daar de voorkeur aan geeft.
   (1) Is het de theorie van een evolutie die vanaf de aanvang met seksuele voortplanting begint?
   (2) Of is het de leer die de geleidelijke ontwikkeling van organen beschrijft, hun vast worden en het voortplanten van elke soort, eerst door een eenvoudige gemakkelijke deling van één in twee of zelfs meer individuen. Dan volgt er een nieuwe ontwikkeling – de eerste stap naar een soort met gescheiden, afzonderlijke geslachten – de hermafroditische toestand; verder een soort parthenogenese, ‘maagdelijke voortplanting’, waarbij de eicellen in het lichaam worden gevormd, daaruit in atomische emanaties tevoorschijn komen en erbuiten rijp worden; totdat tenslotte, na de uiteindelijke scheiding in geslachten, de mensen zich door seksuele gemeenschap beginnen voort te planten?
   Van deze twee wordt de eerstgenoemde ‘theorie’ – of liever een ‘geopenbaard feit’ – verkondigd door alle exoterische bijbels (behalve de Purāna’s), in het bijzonder door de joodse kosmogonie. De laatstgenoemde is de theorie die, zoals al werd uitgelegd, door de occulte filosofie wordt onderwezen.
   Een antwoord op onze vraag is te vinden in een onlangs uitgegeven boek van S. Laing2 – de beste vertegenwoordiger onder de leken van de hedendaagse wetenschap. In hoofdstuk viii van zijn laatste boek, A Modern Zoroastrian, begint de schrijver met verwijten te maken aan ‘alle oude religies en filosofieën’, omdat ‘deze voor hun goden een mannelijk en vrouwelijk beginsel aannemen’. Op het eerste gezicht, zegt hij,

‘schijnt het onderscheid van geslacht even fundamenteel als dat van plant en dier’. . . . ‘De geest van god die over de Chaos zweeft en de wereld voortbrengt’, klaagt hij verder, ‘is slechts een latere versie, herzien volgens monotheïstische denkbeelden, van de veel oudere Chaldeeuwse legende die de schepping van de Kosmos uit de Chaos beschrijft door de samenwerking van grote goden, mannelijke en vrouwelijke . . .’. Zo leert men ons in het orthodoxe christelijke geloof te herhalen: ‘verwekt, niet gemaakt’, een uitdrukking die volkomen onzinnig is, een voorbeeld van het gebruik van woorden als valse bankbiljetten, die niet de werkelijke waarde van een denkbeeld tot grondslag hebben. Want ‘verwekt’ is een heel bepaalde term die ‘de vereniging inhoudt van de twee geslachten om een nieuw individu voort te brengen’.

   Al zijn we het ook met de geleerde schrijver eens dat het niet raadzaam is verkeerde woorden te gebruiken en dat er een verschrikkelijk antropomorf en fallisch element schuilt in de oude heilige geschriften – vooral in de orthodoxe christelijke bijbel – niettemin kunnen er in dit geval twee verzachtende omstandigheden zijn. In de eerste plaats zijn al deze ‘oude filosofieën’ en ‘hedendaagse religies’ – zoals in deze twee delen voldoende is aangetoond – een exoterische sluier, geworpen over het gezicht van de esoterische waarheid; en zijn ze – als rechtstreeks gevolg daarvan – allegorisch, d.w.z. mythologisch van vorm; maar toch zijn ze in essentie veel filosofischer dan alle nieuwe zogenaamd wetenschappelijke theorieën. In de tweede plaats heeft vanaf de orfische theogonie tot de laatste bewerking van de Pentateuch door Ezra, elk oud heilig geschrift oorspronkelijk zijn feiten aan het oosten ontleend en is het onderworpen geweest aan voortdurende verandering door vriend en vijand, tot er van de oorspronkelijke versie slechts de naam overbleef, een dode schil waaruit de geest geleidelijk was verwijderd.
   Dit alleen al zou moeten aantonen dat geen enkel nu bestaand religieus boek kan worden begrepen zonder de hulp van de archaïsche wijsheid, de oorspronkelijke grondslag waarop zij alle waren gebouwd.
   Maar om terug te keren tot het rechtstreekse antwoord dat van de wetenschap wordt verwacht op onze rechtstreekse vraag. Het wordt door dezelfde schrijver gegeven wanneer hij, zijn gedachtegang volgend over de onwetenschappelijke euhemerisatie van de Natuurkrachten in oude geloofsovertuigingen, daarover in de volgende bewoordingen een veroordeling uitspreekt:

   ‘De wetenschap maakt echter heel korte metten met de voorstelling dat geslachtelijke generatie de oorspronkelijke en enige manier van voortplanting is3, en de microscoop en het ontleedmes van de natuuronderzoeker leiden ons binnen in nieuwe en volstrekt onvermoede (?) werelden van leven . . .’

   Zo weinig ‘onvermoed’ inderdaad, dat de oorspronkelijke niet-geslachtelijke ‘methoden van voortplanting’ bekend moeten zijn geweest – in elk geval aan de oude hindoes – ondanks de bewering van het tegendeel door Laing. Gelet op de elders door ons aangehaalde bewering in het Vishnu Purāna, dat Daksha ‘de geslachtelijke gemeenschap als middel tot vermenigvuldiging had ingesteld’, maar pas na een reeks andere ‘methoden’, die daarin alle worden opgesomd (Deel II, blz. 12, vertaling van Wilson), wordt het moeilijk het feit te ontkennen. Deze bewering wordt bovendien, let wel, gevonden in een exoterisch boek. S. Laing zegt verder:
   . . . ‘Verreweg het grootste deel van de levende vormen in aantal . . . is tot bestaan gekomen zonder hulp van geslachtelijke voortplanting.’ Hij geeft als voorbeeld de moneren van Haeckel . . . ‘die zich door deling vermenigvuldigen’. De schrijver geeft als volgende stadium de cel met een kern, ‘die precies hetzelfde doet’. Het daaropvolgende stadium is dat ‘waarin het organisme zich niet in twee gelijke delen verdeelt, maar waarbij een klein deel ervan opzwelt . . . en zich tenslotte afscheidt en een afzonderlijk bestaan begint, en tot de grootte van de moeder uitgroeit door middel van zijn inherente vermogen om nieuw protoplasma te vormen uit de omringende anorganische stoffen4’.
   Dit wordt gevolgd door een veelcellig organisme dat wordt gevormd door ‘kiemknoppen, teruggebracht tot sporen of enkelvoudige cellen, die door de ouder worden afgestoten’ . . . wanneer ‘we op de drempel staan van dat stelsel van geslachtelijke voortplanting, dat (nu) de regel is geworden bij alle hogere dierenfamilies’ . . . Wanneer een ‘organisme dat in de strijd om het bestaan in het voordeel is, een blijvend bestaan had verkregen’ . . . ontwikkelden zich speciale organen om zich aan de veranderde toestand aan te passen . . . wanneer er een ‘duidelijk onderscheiden vrouwelijk orgaan of een eierstok zou ontstaan, die het ei of de oorspronkelijke cel bevat waaruit het nieuwe wezen zich zou ontwikkelen’. . . . ‘Dit wordt bevestigd door een studie van de embryologie die aantoont dat in de mens en de hogere diersoorten het onderscheid in geslacht zich pas ontwikkelt als er een aanzienlijke vooruitgang is gemaakt in de groei van het embryo . . .’ Bij de grote meerderheid van de planten en bij sommige lagere families van dieren . . . worden de mannelijke en de vrouwelijke organen in hetzelfde wezen ontwikkeld . . . een hermafrodiet. Bovendien ‘ontwikkelen zich bij de maagdelijke voortplanting kiemcellen, die schijnbaar in alle opzichten overeenkomen met eicellen, tot nieuwe individuen zonder enig bevruchtend element’, enz. (blz. 103-107).
   Van dat alles zijn we even goed op de hoogte als van dit – dat het bovenstaande door de heel geleerde Engelse verbreider van de theorieën van Huxley en Haeckel nooit is toegepast op het genus homo. Hij beperkt zich tot klompjes protoplasma, planten, bijen, slakken en dergelijke. Maar als hij trouw wil blijven aan de theorie van de afstamming, moet hij even trouw zijn aan de ontogenese, waarin de fundamentele biogenetische wet, zoals men ons zegt, als volgt luidt:

‘de ontwikkeling van het embryo (ontogenie) is een beknopte en verkorte herhaling van de evolutie van het ras (fylogenie). Deze herhaling is des te vollediger naarmate de ware oorspronkelijke orde van evolutie (palingenese) door voortdurende overerving beter bewaard is gebleven. Anderzijds is deze herhaling minder volledig, naarmate door verschillende aanpassingen een latere oneigenlijke ontwikkeling (caenogenese) plaatshad.’ (Anthrop., 3e druk, blz. 11.)

   Hieruit zien we dat elk levend wezen en ding op aarde, de mens inbegrepen, zich uit één gemeenschappelijke oervorm heeft ontwikkeld. De fysieke mens moet door dezelfde stadia van het evolutieproces met de verschillende methoden van voortplanting zijn heengegaan als andere dieren: hij moet zich hebben gedeeld en vervolgens als hermafrodiet parthenogenetisch (volgens het beginsel van onbevlektheid) zijn jongen ter wereld hebben gebracht. Het volgende stadium zou het eierleggende zijn geweest – eerst ‘zonder enig bevruchtend element’, dan ‘met de hulp van de bevruchtende spore’; en pas na de uiteindelijke en definitieve evolutie van de beide geslachten zou hij duidelijk ‘mannelijk of vrouwelijk’ zijn geworden, wanneer de voortplanting door geslachtelijke vereniging tot universele wet zou uitgroeien. Tot zover is dit alles wetenschappelijk bewezen. Er blijft slechts één ding over om vast te stellen: de duidelijk en begrijpelijk beschreven processen van deze vóórgeslachtelijke voortplanting. Deze staan in de occulte boeken, waarvan de schrijfster in Afdeling 1 van dit Deel heeft geprobeerd een globaal overzicht te geven.
   Of dit is zo, òf de mens is een op zichzelf te beschouwen wezen. De occulte filosofie kan hem wegens zijn duidelijk tweevoudige aard zo noemen. De wetenschap kan dat niet, zodra zij elke invloed buiten de mechanische wetten verwerpt, en geen ander beginsel buiten de stof erkent. De eerstgenoemde – de archaïsche wetenschap – geeft toe dat het fysieke lichaam van de mens door elke vorm is heengegaan, van de laagste tot de allerhoogste, zijn huidige, of van het eenvoudige tot het samengestelde, om de aanvaarde termen te gebruiken. Maar zij beweert dat dit lichaam, omdat het reeds als een van de typen en modellen van de natuur uit de voorafgaande Ronden had bestaan, in deze cyclus (de vierde) vanaf het begin van deze Ronde geheel voor de mens gereed was5. De monade hoefde slechts in het astrale lichaam van de voorouders te treden om het werk van de fysieke verdichting rondom het schaduwachtige prototype te laten beginnen6.
   Wat zou de wetenschap hierop antwoorden? Zij zou natuurlijk antwoorden dat, omdat de mens als laatste van de zoogdieren op aarde verscheen, hij evenmin als die zoogdieren door de oorspronkelijke stadia van de voortplanting, zoals hierboven omschreven, hoefde te gaan. Zijn manier van voortplanten was al op aarde tot stand gebracht toen hij verscheen. Hierop kunnen wij antwoorden: omdat er tot heden toe nog niet de geringste aanwijzing voor een schakel tussen de mens en het dier is gevonden, moet hij (als men de leer van de occultisten wil verwerpen) op wonderbaarlijke manier in de natuur tevoorschijn zijn gekomen, als een Minerva in volle wapenrusting uit het brein van Jupiter. In dat geval hebben de bijbel en andere nationale ‘openbaringen’ gelijk. En dan wordt de wetenschappelijke minachting, die de schrijver van A Modern Zoroastrian zo royaal verspilt aan oude filosofieën en exoterische geloofsopvattingen, voorbarig en misplaatst. Ook de plotselinge ontdekking van een op een ‘ontbrekende schakel’ lijkend fossiel zou de zaak volstrekt niet verbeteren. Want noch zo’n op zichzelf staand exemplaar, noch de wetenschappelijke conclusies daarover, zouden de zekerheid kunnen geven dat dit het langgezochte overblijfsel is, d.w.z. van een onontwikkelde maar toch al sprekende mens. Voor een definitief bewijs zou nog iets meer nodig zijn (zie hieronder, noot). Bovendien begint zelfs Genesis de geschiedenis van de mens, haar Adam van stof, pas waar de Geheime Leer die van haar ‘zonen van god en wijsheid’ eindigt en met de fysieke mens van het derde Ras begint. Eva is niet ‘verwekt’, maar uit Adam tevoorschijn gebracht op de manier van ‘amoebe A’, die zich in het midden samentrekt en amoebe B afsplitst – door deling. (Zie A Modern Zoroastrian, blz. 103.) En evenmin heeft de menselijke spraak zich ontwikkeld uit de verschillende diergeluiden.
   De theorie van Haeckel dat ‘de spraak geleidelijk ontstond uit een paar eenvoudige, ruwe diergeluiden . . .’, zoals een dergelijke ‘spraak nog steeds bij enkele rassen van lagere rang bewaard is gebleven’ (de theorie van Darwin in Pedigree of Man, blz. 22), is volstrekt onjuist, zoals onder andere door prof. Max Müller wordt aangetoond. Hij betoogt dat er nog geen aannemelijke verklaring is gegeven voor het ontstaan van de ‘wortels’ van de taal. Voor menselijke spraak is een menselijk brein nodig. En cijfers over de omvang van de hersenen van mens en aap tonen aan hoe diep de kloof is die deze twee scheidt. Vogt zegt dat de hersenen van de grootste aap, de gorilla, niet meer dan 30,51 kubieke duim groot zijn, terwijl de gemiddelde hersenomvang van de oorspronkelijke plathoofdige bewoners van Australië – nu de laagste van de mensenrassen – 99,35 kubieke duim bedraagt! Getallen zijn lastige getuigen en kunnen niet liegen. Dr. F. Pfaff – zijn vooronderstellingen zijn even betrouwbaar en juist als zijn bijbelse conclusies onnozel – merkt daarom terecht op: ‘De hersenen van de apen die het meest op de mens lijken, hebben minder dan een derde van de omvang van de hersenen van de laagste mensenrassen: ze zijn nog niet half zo groot als de hersenen van een pasgeboren kind.’ (The Age and Origin of Man.) Uit het voorafgaande is gemakkelijk af te leiden dat de wetenschap, om de theorieën van Huxley en Haeckel over de afstamming van de mens te bewijzen, eerst niet één, maar een groot aantal ‘ontbrekende schakels’ – een ware ladder met steeds hogere evolutietreden – zou moeten vinden en vervolgens aan de denkende en redenerende mensheid voorleggen, voordat deze het geloof in goden en de onsterfelijke ziel zou prijsgeven voor de verering van vierhandige voorvaderen. Zuivere mythen worden nu als ‘axiomatische waarheden’ begroet. Zelfs Alfred Russel Wallace houdt met Haeckel vol dat de primitieve mens een aapachtig wezen zonder spraak was. Hierop antwoordt Joly:

   ‘De mens was naar mijn mening nooit deze pithecanthropus alalus, van wie Haeckel het portret heeft getekend alsof hij hem had gezien en gekend, en van wie hij zelfs de bijzondere en volkomen hypothetische stamboom heeft gegeven, vanaf de enkele massa levend protoplasma tot de mens die in het bezit is van spraak en een beschaving analoog aan die van de Australiërs en Papoea’s.’ (N. Joly, Man before Metals, blz. 320, Inter. Scient. Series.)

   Haeckel komt onder andere vaak in rechtstreeks conflict met de taalwetenschap. Bij zijn aanval op de evolutietheorie (1873, ‘Mr. Darwin’s Philosophy of Language’) heeft prof. Max Müller de darwinistische theorie gebrandmerkt als ‘van begin tot eind kwetsbaar’. Het is een feit, dat slechts de gedeeltelijke waarheid van veel van de secundaire ‘wetten’ van het darwinisme buiten twijfel staat; De Quatrefages aanvaardt blijkbaar ‘natuurlijke selectie’, de ‘strijd om het bestaan’ en de vormveranderingen binnen de soorten als niet voor eens en voor altijd, maar slechts als voor het ogenblik bewezen. Maar het kan misschien geen kwaad de linguïstische bezwaren tegen de theorie van de ‘aapvoorouder’ samen te vatten.
   Talen hebben hun fasen van groei, enz., evenals al het andere in de natuur. Het is vrijwel zeker dat de grote taalfamilies drie stadia doorlopen:
   (1) Alle woorden zijn wortels en worden eenvoudig naast elkaar gezet (radicale talen).
   (2) De ene wortel preciseert de andere en wordt slechts een bepalend element (agglutinerende talen).
   (3) Het bepalende element (waarvan de bepalende betekenis al lang is verdwenen) verenigt zich met het formatieve element tot een geheel (inflecterende talen).
   Het probleem is dan: waar komen deze wortels vandaan? Max Müller betoogt dat het bestaan van deze voor gebruik gereed zijnde spraakmaterialen een bewijs vormt dat de mens niet de kroon van een lange organische reeks kan zijn. Dit vermogen om wortels te vormen is de grote moeilijkheid die de materialisten bijna onveranderlijk proberen te ontlopen.
   Von Hartmann verklaart het als een manifestatie van het ‘onbewuste’ en kent er overtuigingskracht aan toe in tegenstelling tot het mechanische atheïsme. Hartmann is een goed voorbeeld van de metafysicus en idealist van deze tijd.
   Op dit argument zijn de niet-pantheïstische evolutionisten nooit ingegaan. Als men met Schmidt zegt: ‘Moeten wij ons dan laten tegenhouden door de oorsprong van de taal?’, dan is dat een erkennen van dogmatisme en van een snelle nederlaag. (Zie zijn Doctrine of Descent and Darwinism, blz. 304.)
   Wij hebben eerbied voor die wetenschappers die als wijzen van hun tijd zeggen: ‘Omdat het voorhistorische verleden volkomen buiten ons vermogen van rechtstreekse waarneming ligt, zijn wij te eerlijk en te veel gehecht aan de waarheid – of wat wij als de waarheid opvatten – om te speculeren over het onbekende, en onze onbewezen theorieën te verkondigen samen met feiten die in de hedendaagse wetenschap onomstotelijk vaststaan’ . . . ‘Het grensgebied van de (metafysische) kennis kan men het best aan de tijd overlaten, die de beste toetssteen van de waarheid is.’ (A Modern Zoroastrian, blz. 136.)
   Dit is in de mond van een materialist een wijs en eerlijk oordeel. Maar wanneer een Haeckel, nadat hij juist heeft gezegd dat ‘historische gebeurtenissen uit het verleden’ . . . die ‘vele miljoenen jaren geleden hebben plaatsgevonden7, . . . voor altijd buiten de rechtstreekse waarneming vallen’, en dat noch de geologie noch de fylogenie8 ‘de status van een werkelijke exacte wetenschap kunnen of zullen bereiken’, vervolgens nadrukkelijk stelt dat er zich een ontwikkeling heeft voorgedaan van alle organismen – ‘van het laagste gewervelde dier tot het hoogste, van Amphioxus tot de mens’ – dan verlangen we een deugdelijker bewijs dan hij kan geven. Uitsluitend ‘empirische bronnen van kennis’, die door de schrijver van Anthropogeny zo worden aangeprezen – wanneer hij zich voor zijn eigen opvattingen tevreden moet stellen met deze kwalificatie – zijn onvoldoende om problemen op te lossen die buiten hun terrein liggen; ook ligt het niet op de weg van de exacte wetenschap om er enig vertrouwen in te stellen9. Indien ze ‘empirisch’ zijn – en Haeckel beweert dit zelf herhaaldelijk – dan zijn ze, als ze op het verre verleden worden toegepast, niet beter of betrouwbaarder voor het exacte onderzoek dan onze occulte leringen uit het oosten, en moeten beide op één lijn worden gesteld. Zijn fylogenetische en palingenetische beschouwingen worden door de echte geleerden ook niet beter behandeld dan onze cyclische herhalingen van de evolutie van de grote rassen in de kleine, en de oorspronkelijke orde van de evoluties. Want het is de taak van de exacte, ware wetenschap, al is zij materialistisch, zorgvuldig te vermijden wat lijkt op gissingen, speculaties die niet kunnen worden geverifieerd; kortom alle suppressio veri en alle suggestio falsi. De opdracht van iedere man van de exacte wetenschap is op het door hem gekozen vakgebied de natuurverschijnselen waar te nemen; het tot in de kleinste bijzonderheden optekenen, rangschikken, vergelijken en classificeren van de feiten die, met behulp van alle voortreffelijke middelen die de moderne uitvindingen opleveren – niet met behulp van een metafysische vlucht van de fantasie – aan de zintuigen worden aangeboden. Het enige waarop hij recht heeft, is met behulp van fysische instrumenten de gebreken en inbeeldingen van zijn eigen grovere gezichtsvermogen, gehoor en andere zintuigen te corrigeren. Hij heeft niet het recht door te dringen tot het verboden terrein van de metafysica en de psychologie. Het is zijn plicht alle feiten te verifiëren en te verbeteren die onder zijn rechtstreekse waarneming vallen; voordeel te trekken uit de ervaringen en de fouten van het verleden bij de poging de werking na te gaan van een bepaalde aaneenschakeling van oorzaken en gevolgen, die slechts door haar voortdurende en onveranderlijke herhaling een wet kan worden genoemd. Dit is wat van een geleerde wordt verwacht, als hij een leraar van de mensen wil worden en trouw wil blijven aan zijn oorspronkelijke programma van de natuur- of fysische wetenschap. Iedere afwijking van deze koninklijke weg wordt een gissing.
   Wat doen veel zogenaamde wetenschappers in deze tijd, in plaats van zich hieraan te houden? Zij stormen het terrein van de zuivere metafysica binnen, terwijl ze het bespotten. Zij scheppen genoegen in overhaaste conclusies en noemen het ‘een deductieve wet uit de inductieve wet’ van een theorie die is gebaseerd op en geput uit de diepten van hun eigen bewustzijn: een bewustzijn dat is bedorven door en doortrokken van een eenzijdig materialisme. Zij proberen de ‘oorsprong’ van de dingen te verklaren, die alleen nog maar in hun eigen gedachten aanwezig zijn. Zij vallen spirituele geloofsopvattingen en religieuze overleveringen aan die duizenden jaren oud zijn, en maken alles, behalve hun eigen liefhebberijen, uit voor bijgeloof. Zij stellen theorieën op over het Heelal, een kosmogonie die uitsluitend is ontwikkeld door blinde, mechanische natuurkrachten, veel wonderbaarlijker en onmogelijker zelfs dan een theorie die is gebaseerd op de veronderstelling van het ontstaan van het licht uit het niets – en proberen de wereld met zo’n wilde theorie te verbazen; een theorie waaraan, omdat bekend is dat deze uit een wetenschappelijk brein is voortgekomen, blindelings geloof wordt gehecht als heel wetenschappelijk en als de uitkomst van de wetenschap.
   Zijn dit de tegenstanders die het occultisme zou moeten vrezen? Beslist niet. Want dergelijke theorieën worden door de werkelijke (niet empirische) wetenschap niet beter behandeld dan de onze. Haeckel, door Du Bois-Reymond in zijn ijdelheid gekwetst, wordt nooit moe zich publiekelijk te beklagen over de heftige aanval van laatstgenoemde op zijn fantastische theorie van de afstamming. Met ophef sprekend over ‘de buitengewoon rijke voorraadschuur met empirisch bewijsmateriaal’, noemt hij die ‘erkende fysiologen’ die al zijn bespiegelingen, die hij aan de genoemde ‘voorraadschuur’ ontleent, bestrijden – onwetenden. ‘Wanneer velen’, verklaart hij – ‘onder wie zelfs enkele wetenschappers van naam – van mening zijn dat de hele fylogenie een luchtkasteel is en dat stambomen (van apen?) een leeg spel van de verbeelding zijn, bewijzen zij door zo te spreken slechts hun onkunde over die rijkdom aan empirische bronnen van kennis waarnaar al is verwezen’ (Pedigree of Man, blz. 273).
   Wij openen het woordenboek van Webster en lezen de definities van het woord ‘empirisch’: ‘berustend op ervaring of waarneming alleen, zonder gepaste aandacht te besteden aan de moderne wetenschap en theorie’. Dit slaat op de occultisten, spiritisten, mystici, enz. Verder, ‘een empiricus: iemand die zich ertoe beperkt de resultaten van (alleen) zijn eigen waarnemingen toe te passen’ (wat met Haeckel het geval is); ‘iemand wie het aan wetenschap ontbreekt . . . een onwetende en onbevoegde beoefenaar; een kwakzalver; een charlatan’.
   Geen occultist of ‘magiër’ heeft ooit lelijker bijnamen gekregen. Maar de occultist blijft op zijn eigen metafysische terrein en probeert niet zijn kennis, de vruchten van zijn persoonlijke waarneming en ervaring, bij de exacte wetenschappen van de hedendaagse geleerdheid onder te brengen. Hij blijft binnen zijn eigen rechtmatige sfeer, waar hij meester is. Maar wat moet men denken van een verstokte materialist, van wie de plicht duidelijk uitgestippeld vóór hem ligt en die zich zo uitdrukt:

   ‘De oorsprong van de mens uit andere zoogdieren en vooral uit de catarrhine aap, is een deductieve wet, die onvermijdelijk volgt uit de inductieve wet van de theorie van de afstamming.’ (Anthropogeny, blz. 392.)

   Een ‘theorie’ is eenvoudig een hypothese, een speculatie, en geen wet. Het anders te zeggen is slechts een van de vele vrijheden die wetenschappers tegenwoordig nemen. Zij verkondigen iets absurds en verbergen dat dan achter het schild van de wetenschap. Elke gevolgtrekking uit een theoretische speculatie is niets anders dan een speculatie gebaseerd op een speculatie. Sir W. Hamilton heeft al aangetoond dat het woord theorie nu ‘in een heel ruime en oneigenlijke betekenis’ wordt gebruikt . . . , ‘dat het verwisselbaar is met hypothese, en hypothese wordt gewoonlijk toegepast als een ander woord voor gissing, terwijl de woorden ‘theorie’ en ‘theoretisch’ eigenlijk moeten worden gebruikt als tegenstelling van de termen praktijk en praktisch’.
   Maar de hedendaagse wetenschap zet een domper op deze laatste bewering en spot met dit denkbeeld. Materialistische filosofen en idealisten uit Europa en Amerika zijn het misschien wèl eens met de evolutionisten wat de fysieke oorsprong van de mens betreft – maar voor de ware metafysicus zal die toch nooit een algemene waarheid worden, en hij daagt de materialisten uit om hun willekeurige veronderstellingen waar te maken. Het thema van de aaptheorie10 van Vogt en Darwin, waarop de Huxley-Haeckelianen onlangs zulke buitengewone variaties hebben aangebracht, is veel minder wetenschappelijk dan onze theorie ooit zal blijken te zijn – omdat dit thema in botsing komt met de eigen fundamentele wetten ervan. Dit is heel gemakkelijk aan te tonen. Laat de lezer slechts het voortreffelijke boek raadplegen over ‘de menselijke soort’ door de grote Franse natuuronderzoeker De Quatrefages, en onze bewering zal onmiddellijk worden geverifieerd.
   Bovendien zal geen mens, tenzij hij een verstokte materialist is, aarzelen tussen de esoterische leer over de oorsprong van de mens en de speculaties van Darwin. Hier volgt de beschrijving door Darwin van ‘de eerste voorouders van de mens’.

   ‘Zij waren zonder twijfel eens met haar bedekt, beide geslachten hadden baarden; hun oren waren puntig en zij konden deze bewegen; en hun lichamen hadden een staart, met de daarvoor nodige spieren. Hun ledematen en lichamen werden bewogen door veel spieren die tegenwoordig slechts in enkele gevallen bij de mens weer verschijnen, maar die nog aanwezig zijn bij de vierhandigen. . . . De voet, te oordelen naar de toestand van de grote teen bij de foetus, was toen geschikt om mee te grijpen, en onze voorouders woonden ongetwijfeld in bomen en hielden zich op in een warm, met wouden bedekt land. De mannetjes hadden grote hoektanden die dienden als geduchte wapens. . . .’11

   Darwin brengt hem in verband met het type van de gestaarte catarrhinen, ‘en plaatst hem daarmee een stap lager op de evolutieladder. De Engelse natuuronderzoeker is er niet mee tevreden aan zijn eigen leringen vast te houden en komt daardoor evenals Haeckel op dit punt rechtstreeks in conflict met een van de essentiële wetten die de voornaamste bekoring van het darwinisme vormen. . . .’ Dan toont de Franse natuuronderzoeker aan, hoe deze essentiële wet werd geschonden. ‘Inderdaad’, zegt hij,

‘vinden er volgens de theorie van Darwin geen transmutaties plaats bij toeval; evenmin in elke richting. Ze worden beheerst door bepaalde wetten die aan de bouw van het organisme zelf zijn toe te schrijven. Wanneer een organisme eenmaal in een gegeven richting is gewijzigd, kan het secundaire en tertiaire transmutaties ondergaan, maar het zal nog steeds het stempel van het origineel bewaren. Alleen de wet van de blijvende kenmerken stelt Darwin in staat de verwantschap van groepen, hun kenmerken en hun talrijke relaties te verklaren. Op basis van deze wet zijn alle afstammelingen van het eerste weekdier ook weekdieren geweest, en alle afstammelingen van het eerste gewervelde dier eveneens gewervelde dieren. Het is duidelijk dat dit een van de grondslagen van de leer vormt. . . . Hieruit volgt dat twee wezens, die tot twee afzonderlijke typen behoren, kunnen worden teruggevoerd tot een gemeenschappelijke voorvader, maar het ene kan niet de afstammeling van het andere zijn’ (blz. 106).
   ‘De mens en de aap vertonen een heel opvallende tegenstelling wat type betreft. Hun organen . . . komen bijna stuk voor stuk met elkaar overeen: maar deze organen zijn volgens een heel verschillend plan gerangschikt. Bij de mens zijn ze zo ingericht, dat hij de kenmerken van een lopend wezen heeft, terwijl die bij de apen deze noodzakelijk tot klimmers maken . . . We hebben hier een anatomisch en mechanisch verschil . . . Een blik op de bladzijde, waar Huxley naast elkaar afbeeldingen geeft van een menselijk skelet en de skeletten van de hoogst ontwikkelde apen, vormt een voldoend overtuigend bewijs.’
   ‘Uit een oogpunt van logische toepassing van de wet van de blijvende kenmerken, volgt uit deze feiten dat de mens niet kan afstammen van een voorvader die al is gekenmerkt als aap, evenmin als een catarrhine staartloze aap kan afstammen van de catarrhine aap met een staart. Een lopend dier kan niet van een klimmend dier afstammen.’
   ‘Vogt, die de mens bij de primaten indeelt, verklaart zonder aarzelen dat de laagste klasse van apen de grens (de gemeenschappelijke voorvader) heeft overschreden, waaruit de diverse typen van deze familie zijn voortgekomen en zich in verschillende richtingen hebben ontwikkeld.’

De occulte wetenschap beschouwt de laagste mensengroep tijdens de Atlantische periode als de voorvader van de apen, zoals al eerder is gezegd. . . . De Quatrefages vervolgt, daarmee onze leer bevestigend:

   ‘We moeten dus de oorsprong van de mens plaatsen vóór die van de laatste apen, als we ons willen houden aan een wet die voor de darwinistische theorie beslist onmisbaar is. We komen dan bij de prosimiae van Haeckel, de lori’s, indri’s, enz. Maar ook die dieren zijn klimmers; we moeten dus verder teruggaan, op zoek naar onze eerste rechtstreekse voorouder. Maar de stamboom van Haeckel brengt ons van de laatstgenoemden tot de buideldieren. . . .
    Van de mens tot de kangoeroe is de afstand ongetwijfeld groot. Noch de levende, noch de uitgestorven fauna vertoont de tussenliggende typen die als wegwijzers zouden moeten dienen. Deze moeilijkheid brengt Darwin maar weinig in verlegenheid12. We weten dat hij het gebrek aan informatie over dergelijke vragen als een bewijs ten gunste van zijn opvatting ziet. Haeckel wordt er ongetwijfeld even weinig door gehinderd. Hij erkent het bestaan van een volkomen theoretische pithecoïde mens.’
   ‘Zal Haeckel, nu is bewezen dat volgens het darwinisme zelf de oorsprong van de mens moet worden geplaatst vóór het achttiende stadium en nu het daarom noodzakelijk wordt de kloof tussen de buideldieren en de mens te overbruggen, het bestaan toegeven van vier onbekende tussenliggende groepen in plaats van één? ‘Zal hij zijn stamboom op deze manier voltooien? Het is niet aan mij hierop te antwoorden.’ (The Human Species, blz. 107-108.)

   Zie echter de beroemde stamboom van Haeckel in The Pedigree of Man, die hij de ‘voorouderreeks van de mens’ noemt. In de ‘tweede afdeling’ (achttiende stadium) beschrijft hij ‘prosimiae, verwant aan de lori’s (stenops) en maki’s (lemur) zonder buidelbeenderen en cloaca, maar met een placenta’. En raadpleeg nu The Human Species, blz. 109, 110 van De Quatrefages en zie zijn op de laatste ontdekkingen gebaseerde bewijzen dat ‘de prosimiae van Haeckel geen decidua en een diffuse placenta hebben’. Deze kunnen zelfs niet de voorouders van de apen zijn, laat staan van de mens, volgens een basiswet van Darwin zelf, zoals de grote Franse natuuronderzoeker aantoont. Maar dit ontmoedigt de ‘dier-theoretici’ volstrekt niet, want innerlijke tegenspraak en paradoxen vormen juist de ziel van het moderne darwinisme. Getuige daarvan is – Huxley. Nadat hij zelf in verband met de fossiele mens en de ‘ontbrekende schakel’ heeft aangetoond dat er ‘noch in het Kwartair, noch in de huidige tijd enig wezen is dat de overgang vormt en dat de kloof overbrugt die de mens scheidt van de troglodiet’, en dat ‘het ontkennen van het bestaan van deze kloof even afkeurenswaardig als absurd zou zijn’, ontkent de grote wetenschapper met zijn daden de juistheid van zijn eigen woorden, namelijk door met het volle gewicht van zijn wetenschappelijke autoriteit die meest ‘absurde’ van alle theorieën te steunen: de afstamming van de mens van een aap!
   ‘Deze stamboom’, zegt De Quatrefages, ‘is volkomen onjuist, en berust op een wezenlijke fout’. Inderdaad baseert Haeckel zijn afstamming van de mens op het 17de en het 18de stadium (zie Aveling, Pedigree of Man, blz. 77), de buideldieren en de prosimiae – (genus Haeckelii ?). Door de laatstgenoemde term toe te passen op de lemuridae – en deze daarmee tot dieren met een placenta te maken – begaat hij een zoölogische blunder. Want nadat hij zelf de zoogdieren volgens hun anatomische verschillen in twee groepen heeft verdeeld: de indeciduata, die geen decidua hebben (een speciaal vlies dat de placentae verenigt), en de deciduata, die dat wel bezitten, rekent hij de prosimiae tot de laatstgenoemde groep. We hebben elders aangetoond wat andere wetenschappers hierover hadden te zeggen. Zoals De Quatrefages meedeelt:

   ‘De anatomische onderzoekingen door . . . Milne Edwards en Grandidier van deze dieren . . . laten geen twijfel bestaan dat de prosimiae van Haeckel geen decidua en een diffuse placenta hebben. Het zijn indeciduata. Niet alleen is het volstrekt onmogelijk dat ze de voorouders van de apen zijn, volgens de beginselen die Haeckel zelf heeft vastgesteld, maar ze kunnen zelfs niet als de voorouders van de zonoplacentale zoogdieren worden beschouwd . . . en men zou ze in verband moeten brengen met de pachydermata, de edentata en de cetacea’ (blz. 110).

   En toch gaan de bedenksels van Haeckel bij sommigen voor exacte wetenschap door!
   Op bovengenoemde fout, indien het er een is, wordt in Pedigree of Man van Haeckel in de vertaling van Aveling zelfs niet gezinspeeld. Zelfs al geldt de verontschuldiging, dat toen de beroemde ‘stambomen’ werden gemaakt, ‘de embryogenese van de prosimiae niet bekend was’: nu is deze wel bekend. We zullen zien of in de volgende druk van de vertaling van Aveling deze belangrijke fout zal zijn verbeterd, dan wel of het 17de en het 18de stadium blijven zoals ze zijn om de leek in de waan te laten dat het om werkelijke tussenliggende schakels gaat. Maar, zoals de Franse natuuronderzoeker opmerkt, ‘hun methode (van Darwin en Haeckel) is altijd dezelfde: het onbekende wordt beschouwd als bewijs ten gunste van hun theorie’ (ibid.).
   Het komt hierop neer. Verschaf de mens een onsterfelijke geest en een ziel; ken aan de hele bezielde en onbezielde schepping het monadische beginsel toe, dat zich geleidelijk uit de latente en passieve tot de actieve en positieve polariteit ontwikkelt – en Haeckel zal geen been meer hebben om op te staan, wat zijn bewonderaars ook zeggen.
   Maar zelfs tussen Darwin en Haeckel zijn er belangrijke verschillen. Terwijl de eerstgenoemde ons laat afstammen van de catarrhine aap met een staart, voert Haeckel onze hypothetische voorvader terug tot de staartloze aap, hoewel hij hem tegelijk plaatst in een hypothetisch ‘stadium’ dat onmiddellijk aan deze voorafgaat: ‘menocerca met staarten’ (19de stadium).
   Toch hebben wij één punt van overeenstemming met de darwinistische school: de wet van de geleidelijke en uiterst langzame evolutie, die vele miljoenen jaren omvat. Het voornaamste twistpunt, zo schijnt het, betreft de aard van de oorspronkelijke ‘voorouder’. Men zal ons zeggen dat de Dhyāni-Chohan, of de ‘voorvader’ van Manu, een hypothetisch wezen is dat op het fysieke gebied onbekend is. Wij antwoorden daarop dat de hele oudheid erin geloofde en negen tiende van de tegenwoordige mensheid; bovendien is de pithecoïde mens of ‘aapmens’ niet alleen een door Haeckel geschapen zuiver hypothetisch wezen, op deze aarde onbekend en niet op te sporen, maar ook botst zijn stamboom – zoals Haeckel die heeft bedacht – met wetenschappelijke feiten en met alle bekende gegevens uit de latere ontdekkingen in de zoölogie. Het is eenvoudig absurd, zelfs als verzinsel. Zoals De Quatrefages met een paar woorden aantoont, erkent Haeckel ‘het bestaan van een absoluut theoretische pithecoïde mens’ – honderd keer moeilijker te aanvaarden dan een deva-voorvader. En dit is niet het enige voorbeeld waarin hij zo te werk gaat om zijn genealogische tabel te voltooien; en hij geeft zijn verzinsels zelf op een heel naïeve manier toe. Hij erkent immers het niet-bestaan van zijn sozura (14de stadium) – een wezen dat aan de wetenschap volstrekt onbekend is – door boven zijn eigen handtekening toe te geven dat ‘het bewijs van zijn bestaan voortvloeit uit de noodzaak van een overgangstype tussen het 13de en het 14de stadium’!
   Als dat zo is, zouden wij met evenveel wetenschappelijk recht kunnen beweren dat het bewijs van het bestaan van onze drie etherische rassen en van de drie-ogige mensen van het derde en het vierde Wortelras ‘ook voortvloeit uit de noodzaak van een overgangstype’ tussen het dier en de goden. Waarom zouden dan de aanhangers van Haeckel in dit bijzondere geval mogen protesteren?
   Zij hebben natuurlijk een antwoord klaar: ‘Omdat wij het bestaan van de monadische essentie niet erkennen.’ De manifestatie van de logos als individueel bewustzijn in de dierlijke en menselijke schepping wordt door de exacte wetenschap niet aanvaard en dit denkbeeld bestrijkt natuurlijk ook niet het hele terrein. Maar de fouten van de wetenschap en haar willekeurige veronderstellingen zijn in het algemeen van veel grotere omvang dan13 die ooit uit enige ‘buitensporige’ esoterische leer kunnen voortvloeien. Zelfs denkers van de school van Von Hartmann zijn door de algemene epidemie besmet geraakt. Zij aanvaarden (min of meer) de antropologie van Darwin, hoewel zij ook het individuele ego vooropstellen als een manifestatie van het onbewuste (de westerse voorstelling van de logos of de oorspronkelijke goddelijke gedachte). Zij zeggen dat de evolutie van de fysieke mens uit het dier heeft plaatsgevonden, maar dat het denkvermogen in zijn verschillende fasen geheel buiten de stoffelijke feiten staat, hoewel een organisme (als een upādhi) voor zijn manifestatie noodzakelijk is.

 


 

Plastidulaire zielen en bewuste zenuwcellen


   Er komt nooit een einde aan de wonderen bij Haeckel en zijn school, die door de occultisten en theosofen met alle recht worden beschouwd als materialistische landlopers die zich onrechtmatig toegang hebben verschaft tot andermans metafysisch terrein. Niet tevreden met het vaderschap van de Bathybius (Haeckelii), vinden zij nu ‘plastidulaire zielen’14 en ‘atoomzielen’ uit, op grond van volkomen blinde mechanische krachten van de stof. Men deelt ons mee dat ‘de studie van de evolutie van het zielenleven aantoont dat dit zich van de lagere stadia van de eenvoudige celziel, via een verbazingwekkende reeks van geleidelijke evolutiestadia, heeft opgewerkt tot de ziel van de mens’. (Present Position of Evolution, blz. 266.)
   ‘Verbazingwekkend’ – inderdaad, omdat deze wilde speculatie is gebaseerd op het bewustzijn van de ‘zenuwcellen’. Want, zoals hij ons zegt: ‘Hoe weinig we nu ook in staat zijn om de aard van het bewustzijn volledig te verklaren15, toch toont het vergelijkende en genetische onderzoek ervan duidelijk aan dat het slechts een hogere en ingewikkelder functie van de zenuwcellen is.’ (Ibid., noot 22.)
   Het lied van Herbert Spencer over het bewustzijn is blijkbaar ten einde en kan voortaan veilig opgeborgen blijven in de rommelkamer van verouderde speculaties. Waar belandt Haeckel echter met de ‘ingewikkelde functies’ van zijn wetenschappelijke ‘zenuwcellen’? Alweer midden in de occulte en mystieke leringen van de kabbala over de nederdaling van de zielen als bewuste en onbewuste atomen; bij de pythagorische monade en de monaden van Leibniz – en de ‘goden, monaden en atomen’ van onze esoterische leer16; bij de dode letter van de occulte leringen, die worden overgelaten aan de amateur-kabbalisten en de beoefenaars van de ceremoniële magie. Want bij het verklaren van zijn pas gesmede terminologie zegt hij het volgende:

   ‘Plastidule-zielen; de plastidulen of protoplasmische moleculen, de kleinste, homogene deeltjes van het protoplasma, moeten volgens onze ‘plastische’ theorie worden beschouwd als de actieve factoren van alle levensfuncties. Het verschil tussen de plastidulaire ziel en de anorganische moleculaire ziel is, dat de eerste een geheugen bezit.’ (Pedigree of Man, noot, blz. 296.)

   Dit thema ontwikkelt hij in zijn wonderbaarlijke lezing over de ‘perigenese van de plastidule, of de golfbewegingen van levende deeltjes’. Het is een verbetering van de theorie van Darwin over ‘pangenese’ en een verdere nadering, een voorzichtige beweging in de richting van ‘magie’. De eerstgenoemde is een vermoeden dat een bepaald aantal van de werkelijke en identieke atomen, die tot voorvaderlijke lichamen hadden behoord, ‘door hun nakomelingen generatie na generatie werden overgebracht, zodat wij letterlijk ‘vlees van het vlees’ van het oerwezen zijn, dat zich in de latere . . . periode tot mens ontwikkelde’ – verklaart de schrijver van A Modern Zoroastrian (in ‘Primitive Polarities’, enz.). De laatstgenoemde (het occultisme) leert (a) dat de levensatomen van ons (prāna) levensbeginsel nooit volkomen verloren gaan wanneer iemand sterft. Dat de atomen die het sterkst zijn doortrokken van het levensbeginsel (een onafhankelijke, eeuwige, bewuste factor) gedeeltelijk door de erfelijkheid worden overgebracht van vader op zoon, en gedeeltelijk weer worden samengebracht en het bezielende beginsel worden van het nieuwe lichaam in elke nieuwe incarnatie van de monaden. Want (b): evenals de individuele ziel altijd dezelfde is, zijn de atomen van de lagere beginselen (het lichaam, zijn astraal of dubbelganger, enz.) dat ook, omdat zij door verwantschap en de karmische wet altijd tot dezelfde individualiteit in een reeks van verschillende lichamen worden aangetrokken, enz.17.
   Om rechtvaardig en op zijn minst logisch te zijn, zouden onze hedendaagse volgelingen van Haeckel een besluit moeten uitvaardigen, dat de ‘perigenese van de plastidule’ en dergelijke lezingen voortaan nauw moeten zijn verbonden met die over ‘esoterisch boeddhisme’ en ‘de zeven beginselen van de mens’. Zo zal het publiek tenminste de kans krijgen om na vergelijking te beoordelen welke van de twee leringen het meest of het minst absurd is, zelfs gezien vanuit het standpunt van de materialistische en exacte wetenschap!
   Nu zijn de occultisten – die elk atoom in het heelal, of het nu samengesteld of enkelvoudig is, terugvoeren tot de Ene eenheid of het universele Leven; die niet erkennen dat er in de Natuur ook maar iets anorganisch kan zijn; die niet zoiets als dode stof kennen – consequent in hun leer van geest en ziel, als zij spreken over een geheugen, een wil en gewaarwording in elk atoom. Maar wat kan een materialist met die kwalificatie bedoelen? De wet van de biogenese, in de betekenis die de volgelingen van Haeckel eraan geven, ‘is het gevolg van de onwetendheid van die wetenschapper over occulte fysica’. Wij kennen en spreken over ‘levensatomen’ – en over ‘slapende atomen’ – omdat we van mening zijn dat deze twee vormen van energie – de kinetische en de potentiële – worden voortgebracht door een en dezelfde kracht of het ene leven, en omdat we dit laatstgenoemde als de bron en beweger van alles beschouwen. Maar wat is het dat aan de ‘plastidulaire zielen’ van Haeckel energie en vooral een geheugen verschafte? De ‘golfbeweging van levende deeltjes’ wordt begrijpelijk door de theorie van het geestelijke ene leven, van een universeel levensbeginsel, onafhankelijk van onze stof en dat zich alleen op ons bewustzijnsgebied manifesteert als atomaire energie. Dat is het wat, in de menselijke cyclus geïndividualiseerd, van vader op zoon wordt overgebracht.
   Nu oppert Haeckel, terwijl hij de theorie van Darwin wijzigt, ‘op een heel aannemelijke manier’, zoals de schrijver van de Modern Zoroastrian denkt, ‘dat niet de identieke atomen, maar hun bijzondere bewegingen en manier van aggregatie zo (door erfelijkheid) zijn overgebracht’.
   Wanneer Haeckel of een andere wetenschapper meer wist over de aard van het atoom dan nu het geval is, zou hij de zaak niet op deze manier hebben verbeterd. Want hij zegt, in meer metafysische taal dan Darwin, precies hetzelfde. Het levensbeginsel of de levensenergie, dat alomtegenwoordig, eeuwig en onvernietigbaar is, is als noumenon een kracht en een beginsel, maar als verschijnsel bestaat het uit atomen. Het is een en hetzelfde, en ze kunnen niet als gescheiden worden beschouwd, behalve in het materialisme18.
   Verder verkondigt Haeckel over de atoomzielen nog iets, dat op het eerste gezicht even occult schijnt als de monade van Leibniz. Hij zegt:

   ‘De onlangs gevoerde discussie over de aard van de atomen, die we in de een of andere vorm als de uiteindelijke factoren in alle natuur- en scheikundige processen moeten opvatten, schijnt heel gemakkelijk te kunnen worden bijgelegd door aan te nemen dat deze heel kleine massa’s als krachtcentra een blijvende ziel bezitten, dat elk atoom gewaarwording en het vermogen om te bewegen heeft.’

   Hij zegt geen woord over het feit dat dit de theorie van Leibniz is, en een bij uitstek occulte theorie. Ook verstaat hij onder de term ‘ziel’ niet hetzelfde als wij; want bij Haeckel is zij eenvoudig, samen met het bewustzijn, het product van de grijze hersenstof, iets dat, evenals de ‘celziel, even onverbrekelijk is verbonden met het protoplasma-lichaam als de menselijke ziel met de hersenen en het ruggenmerg’. (Ibid.) Hij verwerpt de conclusies van Kant, Herbert Spencer, Du Bois-Reymond en Tyndall. De laatstgenoemde formuleert de mening van alle grote wetenschappers en van de grootste denkers van deze en van vroegere tijden, door te zeggen dat

   ‘de overgang van de fysieke werkingen van de hersenen tot de overeenkomstige feiten van het bewustzijn ondenkbaar is. Al waren onze denkvermogens en zintuigen zo . . . verlicht, dat we in staat waren zelfs de moleculen van de hersenen te zien en te voelen; al konden we al hun bewegingen, al hun groeperingen . . . elektrische ontladingen . . . volgen . . . dan zouden we even ver als ooit van de oplossing van het probleem zijn verwijderd . . . De kloof tussen de twee klassen van verschijnselen zou nog steeds verstandelijk onoverbrugbaar zijn.’

   Maar de ingewikkelde functie van de zenuwcellen van de grote Duitse empiricus, of met andere woorden zijn bewustzijn, zal hem niet toestaan de conclusies van de grootste denkers van onze aardbol te volgen. Hij is groter dan zij. Hij beweert dit en protesteert tegen allen. ‘Niemand heeft het recht te beweren dat wij (Haeckel) in de toekomst niet in staat zullen zijn die grenzen van onze kennis te overschrijden die vandaag onoverkomelijk lijken’; en hij citeert uit de inleiding van Darwin tot de Descent of Man deze woorden, die hij bescheiden toepast op zijn wetenschappelijke tegenstanders en zichzelf: ‘Het zijn altijd degenen die weinig weten en niet zij die veel weten, die stellig beweren dat dit of dat probleem nooit door de wetenschap zal worden opgelost.’
   De wereld kan gerust zijn. De dag is niet ver meer, waarop de ‘in drie opzichten grote’ Haeckel (tot zijn eigen tevredenheid) zal hebben aangetoond dat het bewustzijn van Sir I. Newton, fysiologisch gesproken, slechts de reflexwerking (of negatief bewustzijn) was, veroorzaakt door de perigenese van de plastidulen van onze gemeenschappelijke voorvader en oude vriend, het moneron Haeckelii. Het feit dat de genoemde ‘Bathybius’ is ontmaskerd en aan de kaak gesteld als een bedrieger, die zich uitgaf voor de organische substantie die hij niet was; en dat onder de mensenkinderen alleen de vrouw van Lot (en deze zelfs pas na haar onaangename metamorfose in een zoutpilaar) het korreltje zout dat hij wel is, als haar voorvader zou kunnen opeisen – zal hem volstrekt niet ontmoedigen. Hij zal even doodkalm als altijd blijven beweren, dat het niet meer was dan de bijzondere manier van bewegen van de geest van de al lang verdwenen atomen van onze ‘vader Bathybius’ die, door eonen van tijd heen overgebracht in het celweefsel van de grijze hersenstof van elk groot mens, Sophocles en Aeschylus, evenals Shakespeare, hun tragedieën deed schrijven, Newton zijn Principia, Humboldt zijn Cosmos, enz. Deze geest bracht Haeckel ertoe Grieks-Latijnse namen van drie duim lang te verzinnen, die schijnbaar heel veel, maar in feite helemaal niets betekenen.
   We weten natuurlijk heel goed dat de ware, eerlijke evolutionist het met ons eens is, en dat hij de eerste is om te zeggen dat niet alleen de geologische verslagen onvolmaakt zijn, maar dat er in de reeks van tot dusver ontdekte fossielen enorme leemten zijn die nooit kunnen worden opgevuld. Hij zal ons bovendien zeggen dat ‘geen evolutionist aanneemt dat de mens afstamt van een bestaande of uitgestorven aap’, maar dat de mens en de aap waarschijnlijk eonen geleden zijn ontstaan uit een gemeenschappelijke stam. Toch zal hij, zoals De Quatrefages opmerkt, als bewijsmateriaal dat zijn (van de evolutionist) beweringen ondersteunt, juist die rijkdom aan afwezige bewijzen aanvoeren en zeggen dat ‘in de reeks beschikbare fossielen niet alle levende vormen bewaard zijn gebleven, omdat de kansen op behoud gering en dun gezaaid waren’, want zelfs de oermens ‘begroef of verbrandde zijn doden’ (A. Wilson). Dit is precies wat wij ook zeggen. Het is evengoed mogelijk dat de toekomst voor ons de ontdekking in petto heeft van het reuzenskelet van een Atlantiër van 30 voet lang, als het fossiel van een pithecoïde ‘ontbrekende schakel’: alleen is het eerstgenoemde waarschijnlijker.

 

Noten:

  1. Pedigree of Man, ‘The Proofs of Evolution’, blz. 273.
  2. Schrijver van Modern Science and Modern Thought.™
  3. Zie Afdeling 1 van dit Deel, Stanza 8.
  4. Zoals in Afdeling 1 is aangetoond, was de archaïsche wetenschap ook hierin ver vóór op de hedendaagse wetenschap, veel verder dan de eigen speculaties van de laatstgenoemde in deze richting.
  5. Theosofen zullen zich herinneren dat volgens de occulte leer de zogenaamde cyclische pralaya’s slechts verduisteringen zijn en dat tijdens deze perioden de Natuur, dat is al het zichtbare en onzichtbare op een rustende planeet, in statu quo blijft. De Natuur rust en sluimert, op de bol is geen afbraakproces aan de gang, ook al wordt er geen actief werk verricht. Alle vormen en ook hun astrale typen blijven zoals zij op het laatste ogenblik van hun activiteit waren. Aan de ‘nacht’ van een planeet gaat nauwelijks enige schemering vooraf. Zij raakt als een grote mammoet in een lawine gevangen en blijft sluimerend en bevroren tot de volgende dageraad van haar nieuwe dag – inderdaad een heel korte in vergelijking met de ‘dag van Brahmā’.
  6. Dit zal minachtend worden verworpen, omdat onze hedendaagse wetenschappers het niet zullen inzien; maar elke occultist en theosoof zal het proces gemakkelijk begrijpen. Er kan op aarde geen objectieve vorm zijn (en evenmin in het Heelal) zonder dat zijn astrale prototype eerst in de Ruimte wordt gevormd. Van Phidias tot de nederigste beoefenaar van de pottenbakkerskunst moet een beeldhouwer eerst een model in zijn geest scheppen, dit vervolgens schetsen in twee dimensies en dan pas kan hij het weergeven in een driedimensionale of objectieve figuur. En als de menselijke geest een levend voorbeeld is van zulke opeenvolgende stadia in het evolutieproces – hoe kan het dan anders zijn als het om de geest en de scheppende krachten van de natuur gaat?
  7. Hieruit blijkt dat de school van Haeckel, in haar verlangen om onze edele afstamming van de catarrhine ‘baviaan’ te bewijzen, de tijd van de voorhistorische mens miljoenen jaren heeft teruggeschoven. (Zie Pedigree of Man, blz. 273.) Occultisten, bedank de wetenschap voor zo’n bevestiging van onze beweringen!
  8. Dit schijnt een armzalig compliment voor de geologie, die geen speculatieve wetenschap is, maar even exact als de sterrenkunde – behalve misschien in haar te gewaagde chronologische speculaties. Zij is voornamelijk een ‘beschrijvende’, in tegenstelling tot een ‘abstracte’ wetenschap.
  9. Nieuw bedachte woorden zoals ‘perigenese van plastiden’, ‘plastidulaire zielen’ (!) en andere minder sierlijke uitdrukkingen die door Haeckel werden uitgevonden, kunnen heel geleerd en juist zijn voorzover ze de denkbeelden in zijn eigen levendige fantasie tekenend uitdrukken. Als feiten echter blijven ze voor zijn minder fantasierijke collega’s pijnlijk caeno-genetisch – om zijn eigen terminologie te gebruiken: d.w.z. voor de ware wetenschap zijn het valse speculaties zolang ze aan ‘empirische bronnen’ zijn ontleend. Wanneer hij dus probeert te bewijzen dat ‘de oorsprong van de mens uit andere zoogdieren, en in de eerste plaats uit de catarrhine aap, een deductieve wet is die noodzakelijk volgt uit de inductieve wet van de theorie van de afstamming’ (Anthropogeny, blz. 392), dan hebben zijn niet minder geleerde tegenstanders (Du Bois-Reymond bijvoorbeeld) het recht in deze zin alleen maar een gegoochel met woorden te zien; een ‘testimonium paupertatis van de natuurwetenschap’ – zoals hij zelf klaagt, terwijl hij hen op zijn beurt domoren noemt (zie Pedigree of Man, noten).
  10. De verstandelijke barrière tussen mens en aap, die door Huxley wordt gekenmerkt als een ‘enorme kloof, een praktisch onmetelijke afstand’!! is inderdaad op zichzelf overtuigend. Deze vormt ongetwijfeld een blijvend raadsel voor de materialist die steunt op het zwakke rietje van de ‘natuurlijke selectie’. De fysiologische verschillen tussen de mens en de apen zijn in werkelijkheid – ondanks een merkwaardige overeenkomst van bepaalde trekken – even treffend. Dr. Schweinfurth, een van de voorzichtigste en meest ervaren natuuronderzoekers, zegt:
       ‘In de tegenwoordige tijd zijn er geen dieren in de schepping die meer aandacht van de wetenschappelijke onderzoeker hebben getrokken dan de grote vierhandigen (de antropoïden), die zo’n treffende overeenkomst met de menselijke vorm vertonen, dat ze met recht de benaming antropomorfen hebben gekregen. . . . Maar al het huidige onderzoek brengt de menselijke intelligentie slechts tot de erkenning van de ontoereikendheid ervan; en nergens is voorzichtigheid meer aan te bevelen, nergens is een voorbarig oordeel meer af te keuren dan wanneer men probeert de geheimzinnige kloof te overbruggen die mens en dier scheidt’ (Heart of Africa, i, 520).
  11. Een belachelijk voorbeeld van evolutionistische tegenspraak wordt gegeven door Schmidt (Doctrine of Descent and Darwinism, blz. 292). Hij zegt: ‘De verwantschap van de mens met de apen wordt niet tegengesproken door de dierlijke kracht van de tanden van de mannelijke orang of gorilla.’ Darwin daarentegen voorziet dit fabelachtige wezen van tanden die als wapens worden gebruikt!
  12. Zelfs volgens een medestander, prof. Schmidt, heeft Darwin ‘een stellig niet vleiend en misschien in veel opzichten onjuist portret ontworpen van onze vermoedelijke voorouders in de dageraad van de mensheid’. (Doctrine of Descent and Darwinism, blz. 284.)
  13. Natuurlijk is het esoterische stelsel van evolutie van de vierde Ronde veel ingewikkelder dan de paragraaf en de citaten waarnaar is verwezen, categorisch beweren. Het is praktisch een omkering – zowel wat de conclusies van de embryologie als wat de opeenvolging in de tijd van de soorten betreft – van de gangbare westerse opvatting.
  14. Volgens Haeckel zijn er ook celzielen, ‘een anorganische moleculaire ziel’ zonder, en een ‘plastidulaire ziel met (of in het bezit van) een geheugen’. Wat zijn vergeleken daarmee onze esoterische leringen? De goddelijke en menselijke ziel van de zeven beginselen in de mens moet natuurlijk voor zo’n overweldigende openbaring verbleken en wijken!
  15. Dit is een waardevolle bekentenis. Maar deze maakt de poging om de afstamming van zowel het bewustzijn als het fysieke lichaam van de mens af te leiden van Bathybius Haeckelii, nog grappiger en empirischer, in de zin van de tweede definitie van Webster.
  16. Zij die de tegenovergestelde mening huldigen en het bestaan van de menselijke ziel opvatten ‘als een bovennatuurlijk, een spiritueel verschijnsel, bepaald door krachten die volkomen verschillen van de gewone fysieke krachten’, . . . ‘spotten’ volgens hem ‘daarom met elke verklaring die zuiver wetenschappelijk is’. Zij hebben, zo lijkt het, niet het recht te beweren dat ‘de psychologie geheel of gedeeltelijk een spirituele en geen natuurwetenschap is’. . . . De nieuwe ontdekking van Haeckel (die echter al duizenden jaren in alle oosterse religies werd onderwezen), dat de dieren zielen, wil en gewaarwording en dus zielsfuncties hebben, brengt hem ertoe van de psychologie de wetenschap van de zoölogen te maken. De archaïsche leer dat de ‘ziel’ (de dierlijke en de menselijke ziel, of kāma en manas) ‘haar eigen ontwikkelingsgeschiedenis heeft’, wordt door Haeckel voorgesteld als zijn eigen ontdekking en vernieuwing op een ‘onbetreden (?) pad’! Hij (Haeckel) zal de vergelijkende evolutie van de ziel in de mens en in andere dieren uitwerken. . . . ‘De vergelijkende morfologie van de zielsorganen en de vergelijkende fysiologie van de zielsfuncties, die beide zijn gebaseerd op de evolutie, worden zo het psychologische (in werkelijkheid materialistische) probleem van de wetenschapper.’ (‘Cell-souls and Soul-cells’, blz. 137, Pedigree of Man.)
  17. (Zie ‘Transmigration of the Life Atoms’, Five years of Theosophy, blz. 533-539.) Het collectieve aggregaat van deze atomen vormt zo de anima mundi van ons zonnestelsel, de ziel van ons kleine heelal, waarvan ieder atoom natuurlijk een ziel, een monade, een klein heelal is, in het bezit van bewustzijn en dus van een geheugen. (Deel 1, Afdeling 3, ‘Goden, monaden en atomen’.)
  18. In ‘De transmigratie van de levensatomen’ zeggen wij, om een standpunt dat maar al te vaak verkeerd wordt begrepen nader te verklaren: ‘Het is alomtegenwoordig . . . hoewel (op dit gebied van manifestatie) vaak in een sluimerende toestand – zoals in een steen. De omschrijving die zegt dat, wanneer het verband tussen deze onverwoestbare kracht en de ene groep atomen (moleculen hadden we moeten zeggen) wordt verbroken, deze kracht onmiddellijk door andere wordt aangetrokken, betekent niet dat zij de eerste groep volledig loslaat (omdat de atomen zelf dan zouden verdwijnen); maar alleen dat zij haar vis viva of levenskracht – de energie van beweging – naar een andere groep overbrengt. Maar uit het feit dat zij zich in de volgende groep manifesteert als dat wat kinetische energie wordt genoemd, volgt niet dat deze geheel aan de eerste groep wordt onthouden; want zij is er als potentiële energie of sluimerend leven nog in aanwezig’, enz. Wat kan Haeckel nu met zijn ‘niet identieke atomen, maar hun bijzondere beweging en manier van aggregatie’ anders bedoelen dan dezelfde kinetische energie, die wij hebben verklaard? Vóór hij deze theorieën ontwikkelde, moet hij Paracelsus hebben gelezen en Five Years of Theosophy hebben bestudeerd, zonder echter de leringen behoorlijk in zich op te nemen.

 


De Geheime Leer 2:746-67

© 1988 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag