§ 4

De duur van de geologische tijdperken,

rascyclussen en de oudheid van de mens


   Miljoenen jaren zijn in vergetelheid verzonken en hebben wat de oorsprong van de mens en de geschiedenis van de vroegste rassen betreft, in het geheugen van de niet ingewijden geen andere herinnering nagelaten dan die aan de weinige duizenden jaren van de orthodoxe westerse chronologie.
   Alles hangt af van de bewijzen die voor de oudheid van de mensheid zijn gevonden. Indien de nog betwiste mens uit het Plioceen of zelfs uit het Mioceen de homo primigenius was, dan kan de wetenschap (argumenti causa) gelijk hebben als zij haar huidige antropologie – voor wat betreft de datum en de manier van ontstaan van de ‘homo sapiens’ – baseert op de darwinistische theorie1. Maar indien de skeletten van de mens ooit in de Eocene lagen zouden worden ontdekt, maar geen fossiele aap, waardoor het bestaan van de mens vóór de mensaap wordt bewezen – dan zullen de darwinisten hun vindingrijkheid in een andere richting moeten aanwenden. En in goed ingelichte kringen wordt gezegd dat de 20ste eeuw nog in haar eerste begin zal zijn, wanneer zo’n onweerlegbaar bewijs van de prioriteit van de mens zal worden ontdekt.
   Zelfs nu al worden bewijzen aangevoerd dat de data voor het stichten van steden, beschavingen en andere historische gebeurtenissen op absurde manier naar het heden zijn verschoven. Dit is gedaan als zoenoffer aan de bijbelse chronologie. ‘Er is in Genesis geen datum te vinden’, schrijft de beroemde paleontoloog Ed. Lartet, ‘die een tijd aangeeft voor de geboorte van de oorspronkelijke mensheid’; maar de chronologen hebben vijftien eeuwen lang geprobeerd de bijbelfeiten met geweld in overeenstemming te brengen met hun stelsels. Zo zijn er niet minder dan honderdveertig verschillende meningen gevormd alleen over de datum van de ‘schepping’; ‘en tussen de uitersten ligt een verschil van 3194 jaar in de berekening van de periode tussen het begin van de wereld en de geboorte van Christus2. In de loop van de laatste paar jaar hebben de archeologen ook het begin van de Babylonische beschaving bijna 3000 jaar moeten terugzetten. Op de funderingscylinder die werd geplaatst door Nabonidus – de Babylonische koning die door Cyrus werd overwonnen – vindt men de optekeningen van de eerstgenoemde, waarin hij spreekt over zijn ontdekking van de funderingssteen die behoorde tot de oorspronkelijke tempel, gebouwd door Naram-Sin, zoon van Sargon van Akkadië, de veroveraar van Babylonië die, zoals Nabonidus zegt, 3200 jaar vóór zijn eigen tijd leefde.’
   Wij hebben in Isis aangetoond dat zij die de geschiedenis zouden baseren op de joodse chronologie (een volk dat er zelf geen had en de westerse tot de 12de eeuw verwierp), het spoor bijster zouden raken, want het joodse verhaal kan alleen met behulp van kabbalistische berekeningen worden gevolgd, en met een sleutel daartoe in de hand. . . . De door wijlen George Smith gemaakte chronologie van de Chaldeeën en Assyriërs, die door hem in overeenstemming is gebracht met die van Mozes, hebben wij heel fantastisch genoemd. En nu hebben latere assyriologen onze verwerping althans in dit opzicht bevestigd. Want terwijl G. Smith koning Sargon I (prototype van Mozes in zijn legende) omstreeks 1600 v.Chr. in de stad Akkad laat regeren – waarschijnlijk uit stille eerbied voor Mozes, die volgens de bijbel in 1571 v.Chr. leefde – vernemen we nu uit de eerste van de zes Hibbert-lezingen, in 1887 gehouden door prof. A.H. Sayce uit Oxford: ‘Oude opvattingen over de eerste annalen van Babylonië en zijn religies zijn door recente ontdekkingen sterk veranderd. Men is het er nu over eens dat het eerste Semitische rijk dat van Sargon van Akkadië was, die een grote bibliotheek stichtte, de letterkunde bevorderde en zijn veroveringen over de zee tot Cyprus uitbreidde. Nu is bekend dat hij al in 3750 v.Chr. regeerde.’ ‘De door de Fransen te Tel-loh gevonden Akkadische monumenten moeten zelfs nog ouder zijn en teruggaan tot ongeveer 4000 v.Chr.’, met andere woorden tot het vierde jaar van de schepping van de wereld volgens de bijbelse chronologie, toen Adam nog in de luiers lag. Misschien zullen over enkele jaren de 4000 jaar nog verder worden uitgebreid. De bekende spreker uit Oxford merkte in zijn verhandelingen over ‘De oorsprong en groei van de religie, toegelicht aan de hand van de Babylonische religie’ op: ‘De moeilijkheden van het systematische naspeuren van de oorsprong en de geschiedenis van de Babylonische religie waren aanzienlijk. De bronnen van onze kennis over dat onderwerp bestonden bijna volledig uit monumenten; van klassieke of oosterse schrijvers was heel weinig hulp te krijgen. Het was inderdaad een niet te ontkennen feit dat de Babylonische priesters de studie van de religieuze teksten opzettelijk in bijna onoverkomelijke kronkels hebben gewikkeld.’ Dat zij de data en vooral de volgorde van de gebeurtenissen ‘opzettelijk’ hebben verward, is ontegenzeglijk waar, en om een heel goede reden: hun geschriften en optekeningen waren alle esoterisch. De Babylonische priesters deden niet anders dan de priesters van andere oude volkeren. Hun geschriften waren alleen bestemd voor de ingewijden en hun leerlingen, en alleen de laatsten werden voorzien van de sleutels tot de ware betekenis. Maar de opmerkingen van prof. Sayce zijn veelbelovend. Want hij verklaart de moeilijkheid door te zeggen: ‘Omdat de bibliotheek van Ninivé voornamelijk kopieën van oudere Babylonische teksten bevatte, en de kopiisten alleen die kleitabletten uitkozen die van bijzonder belang waren voor de Assyrische veroveraars en die tot een betrekkelijk laat tijdperk behoorden, droeg dit veel bij tot de grootste van al onze moeilijkheden – namelijk dat wij zo vaak in het duister werden gelaten over de ouderdom van de documenten die als bewijs moesten dienen en over de juiste waarde van ons materiaal voor de geschiedenis.’ Men heeft dus het recht te concluderen dat een verdere ontdekking kan leiden tot een nieuwe noodzaak om de Babylonische data tot zover vóór het jaar 4000 v.Chr. terug te schuiven, dat ze volgens elke bijbelvereerder voor-kosmisch zouden worden.
   Hoeveel meer zou de paleontologie hebben geleerd, als er niet miljoenen boeken waren vernietigd! Wij spreken over de bibliotheek van Alexandrië, die driemaal is vernietigd, nl. door Julius Caesar in 48 v.Chr., in 390 n.Chr. en tenslotte in 640 n.Chr. door de generaal van kalief Omar. Wat is dit in vergelijking met de vernietigde boeken en documenten in de oorspronkelijke Atlantische bibliotheken, waarin zoals men zegt optekeningen aanwezig waren, vastgelegd op de gelooide huiden van reusachtige voordiluviaanse monsters? Of met de vernietiging van de talloze Chinese boeken op bevel van de stichter van de keizerlijke Tsin dynastie, Tsin Shi Hwang-ti, in 213 v.Chr.? En de kleitabletten van de keizerlijke Babylonische bibliotheek en de kostbare schatten van de Chinese verzamelingen konden beslist nooit zulke informatie hebben bevat als een van de bovengenoemde ‘Atlantische’ huiden aan de onwetende wereld zou hebben verschaft.
   Maar zelfs met behulp van de beschikbare uiterst magere gegevens is de wetenschap in staat geweest de noodzaak in te zien om bijna elke Babylonische datum terug te schuiven, en ze heeft dat in ruime mate gedaan. Wij vernemen van prof. Sayce, dat zelfs aan de archaïsche beelden in Tel-loh in Beneden-Babylonië plotseling een datum wordt toegeschreven die samenvalt met die van de vierde dynastie in Egypte. Helaas delen dynastieën en piramiden in het lot van geologische tijdperken; hun data zijn willekeurig en afhankelijk van de respectievelijke grillen van de wetenschappers. Men zegt dat de archeologen nu weten dat de genoemde beelden zijn gemaakt van groen dioriet, dat alleen is te vinden op het schiereiland Sinaï; en ‘zij komen wat stijl en gebruikte standaardmaten betreft overeen met soortgelijke diorieten beelden van de piramidenbouwers van de derde en vierde Egyptische dynastie. . . . Bovendien moet de enig mogelijke periode voor een Babylonische bezetting van de steengroeven van Sinaï kort na het einde van het tijdperk worden gesteld waarin de piramiden werden gebouwd; en alleen zo kunnen we begrijpen hoe de naam Sinaï kan zijn afgeleid van die van Sin, de oorspronkelijke Babylonische maangod.’ Dit is heel logisch, maar welke datum wordt voor deze ‘dynastieën’ aangenomen? De synchronistische tabellen van Sanchoniathon en Manetho en hun getallen, of wat er na de bewerking door de heilige Eusebius van overbleef, zijn verworpen; en we moeten ons nog steeds tevredenstellen met de vier of vijfduizend jaar v.Chr., die men zo vrijgevig aan Egypte heeft toegekend. In elk geval hebben we één punt gewonnen. Er is tenslotte een stad op aarde waaraan een leeftijd van tenminste 6000 jaar wordt toegekend, en dat is Eridu. De geologie heeft dit ontdekt. Nogmaals volgens prof. Sayce:

   ‘Men is nu ook in staat de tijd te bepalen voor het verzanden van het boveneind van de Perzische Golf, dat 5000 tot 6000 jaar in beslag heeft genomen sinds de tijd waarin Eridu, dat nu vijfentwintig mijl landinwaarts ligt, de zeehaven aan de mond van de Eufraat was en de zetel van de Babylonische handel met Zuid-Arabië en India. Bovendien geeft de nieuwe chronologie de tijd aan voor de lange reeks eclipsen die in het grote sterrenkundige boek ‘De waarnemingen van Bel’ staan opgetekend; en wij zijn nu ook in staat de anders verbijsterende verandering in de stand van de lente-dag-en-nachtevening te begrijpen, die heeft plaatsgevonden sinds de eerste Babylonische sterrenkundigen namen gaven aan onze tegenwoordige dierenriemtekens. Toen de Akkadische kalender werd samengesteld en de Akkadische maanden namen kregen, stond de zon bij de lente-dag-en-nachtevening niet zoals nu in Vissen of zelfs in Ram, maar in Stier. Doordat de snelheid van de precessie van de dag-en-nachteveningen bekend is, komen we te weten dat de zon vanaf ongeveer 4700 v.Chr. bij de lente-dag-en-nachtevening in Stier stond, en zo krijgen we sterrenkundige tijdgrenzen die niet kunnen worden betwist3.’

   Het zal ons standpunt misschien verduidelijken indien we al dadelijk zeggen dat we voor de tijdperken en perioden de nomenclatuur van Sir C. Lyell gebruiken en dat, als we over het Secundair en het Tertiair, over het Eoceen, Mioceen en Plioceen spreken, we dit eenvoudig doen om onze feiten begrijpelijker te maken. Omdat voor deze tijdperken en perioden nog geen vaste duur is bepaald en bij verschillende gelegenheden aan één en hetzelfde tijdperk (het Tertiair) zowel 2,5 als 15 miljoen jaar is toegeschreven – en omdat geen twee geologen en natuuronderzoekers het op dit punt eens schijnen te zijn – maakt het voor de esoterische leringen helemaal niet uit of men de mens in het Secundair of in het Tertiair laat verschijnen. Wanneer aan laatstgenoemd tijdperk zelfs een duur van 15 miljoen jaar wordt toegekend, is daartegen geen bezwaar; want de occulte leer, die angstvallig haar werkelijke en juiste cijfers over het eerste, het tweede en twee derde van het derde Wortelras bewaart, geeft maar op één punt duidelijke informatie: de ouderdom van ‘de mensheid van Vaivasvata Manu’. (Zie Afdeling I, Deel II, Chronologie van de brahmanen.)
   Een andere duidelijke uitspraak is de volgende: het was tijdens het zogenaamde Eoceen, dat het continent waartoe het vierde Ras behoorde en waarop het leefde en ten onder ging, de eerste symptomen van verzinken vertoonde. En het was in het Mioceen dat het tenslotte werd vernietigd – behalve het kleine eiland dat door Plato is genoemd. Vooral deze punten moeten aan de gegevens van de wetenschap worden getoetst.


 

A

Hedendaagse wetenschappelijke beschouwingen over de ouderdom

van de aardbol, de dierlijke evolutie en de mens

 

   Mogen wij geen blik slaan in de boeken van specialisten? Het boek van prof. A. Winchell, Comparative Geology: the World Life, verschaft ons merkwaardige gegevens. Hier vinden we een tegenstander van de nevelvlektheorie, een achtenswaardige heer, die met de volle kracht van de hamer van zijn odium theologicum slaat op de tamelijk tegenstrijdige hypothese van de grote lichten van de wetenschap over de siderische en kosmische verschijnselen die zijn gebaseerd op hun respectievelijke relaties tot aardse tijdperken. De ‘al te fantasierijke fysici en natuuronderzoekers’ hebben het niet erg gemakkelijk onder deze stortbui van hun eigen speculatieve getallen, wanneer die naast elkaar worden geplaatst, en ze slaan een tamelijk droevig figuur. Zo zegt hij:

   ‘Sir William Thomson komt op basis van de waargenomen beginselen van afkoeling tot de conclusie dat niet meer dan tien miljoen jaar (elders maakt hij er 100.000.000 van) kunnen zijn verlopen sinds de temperatuur van de aarde voldoende was gedaald om plantaardig leven in stand te houden4. Helmholz berekent dat twintig miljoen jaar voldoende zouden zijn voor de oorspronkelijke nevelvlek om zich te verdichten tot de huidige dimensies van de zon. Prof. S. Newcomb zegt dat er maar tien miljoen jaar nodig zijn om een temperatuur van 212° Fahrenheit te bereiken5. Croll rekent zeventig miljoen jaar voor de diffusie van de warmte, enz.6. Bischof berekent dat de aarde 350 miljoen jaar nodig zou hebben om af te koelen van een temperatuur van 2000° tot 200° Celsius. Read, die zijn schatting baseert op de waargenomen snelheid van denudatie, komt tot 500 miljoen jaar sinds de sedimentatie in Europa begon7. Lyell waagde een ruwe schatting van 240 miljoen jaar; Darwin meende dat er 300 miljoen jaar nodig waren voor de organische transformaties die hij in zijn theorie bedoelt, en Huxley is geneigd er 1000 miljoen voor te eisen’ (!!).

   Hierover merkt prof. Winchell op dat ‘sommige biologen . . . hun ogen stijf dicht schijnen te knijpen en met één sprong in de afgrond van miljoenen jaren lijken te springen, waarvan zij zich evenmin een juiste voorstelling kunnen maken als van de oneindigheid8. Dan gaat hij over tot het noemen van wat hij als betere geologische cijfers beschouwt: een paar daarvan zullen voldoende zijn.
   Volgens Sir W. Thomson bedraagt ‘de ouderdom van de wereld sinds de korstvorming 80.000.000 jaar’; en in overeenstemming met de berekeningen van prof. Houghton van een ondergrens voor de tijd na het omhoogkomen van Europa en Azië, worden drie hypothetische tijden gegeven voor drie mogelijke en verschillende manieren van verheffing: deze variëren van het bescheiden getal van 640.730 jaar, via 4.170.000 jaar tot het geweldige getal van 27.491.000 jaar!!
   Zoals men kan zien, is dit voldoende om onze beweringen over de vier continenten, en zelfs de getallen van de brahmanen, te ondersteunen.
   Verdere berekeningen, waarvan de lezer de bijzonderheden kan vinden in het boek van prof. Winchell9, brengen Houghton tot een benadering van de sedimentaire ouderdom van de aardbol van 11.700.000 jaar. Deze getallen vindt de schrijver te klein, en hij breidt ze terstond uit tot 37.000.000 jaar.
   Verder ‘vertegenwoordigen’ volgens Croll in het ene boek10 2.500.000 jaar ‘de tijd sinds het begin van het Tertiair’, en volgens een andere formulering van zijn opvatting zijn er slechts 15.000.000 jaar verstreken sinds het begin van het Eoceen11; en omdat dit het eerste van de drie Tertiaire tijdperken is, wordt de lezer in onzekerheid gelaten tussen 2,5 en 15 miljoen jaar. Maar als men de eerste gematigde cijfers moet aanhouden, zou de hele ouderdom van de wereld vanaf haar korstvorming 131.600.000 jaar zijn12.
   Omdat de laatste ijstijd zich uitstrekte van 240.000 tot 80.000 jaar geleden (volgens prof. Croll), moet de mens tussen 100.000 en 120.000 jaar geleden op aarde zijn verschenen. Maar zoals prof. Winchell zegt over de ouderdom van het Middellandse-Zee-ras: ‘Men neemt in het algemeen aan dat dit verscheen tijdens het latere terugwijken van de continentale gletsjers.’ Hij voegt eraan toe: ‘Dit heeft echter geen betrekking op de ouderdom van het zwarte en het bruine ras, want er zijn talrijke bewijzen voor hun bestaan in meer zuidelijke streken in tijden die ver vóór de ijstijd lagen’ (blz. 379).
   Als voorbeeld van geologische zekerheid en overeenstemming kunnen nog de volgende getallen worden genoemd. Drie autoriteiten – T. Belt, F.G.S.; J. Croll, F.R.S. en Robert Hunt, F.R.S. – geven als schattingen van de tijd die sinds de ijstijd is verstreken, volkomen verschillende getallen, namelijk:

Belt
20.000 jaar
J. Croll
240.000 jaar
R. Hunt
80.000 jaar

   (Maar zie ‘The Ice-Age Climate and Time’, Popular Science Review, Deel xiv, blz. 242.)
   Geen wonder dat Pengelly bekent dat ‘het tegenwoordig onmogelijk is en dit misschien altijd zal zijn om de geologische tijd zelfs bij benadering terug te brengen tot jaren of zelfs tot duizenden jaren’ (zie boven, voetnoot). Een woord van wijze raad van de occultisten aan de heren geologen: zij zouden het voorzichtige voorbeeld van de vrijmetselaars moeten navolgen. Omdat de chronologie, zeggen zij, de tijd van de schepping niet kan meten, gebruikt hun ‘Oude en oorspronkelijke ritus’ 000.000.000 als de beste benadering van de werkelijkheid.
   Dezelfde onzekerheid, tegenstrijdigheden en onenigheid heersen bij alle andere onderwerpen.
   De wetenschappelijke bewijzen over de afstamming van de mens zijn in feite waanvoorstellingen en valstrikken. Er zijn veel anti-darwinisten in de British Association, en de ‘natuurlijke selectie’ begint terrein te verliezen. Hoewel deze eens als de redder werd beschouwd, die de geleerde theoretici scheen te redden van een uiteindelijke intellectuele val in de afgrond van vruchteloze hypothesen, begint men haar te wantrouwen. Zelfs Huxley vertoont tekenen van ontrouw aan de ‘selectie’ en denkt dat ‘natuurlijke selectie niet de enige factor is:

   ‘Wij hebben een sterk vermoeden dat zij (de Natuur) nu en dan aanzienlijke sprongen maakt bij het doen ontstaan van variëteiten, en dat deze sprongen de oorzaak zijn van enkele hiaten die blijken te bestaan in de reeks van bekende vormen’ (Review of Kölliker’s Criticisms).

   Verder redeneert C.R. Bree, M.D. in Fallacies of Darwinism (blz. 160) als volgt bij zijn beschouwing over de noodlottige hiaten in de theorie van Darwin:
   ‘Men moet bedenken dat het aantal tussenliggende vormen heel groot moet zijn geweest. . . . St. George Mivart gelooft dat verandering in de evolutie sneller kan plaatsvinden dan algemeen wordt aangenomen; maar Darwin blijft manmoedig op zijn standpunt staan en zegt opnieuw ‘natura non facit saltum’’, waarover de occultisten het met Darwin eens zijn.
   De esoterische leer bevestigt volkomen het denkbeeld van een langzame en waardige vooruitgang in de natuur. Alle ‘planetaire impulsen’ zijn periodiek. Toch komt deze theorie van Darwin, ook al is deze in minder belangrijke bijzonderheden juist, evenmin overeen met het occultisme als met Wallace, die in zijn Contributions to the Theory of Natural Selection afdoend aantoont dat er nog iets meer dan ‘natuurlijke selectie’ nodig was om de fysieke mens voort te brengen.
   Laten wij intussen de wetenschappelijke bezwaren tegen deze wetenschappelijke theorie onderzoeken en zien waaruit deze bestaan.
   St. George Mivart houdt het volgende betoog:

   . . . . ‘. . . volgens een voorzichtige schatting kan men voor de afzetting van de lagen tot en met het Boven-Siluur 25.000.000 jaar rekenen. Indien het evolutiewerk dat tijdens deze afzetting is verricht, slechts een honderdste deel van het totaal uitmaakt, zullen we 2.500.000.000 jaar nodig hebben voor de volledige ontwikkeling van het hele dierenrijk tot zijn huidige toestand. Maar zelfs een kwart hiervan zou de tijd ver overschrijden die de fysica en de astronomie voor de voltooiing van dit proces schijnen te kunnen toestaan. Tenslotte bestaat er een moeilijkheid in verband met de reden voor de afwezigheid van fossielrijke afzettingen in de oudste lagen – indien het leven toen even overvloedig en gevarieerd was als het volgens de darwinistische theorie moet zijn geweest. Darwin zelf erkent ‘dat dit nu onverklaarbaar moet blijven’; en dit kan terecht worden aangevoerd als een geldig argument tegen de denkbeelden in zijn eigen boek. . . .’
   ‘Zo vinden we dus een wonderbaarlijke (en volgens darwinistische beginselen allesbehalve verklaarbare) afwezigheid van geleidelijk in elkaar overgaande vormen. Al de duidelijk afgebakende groepen . . . verschijnen tegelijk op het toneel. Zelfs het paard, het dier waarvan de stamboom waarschijnlijk het best bewaard is gebleven, verschaft geen afdoende bewijs van een specifieke oorsprong via heel kleine toevallige variaties, terwijl sommige vormen, zoals de labyrinthodonten en trilobieten, die een geleidelijke verandering schenen te vertonen, dat bij nader onderzoek volstrekt niet blijken te doen. . . . Al deze moeilijkheden worden vermeden als we erkennen dat nieuwe vormen van dierlijk leven met allerlei graden van ingewikkeldheid van tijd tot tijd betrekkelijk plotseling verschijnen en dat zij worden ontwikkeld volgens wetten die deels afhangen van omstandigheden in de omgeving en deels innerlijk zijn – op dezelfde manier als waarop kristallen (en volgens recente onderzoekingen misschien de laagste levensvormen) zich opbouwen volgens de innerlijke wetten van de hen samenstellende substantie en in harmonie en overeenstemming met alle omringende invloeden en omstandigheden.’ (Genesis of Species, blz. 142.)

   ‘De innerlijke wetten van de hen samenstellende substantie.’ Dit zijn wijze woorden en een voorzichtige erkenning van die mogelijkheid. Maar hoe kunnen deze innerlijke wetten ooit worden erkend, indien de occulte leer wordt afgewezen? Een vriend vestigt onze aandacht op de bovenstaande speculaties en schrijft: ‘Met andere woorden, de leer van de planetaire levensimpulsen moet worden erkend. Waarom hebben de soorten anders nu een vaste vorm en waarom vallen zelfs huisdieren zoals duiven en veel andere dieren terug tot hun voorouderlijke typen, wanneer ze aan zichzelf worden overgelaten?’ Maar de leer over de planetaire levensimpulsen moet duidelijk worden omschreven en even goed worden begrepen, als men de huidige verwarring niet nog groter wil maken. Al deze moeilijkheden zouden verdwijnen als de schaduwen van de nacht voor het licht van de opgaande zon, indien men de volgende esoterische axioma’s zou aanvaarden: (a) de enorme ouderdom (en het bestaan) van onze planeetketen; (b) de werkelijkheid van de zeven Ronden; (c) de scheiding van de mensenrassen (buiten de zuiver antropologische verdeling) in zeven verschillende Wortelrassen, waarvan onze huidige Europese mensheid het vijfde is; (d) de ouderdom van de mensheid in deze (vierde) Ronde; en tenslotte (e) dat evenals deze Rassen zich evolueren uit een etherisch tot een stoffelijk bestaan en uit het laatste terug tot een betrekkelijke fysieke ijlheid van weefsel, ook elke levende (zogenaamd) organische diersoort, het plantenrijk daarbij inbegrepen, met elk nieuw Wortelras verandert. Zou dit worden erkend, al is het alleen maar samen met andere veronderstellingen, die stellig na rijpere overweging niet minder absurd zijn – indien althans occulte theorieën tegenwoordig ‘absurd’ moeten worden gevonden – dan zou elke moeilijkheid zijn verdwenen. De wetenschap zou moeten proberen logischer te zijn dan zij nu is, want zij kan moeilijk de theorie volhouden dat de mens afstamt van een antropoïde voorvader en in één adem aan die mens een redelijke oudheid ontzeggen! Wanneer Huxley spreekt over ‘de brede intellectuele kloof tussen mens en aap’ en ‘het tegenwoordige enorme verschil tussen deze twee’13, en als hij de noodzaak erkent de door de wetenschap aanvaarde oudheid van de mens op aarde in verband met zo’n langzame en voortgaande ontwikkeling uit te breiden, dan behoorden al die wetenschappers – in elk geval zij die zijn opvatting delen – tenminste tot enkele benaderende getallen te komen, en het eens te worden over de waarschijnlijke duur van die Pliocene, Miocene en Eocene tijdperken waarover zoveel is gezegd en waarover niets definitiefs bekend is – zelfs als zij niet verder terug durven gaan. Maar geen twee wetenschappers schijnen het met elkaar eens te zijn. De duur van elke periode schijnt een mysterie te zijn en een doorn in het vlees van de geologen; en zoals zojuist is gezegd, zijn ze zelfs voor de betrekkelijk recente geologische formaties niet in staat hun conclusies met elkaar in overeenstemming te brengen. Men kan dus in hun getallen, als zij die al geven, geen vertrouwen stellen, want voor hen is alles òf miljoenen òf eenvoudig duizenden jaren!
   Wat hierboven is gezegd, wordt versterkt door hun eigen bekentenissen en de korte samenvatting ervan die is te vinden in die ‘verzameling van wetenschappen’, de Encyclopaedia Britannica, die bij deze geologische en antropologische raadsels het aanvaarde gemiddelde aangeeft. In dat boek staat een voortreffelijke selectie van de meest gezaghebbende meningen; niettemin vinden we daarin een weigering om zelfs aan zulke betrekkelijk jonge tijdperken als het Neolithicum een definitieve chronologische datum toe te kennen, hoewel wonderlijk genoeg een tijd wordt vastgesteld voor het begin van bepaalde geologische perioden; in elk geval van enkele waarvan de duur nauwelijks nog korter kan worden gemaakt zonder onmiddellijk met de feiten in botsing te komen.
   Zo wordt in de grote Encyclopaedia (Deel X, art. ‘Geology’, blz. 227) het vermoeden uitgesproken dat er ‘100 miljoen jaar zijn verstreken . . . sinds het vast worden van onze aarde, toen de eerste levensvorm erop verscheen14’.
   Maar het schijnt even hopeloos te proberen de hedendaagse geologen en etnologen tot andere gedachten te brengen, als om de darwinistische natuuronderzoekers hun fouten te laten inzien. Over het Arische Wortelras en zijn oorsprong weet de wetenschap even weinig als over de mensen van andere planeten. Met uitzondering van Flammarion en enkele mystici onder de sterrenkundigen wordt zelfs de bewoonbaarheid van andere planeten meestal ontkend. Maar de wetenschappers van de oudste rassen van de Ariërs waren zulke grote adept-sterrenkundigen, dat zij veel meer schijnen te hebben geweten over de rassen van Mars en Venus dan de hedendaagse antropologen over die van de vroegste stadia van de Aarde.
   Laten we de moderne wetenschap een ogenblik terzijde; laten we ons wenden tot de kennis in de oudheid. Wetenschappers uit de oudheid verzekeren ons dat alle geologische rampen – van het oprijzen van oceanen, watervloeden en het verschuiven van continenten tot de tegenwoordige cyclonen, orkanen, aardbevingen, vulkanische uitbarstingen, vloedgolven en zelfs de bijzondere weersomstandigheden en de schijnbare verschuiving van de seizoenen, die alle Europese en Amerikaanse meteorologen verbijstert – zijn toe te schrijven aan en afhankelijk zijn van de maan en de planeten; ja, dat zelfs kleine en onbelangrijk geachte sterrenbeelden de grootste invloed hebben op de meteorologische en kosmische veranderingen boven en in onze aarde. Laten we daarom een ogenblik aandacht schenken aan onze siderische despoten en heersers over onze bol en de mensen. De hedendaagse wetenschap ontkent het bestaan van een dergelijke invloed; de wetenschap uit de oudheid bevestigt deze. We zullen zien wat beide over dit vraagstuk zeggen.

 

Noten:

  1. Er kan hier worden opgemerkt dat die darwinisten die met Grant Allen onze ‘behaarde in bomen wonende’ voorouders terugvoeren tot het Eoceen, in een nogal lastig dilemma zijn terechtgekomen. In de Eocene lagen komt geen fossiele mensaap voor – en nog minder de fabelachtige gemeenschappelijke voorvader die aan de mens en de pithecoïde wordt toegeschreven. Het eerste voorkomen van een mensaap is in het Mioceen.
  2. Ed. Lartet, ‘Nouvelles Recherches sur la co-existence de l’homme et des Grands Mammifères Fossils de la dernière période Géologique’. Annales des Soc. Nat., deel XV, blz. 256.
  3. Uit een verslag van de ‘Hibbert Lectures, 1887. Lectures on the Origin and Growth of Religion, and Illustrated by the Religion of the Ancient Babylonians’, door A.H. Sayce. (Londen, Williams and Norgate.)
  4. Nat. Philos. App. D., Trans. Royal Soc., Edin.
  5. Popular Astronomy, blz. 509.
  6. Climate and Time, blz. 335.
  7. Read. Toespraak, ‘Liverpool Geolog. Society, 1876’.
  8. World-Life, blz. 180.
  9. World-Life, blz. 367-8.
  10. Climate and Time.
  11. Geciteerd in Ch. Gould, Mythical Monsters, blz. 84.
  12. Volgens Bischof waren er 1.004.177 jaar – volgens de berekeningen van Chevandier 672.788 jaar – nodig voor de zogenaamde steenkoolformatie. ‘De Tertiaire lagen, die ongeveer 1000 voet dik zijn, hadden voor hun ontwikkeling circa 350.000 jaar nodig.’ Zie Force and Matter, Büchner, uitgave van J.F. Collingwood.
  13. Man’s Place in Nature, blz. 102, noot.
  14. ‘100.000.000 jaar is waarschijnlijk ruim voldoende voor alle eisen van de geologie’, zegt de tekst. In Frankrijk vinden enkele geleerden dit lang niet ‘voldoende’. Le Couturier maakt hiervoor aanspraak op 350 miljoen jaar; Buffon was tevreden met 34 miljoen jaar, maar er zijn er in de meer moderne scholen, die niet tevreden zijn met minder dan 500 miljoen jaar.

 


De Geheime Leer 2:785-95

© 1988 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag