§ 4

De duur van de geologische tijdperken,

rascyclussen en de oudheid van de mens

 


C

Aanvullende opmerkingen over de esoterische

geologische chronologie


   Het lijkt ons mogelijk, bij benadering de duur van de geologische tijdperken te berekenen uit de nu beschikbare gecombineerde gegevens van de wetenschap en het occultisme. De geologie is natuurlijk in staat één ding vrijwel met zekerheid te bepalen – de dikte van de verschillende afzettingen. Nu ligt het ook voor de hand dat de tijd die nodig is voor het afzetten van een laag op de zeebodem, in een vaste verhouding moet staan tot de dikte van de zo gevormde massa. Ongetwijfeld heeft de snelheid van de erosie van het land en de verspreiding van materiaal over de oceaanbodem van eeuw tot eeuw gevarieerd, en hebben verstoringen van allerlei aard in de aardkorst de ‘uniformiteit’ van de gewone geologische processen verbroken. Vooropgesteld echter dat we een bepaalde numerieke grondslag hebben waarmee we kunnen werken, is onze taak minder moeilijk dan deze op het eerste gezicht schijnt. Rekening houdend met variaties in de snelheid van afzetting, geeft professor Lefèvre ons de relatieve getallen die de geologische tijd aangeven. Hij probeert niet het aantal jaren te berekenen dat is verlopen sinds de eerste laag van het Laurentische gesteente werd afgezet, maar hij stelt die tijd op X en geeft ons dan de verhoudingen waarin de lengten van de verschillende tijdperken staan tot X. Laten we vooropstellen dat ruwweg de oorspronkelijke gesteenten 70.000 voet, de gesteenten van het Primair 42.000 voet, van het Secundair 15.000 voet, van het Tertiair 5000 voet en van het Kwartair ongeveer 500 voet dik zijn:

   ‘Wanneer wij de tijd, hoe lang die ook heeft geduurd, die vanaf het begin van het leven op deze aarde (de lagere Laurentische lagen) is verstreken, in honderd delen verdelen, dan moeten wij aan het tijdperk van de oorspronkelijke gesteenten meer dan de helft van de hele duur toekennen, zeg 53,5; aan het Primair 32,2; aan het Secundair 11,5; aan het Tertiair 2,3 en aan het Kwartair 0,5 of een half procent.’ (Philosophy, blz. 481.)

Omdat het op basis van occulte gegevens vaststaat dat de tijd die sinds de eerste sedimentaire afzettingen is verstreken, 320.000.000 jaar is, kunnen we concluderen tot de volgende duur van de tijdperken:

 


   Deze schattingen komen in bijna alle bijzonderheden overeen met de uitspraken van de esoterische etnologie. De Tertiaire Atlantische deelcyclus, van het ‘hoogtepunt van roem’ van dat Ras in het vroege Eoceen tot de grote ramp in het midden-Mioceen zou dan 3,5 tot 4 miljoen jaar hebben geduurd. Als de duur van het Kwartair niet enigszins is overschat (wat aannemelijk lijkt), zou het verzinken van Ruta en Daitya in het na-Tertiair hebben plaatsgehad. Het is waarschijnlijk dat de hier gegeven resultaten zowel aan het Tertiair als aan het Kwartair een iets te lange duur toekennen, want het derde Ras gaat terug tot ver in het Secundair. Niettemin geven de cijfers veel te denken.
   Maar omdat men op grond van geologisch bewijsmateriaal slechts tot een duur van 100.000.000 jaar komt, zullen we onze beweringen en leringen vergelijken met die van de exacte wetenschap.
   Edward Clodd1 zegt bij zijn bespreking van het boek van De Mortillet, Matériaux pour l’Histoire de l’Homme, dat de mens in het midden-Mioceen plaatst2, dat ‘het in strijd zou zijn met alles wat de evolutieleer onderwijst en bovendien geen steun zou vinden bij mensen die geloven in een speciale schepping en in de onveranderlijkheid van de soorten, om in een vroeg stadium van de levensgeschiedenis van de bol te zoeken naar een zo hoog gespecialiseerd zoogdier als de mens’. Hierop kan men antwoorden: (a) de leer van de evolutie, zoals die door Darwin is geïntroduceerd en door latere evolutionisten is ontwikkeld, is niet alleen het tegendeel van onfeilbaar, maar wordt door verschillende grote geleerden verworpen, bijv. De Quatrefages in Frankrijk en dr. Weismann, een ex-evolutionist in Duitsland, en veel anderen, terwijl de gelederen van de anti-darwinisten elk jaar worden versterkt3; en (b) de waarheid hoeft om haar naam waardig te zijn en om waarheid en feit te blijven, nauwelijks bij enige klasse of sekte om steun te bedelen. Want als de leer de steun zou krijgen van mensen die in een speciale schepping geloven, zou ze nooit bij de evolutionisten in de gunst komen, en omgekeerd. De waarheid moet op haar eigen stevige grondslag van feiten berusten, en haar kansen op erkenning gebruiken wanneer elk vooroordeel dat in de weg staat, is weggenomen. Hoewel de voornaamste aspecten van de kwestie al volledig zijn onderzocht, is het niettemin aan te bevelen telkens weer elke zogenaamde ‘wetenschappelijke’ tegenwerping te bestrijden, wanneer wij beweringen doen die als ketters en ‘anti-wetenschappelijk’ worden beschouwd.
   Laten wij een korte blik werpen op de verschillen tussen de orthodoxe en de esoterische wetenschap voor wat betreft de ouderdom van de bol en van de mens. Met de twee respectievelijke synchronistische tabellen vóór zich, zal de lezer met één blik het belang van deze verschillen kunnen zien; hij zal tegelijkertijd opmerken dat het niet onmogelijk is – ja, zelfs heel aannemelijk – dat verdere ontdekkingen in de geologie en vondsten van fossiele overblijfselen van de mens de wetenschap zullen dwingen te erkennen dat de esoterische filosofie tenslotte gelijk heeft, of in ieder geval het dichtst bij de waarheid staat.


 

Parallellisme van het leven

 

Wetenschappelijke hypothesen Esoterische theorie
De wetenschap verdeelt volgens Haeckel4 het tijdvak van de geschiedenis van de bol sinds het begin van het leven op aarde (of het Azoïcum) in vijf hoofddelen of tijdperken. De esoterische filosofie laat de classificatie van de geologische tijdperken over aan de westerse wetenschap en geeft alleen een indeling van de levensperioden op de bol. In het tegenwoordige manvantara wordt de huidige periode verdeeld in zeven kalpa’s en zeven grote mensenrassen. De eerste kalpa, die overeenkomt met het ‘oorspronkelijke tijdperk’, is de eeuw van de
Oorspronkelijk tijdperk
(Laurentisch stelsel, Cambrisch stelsel, Silurisch stelsel)
Oorspronkelijke5
(deva of goddelijke, mensen, de ‘scheppers’ en voorvaderen6.)
Het oorspronkelijke tijdperk is, zo zegt de wetenschap, volstrekt niet zonder plantaardig en dierlijk leven. In de Laurentische lagen worden exemplaren van de Eozoon Canadense – een in kamers verdeelde schelp – gevonden. In de Silurische worden zeewieren (algen), weekdieren, crustacea en lagere zee-organismen gevonden, en ook een eerste spoor van vissen. Het oorspronkelijke tijdperk vertoont algen, weekdieren, crustacea, poliepen en zee-organismen, enz. De wetenschap leert dus dat er sinds het eerste begin van de tijd in de zee leven was, waarbij zij ons echter veronderstellingen laat maken over de vraag, hoe het leven op aarde verscheen. Als ze (evenals wij) de bijbelse ‘schepping’ verwerpt, waarom geeft ze ons dan geen andere bij benadering aannemelijke hypothese? De esoterische filosofie is het eens met de bewering van de wetenschap (zie de kolom hiernaast), maar maakt op één punt bezwaar. De 300.000.000 jaar van plantaardig leven (zie ‘Brahmaanse chronologie’) gingen aan de ‘goddelijke mensen’ of voorvaderen vooraf. Ook ontkent geen enkele lering dat er in de aarde sporen van leven waren, behalve de Eozoon Canadense in het oorspronkelijke tijdperk. Maar terwijl de genoemde vegetatie tot deze Ronde behoorde, zijn de zoölogische overblijfselen die nu in de zogenaamde Laurentische, Cambrische en Silurische stelsels worden gevonden, de overblijfselen van de derde Ronde. Eerst astraal zoals de rest, verdichtten en materialiseerden ze zich tegelijk met het nieuwe plantenrijk.
Primair (Devoon7, Carboon, Perm) Primair’ (Goddelijke voorvaderen, secundaire groepen en de 21/2 rassen. ‘Wouden van varens, sigillaria, coniferen, vissen, eerste spoor van reptielen’. Dit zegt de hedendaagse wetenschap; de esoterische leer herhaalt wat hierboven werd gezegd. Dit zijn alle overblijfselen van de voorafgaande Ronde8.
   Zodra echter de prototypen uit het astrale omhulsel van de aarde zijn geprojecteerd, komt hieruit een onbeperkte hoeveelheid veranderingen voort.
Secundair (Trias, Jura, Kalk of Krijt) Secundair: Volgens alle berekeningen was het derde Ras al verschenen, omdat er in het Trias al een paar zoogdieren waren en het ras zich moet hebben gescheiden.
Dit is het tijdperk van de reptielen, de reusachtige megalosauri, ichthyosauri, plesiosauri, enz. De wetenschap ontkent de aanwezigheid van de mens in dit tijdperk. Maar dan moet zij verklaren hoe de mens vóór de tijd van Cuvier kennis kon hebben van deze monsters en ze kon beschrijven. De oude annalen van China, India, Egypte en zelfs van Judea staan er vol van, zoals elders is aangetoond. In deze periode verschijnen ook de eerste (buidel-) zoogdieren9 – insecteneters, vleeseters en planteneters; en (volgens prof. Owen) een plantenetend zoogdier met hoeven.
   De wetenschap erkent niet, dat de mens vóór het einde van het Tertiair10 is verschenen. Waarom niet? Omdat de mens aantoonbaar jonger moet zijn dan de hogere zoogdieren. Maar de esoterische filosofie leert ons het omgekeerde. En omdat de wetenschap volstrekt niet in staat is de ouderdom van de mens of zelfs van de geologische tijdperken ook maar bij benadering aan te geven, is de occulte leer, zelfs alleen als hypothese, logischer en redelijker.
Dit is dus het tijdperk van het derde Ras, waarin misschien ook de oorsprong van het vroege vierde is te ontdekken. We zijn hier echter geheel op gissingen aangewezen, omdat er door de ingewijden nog geen definitieve gegevens zijn bekendgemaakt.
   De analogie is wel zwak, maar toch kan men zeggen dat, evenals de eerste zoogdieren en hun voorgangers bij hun evolutie van de ene soort – anatomisch gezien – blijken over te gaan tot een hogere, dit ook geldt voor de mensenrassen bij hun voortplantingsprocessen. Men kan ongetwijfeld een parallel vinden tussen de monotremen, de didelphia (of buideldieren) en de zoogdieren met placenta, die op hun beurt in drie orden11 worden verdeeld, zoals het eerste, tweede en derde Wortelras van de mensen12. Maar dit zou meer ruimte vergen dan nu aan het onderwerp kan worden besteed.

Men wil nog niet toegeven dat de mens in dit tijdperk heeft geleefd:

Tertiar13 (Eoceen, Mioceen, Plioceen)

E. Clodd zegt in Knowledge: ‘Hoewel de zoogdieren met placenta en de orde van de primaten waaraan de mens verwant is, in het Tertiair verschijnen, en het klimaat, tropisch in het Eoceen, warm in het Mioceen en gematigd in het Plioceen, gunstig was voor zijn aanwezigheid, worden de bewijzen voor zijn bestaan in Europa vóór het einde van het Tertiair . . . hier niet algemeen aanvaard.’

Tertiar: Het derde Ras is nu bijna geheel verdwenen, weggevaagd door de vreselijke geologische rampen van het Secundair; het heeft slechts een paar bastaardrassen achtergelaten.
   Het vierde Ras, miljoenen jaren vóór14 de genoemde ramp geboren, ging tijdens het Mioceen ten onder15, toen het vijfde (ons Arische ras) een miljoen jaar zelfstandig had bestaan. (Zie Esoteric Buddhism, 4de druk, blz. 53-55.) Hoeveel ouder het van oorsprong is – wie weet het? Omdat de ‘historische’ periode bij de Ariërs van India voor de grote massa16 met hun Veda’s is begonnen, en in de esoterische geschriften nog veel eerder, is het nutteloos hier parallellen te trekken.


De geologie heeft nu de tijdperken verdeeld en de mens geplaatst in het

 

Kwartair (Paleolithische mens, Neolitische mens, en, Historische periode) Kwartair (Alleen indien aan het Kwartair 1.500.000 jaar wordt toegekend, behoort ons vijfde Ras ertoe.)


Toch – het is wonderlijk om te zeggen! – terwijl de niet-kannibaalse paleolithische mens, die ongetwijfeld honderdduizenden jaren17 eerder heeft geleefd dan de kannibaalse neolithische mens, een opmerkelijk kunstenaar moet zijn geweest, maakt men de neolithische mens bijna tot een verachtelijke wilde, ondanks zijn paalwoningen18. Want zie wat een geleerde geoloog, Charles Gould, de lezer in zijn Mythical Monsters meedeelt:
   ‘De paleolithische mensen waren onbekend met het pottenbakken en met de weefkunst, en hadden kennelijk geen huisdieren of landbouwstelsel; maar de neolithische bewoners van paalwoningen in Zwitserland hadden weefgetouwen, aardewerk, granen, schapen, paarden’, enz.
   Hoewel ‘gereedschappen van hoorn, been en hout bij beide rassen algemeen in gebruik waren . . . onderscheidden die van het oudere ras zich vaak doordat ze met grote bekwaamheid waren gesneden, of versierd met levensechte graveringen van de verschillende dieren die in deze periode leefden; terwijl bij de neolithische mens een dergelijke artistieke bekwaamheid19 schijnt te hebben ontbroken’. Laten wij de redenen hiervoor geven.
   (1) De oudste fossiele mens, de primitieve grotbewoner van het oud-Paleolithicum en de periode vóór de ijstijd (hoe lang die ook was, en hoe lang geleden), is altijd dezelfde soort mens, en er zijn geen fossiele overblijfselen die van hem bewijzen ‘wat de Hipparion en Anchitherium bij de paardensoort hebben aangetoond – namelijk een geleidelijk toenemende specialisatie van een eenvoudig voorvaderlijk type tot meer samengestelde bestaande vormen’ (Modern Science, blz. 181).
   (2) Wat de zogenaamde paleolithische bijlen betreft . . . ‘wanneer men deze plaatst naast de ruwste vormen van stenen bijlen die door de Australische en andere wilden feitelijk worden gebruikt, is het moeilijk enig verschil te ontdekken’ (Ibid, blz. 112). Dit bewijst dat er in alle tijden wilden zijn geweest; en de conclusie zou zijn dat er in die tijd ook beschaafde mensen kunnen zijn geweest, hoogontwikkelde volkeren die tijdgenoten waren van die ruwe wilden. We zien iets dergelijks in Egypte 7000 jaar geleden.
  (3) Een moeilijkheid die een rechtstreeks gevolg is van de twee voorafgaande: indien de mens niet eerder bestond dan in het paleolithische tijdperk, kan hij onmogelijk de benodigde tijd hebben gehad om te worden getransformeerd van de ‘ontbrekende schakel’ tot wat hij – zoals nu bekend is – zelfs in die ver verwijderde geologische tijd is geweest, namelijk een nog mooier exemplaar dan veel van de nu bestaande rassen.
   Het bovenstaande leent zich vanzelf voor het volgende syllogisme: (1) De (aan de wetenschap bekende) primitieve mens was in enkele opzichten zelfs een beter ontwikkeld mens van zijn soort dan hij nu is. (2) De oudste bekende aap, de lemur, was minder antropoïde dan de hedendaagse pithecoïde soorten. (3) Conclusie: zelfs wanneer er een ontbrekende schakel werd gevonden, zou de schaal van de bewijzen meer doorslaan ten gunste van de aap als een gedegenereerde mens die door toevallige omstandigheden20 stom is geworden, dan ten gunste van de mens die van een pithecoïde voorvader afstamt. De theorie snijdt aan twee kanten.
   Als men anderzijds het bestaan van Atlantis aanvaardt en de uitspraak gelooft dat in het Eoceen, ‘zelfs in het allereerste deel ervan, de grote cyclus van de mensen van het vierde Ras, de Atlantiërs, al zijn hoogste punt had bereikt . . .’ (Esoteric Buddhism, blz. 64), dan zouden enkele van de tegenwoordige moeilijkheden van de wetenschap gemakkelijk uit de weg kunnen worden geruimd. De ruwe bewerking van de paleolithische gereedschappen bewijst niets tegen het denkbeeld dat er tegelijk met de makers ervan, hoog beschaafde volkeren leefden. Men zegt ons dat ‘slechts een heel klein deel van het aardoppervlak is onderzocht, en hiervan bestaat een heel klein deel uit oude landoppervlakken of zoetwaterformaties, en alleen daar kunnen wij sporen van hogere vormen van dierlijk leven verwachten’ . . . en dat ‘zelfs deze zo onvoldoende zijn onderzocht, dat waar wij nu duizenden en tienduizenden ontegenzeglijk menselijke overblijfselen aantreffen die vrijwel onder onze voeten liggen, hun bestaan pas in de afgelopen dertig jaar zelfs maar is vermoed’ (blz. 98). Het geeft ook veel te denken dat de onderzoekers tegelijk met de grove bijlen van de laagste wilde, exemplaren van handwerk aantreffen van zo’n hoge artistieke waarde als men nauwelijks bij een hedendaagse Europese boer zou vinden of verwachten – behalve in uitzonderlijke gevallen. Het ‘portret’ van het ‘grazende rendier’ uit de grot van Thayngin in Zwitserland en die van de hardlopende man met twee dicht ernaast geschetste paardenkoppen – een werk uit het rendiertijdperk, d.i. tenminste 50.000 jaar oud – zijn volgens Laing uitzonderlijk goed uitgevoerd. Vooral de schets van het grazende rendier ‘zou elke moderne dierenschilder tot eer strekken’ – beslist geen overdreven lof, zoals ieder kan zien (zie hieronder). En als onze grootste schilders van Europa tegelijk leven met de tegenwoordige Eskimo’s, die evenals hun paleolithische voorouders van het rendiertijdperk, de onbeschaafde en wilde mensensoorten, de neiging hebben voortdurend met de punt van hun mes schetsen van dieren, jachtscènes, enz., te tekenen, waarom kan dan niet hetzelfde in die tijd zijn gebeurd? In vergelijking met de voorbeelden van Egyptische tekenkunst – ‘7000 jaar geleden’ – zijn de ‘eerste portretten’ van mensen, paardenkoppen en rendieren, die 50.000 jaar geleden zijn gemaakt, beslist superieur. Toch staan de Egyptenaren van die tijd bekend als een hoog beschaafd volk, terwijl de paleolithische mensen wilden van het lagere type worden genoemd. Dit lijkt een kleinigheid, maar is toch heel belangrijk als bewijs dat elke nieuwe geologische ontdekking wordt aangepast aan de gangbare theorieën, in plaats van omgekeerd. Ja, Huxley heeft gelijk wanneer hij zegt: ‘De tijd zal het leren.’ Dat zal de tijd ook, en deze moet het occultisme in het gelijk stellen.
   Intussen worden de meest verstokte materialisten door noodzaak gedwongen tot de meest occult aandoende erkenningen. Vreemd genoeg zijn het de meest materialistische onderzoekers – die van de Duitse school – die op het punt van de fysieke ontwikkeling de leringen van de occultisten het dichtst benaderen. Zo gelooft prof. Baumgärtner dat ‘de kiemen voor de hogere dieren slechts de eieren van de lagere dieren kunnen zijn’; en dat ‘er naast de voortgaande ontwikkeling van de planten- en dierenwereld, in dat tijdperk de vorming plaatsvond van nieuwe oorspronkelijke kiemen’, die de basis vormden van de nieuwe metamorfosen, enz. Hij denkt ook dat ‘de eerste mensen die uit de kiemen van de dieren beneden hen voortkwamen, eerst in een larve-toestand leefden’.
   Inderdaad, in een larve-toestand, dat zeggen wij ook; maar niet uit een ‘dierlijke’ kiem; en die ‘larve’ was de zielloze astrale vorm van de voor-stoffelijke Rassen. En wij geloven evenals de Duitse professor en met verschillende andere wetenschappers in Europa, dat de mensenrassen ‘niet van één paar afstamden, maar tegelijk in talloze rassen verschenen’ (Anfänge zu einer Physiologischen Schöpfungsgeschichte der Pflanzen- und Thierwelt, 1885). Wanneer we dus ‘Kracht en Stof’ lezen en ontdekken dat de keizer van de materialisten, Büchner, de woorden van Manu en Hermes herhaalt, dat ‘de plant onmerkbaar in het dier overgaat, en het dier in de mens’ (blz. 85), hoeven we er slechts aan toe te voegen ‘en de mens in een geest’, om het kabbalistische axioma te voltooien. Dit te meer, omdat hij op blz. 82 van hetzelfde boek het volgende erkent: . . . ‘Voortgebracht door middel van spontane generatie . . . en met behulp van intense natuurkrachten en eindeloze tijdperken, is geleidelijk die rijke en oneindig gevarieerde organische wereld ontstaan waardoor wij nu zijn omringd.’ . . . En (blz. 84): ‘Spontane generatie speelde ongetwijfeld een belangrijker rol in het oorspronkelijke tijdperk dan nu; ook kan men niet ontkennen dat er op deze manier wezens met een hogere structuur werden voortgebracht dan nu21’, want dat beweert het occultisme.
   Het hele verschil ligt hierin: de hedendaagse wetenschap plaatst haar materialistische theorie van oerkiemen op aarde en van de laatste levenskiem op deze bol, van de mens en al het andere, tussen twee lege ruimten. Waar komt de eerste kiem vandaan, indien zowel spontane generatie als de tussenkomst van krachten vanbuiten, nu absoluut worden verworpen? Sir W. Thomson zegt ons dat kiemen van organisch leven in een meteoriet naar onze aarde kwamen. Dit brengt ons niets verder en verplaatst slechts de moeilijkheid van deze aarde naar de veronderstelde meteoriet.
   Dit zijn onze punten van overeenstemming en van verschil met de wetenschap. Wat de eindeloze tijdperken betreft, staan we natuurlijk op één lijn zelfs met de materialistische speculaties, want we geloven in evolutie, hoewel op een andere manier. Prof. Huxley zegt heel terecht: ‘Als er inderdaad enige vorm van voortgaande ontwikkeling is, moeten we aan de ruimste schatting die tot dusver is gemaakt van de oudheid van de mens, nog lange tijdperken toevoegen.’ Maar wanneer men ons zegt dat deze mens een product is van de natuurkrachten die in de stof inherent zijn en dat kracht volgens moderne opvattingen slechts een eigenschap van de stof is, een ‘bewegingsvorm’, enz., en wanneer we Sir W. Thomson in 1885 horen herhalen wat door Büchner en zijn school dertig jaar geleden werd beweerd, dan vrezen we dat al onze eerbied voor werkelijke wetenschap in rook opgaat! Men zou bijna denken dat het materialisme in bepaalde gevallen een ziekte is. Want wanneer wetenschappers bij magnetische verschijnselen en de aantrekking van ijzerdeeltjes door isolerende stoffen zoals glas heen, volhouden dat deze aantrekking is toe te schrijven aan ‘moleculaire beweging’ of aan de ‘draaiing van de moleculen van de magneet’, dan is die leer even belachelijk, of zij nu komt van een ‘lichtgelovige’ theosoof die geen enkel begrip heeft van natuurkunde, of van een eminente wetenschapper. Het individu dat met de feiten voor ogen zo’n theorie verkondigt, vormt slechts een bewijs te meer dat ‘als de mensen in hun hersenen geen plaatsje hebben waarin zij de feiten kunnen onderbrengen’, dit ‘des te erger voor de feiten’ is.
   De discussie tussen de aanhangers van de leer van de spontane generatie en hun tegenstanders is voor het ogenblik gestaakt en geëindigd in een voorlopige overwinning van de laatstgenoemden. Maar zelfs zij zijn gedwongen te erkennen, zoals Büchner deed en Tyndall en Huxley nog doen – dat spontane generatie eens moet hebben plaatsgehad onder ‘bijzondere thermische omstandigheden’. Virchow weigert zelfs de vraag te bespreken; ze moet op een of andere tijd in de geschiedenis van onze planeet hebben plaatsgevonden: en daarmee uit. Dit schijnt er natuurlijker uit te zien dan de zojuist geciteerde hypothese van Sir W. Thomson, dat de kiemen van het organische leven in een of andere meteoriet op onze aarde vielen; of dan die andere wetenschappelijke hypothese die is gekoppeld aan het onlangs aanvaarde denkbeeld dat er helemaal geen ‘levensbeginsel’ bestaat, maar alleen levensverschijnselen, die alle kunnen worden teruggebracht tot de moleculaire krachten van het oorspronkelijke protoplasma. Maar dit helpt de wetenschap niet bij het oplossen van het nog grotere probleem – de oorsprong en de afstamming van de mens, want hierover heerst een nog erger geklaag en gejammer.
   ‘Terwijl wij de skeletten van Eocene zoogdieren langs verschillende wegen van specialisatie in achtereenvolgende Tertiaire tijdperken kunnen nagaan, vertoont de mens het verschijnsel van een niet-gespecialiseerd skelet dat niet goed met een van deze afstammingslijnen in verband kan worden gebracht.’ (Origin of the World, blz. 39, door Sir W. Dawson, LL.D., F.R.S.)

Rendier, door een paleolithische mens op een gewei gegraveerd (naar Geikie)

   Het geheim zou snel kunnen worden verteld, niet alleen van esoterisch standpunt, maar ook van dat van elke religie over de hele wereld, nog zonder de occultisten te noemen. Men zoekt het ‘gespecialiseerde skelet’ op de verkeerde plaats, waar men het nooit zal vinden. Men verwacht het te zullen ontdekken in de fysieke overblijfselen van de mens, in de een of andere pithecoïde ‘ontbrekende schakel’, met een schedel groter dan die van de aap, en met een hersenvolume kleiner dan dat van de mens, in plaats van naar die specialisatie te zoeken in de boven-fysieke essentie van zijn innerlijke astrale constitutie, die bezwaarlijk uit een geologische laag kan worden opgegraven! Zo’n hardnekkig, hoopvol vasthouden aan een zichzelf verlagende theorie is het wonderlijkste verschijnsel van deze tijd.
   Intussen geven wij hier een voorbeeld van graveerkunst door een paleolithische ‘wilde’: paleolithisch betekent hier de mens uit de ‘vroege Steentijd’, iemand van wie men veronderstelt dat hij even wild en dierlijk was als de dieren waarmee hij leefde.
   Als we de tegenwoordige bewoners van de Zuidzee-eilanden of zelfs de Aziatische rassen buiten beschouwing laten, dagen we elke flinke schooljongen of zelfs Europese jongeman, die nooit tekenen heeft geleerd, uit zo’n gravure of zelfs potloodschets te maken. Hier hebben wij het ware artistieke verkorte tekenen en de juiste licht- en schaduwpartijen, zonder dat de kunstenaar over een voorbeeld in het platte vlak beschikte, maar direct naar de natuur tekende en zo kennis van anatomie en verhoudingen aan de dag legde. En nu vraagt men ons te geloven dat de kunstenaar die dit rendier graveerde, behoorde tot de primitieve ‘half-dierlijke’ wilden (tijdgenoten van de mammoet en de wolharige neushoorn), die sommige al te ijverige evolutionisten ons eens probeerden voor te stellen als duidelijke benaderingen van het type van hun hypothetische ‘pithecoïde mens’!
   Deze op een gewei gemaakte gravure bewijst zo welsprekend als een feit maar kan zijn, dat de evolutie van de rassen zich altijd heeft afgespeeld in een reeks van stijgingen en dalingen; dat de mens misschien even oud is als de aardkorst en – als we zijn goddelijke voorvader ‘mens’ kunnen noemen – nog veel ouder.
   Zelfs De Mortillet schijnt een vaag wantrouwen tegen de conclusies van de hedendaagse archeologen te ondervinden, wanneer hij schrijft: ‘Het vak prehistorie is een nieuwe wetenschap, die er nog ver, heel ver van af is het laatste woord te hebben gesproken.’ (Prehist. Antiq. of Man, 1883.) Lyell, een van de grootste autoriteiten op dit gebied en de ‘vader’ van de geologie, zegt: ‘De verwachting dat men altijd een lager type van de menselijke schedel zal aantreffen naarmate de formatie waarin die voorkomt ouder is, is gebaseerd op de theorie van de voortgaande ontwikkeling, en deze kan blijken juist te zijn; niettemin moeten we bedenken dat we tot nog toe geen duidelijk geologisch bewijs hebben dat het verschijnen van wat de lagere rassen van de mensheid worden genoemd, altijd in chronologische volgorde aan dat van de hogere rassen is voorafgegaan.’ (Antiq. of Man, blz. 25.) Tot heden toe zijn dergelijke bewijzen niet gevonden. De wetenschap probeert dus de huid van een beer te verkopen, die tot dusver door geen sterfelijk oog is gezien!
   De erkenning door Lyell wordt veelbetekenend, als men deze in verband brengt met de hierna volgende uitspraak van prof. Max Müller, van wie de aanval op de darwinistische antropologie vanuit het gezichtspunt van de taal overigens nooit bevredigend is beantwoord:
   ‘Wat weten wij over wilde stammen behalve het laatste hoofdstuk van hun geschiedenis?’ (Vergelijk dit met de esoterische opvattingen, zowel over de Australiërs en Bosjesmannen als over de paleolithische Europese mens, de Atlantische vertakkingen, die een overblijfsel van een verloren cultuur bewaarden die bloeide toen het ouderlijke Wortelras op zijn hoogtepunt was.) ‘Zullen we ooit inzicht krijgen in hun voorgeschiedenis . . . Hoe zijn ze geworden wat ze nu zijn? . . . Inderdaad bewijst hun taal dat deze zogenaamde heidenen, met hun ingewikkelde mythologische stelsels, hun eigenaardige gewoonten, hun onbegrijpelijke grillen en barbaarse gebruiken, geen schepselen van vandaag of gisteren zijn. Tenzij we voor deze wilden een bijzondere schepping aannemen, moeten ze even oud zijn als de Hindoes, de Grieken en de Romeinen (veel ouder) . . . Ze hebben mogelijk heel wat wederwaardigheden doorgemaakt, en wat wij als primitief beschouwen, kan, voorzover wij weten, een terugval tot barbaarsheid zijn, of een ontaarding van iets wat in eerdere stadia rationeler en begrijpelijker was.’ (India, 1883, F. Max Müller.)
   ‘De oorspronkelijke wilde is in de moderne literatuur een bekende uitdrukking’, merkt prof. Rawlinson op, ‘maar er is geen bewijs dat de oorspronkelijke wilde ooit heeft bestaan. Al het bewijsmateriaal wijst eerder op het tegenovergestelde.’ (Antiq. of Man Historically Considered.) In zijn Origin of Nations, blz. 10-11, voegt hij er terecht aan toe: ‘De mythische overleveringen van bijna alle volkeren plaatsen aan het begin van de geschiedenis van de mens een tijd van geluk en volmaaktheid; een ‘gouden eeuw’, die geen tekenen van wildheid of barbaarsheid vertoont, maar veel kenmerken van beschaving en verfijning.’ Hoe moet de hedendaagse evolutionist deze eenstemmigheid van het bewijsmateriaal verklaren?
   Wij herhalen de vraag die in Isis Ontsluierd is gesteld: ‘Bewijst de vondst van de overblijfselen in de grot van Devon dat er in dezelfde tijd geen hoog beschaafde rassen waren? Wanneer de tegenwoordige bevolking van de aarde zal zijn verdwenen, en een archeoloog van het ‘komende ras’ in de verre toekomst het huisraad van een van onze stammen van India of van de Andamanen zal opgraven, zal hij daaruit dan mogen afleiden dat de mensheid in de negentiende eeuw’ juist aan de Steentijd was ontgroeid’?’
   Een andere vreemde tegenstrijdigheid in de wetenschappelijke kennis is, dat de neolithische mens een veel primitiever wilde blijkt te zijn dan de paleolithische mens. Òf Pre-historic Man van Lubbock, òf Ancient Stone Implements van Evans moet fout zijn, of beide. Want dit komen we uit deze en andere boeken te weten:
   (1) Naarmate we van de neolithische tot de paleolithische mens komen, gaan de stenen gereedschappen van sierlijk gevormde en gepolijste werktuigen over in grove lompe maaksels. Aardewerk, enz., verdwijnt naarmate we de ladder afdalen. En toch kon de laatstgenoemde zo’n rendier graveren!
   (2) De paleolithische mens woonde in grotten, samen met hyena’s en leeuwen22; de neolithische mens woonde in paaldorpen en gebouwen.
   Ieder die de geologische ontdekkingen van onze tijd zelfs maar oppervlakkig heeft gevolgd, weet dat men een geleidelijke verbetering van vakbekwaamheid aantreft, van het onbeholpen houwen en het ruwe behakken van de oude paleolithische bijlen tot de betrekkelijk sierlijke stenen beitels uit dat deel van het Neolithicum dat onmiddellijk aan het gebruik van metalen voorafging. Maar dit is in Europa, waarvan zich in de tijd van de hoogste Atlantische beschavingen nog maar nauwelijks een paar gedeelten boven de wateren begonnen te verheffen. Er waren toen evengoed als nu ruwe wilden en hoog beschaafde volkeren. Indien over 50.000 jaar uit een of andere Afrikaanse grot dwergachtige Bosjesmannen samen met veel oudere dwergolifanten worden opgegraven, zoals door Milne Edwards in de bodem van holen op Malta zijn gevonden, zal dat dan een reden zijn om te beweren dat in onze tijd alle mensen en alle olifanten dwergen waren? Of als men de wapens van de Veddha’s van Ceylon vindt, zullen onze afstammelingen dan zijn gerechtigd ons allen als paleolithische wilden af te schilderen? Alle voorwerpen die de geologen nu in Europa opgraven, kunnen beslist nooit van vroeger datum zijn dan het einde van het Eoceen, omdat de landen van Europa vóór die periode zelfs niet boven de wateren waren gekomen. Ook wordt wat we hebben gezegd niet in het minst ontzenuwd door theoretici die ons zeggen dat deze eigenaardige schetsen van dieren en mensen door de paleolithische mens pas tegen het einde van de Rendierperiode werden gemaakt – want dit zou een heel zwakke verklaring zijn, gelet op het feit dat de geologen de duur van deze perioden zelfs niet bij benadering kennen.
   De esoterische leer verkondigt met nadruk het dogma van de opkomst en de ondergang van beschavingen, en nu lezen we: ‘Het is opmerkelijk dat het kannibalisme vaker schijnt voor te komen naarmate de mens in beschaving vooruitgaat en dat, terwijl de sporen ervan in de neolithische tijd veel voorkomen, deze . . . in de tijd van de mammoet en het rendier geheel verdwijnen.’ (Mod. Science and Mod. Thought, blz. 164).
   Nog een bewijs van de cyclische wet en de waarheid van onze leringen. De esoterische geschiedenis leert dat afgoden en hun verering met het vierde Ras uitstierven, tot de overlevenden van de mengrassen van het laatstgenoemde (Chinezen, Afrikaanse negers, enz.) de verering geleidelijk hervatten. De Veda’s steunen de afgodendienst niet; alle hedendaagse hindoegeschriften wel.

   ‘In de oudste Egyptische graven en in de overblijfselen van de voorhistorische steden die door dr. Schliemann werden opgegraven, worden in overvloed afbeeldingen van godinnen met uilen- en ossenkoppen en andere symbolische figuren of afgodsbeelden aangetroffen. Maar als we opklimmen tot de neolithische tijd, vinden we dergelijke beelden niet meer . . . de enige waarvan we met enige zekerheid kunnen zeggen dat het afgodsbeelden zijn geweest, zijn een paar die zijn ontdekt door De Braye in enkele kunstmatige grotten uit de neolithische periode . . . en die als levensgrote vrouwelijke figuren schijnen te zijn bedoeld’ . . . (blz. 199 ibid.)

   En dit kunnen eenvoudig standbeelden zijn geweest. Hoe dan ook, dit alles vormt een van de vele bewijzen van de cyclische opkomst en ondergang van de beschaving en de religie. Het feit dat er tot dusver geen sporen van menselijke overblijfselen of skeletten zijn gevonden die ouder zijn dan het na-Tertiair of het ‘Kwartair’ – hoewel de vuurstenen van abbé Bourgeois als waarschuwing kunnen dienen23 – schijnt te wijzen op de waarheid van een andere esoterische bewering, die luidt: ‘Zoek de overblijfselen van uw voorvaderen op hooggelegen plaatsen. De dalen zijn tot bergen geworden, en de bergen zijn tot zeebodems verkruimeld.’ . . . De mensheid van het vierde Ras, dat na de laatste ramp twee derde van zijn bevolking had verloren, vestigde zich niet op de nieuwe continenten en eilanden die herrezen terwijl de voorgangers daarvan de bodem van de nieuwe oceanen vormden, maar verliet wat nu Europa en delen van Azië en Afrika zijn, naar de toppen van reusachtige bergen, terwijl de zeeën die enkele van de laatstgenoemde omringden, zich daarna hebben ‘teruggetrokken’ en hebben plaatsgemaakt voor het tafelland van Midden-Azië.
   Het interessantste voorbeeld van deze gang van zaken wordt misschien verschaft door de beroemde ‘Kent’s Cavern’ bij Torquay. In die merkwaardige inham, die door het water werd uitgehold in de kalksteen van Devon, vinden we een heel opmerkelijk verslag dat voor ons in de geologische memoires van de aarde bewaard is gebleven. Onder de blokken kalksteen, die op de bodem van de grot lagen opeengehoopt, werden in een afzetting van zwarte aarde veel gereedschappen uit het neolithische tijdperk gevonden die van een groot vakmanschap waren, samen met enkele potscherven, die mogelijk zijn terug te voeren tot de tijd van de Romeinse kolonisatie. Er is hier geen spoor van de paleolithische mens. Geen vuurstenen of sporen van uitgestorven dieren van het Kwartair. Wanneer we echter nog dieper door de dichte laag druipsteen onder de bovenste laag in de rode aarde doordringen, die natuurlijk zelf eens de bodem van de schuilplaats vormde, gaan de dingen er heel anders uitzien. Er is geen enkel gereedschap te vinden dat is te vergelijken met de fijn bewerkte wapens in de erboven liggende laag; slechts een verzameling ruwe en lompe bijltjes (waarmee de monsterachtige reuzen van de dierenwereld door de kleine mens werden overwonnen en gedood, moeten we dat denken?) en schrapers uit het Paleolithicum, vermengd met de beenderen van diersoorten die nu zijn uitgestorven of weggetrokken, verjaagd door een verandering van klimaat. Hij die deze lelijke bijltjes heeft gemaakt, ziet u, is degene die het hierboven afgebeelde rendier bij de beek op het gewei heeft gegraveerd. In alle gevallen treffen we hetzelfde bewijs aan, dat van de historische tot de neolithische en van de neolithische tot de paleolithische mens alles langs een hellend vlak naar beneden gaat, van de rudimenten van beschaving tot de ergste barbaarsheid – maar dit betreft Europa. Wij worden ook geconfronteerd met het ‘mammoettijdperk’ – het uiterste of vroegste onderdeel van het Paleolithicum – waarin de grote grofheid van de gereedschappen haar hoogtepunt bereikt, en het dierlijke(?) voorkomen van de schedels uit die tijd, zoals van de Neanderthaler, op een heel laag mensentype wijst. Maar zij kunnen soms ook op iets anders wijzen: op een mensenras dat sterk afwijkt van onze (vijfde Ras) mensheid.
   Zoals door een antropoloog in Modern Thought (art. The Genesis of Man) wordt gezegd: ‘De theorie van Peyrère, of deze nu wetenschappelijk is onderbouwd of niet, kan gelijkwaardig worden beschouwd aan de theorie die de mens in twee soorten verdeelde. Broca, Virey en een aantal Franse antropologen zijn tot de conclusie gekomen’, zo deelt hij mee, ‘dat het lagere mensenras, waaronder de Australiërs, de Tasmaniërs en het Negerras, met uitzondering van de Kaffers en de Noord-Afrikanen, afzonderlijk moet worden beschouwd. Het feit dat bij deze soort, of liever ondersoort, de derde kiezen in de onderkaak gewoonlijk groter zijn dan de tweede, en dat de slaap- en voorhoofdsbeenderen meestal zijn verenigd door een naad, maakt van de Homo Afer evengoed een afzonderlijke soort als veel van de soorten vinken. Ik zal mij er op dit moment van onthouden de feiten van hybridisatie te noemen, die wijlen prof. Broca zo uitvoerig heeft besproken. De geschiedenis van dit ras in vroegere tijdperken is merkwaardig. Het heeft nooit een eigen bouwkunst of een eigen religie ontwikkeld’ (Dr. C. Carter Blake). Het is inderdaad een vreemde geschiedenis, zoals we in het geval van de Tasmaniërs hebben aangetoond. Hoe dan ook, de fossiele mens in Europa kan de oudheid van de mens op deze aarde en de ouderdom van zijn eerste beschavingen noch bewijzen noch weerleggen.
   Het is tijd dat de occultisten alle pogingen om hen uit te lachen negeren, en het zware geschut van de satire van de wetenschappers even ver beneden zich achten als de proppenschieters van de leken, want het is tot dusver onmogelijk de juistheid of de onjuistheid van hun opvattingen te bewijzen, terwijl hun (occulte) theorieën in elk geval de toets van de kritiek beter kunnen doorstaan dan de hypothesen van de wetenschappers. Wat het bewijs voor de oudheid betreft, waarop de occultisten voor de mens aanspraak maken, hebben ze bovendien Darwin zelf en Lyell aan hun kant. De laatstgenoemde erkent dat zij (de natuuronderzoekers) ‘al bewijzen hebben gevonden voor het bestaan van de mens in een zo ver in het verleden liggende tijd, dat veel opmerkelijke zoogdieren, die eens zijn tijdgenoten waren, genoeg tijd hadden om uit te sterven, en dit zelfs vóór de tijd van de eerste historische optekeningen24’. Dit wordt gezegd door een van de grootste autoriteiten op dit gebied in Engeland. De twee zinnen die volgen, geven al evenveel te denken en mogen door de beoefenaars van het occultisme wel worden onthouden, want hij zegt onder andere: ‘Ondanks de lange duur van de voorhistorische eeuwen waarin hij (de mens) op aarde moet hebben geleefd, is er geen bewijs voor een waarneembare verandering in zijn lichaamsbouw. Als hij dus ooit uit een of andere redeloze dierlijke voorvader is voortgekomen, moeten we veronderstellen dat hij in een veel vroegere tijd heeft geleefd, mogelijk op enkele continenten of eilanden die nu op de oceaanbodem liggen.’
   Men heeft dus officieel een vermoeden van verloren continenten. Dat werelden (ook rassen) periodiek afwisselend door vuur (vulkanen en aardbevingen) en water worden vernietigd en hernieuwd, is een leer zo oud als de mens. Manu, Hermes, de Chaldeeën, de hele oudheid geloofde erin. Al twee keer is het oppervlak van de aarde veranderd door vuur, en twee keer door water, sinds de mens erop verscheen. Evenals het land voor zijn bodem rust, vernieuwing, nieuwe krachten en verandering nodig heeft, heeft het water dat ook. Daaruit vloeit een periodieke herverdeling van land en water, verandering van klimaten, enz., voort, die alle worden teweeggebracht door geologische omwentelingen en tenslotte eindigen in een verandering van de aardas. De sterrenkundigen kunnen wel de schouders ophalen over het denkbeeld van een periodieke verandering in het gedrag van de aardas, en glimlachen over het gesprek tussen Noach en zijn ‘grootvader’ Henoch, dat in het Boek Henoch wordt weergegeven; de allegorie is niettemin een geologisch en sterrenkundig feit: er is een seculaire verandering in de helling van de aardas, en de vastgestelde tijd daarvoor is in een van de grote geheime cyclussen vastgelegd. Zoals in veel andere kwesties, nadert de wetenschap geleidelijk onze manier van denken. Dr. Henry Woodward, F.R.S., F.G.S., schrijft in de Popular Science Review (Nieuwe Reeks, Deel I, blz. 115), artikel ‘Evidences of the Age of Ice’: ‘Als het nodig zou zijn een beroep te doen op buiten onze wereld gelegen oorzaken om de grote toeneming van het ijs in deze ijstijd te verklaren, zou ik de voorkeur geven aan de theorie die in 1688 door dr. Robert Hooke werd opgesteld, en daarna ook door Sir Richard Phillips en anderen, en tenslotte door Thomas Belt, C.E., F.G.S., namelijk een kleine verandering in de tegenwoordige helling van de ecliptica; een gedachte die volkomen overeenstemt met andere bekende sterrenkundige feiten en waarvan de aanvaarding noodzakelijk is voor het begrijpen van onze kosmische toestand als eenheid in het grote zonnestelsel.’
   Het volgende, geciteerd uit een lezing door W. Pengelly, F.R.S., F.G.S., gehouden in maart 1885 over ‘Het verdwenen meer van Bovey Tracey’ toont een aarzeling om, ondanks alle bewijzen ten gunste van het bestaan van Atlantis, dit feit te aanvaarden. Het is een aanhaling uit het midden van de lezing:
   ‘Groen blijvende vijgenbomen, laurierbomen, palmbomen en varens met reusachtige wortelstokken hebben tegenwoordig verwante soorten in een subtropisch klimaat, zoals ongetwijfeld in het Mioceen in Devonshire heerste, en zijn bedoeld om ons tot voorzichtigheid aan te sporen als we het tegenwoordige klimaat van een bepaalde streek als normaal beschouwen.’
   ‘Wanneer er bovendien Miocene planten worden gevonden op Disko eiland, aan de westkust van Groenland tussen 69° 20´ en 70° 30´ N.Br.; wanneer we vernemen dat daaronder twee soorten waren die ook te Bovey voorkomen (Sequoia Couttsiae, Quercus Lyelli); wanneer we, om prof. Heer te citeren, ontdekken dat ‘de ‘prachtige groen blijvende plant’ (Magnolia Inglefieldi) ‘haar vruchten tot zelfs op 70° N.Br. liet rijpen’’ (Phil. Trans., clix, 457, 1869); en tenslotte wanneer men ook ontdekt dat het aantal, de verscheidenheid en de weelderigheid van de Miocene planten van Groenland zodanig zijn dat, indien het land zich zover had voortgezet, enkele ervan naar alle waarschijnlijkheid aan de pool zelf zouden hebben gebloeid; wanneer men dit alles in aanmerking neemt, dan dringt het probleem van de klimaatsverandering zich duidelijk op, maar alleen om weer terzijde te worden geschoven, blijkbaar omdat men meent dat de tijd voor de oplossing ervan nog niet is aangebroken.’
   ‘Men schijnt van alle kanten toe te geven dat de Miocene planten van Europa in Noord-Amerika talrijke nauw verwante analoge soorten hebben, en daaruit vloeit de vraag voort: hoe heeft zich de migratie van het ene gebied naar het andere voltrokken? Was er, zoals sommigen geloofden, een Atlantis – een continent of een archipel van grote eilanden in het gebied van de noordelijke Atlantische Oceaan? Deze hypothese bevat misschien niets onfilosofisch; want omdat volgens de geologen ‘de Alpen sinds het begin van het Eoceen 4000 en zelfs op sommige plaatsen meer dan 10.000 voet van hun huidige hoogte hebben gekregen’ (Lyell, Principles, 11de druk, blz. 256, 1872), zou een na-Miocene(?) daling het hypothetische Atlantis in een bijna bodemloze diepte hebben kunnen meeslepen. Maar een Atlantis is blijkbaar onnodig en ongewenst. Volgens prof. Oliver ‘bestaat er een nauwe en heel merkwaardige analogie tussen de flora van Midden-Europa in het Tertiair, en de hedendaagse flora’s van de Amerikaanse staten en het gebied van Japan; een veel nauwere en hechtere analogie dan men kan vinden tussen de Tertiaire en de hedendaagse flora’s van Europa. We zien dat het Tertiaire element van de oude wereld naar de uiterste oostrand toe wordt versterkt. . . . Deze toeneming van het Tertiaire element is tamelijk geleidelijk en treedt niet plotseling op bij de Japanse eilanden alleen. Hoewel zij daar een maximum bereikt, kunnen we haar volgen van het Middellandse Zeegebied, de Levant, de Kaukasus en Perzië . . . dan langs de Himalaja en door China. . . . We vernemen ook dat er tijdens het Tertiair ongetwijfeld tegenhangers van Midden-Europese Miocene soorten in Noordwest-Amerika groeiden. . . . We merken verder op dat de tegenwoordige flora van de Atlantische eilanden geen overtuigend bewijs levert van een vroegere rechtstreekse verbinding met het vasteland van de Nieuwe Wereld. . . . De overweging van deze feiten brengt mij tot de opvatting dat de hypothese van Atlantis niet door de botanische gegevens wordt gesteund. Deze gegevens ondersteunen anderzijds krachtig de opvatting dat tijdens een bepaalde periode van het Tertiair Noordoost-Azië was verbonden met Noordwest-Amerika, misschien langs de lijn waar zich nu de keten van de Aleoeten uitstrekt’.’ (Nat. Hist. Rev. ii. 164, 1862.) Zie echter ‘Wetenschappelijke en geologische bewijzen voor het bestaan van verschillende verzonken continenten’.
   Maar alleen een pithecoïde mens zal de onfortuinlijke zoekers naar de driedubbel hypothetische ‘ontbrekende schakel’ ooit tevreden stellen. En toch, indien onder de uitgestrekte bodem van de Atlantische Oceaan, van de Piek van Tenerife tot Gibraltar, de oude plaats van het verloren Atlantis, alle onderzeese lagen mijlen diep zouden worden opgebroken, zou men toch geen schedel vinden waarmee de darwinisten tevreden zouden zijn. Zoals dr. C.R. Bree opmerkt (Fallacies of Darwinism): al zijn er geen ontbrekende schakels tussen mens en aap gevonden in de verschillende kiezelgronden en formaties boven de Tertiaire lagen, wanneer deze zijn ondergegaan met de continenten die nu door de zee zijn bedekt, zou men ze toch nog kunnen vinden ‘in die beddingen van geologische lagen uit die tijd, die niet naar de bodem van de zee zijn gezonken’. Maar helaas ontbreken ze zowel in de laatste als in de eerste. Als vooroordelen zich niet als vampiers in de menselijke geest vastbeten, zou de schrijver van Antiquity of Man in datzelfde door hem geschreven boek een aanknopingspunt voor de moeilijkheid hebben gevonden door tien bladzijden terug te gaan (530) en zijn eigen citaat uit het boek van prof. G. Rolleston nog eens te lezen. Deze fysioloog, zo zegt hij, oppert het denkbeeld dat, omdat het lichaam van de mens een aanzienlijke plasticiteit bezit, niet alleen in de jeugd en tijdens de groei maar ook bij de volwassene, we het niet altijd bewezen moeten achten – zoals sommige voorstanders van de ontwikkelingstheorie schijnen te doen – dat elke toeneming in fysieke kracht berust op een verbetering van de lichaamsbouw; want waarom zou niet de ziel, of de hogere intellectuele en morele vermogens, in een progressief stelsel op de eerste plaats komen in plaats van op de tweede?
   Deze hypothese is opgesteld in verband met de mogelijkheid van een evolutie die niet volledig is toe te schrijven aan ‘natuurlijke selectie’; maar ze is evengoed van toepassing op ons hier besproken geval. Want ook wij beweren dat de ‘ziel’ of de innerlijke mens het eerst op aarde neerdaalt, het psychische astrale, het model waarnaar de fysieke mens geleidelijk wordt gebouwd – zijn geest, de intellectuele en morele vermogens ontwaken pas later, naarmate die fysieke vorm groeit en zich ontwikkelt.
   ‘Zo brachten onlichamelijke geesten hun enorme gestalten terug tot kleinere vormen’ . . . en werden zij de mensen van het derde en het vierde Ras. Nog later, eeuwen daarna, verschenen de mensen van ons vijfde Ras, van de nog steeds reusachtige (volgens onze huidige maatstaven) gestalte van hun oorspronkelijke voorouders teruggebracht tot ongeveer de helft van die grootte nu.
   De mens is beslist geen bijzondere schepping; hij is, evenals elke andere levende eenheid op deze aarde, het product van het geleidelijke vervolmakende werk van de Natuur. Maar dit betreft alleen het menselijke tabernakel. Dat wat in de mens leeft en denkt en die vorm, het meesterwerk van de evolutie, overleeft, is de ‘eeuwige pelgrim’, de proteïsche differentiatie in ruimte en tijd van het Ene Absolute ‘onkenbare’.
   In zijn Antiquity of Man citeert Sir C. Lyell – misschien in een enigszins spottende zin – wat Hallam zegt in zijn Introduction to the Literature of Europe (Deel IV, blz. 162):

   ‘Indien de mens naar het beeld van God is gemaakt, is hij ook gemaakt naar het beeld van een aap. Het lichaam van hem, die de sterren heeft gewogen en de bliksem tot zijn slaaf heeft gemaakt, nadert tot dat van een dier zonder spraak dat in de wouden van Sumatra rondzwerft. Zo staat hij in het grensgebied tussen de natuur van een dier en die van een engel. Is het dan een wonder dat hij iets van beide bezit?’

   Een occultist zou het anders hebben uitgedrukt. Hij zou zeggen dat de mens inderdaad werd gemaakt naar het beeld van een type dat door zijn voorvader, de scheppende engelkracht of Dhyāni-Chohan was geprojecteerd; terwijl de zwerver door de wouden van Sumatra is gemaakt naar het beeld van de mens, omdat de gestalte van de aap, we herhalen het, de herleving of de wederopstanding door abnormale middelen is van de werkelijke vorm van de mens van de derde Ronde, en later ook van die van de vierde Ronde. Niets in de natuur gaat verloren, geen atoom: dit laatste staat in elk geval op grond van wetenschappelijke gegevens vast. De analogie schijnt te eisen dat ook de vorm een permanent karakter krijgt.
   En toch, wat vinden wij:

   ‘Het is veelbetekenend’, zegt Sir W. Dawson, F.R.S., ‘dat prof. Huxley in zijn lezingen in New York zijn opvattingen over de lagere dieren voornamelijk baseert op de veronderstelde stamboom van het paard, waarvan vaak is aangetoond dat deze geen overtuigend bewijs oplevert, maar de discussie over de afstamming van de mens van de apen geheel vermijdt, die nu kennelijk door zoveel moeilijkheden wordt gecompliceerd, dat zowel Wallace als Mivart er geen oplossing voor weten. Prof. Thomas geeft in zijn recente lezingen (Nature, 1876) toe dat er geen lagere mensen bekend zijn dan de Australiër, en dat er geen bekende verbindingsschakel met de apen bestaat; en dat Haeckel moet erkennen dat de voorlaatste schakel in zijn fylogenie, de aapachtige mens, volkomen onbekend is (History of Creation). . . . De zogenaamde ‘kerfstokken’, die bij de beenderen van paleokosmische mensen in Europese grotten zijn gevonden en die staan afgebeeld in de bewonderenswaardige boeken van Christy en Lartet, tonen aan dat zelfs de rudimenten van schrifttekens al in het bezit waren van het oudste mensenras dat aan de archeologie of de geologie bekend is.’ (Zie Wilson, Prehistoric Man, op.cit., Deel ii, blz. 54. Origin of the World, blz. 393.)

   Verder lezen we bij dr. C.R. Bree, Fallacies of Darwinism, blz. 160:

   ‘Darwin zegt terecht dat het fysieke en vooral het verstandelijke verschil tussen de laagste vorm van de mens en de hoogste antropomorfe aap enorm is. Daarom moet ook – omdat de darwinistische evolutie bijna ondenkbaar langzaam moet zijn gegaan – bij de ontwikkeling van de mens uit de aap enorm25 veel tijd zijn verlopen. Dus moet de kans, dat enkele van deze variaties in de verschillende kiezellagen of zoetwaterformaties boven de Tertiaire lagen zullen worden gevonden, heel groot zijn. En toch is er nooit een enkele variatie, een enkel exemplaar van een wezen tussen een aap en een mens gevonden. Noch in het kiezel, noch in de kleibezinkingen, noch in de zoetwaterbeddingen, noch in de Tertiaire lagen daaronder zijn ooit de overblijfselen ontdekt van enig lid van de ontbrekende families tussen de aap en de mens, zoals deze volgens Darwin hadden bestaan. Zijn ze verzonken met de daling van het aardoppervlak en worden ze nu bedekt door de zee? Als dat zo is, dan is het heel onwaarschijnlijk dat men ze niet ook zou vinden in die beddingen van geologische lagen uit die tijd, die niet naar de bodem van de zee zijn gezonken; en nog veel onwaarschijnlijker, dat niet enkele gedeelten uit de oceaanbodem zouden zijn opgehaald, zoals de overblijfselen van de mammoet en de neushoorn, die ook in zoetwaterbeddingen en kiezellagen en bezinkingen zijn gevonden! . . . De beroemde Neanderthal-schedel waarover zoveel is gezegd, behoort, zoals men erkent, tot dit verafgelegen tijdperk (brons- en steentijd), en vertoont toch, hoewel het de schedel van een idioot kan zijn geweest, geweldig grote verschillen met die van de hoogste antropomorfe aap die men kent.’

   Omdat onze bol, elke keer dat hij weer ontwaakt voor een nieuwe periode van activiteit, in beroering wordt gebracht, zoals een veld dat moet worden geploegd en geëgd voordat het zaad voor de nieuwe oogst erin wordt geworpen – is er geen hoop dat er in de beddingen van zijn oudste of zijn jongste geologische lagen fossielen zullen worden gevonden die tot zijn voorafgaande Ronden behoren. Elk nieuw manvantara brengt een hernieuwing van vormen, typen en soorten mee; elk type van de voorafgaande organische vormen – plantaardig, dierlijk en menselijk – verandert en wordt in de volgende vervolmaakt. Dit geldt zelfs voor het mineralenrijk, dat in deze Ronde zijn uiteindelijke ondoorschijnendheid en hardheid heeft verkregen, terwijl de zachtere gedeelten ervan het tegenwoordige plantenrijk hebben gevormd; de astrale overblijfselen van vroegere planten en dieren zijn gebruikt bij de vorming van de lagere dieren en bepaalden de structuur van de oorspronkelijke worteltypen van de hoogste zoogdieren. En tenslotte is de vorm van de reusachtige aapmens van de vorige Ronde in deze Ronde gereproduceerd door de dierlijkheid van mensen en omgevormd tot de stamvorm van de hedendaagse mensaap.
   Deze leer, hoe onvolmaakt ook door onze onbekwame pen omschreven, is beslist logischer, meer in overeenstemming met de feiten en veel aannemelijker dan veel ‘wetenschappelijke’ theorieën; bijvoorbeeld de theorie die stelt dat de eerste organische kiem in een meteoriet op onze aarde is neergevallen – zoals Ain Soph in zijn voertuig, Adam Kadmon. Maar de laatstgenoemde neerdaling is allegorisch, zoals iedereen weet, en de kabbalisten hebben nooit geprobeerd deze beeldspraak in haar dode-letter-gewaad aanvaard te krijgen. De theorie van de kiem in de meteoriet echter is afkomstig uit hoge wetenschappelijke kringen en is daarom een geschikte kandidaat om als axiomatische waarheid en wet te worden beschouwd, als een theorie die de mensen wel verplicht zijn te aanvaarden, wanneer ze zich op hetzelfde niveau willen bevinden als de hedendaagse wetenschap. Wat de volgende theorie zal zijn die door de materialistische premissen noodzakelijk wordt gemaakt, kan niemand zeggen. Intussen botsen de tegenwoordige theorieën, zoals iedereen kan zien, onderling nog veel meer dan met die van de occultisten buiten de heilige gebieden van de kennis. Want wat kunnen we nu nog verwachten, nu de exacte wetenschap zelfs van het levensbeginsel een leeg woord heeft gemaakt, een term zonder betekenis, en volhoudt dat het leven een gevolg is van de moleculaire werking van het oorspronkelijke protoplasma! De nieuwe leer van de darwinisten kan worden omschreven en samengevat in de paar woorden waarmee Herbert Spencer ‘speciale schepping’ heeft omschreven . . . ‘zij is waardeloos. Waardeloos door haar afleiding; waardeloos door haar intrinsieke gebrek aan samenhang; waardeloos, want zonder enig bewijs; waardeloos, omdat zij niet voorziet in een intellectuele behoefte; waardeloos, omdat zij geen enkel moreel verlangen bevredigt. We moeten haar daarom opvatten als een hypothese die niet meetelt tegenover alle andere hypothesen over de oorsprong van organische wezens.’ (Principles of Biology, Deel I, blz. 345.)

 

Noten:

  1. Knowledge, 31 maart 1882.
  2. Maar die toch in een ander boek, Le Préhistorique; Antiquité de l’Homme, ongeveer twintig jaar geleden onze mensheid royaal slechts 230.000 jaar toekende. Omdat we nu vernemen dat hij de mens ‘in het midden-Mioceen’ plaatst, moeten we zeggen dat de zeer geachte professor in de voorhistorische antropologie (in Parijs) in zijn opvattingen enigszins tegenstrijdig en inconsequent, zo niet naïef is.
  3. De wortel en het basisdenkbeeld van de oorsprong en transformatie van de soorten – de erfelijkheid (van verworven eigenschappen) – schijnt de laatste tijd in Duitsland heel ernstige tegenstanders te hebben gevonden. Du Bois-Reymond en dr. Pflüger, de fysiologen, en andere even eminente wetenschappers stuiten bij deze leer op onoverkomelijke moeilijkheden en zelfs op onmogelijkheden.
  4. History of Creation, blz. 20.
  5. Om de parallellen duidelijker te maken, zijn dezelfde namen gebruikt als die de wetenschap geeft. Onze termen zijn heel anders.
  6. Laat de lezer bedenken dat er volgens de leer zeven graden van deva’s of ‘voorvaderen’ zijn, of zeven klassen, van de meest volmaakte tot de minst verhevene.
  7. Men zal ons misschien inconsequentie verwijten omdat we in deze tabel geen mens uit het Primair opnemen. Het hier aangenomen parallellisme van Rassen en geologische tijdperken is, voorzover het de oorsprong van het 1ste en 2de betreft, slechts voorlopig, omdat er geen rechtstreekse informatie beschikbaar is. Omdat we het probleem van een mogelijk Ras in het Carboon al eerder hebben besproken, is het niet nodig de discussie erover te heropenen.
  8. In het interval tussen de ene Ronde en de volgende blijft de bol en alles erop in statu quo. Men moet bedenken dat het plantenrijk in zijn etherische vorm begon vóór wat het Oorspronkelijke tijdperk wordt genoemd, het Primair doorliep en zich daarin verdichtte, en zijn volledige fysieke leven in het Secundair bereikte.
  9. Geologen delen ons mee dat ‘de enige zoogdieren van het Secundair die (tot dusver) in Europa zijn ontdekt, de fossiele overblijfselen van een klein buideldier of buideldrager zijn’. (Knowledge, 31 maart 1882, blz. 464.) Maar het buideldier of didelphis (het enige overlevende dier van de familie van dieren die op aarde waren tijdens de aanwezigheid daarop van de androgyne mens) kan toch niet het enige dier zijn dat toen op aarde was? Zijn aanwezigheid vormt een duidelijke aanwijzing dat er andere (hoewel onbekende) zoogdieren moeten zijn geweest, behalve de monotremen en buideldieren; en zo blijkt de benaming ‘zoogdierentijdperk’, die alleen aan het Tertiair wordt gegeven, misleidend en fout te zijn, omdat deze tot de conclusie kan leiden dat er in de Mesozoïsche tijden – het Secundair – geen zoogdieren, maar alleen reptielen, vogels, amfibieën en vissen waren.
  10. Wie geneigd is de leer van de esoterische etnologie te bespotten, die uitgaat van het bestaan van de mens in het Secundair, doet er goed aan nota te nemen van het feit dat een van de beroemdste antropologen van deze tijd, De Quatrefages, sterk in die richting redeneert. Hij schrijft: ‘Er is niets onmogelijks in de veronderstelling dat hij (de mens) tegelijk op de aardbol is verschenen met de eerste vertegenwoordigers van het type waartoe hij door zijn organisme behoort.’ Deze uitspraak nadert heel dicht tot onze fundamentele bewering dat de mens aan de andere zoogdieren voorafging.
       Prof. Lefèvre erkent dat de ‘werkzaamheden van Boucher de Perthes, Lartet, Christy, Bourgeois, Desnoyers, Broca, De Mortillet, Hamy, Gaudry, Capellini en honderd anderen, alle twijfel hebben weggenomen en de progressieve ontwikkeling van het menselijke organisme en zijn activiteiten vanaf het Miocene tijdvak van het Tertiair duidelijk hebben vastgesteld’. (Philosophy, blz. 499, hoofdstuk over organische evolutie.) Waarom verwerpt hij de mogelijkheid van een mens in het Secundair? Eenvoudig omdat hij is verstrikt in het warnet van de darwinistische antropologie!! ‘De oorsprong van de mens hangt samen met die van de hogere zoogdieren’; hij verscheen ‘pas met de laatste typen van zijn klasse’!! Dit is geen argument, maar een dogma. De theorie kan nooit feiten uitbannen! Moet alles wijken, uitsluitend voor de werkhypothesen van de westerse evolutionisten? Beslist niet.
  11. Deze placentalia van de derde onderklasse worden blijkbaar verdeeld in villiplacentalia (waarbij de placenta is samengesteld uit een groot aantal gescheiden delen), de zonoplacentalia (gordelvormige placenta) en de discoplacentalia (of discoïden). Haeckel ziet in de buideldieren didelphia genealogisch een van de verbindingsschakels tussen de mens en de monere!!
  12. Dit opnemen van het eerste Ras in het Secundair is onvermijdelijk slechts een voorlopige werkhypothese – de werkelijke chronologie van het eerste, het tweede en het vroege derde Ras wordt door de ingewijden zorgvuldig versluierd. Alles wat hierover kan worden gezegd, is dat het eerste Wortelras vóór-Secundair kan zijn geweest, zoals ook inderdaad wordt geleerd. (Zie boven.)
  13. De bovengenoemde parallellen gelden alleen indien de vroegere berekeningen van prof. Croll worden aanvaard, nl. van 15.000.000 jaar sinds het begin van het Eoceen (zie Charles Gould, Mythical Monsters, blz. 84), en niet die in zijn Climate and Time, die slechts 2,5 miljoen jaar of hoogstens 3 miljoen jaar aan het Tertiair toekennen. Daardoor zou echter volgens prof. Winchell de hele ouderdom van de wereld sinds haar korstvorming slechts 131.600.000 jaar worden, terwijl volgens de esoterische leer de sedimentatie in deze Ronde meer dan 320 miljoen jaar geleden begon. Toch verschillen zijn berekeningen niet veel van de onze voor wat betreft de ijstijden in het Tertiair, dat in onze esoterische boeken de eeuw van de ‘pygmeeën’ wordt genoemd. Over de 320 miljoen jaar die aan de sedimentatie worden toegeschreven, moet worden opgemerkt dat tijdens de voorbereiding van deze bol voor de vierde Ronde voorafgaand aan de laagvorming nog meer tijd is verlopen.
  14. Hoewel we de term ‘werkelijk menselijk’ alleen op het vierde Atlantische Wortelras toepassen, is toch het derde Ras in zijn laatste periode bijna menselijk, omdat tijdens het vijfde onderras ervan de mensheid zich in twee geslachten scheidde en de eerste mens volgens het nu normale proces werd geboren. Deze ‘eerste mens’ komt in de bijbel (Genesis) overeen met Enos of Henoch, zoon van Seth (hfst. iv).
  15. De geologie maakt melding van het vroegere bestaan van een oceaan over de hele aarde, en dat blijkt uit overal aanwezige lagen van zeebezinksel; maar zelfs dit is niet de tijd die in de allegorie van Vaivasvata Manu wordt genoemd. De laatstgenoemde is een deva-mens (of Manu), die in een ark (het vrouwelijke beginsel) de kiemen van de mensheid redt, en ook de zeven rishi’s – die hier de symbolen voor de zeven menselijke beginselen zijn – een allegorie waarover we elders al hebben gesproken. De ‘universele zondvloed’ is de waterige afgrond van het oorspronkelijke beginsel van Berosus. (Zie Stanza’s 2 tot 8 in Deel I.) Hoe Croll – als hij sinds het Eoceen vijftien miljoen jaar laat verstrijken (wat wij zeggen op gezag van een geoloog, Ch. Gould) – slechts 60 miljoen jaar rekent ‘sinds het begin van het Cambrium, in het oorspronkelijke tijdperk’, gaat ons begripsvermogen te boven. De Secundaire lagen zijn tweemaal zo dik als de Tertiaire, en de geologie toont dus aan dat het Secundair alleen al twee keer zo lang was als het Tertiair. Moeten we dan voor het Primair en het oorspronkelijke tijdperk slechts 15 miljoen jaar aannemen? Geen wonder dat Darwin de berekening verwierp.
  16. We hopen dat we alle wetenschappelijke gegevens daarvoor elders hebben verschaft.
  17. De geologie erkent dat ‘er zonder enige twijfel een aanzienlijke tijd moet zijn verlopen na het verdwijnen van de paleolithische mens en vóór de komst van zijn neolithische opvolger’. (Zie James Geikie, Prehistoric Europe en Ch. Gould, Mythical Monsters, blz. 98.)
  18. Deze lijken enigszins op de paaldorpen van Noord-Borneo.
  19. ‘De knapste beeldhouwer van onze tijd zou er waarschijnlijk niet veel beter in slagen als zijn graveerstift een vuursteensplinter was, en steen en been de materialen waren die hij moest graveren’!! (Prof. Boyd Dawkins, Cave Hunting, blz. 344.) Na zo’n erkenning is het niet nodig verder in te gaan op de beweringen van Huxley, Schmidt, Laing en anderen, dat de paleolithische mens ons niet kan terugvoeren tot een pithecoïde mensenras. Hierdoor wordt een einde gemaakt aan de fantasieën van veel oppervlakkige evolutionisten. Het restant van een artistiek vermogen, dat hier weer tevoorschijn komt bij de mensen van de Steentijd, is terug te voeren tot hun Atlantische voorouders. De neolithische mens was een voorloper van de grote Arische invasie, en immigreerde uit een heel andere streek – Azië, en voor een deel Noord-Afrika. (De stammen die het noordwesten van het laatstgenoemde gebied bevolkten, waren ongetwijfeld van Atlantische oorsprong – en dateerden uit een tijd die honderdduizenden jaren vóór de neolithische periode in Europa lag – maar zij waren zo sterk van het oorspronkelijke type afgeweken, dat zij niet langer enig opvallend kenmerk van dit type vertoonden.) Wat de tegenstelling tussen de neolithische en de paleolithische mens betreft, is het een opmerkelijk feit dat – zoals Carl Vogt opmerkt – de eerstgenoemde een kannibaal was, terwijl de veel oudere mens van de mammoettijd dit niet was. De manieren en gebruiken van de mensen schijnen er dus met de tijd niet beter op te worden. In dit geval tenminste niet.
  20. Indien men zich zou baseren op de gegevens, verschaft door de moderne wetenschap, de fysiologie en de natuurlijke selectie, zonder zijn toevlucht te nemen tot een wonderbaarlijke schepping, zou men kunnen concluderen dat twee exemplaren van negermensentypen die wat intelligentie betreft op de laagste trap staan – bijvoorbeeld stom geboren idioten – door vermenging een pastranasoort zonder spraak kunnen voortbrengen, die het begin zou zijn van een nieuw gewijzigd ras en zo in de loop van de geologische tijd de gewone mensaap zou voortbrengen.
  21. Kraft und Stoff, door dr. Ludwig Büchner, in het Engels vertaald en uitgegeven door J. Frederick Collingwood, F.R.S., F.G.S., 1864.
  22. Als dat zo is, moet de paleolithische mens in zijn tijd over driemaal de Herculische kracht en een magische onkwetsbaarheid hebben beschikt, of anders was de leeuw toen zo zwak als een lam, want ze deelden dezelfde woning. Men zou ons evengoed kunnen vragen te geloven dat het de leeuw of de hyena is geweest die het hert op het gewei heeft gegraveerd, als ons te vertellen dat dit stuk vakbekwaamheid van zo’n wilde afkomstig is.
  23. Alleen al op één plaats heeft men meer dan twintig exemplaren van fossiele apen aangetroffen, in Miocene lagen (Pikermi bij Athene). Indien de mens toen niet bestond, heeft hij onvoldoende tijd gehad om te zijn getransformeerd – hoe lang men die periode ook neemt. En als hij wel bestond en er daarvóór geen apen zijn gevonden, wat volgt daar dan uit?
  24. Antiquity of Man, blz. 530.
  25. En nog ‘enorm’ veel meer, wanneer we de zaak omkeren en zeggen: tijdens de ontwikkeling van de aap uit de mens van het derde Ras.

 


De Geheime Leer 2:806-31

© 1988 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag