STANZA 5


DE EVOLUTIE VAN HET TWEEDE RAS

     § (18) De zonen van yoga. (19) Het geslachtloze tweede Ras. (20) De zonen van de zonen van de schemering. (21) De ‘schaduw’, of de astrale mens, trekt zich naar binnen terug en de mens ontwikkelt een stoffelijk lichaam.

      18. HET EERSTE (Ras) WAREN DE ZONEN VAN YOGA. HUN ZONEN, DE KINDEREN VAN DE GELE VADER EN DE WITTE MOEDER.

     In de latere Toelichting wordt deze zin zo vertaald:
     ‘De zonen van de zon en de maan, het voedsterkind van de ether (of de wind) (a) . . . . . . .’
     ‘Zij waren de schaduwen van de schaduwen van de Heren (b). Zij (de schaduwen) zetten zich uit. De geesten van de aarde kleedden hen; de zonne-Lha’s verwarmden hen (d.i. bewaarden het levensvuur in de wordende stoffelijke vormen). De adems hadden leven, maar geen begrip. Zij hadden geen eigen vuur of water’ (c).

     (a) Denk in dit verband aan de Tabula Smaragdina van Hermes, waarvan de esoterische betekenis zeven sleutels heeft. De astro-chemische sleutel is bij de onderzoekers goed bekend, de antropologische kan nu worden gegeven. Het daarin genoemde ‘ene ding’ is de MENS. Er wordt gezegd: ‘De vader van DAT ENE ENIGE DING is de zon; zijn moeder de maan; de wind draagt het in zijn schoot, en zijn voedster is de geestrijke aarde.’ In de occulte weergave hiervan wordt eraan toegevoegd: ‘en geestelijk vuur is zijn leraar (goeroe)’.
     Dit vuur is het hogere Zelf, het geestelijke ego, of dat wat eeuwig reïncarneert onder de invloed van zijn lagere persoonlijke zelven, die bij elke wedergeboorte veranderen, vol van tanha of begeerte om te leven. Het is een vreemde wet dat op dit gebied de hogere (geestelijke) Natuur om zo te zeggen de slavin van de lagere moet zijn. Tenzij het ego zijn toevlucht neemt in de atman, de AL-GEEST, en geheel opgaat in de essentie daarvan, kan het persoonlijke ego hem tot het bittere einde voortdrijven. Dit is niet volledig te begrijpen, tenzij de onderzoeker zich vertrouwd maakt met het mysterie van de evolutie, die drie wegen volgt – de geestelijke, de psychische en de stoffelijke.
     De evolutie wordt krachtig gestuwd en voortgedreven, met andere woorden, de groei en de ontwikkeling van de mens naar volmaaktheid wordt afgedwongen door (a) de MONADE, of dat wat daarin onbewust werkt door een inherente kracht; en (b) het lagere astrale lichaam of het persoonlijke ZELF. De eerstgenoemde, of deze nu is gevangen in een plantaardig of een dierlijk lichaam, bezit die kracht, ja is zelf die kracht. Op grond van haar identiteit met de AL-KRACHT, die zoals gezegd aan de monade inherent is, is zij almachtig op het arupa- of vormloze gebied. Op ons gebied blijft zij, omdat haar essentie te zuiver is, alvermogend, maar wordt individueel onwerkzaam: zo kiezen de zonnestralen die bijdragen tot de plantengroei, niet een bepaalde plant om op te schijnen. Als men de plant uit de grond trekt en verplaatst naar een stuk land waar de zonnestraal haar niet kan bereiken, zal deze haar niet volgen. Zo is het ook met de atman: tenzij het hogere Zelf of het EGO zich naar zijn zon – de monade – richt, zal het lagere ego of persoonlijke zelf altijd de overhand hebben. Want dit ego, met zijn harde zelfzucht en dierlijke begeerte (tanha) om een redeloos leven te leiden, is ‘de maker van het tabernakel’, zoals Boeddha hem in het Dhammapada (153 en 154) noemt. Vandaar de uitdrukking ‘de geesten van de aarde kleedden de schaduwen en lieten ze uitzetten’. Tot deze ‘geesten’ behoren tijdelijk de menselijke astrale zelven; en zij geven of bouwen het stoffelijke tabernakel van de mens, tot woonplaats van de monade en haar bewuste beginsel, manas. Maar de ‘zonne’-Lha’s, geesten, verwarmen deze schaduwen. Dit is fysisch en letterlijk waar; metafysisch, of op psychisch en geestelijk gebied, is het evengoed waar, dat alleen de atman de innerlijke mens verwarmt; d.w.z. hij verlicht hem met de straal van goddelijk leven en is als enige in staat aan de innerlijke mens of het reïncarnerende ego zijn onsterfelijkheid te verlenen. Zo zullen wij zien dat voor de eerste drieëneenhalf Wortelrassen, tot het midden of keerpunt, de astrale schaduwen van de ‘voorvaderen’, de maanpitri’s, de vormgevende krachten in de Rassen zijn, en dat zij de evolutie van de stoffelijke vorm naar vervolmaking geleidelijk tot stand brengen – maar ten koste van een evenredig verlies aan spiritualiteit. Dan, vanaf het keerpunt, regeert het hogere ego of incarnerende beginsel, de nous of het denkvermogen, over het dierlijke ego, en beheerst het wanneer het niet door het laatstgenoemde omlaag wordt getrokken. Kortom, het geestelijke is op de klimmende boog, en het dierlijke of stoffelijke belet het slechts dan om gestaag op het pad van zijn evolutie voort te gaan, wanneer de zelfzucht van de persoonlijkheid de werkelijke innerlijke mens zo sterk heeft besmet met haar dodelijke virus, dat de opwaartse aantrekking al haar macht over de denkende redelijke mens heeft verloren. De nuchtere waarheid is, dat ondeugd en slechtheid in deze periode van onze menselijke evolutie abnormale, onnatuurlijke verschijnselen zijn – althans zouden moeten zijn. Het feit dat de mensheid nooit zelfzuchtiger en boosaardiger is geweest dan nu, en dat beschaafde volkeren erin zijn geslaagd van het eerste een ethische eigenschap en van het tweede een kunst te maken, is een bewijs te meer voor de uitzonderlijke aard van het verschijnsel.
     Het volledige schema is te vinden in het ‘Chaldeeuwse Boek van de Getallen’ en zelfs in de Zohar, indien men de betekenis van de apocalyptische toespelingen maar begrijpt. Eerst komt En-Soph, het ‘verborgene van het verborgene’, dan het punt, sephira en de latere sephiroth; dan de atzilatische wereld, een wereld van emanaties, die drie andere werelden laat ontstaan. De eerste is de Troon, het verblijf van zuivere geesten; de tweede de wereld van het vormgeven of Jetzira, de woonplaats van de engelen, die de derde hebben voortgebracht, de wereld van de handeling, de Aziatische wereld, die de aarde of onze wereld is. En toch zegt men dat deze wereld, ook Kliphoth genaamd, die de (zes andere) sferen, גלגלים, en stof bevat, de verblijfplaats is van de ‘vorst van de duisternis’. Dit is zo duidelijk mogelijk gezegd; want Metatron, de engel van de tweede of briatische wereld, betekent boodschapper, ἄγγελοϛ , engel, en wordt de grote leraar genoemd. Onder hem staan de engelen van de derde wereld, Jetzira, waarvan de tien en zeven klassen de sephiroth1 zijn, van wie men zegt dat ‘zij deze wereld bewonen en bezielen als essentiële wezens en intelligenties, en dat de met hen overeenkomenden en hun tegengestelden de derde of Aziatische wereld bewonen’. Deze ‘tegengestelden’ worden ‘de schillen’, קליפות, of demonen2 genoemd, die de zeven verblijven bewonen, Sheba Hachaloth genaamd, die eenvoudig de zeven zones van onze bol zijn. Hun vorst wordt in de Kabbala Samaël genoemd, de engel van de dood, die ook de verleidende slang satan is; maar die satan is ook Lucifer, de schitterende engel van het licht, de licht- en levenbrenger, de ‘ziel’ die is vervreemd van de Heiligen, de andere engelen, en die enigszins vooruitliep op de tijd waarop zij op aarde zouden zijn neergedaald om op hun beurt te incarneren.
     ‘De zielen (monaden) zijn vóórbestaand in de wereld van de emanaties’ (Boek van de Wijsheid, viii, 20); en de Zohar leert dat in de ‘ziel de ware mens is, dat is het ego en het bewuste IK BEN: ‘manas’ ’.
     ‘Zij dalen neer uit de zuivere lucht om aan lichamen te worden geketend’, zegt Josephus, die het geloof van de Essenen herhaalt (De Bello Judaeo, 11, 12). ‘De lucht is vol zielen’, verklaart Philo, ‘zij dalen neer om aan sterfelijke lichamen te worden gebonden, omdat zij verlangen daarin te leven’. (De Gignat, 222c.; De Somniis, blz. 455)3; omdat zij door en in de menselijke vorm zich ontwikkelende wezens zullen worden, terwijl de aard van de engel zuiver intransitief is; de mens heeft daarom de kracht om zich boven de vermogens van de engelen te verheffen. Daarom zeggen de ingewijden in India dat de brahmaan, de tweemaal geborene, de goden of deva’s beheerst; en Paulus herhaalde het in I Corinthiërs vi, 3: ‘Weet gij niet dat wij (de ingewijden) de engelen zullen oordelen?’
     Tenslotte wordt in elk oud heilig geschrift en in elke kosmogonie gezegd dat de mens oorspronkelijk evolueerde als een lichtgevende onlichamelijke vorm, waarover, zoals het gesmolten koper wordt gegoten om het kleimodel van de beeldhouwer, de stoffelijke gestalte van zijn lichaam werd gebouwd door en uit de lagere vormen en typen van aards dierlijk leven. ‘De ziel en de vorm nemen een aards kleed aan wanneer zij op aarde neerdalen’, zegt de Zohar. Zijn modellichaam werd niet gevormd uit die stof waaruit onze sterfelijke lichamen worden gevormd. ‘Toen Adam in de hof van Eden verbleef, was hij gekleed in het hemelse gewaad, dat het gewaad is van hemels licht . . . licht van dat licht dat in de hof van Eden werd gebruikt’ (Zohar II, 229 B). ‘De mens (de hemelse Adam) werd geschapen door de tien sephiroth van de Jetzira-wereld, en door gemeenschappelijke kracht brachten zij (de zeven engelen van een nog lagere wereld) de aardse Adam voort . . . Eerst viel Samaël, en doordat hij de mens misleidde(?), veroorzaakte hij ook de val van deze.’

     (b) De zin: ‘Zij waren de schaduwen van de schaduwen van de Heren’, d.w.z. de voorvaderen schiepen de mens uit hun eigen astrale lichamen, verklaart een algemeen verspreid geloof. In het oosten neemt men aan dat de deva’s geen eigen schaduwen hebben. ‘De deva’s werpen geen schaduwen’, en dit is een duidelijk teken van een goede heilige geest.
     Waarom hadden zij ‘geen eigen vuur of water’4? Omdat:

     (c) Wat waterstof is voor de elementen en gassen op het objectieve gebied, is het noumenon ervan in de wereld van de verstandelijke of subjectieve verschijnselen; want de drievoudige latente aard ervan wordt weerspiegeld in zijn drie werkzame emanaties uit de drie hogere beginselen in de mens, namelijk ‘geest, ziel en denkvermogen’, of atma, buddhi en manas. Het is de geestelijke en ook de stoffelijke menselijke basis. De rudimentaire mens, gevoed door de ‘lucht’ of de ‘wind’, wordt later de volmaakte mens. Dit gebeurt wanneer hij met het ontwikkelen van het ‘geestelijke vuur’ – het noumenon van de ‘drie in één’ in zijn Zelf – van zijn innerlijke Zelf of leermeester de wijsheid van het zelfbewustzijn verkrijgt, dat hij in het begin niet bezit. Zo wordt de goddelijke geest hier weer gesymboliseerd door de zon of het vuur; de goddelijke ziel door water en de maan, en beide stellen de vader en de moeder van pneuma, de menselijke ziel of het denkvermogen voor, gesymboliseerd door de wind of de lucht, want pneuma betekent ‘adem’.
     Daarom staat er op de Smaragden tafel, die door christelijke handen werd verminkt:
     ‘Het hogere komt overeen met het lagere en het lagere met het hogere, om dit ene inderdaad wonderbaarlijke werk tot stand te brengen’ – dat de MENS is. Want het geheime werk van Chiram, of koning Hiram in de Kabbala, ‘in essentie één, maar met drie aspecten’, is het universele middel of de steen der wijzen. Het hoogtepunt van het geheime werk is enerzijds de geestelijke volmaakte mens; anderzijds is het de vereniging van de drie elementen, het occulte oplosmiddel in de ‘wereldziel’, de kosmische ziel of het astrale licht; en op het stoffelijke gebied is het waterstof in haar betrekking tot de andere gassen. Het TO ON, inderdaad; het ENE ‘dat niemand heeft gezien behalve de zoon’; deze zin heeft betrekking op zowel de metafysische als de fysische Kosmos, en op de geestelijke en de stoffelijke mens. Want hoe zou deze laatste het TO ON, de ‘ene vader’ kunnen begrijpen, indien zijn manas, de ‘zoon’, niet (als) ‘een met de vader’ wordt, en door deze opneming verlichting ontvangt van de ‘goddelijke leermeester’, de goeroe – atma-buddhi?
     ‘Indien gij de SECUNDAIRE (zogenaamde ‘schepping’) wilt begrijpen, o lanoo, moet gij eerst haar verband met de PRIMAIRE bestuderen.’ (Toelichting, Boek van Dzyan, III, 19.)
     Het eerste Ras had drie elementen, maar geen levend vuur. Waarom? Omdat:
     ‘Wij zeggen vier elementen, mijn zoon, maar moesten eigenlijk drie zeggen’, zegt Hermes Trismegistus. ‘In de primaire cirkel’ (schepping) wordt wat met is aangegeven, gelezen als ‘wortel’, en in de secundaire eveneens.
     Zo vinden wij in de alchemie of de westerse hermetiek (een variant op de oosterse esoterie):

    X.         X.
Sulphur Flamma Spiritus
Hydrargyrum Natura Aqua
Sal Mater Sanguis

     En al deze drie zijn viertallen, die volledig zijn gemaakt door hun wortel, vuur. De geest, achter de gemanifesteerde Natuur, is de vurige ADEM in zijn absolute eenheid. In het gemanifesteerde Heelal is hij de centrale geestelijke zon, het elektrische vuur van alle leven. In ons stelsel is hij de zichtbare zon, de geest van de Natuur, de aardse god. En in, op en rondom de aarde, de vurige geest daarvan – lucht, fluïde vuur; water, vloeibaar vuur; aarde, vast vuur. Alles is in zijn uiteindelijke gesteldheid vuur – ignis, of I, waarvan de wortel volgens onze begrippen O (nul) is, het Al in de natuur en het denkvermogen daarvan. Pro-Mater is goddelijk vuur. Het is de schepper, de vernietiger, de instandhouder. De oorspronkelijke namen van de goden staan alle in verband met vuur, van AGNI, de Arische, tot de Joodse god die ‘een verterend vuur is’. In India wordt god in verschillende dialecten Eashoor, Esur, Iswur en Is’Vara genoemd, in het Sanskriet de Heer, van Isa, maar dit is voornamelijk de naam van Siva, de vernietiger; en de drie voornaamste vedische goden zijn Agni (ignis), Vayu en Surya – vuur, lucht en de zon, drie occulte graden van vuur. Het Hebreeuwse אזא (aza) betekent verlichten, en אשא (asha) is vuur. In het occultisme is ‘een vuur aansteken’ synoniem met het oproepen van een van de drie grote vuurkrachten, of ‘god aanroepen’. In het Sanskriet is osch of asch vuur of warmte; en het Egyptische woord Osiris is (zoals Schelling heeft aangetoond) samengesteld uit de twee stamwoorden aish en asr, of een ‘vuur-bezweerder’. Aesar betekende in het oude Etruskisch een god (het is misschien afgeleid van Asura van de Veda’s). Aeswar en Eswara zijn analoge termen, zoals dr. Kenealy dacht. In de Bhagavad Gita lezen wij: ‘Iswara woont in elk sterfelijk wezen en zet door zijn bovennatuurlijke kracht alle dingen in beweging die op het wiel van de tijd omhoogstijgen.’ Hij is inderdaad de schepper en de vernietiger. ‘Het oorspronkelijke vuur werd verondersteld een onverzadigbare vraatzucht te hebben. Maximus van Tyrus vertelt dat de oude Perzen brandbare stof in het vuur wierpen en riepen: ‘Verslind, o Heer!’ In de Ierse taal betekent easam of asam ‘scheppen’, en Aesar was de naam van een oude Ierse god en betekende ‘een vuur aansteken’ ’ (Kenealy). De christelijke kabbalisten en kenners van de symboliek, die Pymander hebben misvormd – onder wie de bisschop van Ayre, François de Tours, in de 16de eeuw een voorname plaats innam – verdelen de elementen als volgt:
     De vier elementen, gevormd uit goddelijke substanties en de geesten van de zouten van de Natuur, voorgesteld door

Mattheüs Engel-mens Water (Jezus Christus, Engel-mens, Michaël)
Α-ω  Marcus De Leeuw Vuur  
E-Y Lucas De Stier Aarde  
I-O Johannes De Arend Lucht5  

     H, DE QUINTESSENS, ‘ΗΦΛΟΞ, FLAMMA-VIRGO (maagdelijke olie), FLAMMA DURISSIMA, VIRGO, LUCIS AETERNA MATER.
     Het eerste mensenras bestond dus eenvoudig uit de beelden, de astrale dubbelgangers van hun vaders, die de pioniers of de verst gevorderde wezens waren van een voorafgaande maar lagere sfeer, waarvan de schil nu onze maan is. Maar zelfs deze schil heeft een groot vermogen, want nadat zij de aarde had voortgebracht, trachtte de schim van de maan, aangetrokken door magnetische affiniteit, haar eerste bewoners, de vóórmenselijke monsters, te vormen (zie boven, Stanza II). Om zich hiervan te overtuigen, moet de lezer de Chaldeeuwse fragmenten weer raadplegen en lezen wat Berosus zegt. Berosus kreeg zijn kennis, zoals hij ons vertelt, van Ea, de mannelijk-vrouwelijke godheid van de wijsheid. Terwijl de goden in haar androgyne schoot (svabhavat, moeder-ruimte) werden voortgebracht, werden de weerspiegelingen (van de wijsheid) op aarde de vrouw Omoroka, die de Chaldeeuwse Thavatth is, of de Griekse Thalassa, de Diepte of de zee, die esoterisch en zelfs exoterisch de maan is. Het was de maan (Omoroka) die leiding gaf aan de monsterlijke schepping van vreemdsoortige wezens die door de Dhyani’s werden gedood. (Zie Hibbert Lectures, blz. 370 e.v.; ook in Afd. II, ‘Adam-Adami’.)
     De wet van de evolutie dwong de maan-‘vaderen’ om in hun monadische toestand alle vormen van het leven en bestaan op deze bol te doorlopen; maar bij het einde van de derde Ronde waren zij al menselijk in hun goddelijke natuur, en moesten daarom de scheppers worden van de vormen die waren bestemd om de tabernakels te bouwen van de minder gevorderde monaden die aan de beurt waren om te incarneren. Deze ‘vormen’ worden ‘zonen van yoga’ genoemd, omdat yoga (exoterisch: vereniging met Brahma) de hoogste toestand van de passieve oneindige godheid is, omdat hij alle goddelijke krachten bevat en de essentie van Brahma is, van wie wordt gezegd dat hij (als Brahma) alles door yogakracht schept. Brahma, Vishnu en Siva zijn de sterkste krachten van God, Brahma, het Onzijdige, zegt een Purana-tekst. Yoga is hier hetzelfde als Dhyana, een woord dat weer synoniem is met yoga in de Tibetaanse tekst, waar de ‘zonen van yoga’ worden genoemd ‘zonen van Dhyana’, of van die abstracte meditatie met behulp waarvan de Dhyani-Boeddha’s hun hemelse zonen, de Dhyani-Bodhisattva’s, scheppen. Elk schepsel in de wereld heeft een hoger wezen boven zich. ‘Dit hogere wezen, dat een innerlijk welbehagen heeft om zich in hen uit te stralen, kan geen uitstraling schenken voordat zij hebben aanbeden’ – d.w.z. gemediteerd zoals tijdens yoga. (Sepher M’bo Sha-arim, vertaald door Isaac Myer, Qabbalah, blz. 109-111.)

 

      19. HET TWEEDE RAS (was) HET PRODUCT VAN KNOPVORMING EN UITZETTING, DE ASEKSUELE (vorm) UIT DE GESLACHTLOZE (schaduw). ZO WERD, O LANOO, HET TWEEDE RAS VOORTGEBRACHT (a).

     (a) Wat wetenschappelijke autoriteiten het meest zullen bestrijden, is dit niet-geslachtelijke Ras, het tweede, de vaderen van de zogenaamde ‘zweetgeborenen’, en misschien nog meer het derde Ras, de ‘ei-geboren’ androgynen. Deze twee manieren van voortplanting zijn het moeilijkst te begrijpen, vooral voor de westerse denker. Het is duidelijk dat men niet hoeft te proberen dit uit te leggen aan personen die geen beoefenaars van de occulte metafysica zijn. De Europese talen hebben geen woorden om dingen uit te drukken die de Natuur in het huidige evolutiestadium niet meer herhaalt, dingen die dus voor de materialist geen betekenis kunnen hebben. Maar er zijn analogieën. Het wordt niet ontkend dat er in het begin van de stoffelijke evolutie processen in de Natuur moeten zijn geweest, bijvoorbeeld spontane generatie, die nu niet meer bestaan, maar in andere vormen worden herhaald. Zo zegt men ons dat microscopisch onderzoek heeft uitgewezen dat geen enkele manier van voortplanting blijvend bestaat. Want ‘dit toont aan dat hetzelfde organisme in de loop van zijn levenscyclus verschillende metamorfosen kan doormaken; dat het afwisselend geslachtelijk en niet-geslachtelijk kan zijn; d.w.z. dat het zich nu eens vermenigvuldigt door samenwerking van twee wezens van verschillend geslacht, dan weer door deling of knopvorming van slechts één wezen, dat geen geslacht heeft6. ‘Knopvorming’ is precies het woord dat in de stanza wordt gebruikt. Hoe hadden deze chhaya’s zich anders kunnen vermenigvuldigen, d.w.z. het tweede Ras voortbrengen, want zij waren etherisch, niet-geslachtelijk en zelfs nog zonder het voertuig van de begeerte, of kamarupa, dat zich pas in het derde Ras ontwikkelde? Zij evolueerden het tweede Ras onbewust, zoals sommige planten doen. Of misschien zoals de amoebe, maar dan op een meer etherische, indrukwekkende en grotere schaal. Indien de celtheorie inderdaad zowel op de plantkunde als op de dierkunde van toepassing is, en zich uitstrekt tot zowel de morfologie als de fysiologie van de organismen, en indien de natuurwetenschap de microscopische cellen beschouwt als onafhankelijke levende wezens – op dezelfde manier als waarop het occultisme de ‘vurige levens’7 beschouwt – dan levert de opvatting van het oorspronkelijke voortplantingsproces geen moeilijkheid op.
     Beschouw de eerste ontwikkelingsstadia van een kiemcel. Haar kern groeit, verandert en vormt een dubbele kegel of spoel, zó , binnen de cel. Deze spoel nadert de wand van de cel, en de helft ervan wordt uitgestoten in de vorm van wat de ‘poolcellen’ worden genoemd. Dan sterven deze poolcellen, en het embryo ontwikkelt zich door de groei en de deling van het overblijvende stuk van de kern, die wordt gevoed door de substantie van de cel. Waarom kunnen wezens dan niet zo hebben geleefd en op deze manier zijn geschapen – bij het eerste begin van de evolutie van mensen en zoogdieren?
     Dit kan misschien dienen als analogie om enig idee te geven van het proces waardoor het tweede Ras uit het eerste werd gevormd.
     De astrale vorm die de monade bekleedt, was en is nog omgeven door zijn eivormige sfeer of aura, die hier overeenkomt met de substantie van de kiemcel of het ovum. De astrale vorm zelf is de kern, die nu evenals toen wordt bezield met het levensbeginsel.
     Wanneer de tijd van de voortplanting aanbreekt, ‘stoot’ het sub-astrale een verkleind beeld van zichzelf buiten het ei van de omringende aura ‘uit’. Deze kiem groeit en voedt zich met de aura tot zij volledig is ontwikkeld; daarna scheidt zij zich geleidelijk van haar ouder af en neemt haar eigen sfeer of aura mee, op dezelfde manier als levende cellen hun gelijken voortbrengen door groei en daarop volgende splitsing in twee delen.
     De analogie met de ‘poolcellen’ schijnt goed op te gaan, omdat hun dood nu zou overeenkomen met de verandering die wordt teweeggebracht door het scheiden van de geslachten, waarbij zwangerschap in utero, d.i. binnen de cel, regel werd.
     ‘Het vroege tweede (Wortel) Ras waren de vaderen van de ‘zweetgeborenen’; het latere tweede (Wortel) Ras waren zelf ‘zweetgeborenen’.’
     Deze passage uit de Toelichting heeft betrekking op het werk van de evolutie van het begin van een Ras tot het eind ervan. De ‘zonen van yoga’ of het oorspronkelijke astrale ras hadden als ras of collectief zeven evolutiestadia; evenals elk individueel wezen daarvan dit had en nog heeft. Shakespeare was niet de enige die de levensduur van de mens in een reeks van zeven verdeelde, want de Natuur zelf doet dit. Zo werden de eerste onderrassen van het tweede Ras aanvankelijk geboren op de manier, beschreven in de wet van de analogie; terwijl de laatste, gelijke tred houdend met de evolutie van het menselijke lichaam, geleidelijk op een andere manier begonnen te worden gevormd. Het voortplantingsproces had ook in ieder Ras zeven stadia, die elk onafzienbare tijdperken duurden. Welke fysioloog of bioloog zou kunnen zeggen of de tegenwoordige manier van voortplanting met al haar fasen van vruchtvorming ouder is dan een half miljoen of op zijn hoogst een miljoen jaar: hun cyclus van waarneming begon immers nauwelijks een halve eeuw geleden?
     De oorspronkelijke menselijke hermafrodieten zijn een feit in de Natuur en waren welbekend aan de Ouden; zij vormen een van Darwins grootste moeilijkheden. Toch is het beslist niet onmogelijk, maar integendeel heel waarschijnlijk, dat hermafroditisme in de evolutie van de eerste rassen bestond; terwijl het zo moet zijn op grond van analogie en van het bestaan van één universele wet van stoffelijke evolutie, die op dezelfde manier werkzaam is bij de opbouw van planten, dieren en mensen. De onjuiste theorieën van de monogenese en de afstamming van de mens van de zoogdieren in plaats van het omgekeerde, zijn noodlottig voor de volledigheid van de evolutie, zoals die in de tegenwoordige scholen op darwinistische grondslag wordt onderwezen, en zij zullen moeten worden verlaten met het oog op de onoverkomelijke moeilijkheden die zij opleveren. Alleen de occulte traditie – indien de termen wetenschap en kennis in dit opzicht aan de oudheid worden ontzegd – kan de tegenstrijdigheden met elkaar verzoenen en de kloof overbruggen. Een axioma uit de talmoed zegt: ‘Indien gij het onzichtbare wilt kennen, open uw oog dan wijd voor het zichtbare.’
In de ‘Descent of Man8 komt de volgende passage voor, die aantoont hoe dicht Darwin was genaderd tot het aanvaarden van deze oude leer.
     ‘Het is al lang bekend dat in het rijk van de gewervelde dieren het ene geslacht rudimenten bezit van verschillende kleinere onderdelen van de voortplantingsorganen, die eigenlijk behoren bij het tegenovergestelde geslacht . . . Een verre voorvader van het hele gewervelde dierenrijk schijnt hermafrodiet of androgyn te zijn geweest9 . . . Maar hier ontmoeten we een eigenaardige moeilijkheid. In de klasse van de zoogdieren bezitten de mannetjes rudimenten van een uterus met de aangrenzende kanalen in de vesiculae prostaticae; zij bezitten ook rudimenten van mammae, en sommige mannelijke buideldieren dragen sporen van een buidelzak. Hieraan zou men andere analoge feiten kunnen toevoegen. Moeten wij dan veronderstellen dat een of ander bijzonder oud zoogdier androgyn is gebleven nadat het de voornaamste kenmerken van zijn klasse had verkregen, en dus nadat het zich had afgescheiden van de lagere klassen van de gewervelde dieren? Dit lijkt heel onwaarschijnlijk10, want wij moeten teruggaan tot de vissen, de laagste van alle klassen, om nog enige bestaande androgyne vormen te vinden.’
     Darwin is er kennelijk afkerig van de hypothese te aanvaarden waarop de feiten zo nadrukkelijk wijzen, namelijk die van een oorspronkelijke androgyne stam, waaruit de zoogdieren voortkwamen. Zijn verklaring luidt: ‘Het feit dat verschillende bijkomstige organen die behoren tot elk geslacht, in rudimentaire toestand worden gevonden bij het tegenovergestelde geslacht, kan misschien worden verklaard door te veronderstellen dat zulke organen geleidelijk door het ene geslacht zijn verworven en daarna in een min of meer onvolmaakte toestand aan het andere geslacht zijn overgedragen.’ Hij noemt als voorbeeld ‘sporen, veren en schitterende kleuren, die de mannelijke vogels hebben voor de strijd of als versiersel’ en die slechts gedeeltelijk worden overgeërfd door hun vrouwelijke afstammelingen. Voor het te behandelen probleem is echter kennelijk een bevredigender verklaring nodig, want de feiten zijn van een veel meer op de voorgrond tredend en belangrijker karakter dan de oppervlakkige details waarmee Darwin ze vergelijkt. Waarom wordt niet eerlijk de juistheid erkend van het argument ten gunste van het hermafroditisme, dat de oude fauna kenmerkt? Het occultisme biedt een oplossing waarin de feiten op alomvattende en eenvoudige manier voorkomen. Deze overblijfselen van een vroeger androgyn geslacht moeten in dezelfde categorie worden ondergebracht als de pijnappelklier en andere even geheimzinnige organen, die stille getuigen zijn van de realiteit van functies die in de loop van de dierlijke en menselijke vooruitgang al lang zijn geatrofieerd, maar die eens een belangrijke rol hebben gespeeld in de algemene huishouding van het oorspronkelijke leven.
     In ieder geval kan de occulte leer tot haar voordeel worden vergeleken met die van de meest ruimdenkende geleerden, die theorieën hebben ontwikkeld over de oorsprong van de eerste mens.
     Lang vóór Darwin kwam Naudin, die de naam blastema gaf aan wat de darwinisten protoplasma noemen, met een half occulte en half wetenschappelijk-materialistische theorie. Hij liet Adam, de niet-geslachtelijke, plotseling ontstaan uit stof, zoals het in de bijbel wordt genoemd, het blastema van de wetenschap. ‘Uit deze larve-vorm van de mensheid bewerkte de evolutiekracht de voltooiing van de soorten. Voor het tot stand brengen van dit grootse verschijnsel moest Adam door een fase van onbeweeglijkheid en onbewustheid heengaan, die veel overeenkomt met de poptoestand van dieren die een metamorfose ondergaan’, verklaart Naudin. Voor deze voortreffelijke plantkundige was Adam echter niet één mens, maar de mensheid, ‘die verborgen bleef binnen een tijdelijk organisme . . . dat van alle andere verschilde en nooit een verbintenis met deze aanging’. Hij toont aan dat de scheiding van de geslachten totstandkwam door ‘een kiemproces overeenkomstig dat van medusae en zakpijpen’. De mensheid met deze fysiologische constitutie ‘zou een voldoende evolutiekracht behouden voor het snelle voortbrengen van de verschillende grote mensenrassen’.
     De Quatrefages bekritiseert dit standpunt in zijn ‘Human Species’. Het is onwetenschappelijk, zegt hij, of beter gezegd, de denkbeelden van Naudin ‘vormen geen wetenschappelijke theorie’, omdat het oorspronkelijke blastema in zijn theorie in verband wordt gebracht met de eerste Oorzaak, waarvan wordt aangenomen dat deze potentieel in het blastema alle wezens van het verleden, het heden en de toekomst heeft gemaakt, en dus deze wezens in werkelijkheid en masse heeft geschapen. Bovendien schenkt Naudin niet eens aandacht aan de secundaire oorzaken, of hun werking in deze evolutie van de organische wereld. De wetenschap, die zich alleen met secundaire oorzaken bezighoudt, heeft dus ‘op de theorie van Naudin niets te zeggen’ (blz. 125).
     Evenmin zal zij iets te zeggen hebben over de occulte leringen, die tot op zekere hoogte door Naudin worden benaderd. Want als wij maar in zijn ‘oorspronkelijke blastema’ de Dhyan-Chohanische essentie zien, de chhaya of dubbelganger van de pitri’s, die de mogelijkheid van alle vormen in zich bevat, zijn wij het volkomen met hem eens. Maar er zijn twee echte en wezenlijke verschillen tussen onze leer en de zijne. Naudin verklaart dat de evolutie met plotselinge sprongen en schokken is voortgegaan, in plaats van zich langzaam over miljoenen jaren uit te strekken; en zijn oorspronkelijke blastema bezit slechts blinde instincten – een soort onbewuste eerste Oorzaak in de gemanifesteerde Kosmos – wat absurd is. In tegenstelling hiermee is het onze Dhyan-Chohanische essentie – de oorzakelijkheid van de eerste oorzaak die de stoffelijke mens schept – de levende, werkzame en potentiële stof, uit zichzelf doordrongen van dat dierlijke bewustzijn van een hogere soort, zoals men dit aantreft bij de mier en de bever, die de lange reeks van fysiologische differentiaties teweegbrengt. Afgezien hiervan is zijn ‘oude en algemene scheppingsproces’ uit proto-organismen zo occult als een theorie van Paracelsus of Khunrath maar kan zijn.
     Bovendien staan de kabbalistische boeken vol met bewijzen hiervoor. Zo zegt bijvoorbeeld de Zohar dat elk type in het zichtbare Heelal zijn oervorm heeft in het onzichtbare Heelal. ‘Alles wat in de lagere (onze) wereld is, is ook in de hogere. De lagere en de hogere werken op elkaar in.’ (Zohar, fol. 186.) Zie hieronder, Afd. II, ‘Esoterische leringen in alle heilige geschriften bevestigd’.

 

      20. HUN VADEREN WAREN DE ZELFGEBORENEN. DE ZELFGEBORENEN, DE CHHAYA UIT DE STRALENDE LICHAMEN VAN DE HEREN, DE VADEREN, DE ZONEN VAN DE SCHEMERING (a).

     (a) De ‘schaduwen’ of chhaya’s worden de zonen van de ‘zelfgeborenen’ genoemd, omdat deze laatste naam wordt gebruikt voor alle goden en wezens die zijn geboren door de WIL van hetzij een godheid of een adept. Ook aan de homunculi van Paracelsus zou men deze naam misschien kunnen geven, hoewel dit een proces op een veel stoffelijker gebied is. De naam ‘zonen van de schemering’ toont aan dat de ‘zelfgeboren’ voorvaderen van onze leer identiek zijn met de pitri’s van het brahmaanse stelsel, want deze titel is een verwijzing naar hun manier van geboorte. Er wordt namelijk van deze pitri’s gezegd dat ze zijn voortgekomen uit Brahma’s ‘lichaam van de schemering’. (Zie de Purana’s.)

 

      21. TOEN HET RAS OUD WERD, VERMENGDEN DE OUDE WATEREN ZICH MET DE VERSERE WATEREN (a); TOEN ZIJN DRUPPELS TROEBEL WERDEN, VERDWENEN ZIJ IN DE NIEUWE STROOM, IN DE HETE STROOM VAN HET LEVEN. HET UITWENDIGE VAN HET EERSTE WERD HET INWENDIGE VAN HET TWEEDE (b). DE OUDE VLEUGEL WERD DE SCHADUW, EN DE SCHADUW VAN DE VLEUGEL (c).

     (a) Het oude (oorspronkelijke) Ras ging op in het tweede ras, en werd er één mee.

     (b) Dit is het geheimzinnige proces van transformatie en evolutie van de mensheid. Het materiaal van de eerste vormen – schaduwachtig, etherisch en negatief – werd getrokken naar of opgenomen in, en werd zo het complement van, de vormen van het tweede Ras. De Toelichting verklaart dit door te zeggen dat, omdat het eerste Ras enkel bestond uit de astrale schaduwen van de scheppende voorvaderen en natuurlijk geen eigen astrale of stoffelijke lichamen had, dit Ras nooit is gestorven. Zijn ‘mensen’ smolten geleidelijk weg, doordat ze werden opgenomen in de lichamen van hun eigen ‘zweetgeboren’ nageslacht, die vaster waren dan hun eigen lichamen. De oude vorm verdween en werd geabsorbeerd door, verdween in, de nieuwe vorm, die menselijker en stoffelijker was. Er bestond geen dood in dat tijdperk, dat heerlijker was dan de gouden eeuw; maar het eerste of ouder-materiaal werd gebruikt voor de vorming van het nieuwe wezen, om het lichaam en zelfs de innerlijke of lagere beginselen of lichamen van het nageslacht te vormen.

     (c) Wanneer de schaduw zich terugtrekt, d.w.z. wanneer het astrale lichaam met steviger vlees wordt bedekt, ontwikkelt de mens een stoffelijk lichaam. De ‘vleugel’, of de etherische vorm die zijn schaduw en beeld voortbracht, werd de schaduw van het astrale lichaam en zijn eigen nageslacht. Deze uitdrukking is vreemd maar origineel.
     Omdat er later misschien geen gelegenheid zal zijn om op dit mysterie terug te komen, is het goed om hier al te wijzen op de dubbele betekenis van de Griekse mythe over dit bijzondere evolutiestadium. Zij is te vinden in de verschillende varianten van de allegorie van Leda en haar twee zonen Castor en Pollux; elke van deze varianten heeft een speciale betekenis. Zo wordt in Deel XI van de Odyssee Leda de echtgenote van Tyndarus genoemd, die haar man ‘twee zonen met dappere harten’ schonk – Castor en Pollux. Jupiter schenkt hun een wonderbaarlijke gift en voorrecht. Ze zijn half-onsterfelijk; ze leven en sterven, elk op zijn beurt, en om de andere dag (ἑτερήμεροι11). Als de Tyndaridae zijn de tweelingbroers een sterrenkundig symbool en stellen dag en nacht voor; hun twee vrouwen, Phoebe en Hilasira, de dochters van Apollo of de zon, verpersoonlijken de dageraad en de schemering12. Maar in de allegorie, waarin Zeus de vader van de twee helden wordt genoemd – geboren uit het ei waaraan Leda het leven schenkt – is de mythe volkomen theogonisch. Zij heeft betrekking op die groep kosmische allegorieën, waarin de wereld wordt beschreven als geboren uit een ei. Want Leda neemt daarin de vorm aan van een witte zwaan, wanneer zij zich met de goddelijke zwaan verenigt13. Leda is dus de mythische vogel, waaraan volgens de tradities van verschillende volkeren van het Arische ras diverse ornithologische vogelvormen worden toegeschreven, die alle gouden eieren leggen14. In de Kalevala (het epische gedicht van Finland) schept de schone dochter van de ether, ‘de water-moeder’, de wereld in samenwerking met een ‘eend’ (een andere vorm van de zwaan of de gans, kalahansa), die in haar schoot zes gouden eieren legt, en het zevende, ‘een ei van ijzer’. Maar de variant van de Leda-allegorie die een rechtstreeks verband heeft met de mystieke mens, vindt men alleen bij Pindarus15, met een meer terloopse verwijzing ernaar in de Homerische hymnen16. Castor en Pollux zijn daarin niet langer de dioscuri (van Apollodorus III, 10, 7); maar worden het hoogst betekenisvolle symbool van de tweevoudige mens, de sterfelijke en de onsterfelijke. En niet alleen dit, maar, zoals we nu zullen zien, zijn ze ook het symbool van het derde Ras en van zijn transformatie van de dierlijke mens in een god-mens met slechts een dierlijk lichaam.
     Volgens Pindarus verenigt Leda zich in dezelfde nacht met haar echtgenoot en ook met de vader van de goden – Zeus. Daarom is Castor de zoon van de sterveling, en Pollux de nakomeling van de onsterfelijke. In de voor die gelegenheid gemaakte allegorie wordt gezegd dat in een opstand van wraak tegen de Aphariden17, Pollux Lynceus doodt – ‘van alle stervelingen degene van wie de blik het doordringendst is’ – maar dat Castor wordt gewond door Idas, ‘hij die ziet en weet’. Zeus maakt een eind aan het gevecht door zijn bliksem te slingeren en de laatste twee strijders te doden. Pollux vindt zijn broer stervende18. In zijn wanhoop vraagt hij Zeus om ook hem te doden. ‘Gij kunt niet helemaal sterven’, antwoordt de meester van de goden; ‘gij zijt van een goddelijk ras’. Maar hij laat hem de keus: òf Pollux zal onsterfelijk blijven en eeuwig op de Olympus leven òf, indien hij in alles het lot van zijn broer wil delen, moet hij de helft van zijn bestaan ondergronds doorbrengen en de andere helft in de gouden hemelse verblijfplaatsen. Deze halve onsterfelijkheid, waaraan ook Castor deel zal hebben, wordt door Pollux aanvaard19. En zo leven de tweelingbroers afwisselend, de een overdag, en de ander ’s nachts20.
     Is dit alleen maar een dichterlijk verzinsel? Een allegorie, een van die interpretaties van ‘zonnemythen’, waarboven geen tegenwoordige oriëntalist zich schijnt te kunnen verheffen? Neen, het is veel meer. Hier hebben wij een toespeling op het ‘ei-geboren’ derde Ras, waarvan de eerste helft sterfelijk, d.w.z. onbewust in zijn persoonlijkheid is en niets in zich heeft dat blijft voortbestaan21; en waarvan de laatste helft in haar individualiteit onsterfelijk wordt, doordat haar vijfde beginsel door de bezielende goden tot leven wordt geroepen, waardoor de monade met deze aarde wordt verbonden. Dit is Pollux, terwijl Castor de persoonlijke, sterfelijke mens voorstelt, een dier van een niet eens hoge soort, wanneer het is losgemaakt van de goddelijke individualiteit. ‘Tweelingen’ inderdaad; maar toch door de dood voor altijd gescheiden, tenzij Pollux, door de stem van het bloed daartoe bewogen, aan zijn minder bevoorrechte sterfelijke broeder een deel van zijn eigen goddelijke natuur schenkt en hem zo deelgenoot maakt van zijn eigen onsterfelijkheid.
     Dit is de occulte betekenis van het metafysische aspect van de allegorie. De algemeen verspreide tegenwoordige interpretatie ervan – in de oudheid zo beroemd, zoals Plutarchus ons meedeelt22, als symbool van broederlijke toewijding – namelijk dat het een beeld was, ontleend aan het schouwspel van de Natuur, is zwak en ontoereikend om de geheime betekenis te verklaren. Afgezien van het feit dat de maan bij de Grieken in de exoterische mythologie vrouwelijk was, en daarom moeilijk als Castor kon worden beschouwd – en tegelijkertijd met Diana worden vereenzelvigd – zouden de oude kenners van de symboliek die de zon, de koning van alle hemelbollen, beschouwden als het zichtbare beeld van de hoogste godheid, deze zon niet hebben verpersoonlijkt in Pollux, die slechts een halfgod was23.
     Indien wij overgaan van de Griekse mythologie naar de mozaïsche allegorieën en symboliek, zullen wij een nog treffender bevestiging vinden van dezelfde lering in een andere vorm. Hoewel wij in Genesis de ‘ei-geborenen’ niet vinden, treffen wij wel in de eerste vier hoofdstukken van dit boek, verborgen onder een heel vindingrijke symboliek, onmiskenbaar de androgynen aan, en ook de eerste drie rassen van de Geheime Leer.

 

Noten:

  1. Zie Deel I, Afdeling III, ‘Goden, monaden en atomen’. Het wordt gesymboliseerd in de driehoek van Pythagoras, de 10 stippen daarin, en de zeven punten van de driehoek en de kubus.
  2. Vandaar de kabbalistische naam ‘schillen’ die aan de astrale vorm wordt gegeven, het lichaam dat kamarupa wordt genoemd, dat door de hogere engelen in de vorm van het hogere manas wordt achtergelaten, wanneer dit laatste naar devachan vertrekt en zijn residu verlaat.
  3. Hieruit volgt dat de Essenen geloofden in wedergeboorte en veel reïncarnaties op aarde, wat Jezus zelf ook deed, een feit dat we uit het Nieuwe Testament zelf kunnen bewijzen.
  4. Dit wordt echter bevestigd, zoals wij hebben aangetoond, door de esoterie van Genesis. Niet alleen worden daarin de dieren geschapen na de ‘Adam van stof’, maar er wordt gesproken over plantengroei in de aarde voordat ‘de hemel en de aarde werden geschapen’. ‘Alle planten van het veld waren daarvóór (vóór de dag dat de hemel en de aarde werden gemaakt, v. 4) in de aarde’ (v. 5). Wat kan de dode letter van deze tekst betekenen, tenzij de occulte verklaring wordt aanvaard, die aangeeft dat de aardbol in deze 4de Ronde was overdekt met plantengroei, en dat de eerste (astrale) mensheid werd voortgebracht vóórdat op die bol iets van betekenis had kunnen groeien en zich ontwikkelen? Eenvoudig dat het gras in de aarde van die bol was, vóór de bol werd geschapen? En toch is de betekenis van vers 6, dat zegt dat ‘er een damp was opgegaan uit de aarde’ die het hele aardoppervlak bevochtigde voordat het regende, en die veroorzaakte dat de bomen, enz. groeiden, duidelijk genoeg. Er blijkt ook uit, in welk geologisch tijdperk dit gebeurde en wat wordt bedoeld met ‘hemel en aarde’. Bedoeld wordt het firmament en droog korstvormig land, gescheiden en bevrijd van zijn dampen en uitwasemingen. Bovendien moet de lezer bedenken dat, evenals Adam Kadmon, ‘het mannelijke en vrouwelijke wezen’ van Genesis I geen stoffelijke mens is, maar de menigte van de Elohim, onder wie Jehova zelf was – ook de dieren die volgens de letter van de tekst van dat hoofdstuk vóór de mens werden ‘geschapen’, geen dieren waren, maar de tekens van de Dierenriem en andere hemellichamen.
  5. Aan degenen die vragen ‘wat heeft waterstof te maken met lucht of oxydatie’, antwoorden wij: ‘Bestudeer eerst het ABC van de occulte alchemie.’ Maar in hun ijver om Pymander, ‘de mond van het mysterie’, profetisch te vereenzelvigen met Johannes de Doper, vereenzelvigden zij ook de 7 kabiren en de Assyrische stieren met de Cherubijnen van de joden en de apostelen. Omdat zij bovendien een scheidslijn moesten trekken tussen de vier en de drie – deze laatste zijn de gevallen engelen – en bovendien moesten vermijden deze in verband te brengen met de ‘zeven geesten van het gezicht’, de Aartsengelen, wierpen zij zonder meer alles overboord wat zij niet wensten te erkennen. Vandaar de verdraaiing in de volgorde van de elementen, om deze in overeenstemming te brengen met de volgorde van de evangeliën, en om de engel-mens met Christus te vereenzelvigen. Bij de Chaldeeën, de Egyptenaren, van wie Mozes de Chroub (Cherubijnen in hun dierlijke vorm) overnam, en de Ofieten, bij hen allen werden de engelen, de planeten en de elementen op mystieke en alchimistische manier gesymboliseerd door de Leeuw (Michaël), de Stier (Uriël), de Draak (Rafaël), de Arend (Gabriël), de Beer (Thot-Sabaoth), de Hond (Erataoth), het Muildier (Uriël of Thartharaoth). Deze hebben alle een kwalificatieve betekenis.
  6. Zie Laing, ‘Modern Science and Modern Thought’, blz. 90.
  7. Zie Deel I, Afdeling I, Stanza VII, Toelichting 10.
  8. Tweede druk, blz. 161.
  9. En waarom niet alle zich voortplantende eerste Rassen, menselijke zowel als dierlijke; en waarom één ‘verre voorvader’?
  10. Natuurlijk indien men de evolutieleer volgt, die de zoogdieren terugvoert tot een amfibische stamvader.
  11. Odyssee’, xi, 298 tot 305; ‘Ilias’, iii, 243.
  12. Chants Cypriaques, Hyg. Tal., 80. Ovid., ‘Fasti’, enz. Zie Decharme, ‘Mythologie de la Grèce Antique’.
  13. Zie Brahma Kalahamsa in Deel I, Stanza III.
  14. Zie Decharme, ‘Mythologie’ enz., blz. 652.
  15. Nem., x, 80 e.v. Theocras, xxiv, 131.
  16. xxxiv, v. 5; Theocritus, xxii, 1.
  17. Apollodorus, III, ii, 1.
  18. In de oudheid liet men in Sparta het graf van Castor zien, zegt Pausanias (III, 13, 1); en Plutarchus zegt dat hij in Argos de half-sterfelijke of halfheld μιξαρχαγέταϛ werd genoemd (zie Plutarchus, Quaestiones Graecae, 23).
  19. Pindarus. Nem. x, 60, Dissen.
  20. Schol. Eurip., ‘Orestes’, 463, Dindorf. Zie Decharme, ‘Mythol.’ enz., blz. 654.
  21. De monade is onpersoonlijk en een god uit zichzelf, hoewel op dit gebied onbewust. Want, gescheiden van haar derde beginsel, manas (vaak het vijfde genoemd), dat de horizontale lijn is van de eerste gemanifesteerde driehoek of drieëenheid, kan zij op dit aardse gebied geen bewustzijn hebben of dingen waarnemen. ‘De hoogste ziet door het oog van de laagste’ in de gemanifesteerde wereld; purusha (geest) blijft blind zonder de hulp van prakriti (stof) in de stoffelijke sferen; en dat geldt ook voor atma-buddhi zonder manas.
  22. Morals’, blz. 484 e.v.
  23. Deze vreemde gedachte en interpretatie worden door Decharme in zijn ‘Mythologie de la Grèce Antique’ aanvaard. ‘Castor en Pollux’, zegt hij, ‘zijn niets anders dan de zon en maan, opgevat als tweelingen . . . De zon, het onsterfelijke en machtige wezen dat elke avond aan de horizon verdwijnt en onder de aarde afdaalt, alsof hij plaats wilde maken voor de broeder-hemelbol die ’s nachts tot leven komt, is Pollux, die zich opoffert voor Castor; voor Castor, die de mindere is van zijn broer en aan hem zijn onsterfelijkheid dankt: want de maan, zegt Theophrastus, is slechts een andere, maar zwakkere zon.’ (De Ventis 17. Zie Decharme, blz. 655.)

 


De Geheime Leer 2:121-38

© 1988 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag