Enkele woorden over ‘zondvloeden’ en ‘noachs’

 

     De berichten in de verschillende Purana’s over onze voorouders zijn even tegenstrijdig in hun bijzonderheden als al het andere. Terwijl bijvoorbeeld in de Rig Veda Ida (of Ila) de lerares van Vaivasvata Manu wordt genoemd, maakt Sayana van haar een godin die over de aarde heerst, en volgens het Sathapatha Brahmana is zij Manu’s dochter, een gave van zijn offer, en later zijn (Vaivasvata’s) vrouw, bij wie hij het ras van de Manu’s verwekte. Ook in de Purana’s is zij Vaivasvata’s dochter, maar tevens de vrouw van Budha (wijsheid), de onwettige zoon van de Maan (Soma), en Tara, de vrouw van de planeet Jupiter (Brihaspati). Dit alles, dat de leek een warboel schijnt, is voor de occultist vol filosofische betekenis. Al op het eerste gezicht ziet men dat het verhaal een geheime en heilige betekenis heeft, maar alle bijzonderheden zijn zo opzettelijk door elkaar gehaald, dat alleen het geoefende oog van een ingewijde ze kan volgen en de gebeurtenissen in hun juiste volgorde kan zetten.
     Het verhaal, zoals het in het ‘Mahabharata’ wordt verteld, slaat de grondtoon aan, maar toch moet het worden verklaard met behulp van de geheime betekenis van de Bhagavad Gita. Het is het voorspel van het drama van onze (vijfde) mensheid. Terwijl Vaivasvata zich aan de rivieroever met vrome overpeinzingen bezighield, smeekt een vis hem om bescherming tegen een grotere vis. Hij redt hem en doet hem in een kruik waar de vis, die groter en groter wordt, hem het nieuws meedeelt van de komende zondvloed. Deze vis is de bekende ‘Matsya Avatar’, de eerste Avatar van Vishnu, de Dagon1 van de Chaldeeuwse Xisuthrus, en nog veel meer. Het verhaal is te goed bekend om te moeten worden herhaald. Vishnu beveelt een schip te bouwen, waarin Manu samen met de zeven rishi’s wordt gered, hoewel deze laatsten in andere teksten ontbreken. Hier stellen de zeven rishi’s de zeven Rassen, de zeven beginselen en verschillende andere dingen voor; want bij deze veelvoudige allegorie is weer een dubbel mysterie betrokken.
     Wij hebben elders gezegd dat de grote Vloed verschillende betekenissen had, en dat deze evenals de VAL betrekking had op zowel geestelijke als stoffelijke, kosmische en aardse gebeurtenissen: zo boven, zo beneden. Kortom, het schip of de ark – navis – als symbool van het vrouwelijke voortbrengende beginsel, wordt aan de hemel weergegeven door de maan, en op aarde door de moederschoot, omdat beide de voertuigen en draagsters zijn van de zaden van het leven en het zijn, die de zon of Vishnu, het mannelijke beginsel, tot leven brengt en bevrucht2. De eerste kosmische vloed verwijst naar de oorspronkelijke schepping, of de vorming van de hemel en de aarden; waarbij Chaos en de grote Afgrond staan voor de ‘Vloed’, en de maan voor de ‘moeder’, uit wie alle levenskiemen voortkomen3. Maar ook de aardse zondvloed en het verhaal daarover heeft een tweevoudige betekenis. In één geval heeft hij betrekking op dat mysterie waarbij de mensheid voor totale vernietiging werd gespaard, doordat de sterfelijke vrouw aan het einde van het derde Ras tot de vruchtbodem van het menselijke zaad werd gemaakt4, en in het andere geval op het werkelijke en historische verzinken van Atlantis. In beide gevallen wordt de ‘menigte’ – of de Manu die het zaad redde – Vaivasvata Manu genoemd. Vandaar de verschillen tussen de versies van de Purana’s en andere; terwijl in het Sathapatha Brahmana, Vaivasvata een dochter voortbrengt en bij haar het ras van Manu verwekt, wat een verwijzing is naar de eerste menselijke manushya’s, die vrouwen moesten scheppen door wil (kriyasakti), vóór zij als een onafhankelijke sekse op natuurlijke manier uit de hermafrodieten werden geboren, en die dus werden beschouwd als de dochters van hun scheppers. De verhalen van de Purana’s maken van haar (Ida of Ila) de vrouw van Budha (wijsheid). Deze lezing heeft betrekking op de gebeurtenissen van de Atlantische vloed, toen Vaivasvata, de grote Wijze op aarde, verhinderde dat het vijfde Wortelras tegelijk met de overblijfselen van het vierde werd vernietigd.
     Dit wordt heel duidelijk aangetoond in de Bhagavad Gita, waar Krishna zegt:
     ‘De zeven grote rishi’s, de vier voorafgaande Manu’s, die deel hebben in mijn essentie, werden uit mijn denkvermogen geboren: uit hen ontstonden (werden geboren) de mensenrassen en de wereld.’ (Hoofdstuk X, vers 6.)
     De vier voorafgaande ‘Manu’s’ van de zeven, zijn hier de vier Rassen5 die al hebben geleefd, want Krishna behoort tot het vijfde Ras; met zijn dood begon het kali-yuga. Zo is Vaivasvata Manu, de zoon van Surya (de zon) en de verlosser van ons Ras, zowel stoffelijk als geestelijk verbonden met het levenszaad. Maar hoewel wij over alle spreken, moeten wij ons op dit moment alleen met de eerste twee bezighouden.
     De ‘zondvloed’ is ontegenzeglijk een universele overlevering. Er zijn talrijke ‘ijstijden’ geweest, en eveneens veel ‘zondvloeden’, om verschillende redenen. Stockwell en Croll noemen een half dozijn ijstijden en daaropvolgende zondvloeden – waarvan ze de vroegste dateren op 850.000 en de laatste op ongeveer 100.000 jaar geleden6. Maar welke was onze zondvloed? Ongetwijfeld de eerste, de vloed die tot nu toe in de overleveringen van alle volkeren sinds de vroegste oudheid opgetekend is gebleven, de vloed die tenslotte de laatste schiereilanden van Atlantis wegvaagde, te beginnen met Ruta en Daitya en eindigend met het (betrekkelijk) kleine eiland dat Plato noemt. Dit wordt bewezen door de overeenstemming van bepaalde details in alle legenden. Het was de laatste vloed van deze geweldige omvang. De kleine vloed waarvan Baron Bunsen de sporen vond in Midden-Azië, en die hij stelt op ongeveer 10.000 jaar v.Chr., had niets te maken met de halfuniversele zondvloed, of die van Noach – de laatste is een zuiver mythische weergave van oude tradities – en zelfs ook niets met de overstroming van het laatste eiland van Atlantis; althans, er bestond alleen een moreel verband.
     Toen ons vijfde Ras (het niet-ingewijde gedeelte ervan) hoorde over veel grote vloeden, heeft het deze met elkaar verward, en het kent er nu maar één. Deze ene heeft door het onderling verwisselen en het verschuiven van land en zee het hele uiterlijk van de aardbol veranderd.
     Wij kunnen de overleveringen van de Peruvianen hiermee vergelijken: ‘De Inca’s, zeven in getal, hebben de aarde na de grote vloed opnieuw bevolkt’, zeggen zij (Coste I, IV, blz. 19); Humboldt noemt de Mexicaanse versie van dezelfde legende, maar verwart enigszins de bijzonderheden van de bewaard gebleven legende over de Amerikaanse Noach. Niettemin vermeldt deze vooraanstaande natuurkenner twee keer zeven metgezellen en de goddelijke vogel, die vóór de boot van de Azteken uitvloog en dus van de zeven en de veertien uitverkorenen er vijftien maakt. Dit is waarschijnlijk geschreven onder onopzettelijke invloed van Mozes die, zoals wordt gezegd, melding heeft gemaakt van vijftien kleinzoons van Noach, die met hun grootvader ontkwamen. Verder wordt Xisuthrus, de Chaldeeuwse Noach, gered en levend naar de hemel overgebracht – evenals Henoch – met de zeven goden, de kabirim of de zeven goddelijke titanen; ook de Chinese Yao heeft zeven figuren die met hem scheep gaan en die hij zal bezielen wanneer hij landt, en als ‘menselijk zaad’ zal gebruiken. Osiris neemt, wanneer hij de ark of zonneboot binnengaat, zeven stralen mee, enz.
     Sanchoniathon maakt de aletae of titanen (de kabiren) tot tijdgenoten van Agruerus, de grote Fenicische god (die Faber probeerde te vereenzelvigen met Noach7); verder vermoedt men dat de naam ‘titan’ is afgeleid van Tit-Ain – ‘de bronnen van de chaotische afgrond’8 (Tit-Theus, of Tityus is ‘de goddelijke vloed’); en zo worden de titanen, waarvan er zeven zijn, in verband gebracht met de Vloed en de zeven door Vaivasvata Manu geredde rishi’s9.
     Ze zijn de zonen van Kronos (de tijd) en Rhea (de aarde); en omdat Agruerus, Saturnus en Sydyk een en dezelfde persoon voorstellen, en omdat men zegt dat de zeven kabiren de zonen van Sydyk of Kronos-Saturnus zijn, komen de kabiren overeen met de titanen. Deze keer had de vrome Faber gelijk met zijn conclusies, toen hij schreef: ‘Ik twijfel er niet aan dat de zeven titanen en kabiren dezelfden zijn als de zeven rishi’s van de hindoemythologie (?), die volgens het verhaal samen met Manu, het hoofd (?) van het gezin, in een boot zijn ontkomen.’
     Maar zijn beschouwingen zijn minder gelukkig als hij eraan toevoegt: ‘De hindoes hebben in hun fantastische legenden op verschillende manieren de geschiedenis van de Noachidae (?!) verdraaid, en toch is het merkwaardig dat zij zich godvruchtig aan het getal zeven schijnen te hebben gehouden10.’ Daarom merkt kapitein (kol.) Wilford heel terecht op: ‘Misschien zijn de zeven Manu’s, de zeven Brahmadica’s en de zeven Rishi’s dezelfden, en vormen ze slechts zeven individuele personen11. De zeven Brahmadica’s waren prajapati’s, of heren ‘van de praja’s of schepselen’. Uit hen is de mensheid geboren, en ze zijn waarschijnlijk dezelfden als de zeven Manu’s . . . Deze zeven grote voorouders van het mensenras waren geschapen met als doel de aarde opnieuw te bevolken.’ (Asiatic Researches, Deel V, blz. 246); en Faber voegt hieraan toe: ‘De onderlinge overeenstemming van de verhalen over de kabiren, de titanen, de rishi’s en het gezin van Noach is te opvallend om het gevolg van zuiver toeval te zijn12.’
     Faber maakte deze fout – waarop hij vervolgens zijn hele theorie over de kabiren bouwde – doordat de naam van de bijbelse Jafet voorkomt op de lijst van de titanen, opgenomen in een vers van de orfische hymnen. Volgens Orpheus waren de namen van de zeven titanen ‘van de Ark’ (die Faber weigert te vereenzelvigen met de goddeloze titanen, hun afstammelingen) Koeus, Kroeus, Phorcys, Kronos, Oceanus, Hyperion en Iapetus:

Κοῖόν τε, Κρῖόν τε μέγαν, Φόρκυν τε κραταιόν
Καὶ Κρόνον, Ὠκεανόν θ’, Ὑπερίονά τ’, Ἰαπετόν τε.
(Orph. apud Proclum. In Tim. lib. v, blz. 295.)

     Maar waarom kon de Babylonische Ezra de naam Iapetos niet hebben aangenomen voor een van de zonen van Noach? De kabiren, die de titanen zijn, worden volgens Arnobius ook Manes genoemd, en hun moeder Mania (Adversum Gentes, lib. III, blz. 124). De hindoes hebben dus veel meer recht om te beweren dat de Manes hun Manu’s betekenen en dat Mania de vrouwelijke Manu is. (Zie Ramayana.) Mania is Ila of Ida, de vrouw en dochter van Vaivasvata Manu, bij wie ‘hij het ras van de Manu’s verwekte’. Evenals Rhea, de moeder van de titanen, is zij de aarde (Sayana maakt haar tot godin van de aarde), en zij is slechts de tweede uitgave en herhaling van Vach. Zowel Ida als Vach worden in mannen en vrouwen veranderd; Ida wordt Sudyumna, en Vach, ‘de vrouwelijke Viraj’, verandert in een vrouw om de gandharva’s te straffen; hierbij heeft de ene versie betrekking op de kosmische en goddelijke theogonie, en de andere op de latere periode. De Manes en Mania van Arnobius zijn namen van Indiase oorsprong, die de Grieken en Latijnen zich hebben toegeëigend en verminkt.
     Het is dus geen toeval, maar het gevolg van één archaïsche leer die allen gemeenschappelijk bezaten, en waarvan de israëlieten – door Ezra, de schrijver van de gemoderniseerde boeken van Mozes – de laatste bewerkers waren. Ze hadden zo weinig eerbied voor het bezit van anderen, dat volgens Berosus (Antiquitates Libyae, 1, fol. 8) Titea – van wie Diodorus de moeder van de titanen of diluvianen maakt (zie Bibl. lib. III, blz. 170) – de vrouw van Noach was. Faber noemt hem daarom de ‘pseudo-Berosus’, maar aanvaardt toch de mededeling als een extra bewijs dat de heidenen al hun goden hebben ontleend aan de joden, door de gegevens van de aartsvaders te vervormen. Volgens onze bescheiden mening is dit een van de best denkbare bewijzen van juist het tegendeel. Het bewijst zo duidelijk als maar mogelijk is, dat juist de bijbelse pseudo-personages allen zijn ontleend aan heidense mythen, als het tenminste mythen moeten zijn. Het bewijst in ieder geval dat Berosus zich bewust was van de oorsprong van Genesis, en dat deze hetzelfde kosmische astronomische karakter had als de allegorieën van Isis-Osiris en de Ark en andere oudere ‘Ark’-symbolen. Want Berosus zegt dat ‘Titea magna’ later Aretia13 werd genoemd en samen met de aarde werd vereerd; en hierdoor wordt ‘Titea’, de vrouw van Noach, vereenzelvigd met Rhea, de moeder van de titanen, en met Ida – beiden zijn godinnen die heersen over de aarde, en de moeders van de Manu’s en Manes (of Tit-an-Kabiri). En ‘Titea-Aretia’ werd vereerd als Horchia, zegt dezelfde Berosus, en dit is een titel van Vesta, godin van de aarde. ‘Sicanus deificavit Aretiam, et nominavit eam lingua Janigena Horchiam.’ (Ibid. lib. V., fol. 64.)
     Er is in de historische of voorhistorische tijd bijna geen dichter die verzuimt in een of andere vorm melding te maken van het verzinken van de twee continenten – die vaak eilanden worden genoemd. Vandaar ook de vernietiging van de Phlegyae, naast die van Atlantis. (Zie Pausanias en Nonnus, die beiden meedelen:

‘De strenge Neptunus rukte het Phlegeïsche eiland
Van zijn diep gewortelde grond, en bedolf onder de golven
Zijn goddeloze bewoners . . . . . . . . . . . ’
               – Dionysius lib xviii, blz. 319.)

     Faber was ervan overtuigd dat de ‘insulae Phlegyae’ Atlantis waren. Maar al dergelijke allegorieën zijn min of meer verwrongen echo’s van de hindoetraditie over die grote ramp die het vierde, werkelijk menselijke, hoewel gigantische Ras overkwam, het Ras dat aan het Arische voorafging. Toch heeft, zoals zojuist is gezegd, de legende over ‘de zondvloed, evenals alle andere, meer dan één betekenis. In de theogonie heeft zij betrekking op voorkosmische transformaties, op geestelijke correlaties – hoe absurd deze term ook klinkt voor een man van de wetenschap – en ook op de daarop volgende kosmogonie; op de grote WATERVLOED (stofvloed) in de CHAOS, gewekt en bevrucht door die geest-stralen, die werden verzwolgen door en omkwamen in de geheimzinnige differentiatie – een voorkosmisch mysterie, de proloog van het drama van het Zijn. Anu, Bel en Noach gingen vooraf aan Adam Kadmon, Adam de Rode, en Noach; evenals Brahma, Vishnu en Siva voorafgingen aan Vaivasvata en de rest.’ (Zie ‘Isis Ontsluierd’, Deel II, blz. 420 e.v., Eng. uitgave, waar op enkele van de zeven betekenissen wordt gezinspeeld.)
     Dit alles bewijst dat de halfuniversele vloed die aan de geologie bekend is (de eerste ijstijd) precies moet hebben plaatsgehad in de tijd die de Geheime Leer ervoor aangeeft, namelijk (in ronde getallen) 200.000 jaar na het begin van ons VIJFDE RAS, of ongeveer in de tijd waarin volgens Croll en Stockwell de eerste ijstijd viel, d.w.z. ongeveer 850.000 jaar geleden. De laatstgenoemde verstoring wordt door geologen en astronomen toegeschreven aan ‘een extreme excentriciteit van de aardbaan’, en de Geheime Leer doet ditzelfde, maar voegt er nog een andere factor aan toe, namelijk het verschuiven van de aardas, waarvoor een bewijs is te vinden in het Boek Henoch14, als men de gesluierde taal van de Purana’s niet begrijpt. Dit alles bewijst dat de Ouden iets wisten over de ‘hedendaagse ontdekkingen’ van de wetenschap. Als Henoch spreekt over ‘de grote helling van de aarde’, die ‘in barensnood is’, is hij heel duidelijk en helder.
     Spreekt dit niet vanzelf? Nuah is Noach, die in zijn ark op de wateren drijft; deze ark is het symbool van de Argha, of de maan, het vrouwelijke beginsel; Noach is de ‘geest’ die in de stof valt. Wij zien hem, zodra hij op aarde neerdaalt, een wijngaard planten, van de wijn drinken en daarvan dronken worden, d.w.z. de zuivere geest wordt bedwelmd zodra deze geheel in de stof is opgesloten. Het zevende hoofdstuk van Genesis is slechts een andere versie van het eerste. Terwijl dit laatste luidt: ‘en duisternis was op de afgrond, en de geest van God zweefde op de wateren’, wordt in hfst. 7 gezegd ‘. . . en de wateren namen de overhand . . . en de ark (met Noach, de geest) ging op de wateren’. Als Noach dus identiek is met de Chaldeeuwse Nuah, is hij de geest die de stof bezielt, en deze laatste is de Chaos, voorgesteld door de AFGROND, of de wateren van de grote vloed. In de Babylonische legende (waar het voorkosmische is vermengd met de aardse gebeurtenis) wordt Istar (Astaroth of Venus, de maangodin) in de ark opgesloten en zendt ‘een duif uit op zoek naar droog land’. (‘Isis Ontsluierd’, Deel II, blz. 423 en 424, Eng. uitgave.)
     George Smith ziet in de ‘tabletten’ eerst de schepping van de maan, en dan van de zon: ‘Zijn schoonheid en volmaaktheid worden verheerlijkt, en de regelmaat van zijn omloop, wat ertoe leidde dat hij werd beschouwd als het voorbeeld van een rechter en de regelaar van de wereld.’ Indien dit verhaal alleen maar betrekking had op een kosmogonische ramp – zelfs al was deze universeel – waarom zou dan de godin Ishtar of Astoreth, de maan, spreken over de schepping van de zon na de zondvloed? De wateren waren misschien zo hoog gestegen als de berg Nizir (de Chaldeeuwse versie), of Jebel Djudi (de zondvloedbergen van de Arabische legende), of de berg Ararat (uit het bijbelverhaal), of zelfs de Himalaja (in de hindoe-overlevering), toch zouden ze de zon niet kunnen bereiken: zelfs de bijbel liet het niet tot zo’n wonder komen! Het is duidelijk dat de zondvloed voor het volk dat hem het eerst vermeldde, een andere betekenis had, minder problematisch en veel filosofischer dan die van een universele vloed, waarvan geen enkel geologisch spoor is te vinden.
     Omdat al dergelijke rampen periodiek en cyclisch zijn, en omdat Manu Vaivasvata onder verschillende omstandigheden en bij verschillende gelegenheden optreedt als vertegenwoordiger van een soort (zie hieronder: ‘De zeven Manu’s van de mensheid’), schijnt er geen ernstig bezwaar te bestaan tegen de veronderstelling dat de eerste ‘grote vloed’ een allegorische zowel als een kosmische betekenis had, en dat hij plaats had aan het eind van het satya-yuga, de ‘eeuw van de waarheid’, toen het tweede Wortelras, ‘de Manu met beenderen’, voor het eerst verscheen als ‘de zweetgeborenen’15.
     De tweede vloed – de zogenaamd ‘universele’ – die het vierde Wortelras trof (dat de theologie nu gemakshalve beschouwt als ‘het vervloekte ras van de reuzen’, de KAÏNIETEN en ‘de zonen van Cham’), is de vloed die het eerst door de geologie is geconstateerd. Indien men een nauwkeurige vergelijking maakt van de verhalen in de verschillende legenden van de Chaldeeën en andere exoterische boeken van de volkeren, zal men zien dat ze alle overeenstemmen met de orthodoxe verhalen die in de brahmaanse boeken worden gegeven. En men zal opmerken dat terwijl er in het eerste verhaal ‘nog geen god of sterveling op aarde is’ wanneer Manu Vaivasvata op de Himavan landt, in het tweede verhaal de zeven rishi’s hem gezelschap mogen houden, waaruit blijkt dat terwijl sommige verhalen betrekking hebben op de siderische en kosmische VLOED vóór de zogenaamde schepping, de andere handelen, hetzij over de Grote Vloed van stof op aarde, dan wel over een werkelijke watervloed. In het Satapatha Brahmana ziet Manu dat ‘de vloed alle levende schepselen had weggevaagd, en dat alleen hij was overgebleven’ – d.w.z. alleen het levenszaad bleef na de voorafgaande ontbinding van het Heelal, of mahapralaya, na een ‘dag van Brahma’; en het Mahabharata verwijst slechts naar de geologische ramp die bijna het hele vierde Ras wegvaagde om plaats te maken voor het vijfde. Daarom wordt Vaivasvata Manu in onze esoterische kosmogonie op drie verschillende manieren voorgesteld16: (a) als de ‘Wortelmanu’ op bol A in de eerste Ronde; (b) als het ‘levenszaad’ op bol D in de vierde Ronde; en (c) als het ‘zaad van de mens’ bij het begin van elk Wortelras – in het bijzonder in ons vijfde Ras. Het eerste begin van het laatstgenoemde ras is tijdens het dvapara-yuga17 getuige van de vernietiging van de vervloekte tovenaars; ‘van dat eiland (Plato spreekt alleen over het laatste eiland) voorbij de Zuilen van Hercules in de Atlantische Oceaan, vanwaar men gemakkelijk kon oversteken naar andere eilanden in de nabijheid van een ander groot continent’ (Amerika). Dit ‘Atlantische’ land was verbonden met het ‘Witte eiland’, en dit Witte eiland was Ruta; maar het was niet het Atala en de ‘Witte Duivel’ van kolonel Wilford (zie ‘Asiatic Researches’, Deel VIII, blz. 280), zoals al is aangetoond. Wij kunnen hier opmerken dat het dvapara-yuga volgens de Sanskrietteksten 864.000 jaar duurt; en dat, indien het kali-yuga pas ongeveer 5000 jaar geleden begon, het juist 869.000 jaar is sinds die vernietiging plaatshad. Deze cijfers verschillen weer niet erg veel van die van de geologen, die hun ‘ijstijd’ op 850.000 jaar geleden stellen.
     Daarna ‘werd er een vrouw voortgebracht die tot Manu kwam en verklaarde zijn dochter te zijn, met wie hij leefde en de nakomelingen van Manu verwekte’. Dit heeft betrekking op de fysiologische transformatie van de geslachten tijdens het derde Wortelras. En de allegorie is zo doorzichtig dat zij niet veel verklaring nodig heeft. Natuurlijk veronderstelde men, zoals al is opgemerkt, dat bij de scheiding van de geslachten een androgyn wezen zijn lichaam in twee helften verdeelde (zoals in het geval van Brahma en Vach, en zelfs van Adam en Eva), en dus is de vrouw in zekere zin zijn dochter, evenals hij haar zoon zal zijn, ‘het vlees van zijn (en haar) vlees en het been van zijn (en haar) been’. Laat men ook goed voor ogen houden dat geen van onze oriëntalisten nog heeft geleerd uit die ‘tegenstrijdigheden en verbijsterende onzin’ – zoals sommigen de Purana’s noemen te begrijpen dat een verwijzing naar een yuga zowel een Ronde, als een Wortelras, als vaak een onderras kan betekenen, en ook een bladzijde kan voorstellen die uit de voorkosmische theogonie is gescheurd. Deze dubbele en drievoudige betekenis wordt bewezen door verschillende verwijzingen naar schijnbaar één en dezelfde persoon, onder dezelfde naam, terwijl het in werkelijkheid gaat om gebeurtenissen die door hele kalpa’s zijn gescheiden. Een goed voorbeeld is dat van Ila. Zij wordt eerst op de ene en dan op de andere manier voorgesteld. In de exoterische legenden wordt gezegd dat Manu Vaivasvata, die verlangde zonen te scheppen, een offerdienst voor Mitra en Varuna instelde; maar door een fout van de dienstdoende brahmaan werd slechts een dochter verkregen – Ila. Dan wordt ‘door de gunst van de goden’ haar geslacht veranderd en zij wordt een man, Su-dyumna. Dan wordt zij weer in een vrouw veranderd, en zo voort; de fabel voegt eraan toe dat Siva en zijn gemalin verheugd waren dat ‘zij de ene maand een man en de andere een vrouw zou zijn’. Dit is een directe verwijzing naar het derde Wortelras, waarvan de mensen tweeslachtig waren. Maar sommige heel geleerde oriëntalisten denken (zie ‘Hindu Classical Dictionary’) en hebben verklaard dat ‘Ila oorspronkelijk voedsel of een melkoffer was; vandaar een stroom van loftuitingen, verpersoonlijkt als de godin van de spraak’. Zij vertellen de ‘niet-ingewijden’ echter niet, waarom ‘een melkoffer’ of ‘een stroom van loftuitingen’ afwisselend mannelijk en vrouwelijk zou moeten zijn: tenzij er inderdaad een ‘inwendig bewijs’ is dat de occultisten niet zien.
     In haar meest mystieke betekenis staat de vereniging van Svayambhuva Manu met Vach-Sata-Rupa, zijn eigen dochter (dit is de eerste ‘vergoddelijking’ van het tweevoudige beginsel waarvan Vaivasvata Manu en Ila een tweede en een derde vorm zijn), in de kosmische symboliek gelijk met het Wortel-leven, de kiem waaruit alle zonnestelsels, de werelden, engelen en de goden voortkomen. Want, zoals Vishnu zegt:

‘Uit Manu moet de hele schepping, goden, Asura’s en de mens worden voortgebracht,
Door hem moet de wereld worden geschapen, dat wat beweegt en niet beweegt . . .’

     Maar wij vinden misschien nog ergere tegenstanders dan zelfs de westerse geleerden en oriëntalisten. Al zijn de brahmanen het mogelijk met onze leer eens voor wat betreft de getallen, wij zijn er niet zo zeker van dat sommigen van hen, orthodoxe conservatieven, geen bezwaren zullen maken tegen de manieren van voortplanting die aan hun pitar-devata’s worden toegeschreven. Men zal ons vragen de boeken te laten zien waaruit wij citeren, terwijl wij hen zullen uitnodigen hun eigen Purana’s wat zorgvuldiger te lezen, met een open oog voor de esoterische betekenis. En dan, we herhalen het, zullen zij onder de sluier van min of meer doorzichtige allegorieën, al onze beweringen door hun eigen boeken bevestigd vinden. We hebben al een paar voorbeelden gegeven over het verschijnen van het tweede Ras, dat het ‘zweetgeborene’ wordt genoemd. Deze allegorie wordt als een sprookje beschouwd, en toch verbergt zij een psychisch-fysiologisch verschijnsel, en een van de grootste mysteriën van de Natuur.
     Maar met het oog op de hier gedane beweringen over de chronologie ligt het voor de hand te vragen:

KONDEN ER 18.000.000 JAAR GELEDEN MENSEN BESTAAN?

     Hierop antwoordt het occultisme bevestigend, ondanks alle wetenschappelijke bezwaren. Deze periode omvat bovendien slechts de Vaivasvata-Manu-mens, d.w.z. de mannelijke en vrouwelijke entiteit die al in afzonderlijke seksen is gescheiden. De twee en een half Rassen die aan die gebeurtenis voorafgingen, hebben misschien wel 300.000.000 jaar geleden bestaan, voorzover de wetenschap bekend is. Want de geologische en natuurkundige moeilijkheden die deze theorie in de weg staan, bestonden niet voor de oorspronkelijke etherische mens van de occulte leringen. Het hele geschilpunt tussen de profane en de esoterische wetenschappen hangt samen met het geloof in en het aantonen van het bestaan van een astraal lichaam binnen het stoffelijke, waarbij het eerste onafhankelijk is van het laatste. Paul d’Assier, de positivist, schijnt dat feit nogal duidelijk te hebben bewezen18, om nog niet te spreken over het verzamelde getuigenis van de eeuwen en dat van de hedendaagse spiritisten en mystici. Het zal moeilijk blijken te zijn dit feit te verwerpen in onze tijd van bewijzen, proefnemingen en zichtbare demonstraties.
     De Geheime Leer verkondigt dat de stoffelijke mensheid gedurende de laatste 18.000.000 jaar19 op onze bol heeft bestaan, ondanks de algemene rampen en beroeringen die – doordat wij ons bevinden in de periode van zijn grootste stoffelijke ontwikkeling; de vierde Ronde is immers het middelste gedeelte van het hem toebedeelde leven – veel vreselijker en heviger waren dan tijdens een van de drie voorafgaande Ronden (de cyclussen van zijn vroegere psychische en geestelijke leven en van zijn half-etherische toestanden). Deze periode werd voorafgegaan door 300.000.000 jaar van minerale en plantaardige ontwikkeling. Hiertegen zullen al diegenen bezwaar maken, die weigeren de theorie van een ‘beenderloze’, zuiver etherische mens te accepteren. De wetenschap, die alleen stoffelijke organismen kent, zal verontwaardigd zijn, en de materialistische theologie nog meer. De eerste zal bezwaar maken op logische en redelijke gronden, berustend op de vooropgezette mening dat alle levende organismen in alle tijden hebben bestaan op hetzelfde gebied van stoffelijkheid; de laatste op basis van een weefsel van de meest absurde verzinsels. De belachelijke aanspraken die de theologen gewoonlijk maken, zijn eigenlijk gebaseerd op de veronderstelling dat de mensheid (lees de christenen) op deze planeet de eer heeft de enige menselijke wezens in de hele Kosmos te zijn die op een aardbol wonen, en dat zij dus de besten van hun soort zijn20.
     De occultisten, die vast geloven in de leringen van de moeder-filosofie, wijzen de tegenwerpingen van zowel de theologen als de geleerden af. Zij houden van hun kant vol dat in de tijden toen er zelfs aan de beide polen een ondraaglijke hitte moet hebben geheerst en er opeenvolgende overstromingen, opheffing van de dalen en voortdurende verplaatsing van de grote wateren en zeeën waren, geen van deze omstandigheden een beletsel kon vormen voor menselijk leven en organisatie, zoals zij die aan de eerste mensheid toeschrijven. Noch de heterogeniteit van de omringende sferen, vol giftige gassen, noch de gevaren van een nauwelijks hard geworden korst, konden het eerste en het tweede Ras verhinderen zelfs tijdens het Carboon of het Siluur te verschijnen.
     Zo waren de monaden, die waren bestemd om toekomstige Rassen te bezielen, klaar voor de nieuwe transformatie. Zij hadden hun fasen van delfstof, plantaardig en dierlijk leven, van het laagste tot het hoogste doorgemaakt, en wachtten op hun menselijke, meer intelligente vorm. Maar wat konden de plastische vormgevers anders doen dan de wetten van de evoluerende Natuur volgen? Konden zij, zoals de dode letter van de bijbel beweert, op de manier van de ‘Heer-God’, of zoals Pygmalion in de Griekse allegorie, Adam-Galatea vormen uit vulkaanstof, en de mens een levende ziel inblazen? Nee, want de ziel was er al, latent in haar monade, en had slechts een bekleedsel nodig. Pygmalion, die er niet in slaagt zijn beeld te bezielen, en Bahak-Zivo van de Nazareense gnostici, die tevergeefs probeert ‘een menselijke ziel in het schepsel’ te leggen, zijn als begrippen veel filosofischer en wetenschappelijker dan Adam in de letterlijke betekenis, of de bijbelse Elohim-scheppers. Volgens de esoterische filosofie, die spontane generatie leert – nadat de sishta en prajapati het levenszaad op aarde hebben geworpen – kunnen de lagere engelen, zelfs met hulp van de Natuur, de stoffelijke mens pas bouwen nadat zij uit zichzelf de etherische vorm hebben ontwikkeld, waarna zij het aan de stoffelijke vorm overlaten zich geleidelijk uit zijn etherische – of wat men nu zou noemen, protoplasmische – model te evolueren.
     Ook hiertegen zal bezwaar worden gemaakt. ‘Spontane generatie’ is een ontzenuwde theorie, zal men ons zeggen. De proefnemingen van Pasteur hebben er twintig jaar geleden mee afgerekend, en professor Tyndall is ertegen. Wel, wat zou dat? Hij behoort te weten dat, al zou inderdaad worden bewezen dat spontane generatie in ons tegenwoordige wereldtijdperk en onder de heersende omstandigheden onmogelijk is – wat de occultisten ontkennen – daarmee nog niet zou zijn aangetoond dat ze niet onder andere kosmische omstandigheden kan hebben plaatsgevonden, niet alleen in de zeeën van de Laurentische periode, maar zelfs op de toen in hevige beweging verkerende aarde. Het zou interessant zijn te weten hoe de wetenschap ooit het verschijnen van de soorten en van het leven op aarde, vooral van de mens, kan verklaren, als zij zowel de bijbelse leringen als de spontane generatie verwerpt. De waarnemingen van Pasteur zijn echter verre van volmaakt of bewezen. Blanchard en dr. Lutaud achten deze niet belangrijk en tonen dit aan. De kwestie is tot dusver nog hangende, evenals die andere, ‘wanneer, in welke periode, het leven op aarde verscheen?’. Het denkbeeld dat de monere van Haeckel – een korreltje zout! – het vraagstuk van de oorsprong van het leven heeft opgelost, is eenvoudig absurd. De materialisten, die geneigd zijn tot verwerping van de theorie van de ‘zelf-bestaande’, de ‘zelf-geboren hemelse mens’, voorgesteld als een etherische, astrale mens, moeten het zelfs een beginneling in het occultisme vergeven dat hij op zijn beurt lacht om sommige bespiegelingen van het moderne denken. Nadat men op heel geleerde manier heeft bewezen dat het oorspronkelijke vlekje protoplasma (monere) noch dier noch plant is, maar heide, en dat het onder geen van die twee zijn voorouders heeft, omdat deze monere als uitgangspunt dient voor al het georganiseerde bestaan, vertelt men ons tenslotte dat de moneren hun eigen voorouders zijn. Dit is misschien heel wetenschappelijk, maar het is ook heel metafysisch; te metafysisch, zelfs voor een occultist.
     Al heeft dan de spontane generatie haar methoden nu veranderd, misschien tengevolge van de overvloed aan beschikbaar materiaal, zodat zij bijna aan de waarneming ontsnapt, bij het ontstaan van het aardse leven was zij toch in volle gang. Zelfs de stoffelijke vorm en de evolutie van de soorten tonen de werking van de Natuur. De geschubde, reusachtige sauriërs, de gevleugelde pterodactylus, de megalosaurus en de honderd voet lange iguanodon van de latere periode zijn de transformaties van de vroegste vertegenwoordigers van het dierenrijk, die zijn te vinden in de sedimenten van het primaire tijdperk. Er was een tijd dat al de bovengenoemde ‘voordiluviaanse’ monsters verschenen als draadvormige infusoriën zonder schaal of pantser, zonder zenuwen, spieren, organen of geslacht, en hun soort voortplantten door knopvorming, zoals ook microscopische dieren doen, de architecten en bouwers van onze bergketens, als men de uitspraken van de wetenschap mag geloven. Waarom in dit geval de mens dan niet? Waarom zou hij in zijn groei niet dezelfde wet hebben gevolgd, namelijk geleidelijke verdichting? Iedere onbevooroordeelde mens zou liever willen geloven dat de oorspronkelijke mensheid in het begin een etherische – of, als men daar de voorkeur aan geeft, een reusachtige draderige, geleiachtige – vorm had, ontwikkeld door goden of natuur-‘krachten’, die groeide en zich in de loop van miljoenen eeuwen verdichtte en in zijn stoffelijke aard en geneigdheid gigantisch werd, tot hij overging in de kolossale stoffelijke vorm van de mens van het vierde Ras – liever dan te geloven dat hij (letterlijk) werd geschapen uit het stof van de aarde of uit de een of andere onbekende antropoïde voorvader.
     Onze esoterische theorie is niet in strijd met wetenschappelijke gegevens, behalve op het eerste gezicht, zoals dr. A. Wilson F.R.S. in een brief aan ‘Knowledge’ (23 dec. 1881) zegt. ‘De evolutie – of beter de Natuur in het licht van de evolutie – wordt nog maar ongeveer vijfentwintig jaar bestudeerd. Dat is natuurlijk slechts een klein gedeelte van de geschiedenis van het menselijke denken.’ En juist daarom verliezen wij niet alle hoop dat de materialistische wetenschap haar werkwijze zal verbeteren en geleidelijk de esoterische leringen zal aanvaarden – al zijn die aanvankelijk ook ontdaan van hun (voor de wetenschap) al te metafysische elementen.
     Is het laatste woord over het onderwerp van de menselijke evolutie al gesproken? Prof. Huxley schrijft: ‘Elk . . . antwoord op de grote vraag (de werkelijke plaats van de mens in de Natuur), waarvan de volgelingen van de steller onveranderlijk beweren – als hij het zelf al niet doet – dat dit volledig en definitief is, blijft gezaghebbend en in ere, misschien een eeuw lang, misschien twintig eeuwen, maar even onveranderlijk leert de tijd dat ieder antwoord slechts een benadering van de waarheid was – en dat het voornamelijk werd toegelaten tengevolge van de onwetendheid van degenen die het hebben aanvaard, maar geheel ontoelaatbaar bleek wanneer het werd getoetst aan de grotere kennis van hun opvolgers!!’ Zal deze eminente darwinist de mogelijkheid erkennen dat zijn aapachtige voorouders op grond van de ‘grotere kennis’ van de occultisten zullen worden verwezen naar de lijst van ‘geheel ontoelaatbare opvattingen’? Maar waar komt de wilde vandaan? Alleen maar ‘opklimmen tot de beschaafde toestand’ geeft geen verklaring voor de evolutie van de vorm.
     In dezelfde brief, ‘De evolutie van de mens’, doet dr. Wilson nog andere vreemde bekentenissen. Zo merkt hij op, in antwoord op de aan ‘Knowledge’ door ‘G.M.’ gestelde vragen:
     ‘Heeft de evolutie enige verandering in de mens teweeggebracht? Zo ja, welke verandering? Zo nee, waarom niet? . . . Indien wij weigeren te erkennen (de wetenschap doet dit) dat de mens als een volmaakt wezen werd geschapen en daarna ontaardde, blijft er maar één andere veronderstelling over – die van evolutie. Indien de mens van een wilde tot een beschaafde toestand is opgeklommen, dan is dat ongetwijfeld evolutie. Wij weten nog niet of de menselijke vorm vatbaar is voor dezelfde invloeden als de lagere diervormen, want zulke kennis is moeilijk te verkrijgen. Maar er bestaat weinig twijfel dat de verheffing uit de wilde staat tot het beschaafde leven ‘evolutie’ betekent en meebrengt, en wel van een belangrijke omvang. De verstandelijke evolutie van de mens kan niet worden betwijfeld; de steeds ruimer wordende sfeer van het denken is, evenals de taal zelf, voortgekomen uit een klein en ruw begin. Maar de levenswijze van de mens, zijn aanpassingsvermogen aan zijn omgeving en talloze andere omstandigheden hebben het heel moeilijk gemaakt de feiten en de loop van zijn ‘evolutie’ na te gaan.’
     Juist deze moeilijkheid zou de evolutionisten voorzichtiger in hun uitspraken moeten maken. Maar waarom is evolutie onmogelijk indien ‘de mens als volmaakt wezen werd geschapen en daarna ontaardde’? Op zijn hoogst kan dit van toepassing zijn op de uiterlijke, stoffelijke mens. Zoals wij in ‘Isis Ontsluierd’ hebben opgemerkt, begint Darwins evolutie bij het midden, in plaats van voor de mens en voor al het andere met het universele te beginnen. De methode van Aristoteles en Bacon heeft misschien voordelen, maar zij heeft ontegenzeglijk haar gebreken al laten zien. Pythagoras en Plato, die van het algemene afdaalden naar het bijzondere, blijken nu in het licht van de hedendaagse wetenschap geleerder te zijn dan Aristoteles. Want deze bestreed en verwierp het denkbeeld van de omwenteling van de aarde en zelfs van haar bolvormigheid. ‘Bijna al degenen’, schreef hij, ‘die verzekeren dat zij de hemel in zijn uniformiteit hebben bestudeerd, beweren dat de aarde in zijn middelpunt staat, maar de filosofen van de Italiaanse School, die ook de pythagoreeërs worden genoemd, verkondigen precies het tegenovergestelde . . .’ Dit was zo omdat (a) de pythagoreeërs ingewijden waren, en (b) zij de deductieve methode volgden. Maar Aristoteles, de vader van het inductieve stelsel, beklaagde zich over degenen die leerden dat ‘het middelpunt van ons stelsel door de zon werd ingenomen, en de aarde slechts een ster was die door een draaiende beweging rondom datzelfde middelpunt, de nacht en de dag voortbrengt.’ (Zie De Coelo, Deel II, hfst. 13.) Hetzelfde geldt voor de mens. De theorie die in de Geheime Leer wordt verkondigd en die nu wordt uiteengezet, is de enige die zijn verschijnen op aarde kan verklaren – zonder te vervallen in de absurditeit van een ‘wonderbaarlijke’ mens, geschapen uit het stof van de aarde, of de nog grotere dwaling dat de mens zich uit een korreltje kalkzout heeft ontwikkeld (de ex-protoplasmische monere).
     Analogie is de leidende wet in de Natuur, de enige ware draad van Ariadne, die ons langs de onontwarbare wegen van haar domein kan voeren naar haar eerste en laatste mysteriën. De Natuur is als scheppend vermogen oneindig, en geen enkele generatie van natuurkundigen kan zich er ooit op beroemen de lijst van haar middelen en methoden te hebben uitgeput, hoe uniform de wetten die zij volgt ook zijn. Wij kunnen ons misschien een bal van vuurnevel voorstellen die geleidelijk – terwijl hij onafzienbare tijden lang voortrolt in de interstellaire ruimten – een planeet wordt, een lichtgevende bol, om dan over te gaan in een mensendragende wereld of aarde, en dus is veranderd van een zacht plastisch lichaam in een rotsachtige bol; en we zien dan dat alles daarop evolueert uit het kernloze geleiklompje dat de sarcode21 van de monere wordt en dan overgaat van zijn protistische toestand22 in de diervorm en uitgroeit tot een gigantisch monsterlijk reptiel uit het Mesozoïcum, en dan weer ineenkrimpt tot de (betrekkelijk) dwergachtige krokodil, die nu alleen in tropische gebieden leeft, en de overal voorkomende gewone hagedis23. Indien wij ons dit alles kunnen voorstellen, hoe kan dan alleen de mens aan de algemene wet ontsnappen? ‘Er waren in die dagen reuzen op aarde’, zegt Genesis en herhaalt daarmee de bewering van alle andere oosterse heilige geschriften; en het bestaan van de titanen wordt gebaseerd op antropologische en fysiologische feiten.
     En evenals het hard gepantserde schaaldier eens een klompje gelei was, ‘een volkomen homogeen eiwitdeeltje in een vaste samenhangende toestand’, zo was het uiterlijke omhulsel van de oorspronkelijke mens zijn eerste ‘rok van vellen’ plus een onsterfelijke geestelijke monade en een psychische tijdelijke vorm en lichaam binnen dat omhulsel. De tegenwoordige stevige gespierde mens, die tegen bijna ieder klimaat bestand is, was misschien rond 25.000.000 jaar geleden juist wat de monere van Haeckel is, eigenlijk ‘een organisme zonder organen’, een geheel homogene substantie met een structuurloos eiwitlichaam van binnen, en alleen van buiten een menselijke vorm.
     Geen geleerde in deze eeuw heeft het recht de cijfers van de brahmanen voor wat betreft de chronologie belachelijk te vinden; want hun eigen berekeningen overtreffen vaak verre de beweringen van de esoterische wetenschap. Dit kan gemakkelijk worden aangetoond.
     Helmholtz berekende dat de afkoeling van de aarde van een temperatuur van 2000° tot 200° Celsius een periode van niet minder dan 350.000.000 jaar in beslag moet hebben genomen. De westerse wetenschap (met inbegrip van de geologie) schijnt in het algemeen aan onze aardbol een ouderdom van ongeveer 500.000.000 jaar toe te kennen. Sir W. Thomson stelt echter het verschijnen van het eerste plantaardige leven op 100.000.000 jaar geleden – een opvatting die door de archaïsche optekeningen met alle respect wordt tegengesproken. De gissingen op het gebied van de wetenschap veranderen bovendien dagelijks. Sommige geologen verzetten zich intussen sterk tegen zo’n beperking. ‘Volger . . . berekent dat de tijd die nodig was voor de afzetting van de ons bekende lagen, tenminste 648 miljoen jaar moet hebben bedragen . . .’ Zowel tijd als ruimte zijn oneindig en eeuwig. ‘De aarde als een stoffelijk bestaan is inderdaad oneindig; alleen de veranderingen die zij heeft ondergaan, kunnen door eindige tijdperken worden bepaald’ (Burmeister). ‘Wij moeten daarom aannemen dat de sterrenhemel niet alleen in de ruimte – wat geen sterrenkundige betwijfelt – maar ook in de tijd, zonder begin of einde is; dat hij nooit is geschapen en onvergankelijk is.’ (Zie Czolbe)24.
     Czolbe herhaalt precies wat de occultisten zeggen. Maar de Arische occultisten, zal men misschien opmerken, wisten niets van deze latere bespiegelingen. ‘Zij waren zelfs niet op de hoogte van de bolvorm van onze aarde’ (Coleman). Hierop geeft het Vishnu Purana een antwoord, dat bepaalde oriëntalisten heeft gedwongen hun ogen heel wijd open te zetten.
     . . . ‘De zon is voor altijd in het midden van de dag geplaatst en tegenover het midden van de nacht, in alle dvipa’s (continenten), Maitreya! Maar omdat de opkomst en de ondergang van de zon steeds elkaars tegenovergestelde zijn – en eveneens alle hoofdwindstreken en ook de kruispunten, Maitreya, daarom spreken de mensen over de opkomst van de zon waar zij dat zien; en waar de zon verdwijnt, daar is voor hen zijn ondergang. Voor de zon, die altijd op een en dezelfde plaats staat, is er noch ondergang noch opkomst, want wat opkomst en ondergang wordt genoemd, is slechts het zien en het niet zien van de zon.’ (Vishnu Purana, Deel II, hfst. viii.)
     Hierover merkt Fitzedward Hall op: ‘De heliocentrische leer die in deze passage wordt verkondigd, is opmerkelijk. Deze wordt echter iets verderop tegengesproken.’ Met opzet tegengesproken, omdat het een geheime tempelleer was. Martin Haug ontdekte dezelfde leer in een andere passage. Het is nutteloos de Ariërs nog langer te belasteren.
     Laten wij terugkeren tot de chronologie van de geologen en de antropologen. Wij zijn bang dat de wetenschap geen redelijke gronden heeft om de opvattingen van de occultisten in dit opzicht te bestrijden. Het enige dat tot dusver kan worden aangevoerd, is dat ‘van de mens, het hoogste organische wezen van de schepping, in de oudste aardlagen geen spoor is gevonden; alleen in de bovenste, de zogenaamde alluviale laag’. Dat de mens niet het laatste lid van de zoogdierenfamilie was, maar het eerste in deze Ronde, is iets dat de wetenschap eens zal moeten erkennen. Een dergelijke mening is ook al op hoog gezag in Frankrijk ter sprake gebracht.
     Dat kan worden aangetoond dat de mens in het midden-Tertiair heeft geleefd en in een geologische periode toen er nog geen enkel exemplaar bestond van de nu bekende soorten zoogdieren, is een bewering die de wetenschap niet kan ontkennen en die nu is bewezen door De Quatrefages25. Maar zelfs als we aannemen dat zijn bestaan in het Eoceen nog niet is bewezen, hoeveel tijd is er verstreken sinds het Krijt-tijdperk? We zijn ons ervan bewust dat alleen de moedigste geologen de mens verder terug durven plaatsen dan het Mioceen. Maar hoe lang, vragen wij, is de duur van die eeuwen en tijdperken na het Mesozoïcum? Hierop blijft de wetenschap, na veel gegis en getwist, zwijgen; de grootste autoriteiten op dit gebied zijn gedwongen te antwoorden: ‘Wij weten het niet.’ Dit is een voldoende bewijs dat de geleerden op dit punt geen grotere autoriteiten zijn dan de leken. Indien volgens prof. Huxley ‘de tijd nodig voor de steenkoolformatie zes miljoen jaar zou zijn26, hoeveel meer miljoenen jaren zouden dan zijn vereist voor de tijd vanaf het Jura-tijdperk, of het midden van de zogenaamde ‘reptielen’tijd (toen het derde Ras verscheen), tot het Mioceen, toen het grootste gedeelte van het vierde Ras werd verzwolgen27?
     De schrijfster is zich goed bewust dat de specialisten die zich de minste beperkingen oplegden bij hun berekeningen van de ouderdom van de aardbol en van de mens, altijd de meer angstvallige meerderheid tegen zich hadden. Maar dit bewijst heel weinig, omdat de meerderheid op de lange duur zelden of nooit gelijk blijkt te hebben. Harvey stond jaren lang alleen. De voorstanders van het idee om de Atlantische Oceaan met stoomboten over te steken, liepen het gevaar hun leven in een krankzinnigengesticht te eindigen. Mesmer wordt tot vandaag toe (in de encyclopedieën) met Cagliostro en St. Germain tot de kwakzalvers en bedriegers gerekend. En nu Mesmer door Charcot en Richet in het gelijk is gesteld en nu het ‘mesmerisme’ onder zijn nieuwe naam van hypnotisme – een valse neus op een heel oud gezicht – door de wetenschap wordt aanvaard, vergroot dat onze eerbied voor die meerderheid niet, als wij de lichtvaardigheid en de zorgeloosheid zien waarmee haar leden ‘hypnotisme’, ‘telepatische invloeden’ en andere verschijnselen behandelen. Kortom, zij spreken erover alsof zij er sinds de tijd van Salomo in hadden geloofd en niet slechts enkele jaren eerder de voorstanders ervan ‘krankzinnigen en bedriegers’ hadden genoemd28!
     Dezelfde plotselinge ommekeer in het denken is te verwachten met betrekking tot de lange tijdsduur die de esoterische filosofie aanneemt als de ouderdom van de geslachtelijke en fysiologische mensheid. De stanza die zegt:
     ‘De verstandgeborenen, de beenderlozen, schonken het leven aan de uit wil geborenen met beenderen; en eraan toevoegt dat dit plaatsvond in het midden van het derde Ras, 18.000.000 jaar geleden – heeft daarom zelfs nog een kans om door toekomstige geleerden te worden aanvaard.
     Voorzover het de manier van denken van de XIXde eeuw betreft, zullen zelfs enkele persoonlijke vrienden, die een abnormale eerbied koesteren voor de steeds veranderende conclusies van de wetenschap, ons zeggen dat zo’n bewering absurd is. Hoeveel onwaarschijnlijker zal dan onze verdere verklaring schijnen, dat het eerste Ras nog miljoenen jaren ouder is. Want, hoewel de exacte getallen niet worden gegeven en het uitgesloten is de beginnende evolutie van de oorspronkelijke goddelijke Rassen met zekerheid te stellen òf op het vroege Secundaire, òf op het Primaire tijdperk van de geologie, is één ding duidelijk: het getal van 18.000.000 jaar, dat de duur van de geslachtelijke stoffelijke mens omvat, moet aanzienlijk worden vergroot als men het hele proces van geestelijke, astrale en stoffelijke ontwikkeling wil meerekenen. Inderdaad zijn veel geologen van mening dat de duur van het Kwartair en het Tertiair een dergelijke schatting rechtvaardigt; en het is volkomen zeker dat geen enkele aardse omstandigheid in strijd is met de hypothese van het bestaan van een mens in het Eoceen, indien hiervoor bewijsmateriaal zou worden geleverd. Occultisten die beweren dat de bovengenoemde datering ons tot ver in het Secundair of het ‘reptielen’tijdperk terugvoert, kunnen verwijzen naar De Quatrefages voor een bevestiging van het mogelijke bestaan van de mens in die grijze oudheid. Maar wat betreft de eerste Wortelrassen staat de zaak heel anders. Indien de dichte opeenhoping van met koolzuur beladen dampen, die uit de grond ontsnapten of vanaf het begin van de sedimentatie in de atmosfeer bleven hangen, een onoverkomelijke hindernis was voor het leven van menselijke organismen zoals wij die nu kennen, hoe, zo zal men vragen, konden de oorspronkelijke mensen dan hebben bestaan? Deze overweging is in feite niet ter zake. De omstandigheden die toen op aarde heersten, hadden geen invloed op het gebied waarop de evolutie van de etherische astrale rassen zich afspeelde. Pas in betrekkelijk recente geologische tijdperken heeft de spiraalloop van de cyclische wet de mensheid naar de laagste trap van de stoffelijke evolutie voortgestuwd – het gebied van de grofstoffelijke oorzakelijkheid. In die vroege tijden was er alleen astrale evolutie, en de twee gebieden, het astrale en het stoffelijke29, hadden geen directe punten van aanraking met elkaar, hoewel ze zich langs evenwijdige lijnen ontwikkelden. Het is duidelijk dat een schaduwachtige etherische mens op grond van zijn bouw – als wij dit zo mogen noemen – alleen met dat gebied in verband staat waaraan de substantie van zijn upadhi is ontleend.
     Er zijn misschien dingen die aan de vèrziende – maar niet alziende – ogen van onze hedendaagse biologen zijn ontsnapt; maar de Natuur zelf verschaft de ontbrekende schakels. De agnostische speculatieve denkers moeten kiezen tussen de vorm van het verhaal volgens de Geheime Leer van het oosten, en de hopeloos materialistische darwinistische en bijbelse verklaringen over de oorsprong van de mens; tussen aan de ene kant geen ziel en geen geestelijke evolutie, en anderzijds de occulte leer die zowel de ‘speciale schepping’ als het ‘evolutionistische’ ontstaan van de mens verwerpt.
     Om terug te komen op het vraagstuk van de ‘spontane voortbrenging’: het leven heeft niet altijd op dit aardse gebied bestaan, zoals de wetenschap leert. Er was een tijd toen zelfs de monere van Haeckel – dat eenvoudige bolletje protoplasma – nog niet op de bodem van de zeeën was verschenen. Waar kwam de impuls vandaan die veroorzaakte dat de moleculen koolstof, stikstof, zuurstof, enz. zich groepeerden tot het Urschleim van Oken, dat organische ‘slijm’ dat nu protoplasma wordt genoemd? Wat waren de prototypen van de moneren? In ieder geval konden deze niet in meteoren van andere al gevormde bollen zijn gevallen, ondanks de fantastische theorie daarover van Sir W. Thomson. En zelfs als ze inderdaad zo zijn gevallen, indien onze aarde haar voorraad levenskiemen kreeg van andere planeten, wie of wat had ze dan naar die planeten gebracht? Tenzij de occulte leer wordt aanvaard, komen we hier weer voor een wonder te staan en worden we gedwongen de theorie van een persoonlijke antropomorfe schepper te aanvaarden, van wie de eigenschappen en omschrijvingen – zoals de monotheïsten die formuleren – niet alleen in strijd zijn met de filosofie en de logica, maar ook een degradatie betekenen van het ideaal van een oneindige universele godheid met een onbegrijpelijke ontzagwekkende grootheid, waartegenover het hoogste menselijke intellect zich nietig voelt. Het is te wensen dat de hedendaagse filosoof, die zich op het hoogtepunt van het tot dusver bereikte menselijke verstandelijke vermogen waant, niet laat blijken dat hij geestelijk en intuïtief zo ver beneden de begrippen van zelfs de oude Grieken staat, die zich in dit opzicht zelf weer op een veel lager niveau bevonden dan de filosofen van de oosterse Arische oudheid. Het hylozoïsme, filosofisch opgevat, is het hoogste aspect van het pantheïsme. Het is de enig mogelijke uitweg uit een onzinnig atheïsme dat is gebaseerd op een dodelijke stoffelijkheid en de nog onzinniger antropomorfistische opvattingen van de monotheïsten, waartussen het op zijn eigen geheel neutrale grond staat. Het hylozoïsme vereist een absoluut goddelijk denken, dat de talloze actieve scheppende krachten of ‘scheppers’ doordringt; entiteiten die worden bewogen door en hun bestaan hebben in, uit en door dat goddelijke denken. Het laatstgenoemde heeft echter niet meer persoonlijk belang in hen of hun scheppingen, dan de zon in de zonnebloem en haar zaden, of in de plantengroei in het algemeen. Het is bekend dat zulke actieve ‘scheppers’ bestaan en men gelooft in hen omdat de innerlijke mens in de occultist ze waarneemt en voelt. De laatstgenoemde zegt dat een ABSOLUTE godheid, die onvoorwaardelijk en zonder relaties moet zijn, niet tegelijkertijd als een actieve, scheppende, ene levende god kan worden gedacht, zonder onmiddellijk dat ideaal te verlagen30. Een godheid die zich manifesteert in Ruimte en Tijd – deze twee zijn eenvoudig de vormen van DAT wat het Absolute AL is – kan slechts een onderdeel van het geheel zijn. En omdat dit ‘al’ in zijn absoluutheid niet kan worden verdeeld, kan die gevoelde schepper (wij zeggen scheppers) op zijn hoogst alleen maar het aspect daarvan zijn. Om dezelfde beeldspraak te gebruiken – ontoereikend om het volledige denkbeeld uit te drukken, maar voor dit geval goed bruikbaar – deze scheppers zijn als de talrijke stralen van de zonnebol, die zich onbewust is van het werk en zich er niet om bekommert; terwijl zijn bemiddelaars, de stralen, in elke lente – de manvantarische dageraad van de aarde – het hulpmiddel worden bij het bevruchten en ontwaken van de sluimerende vitaliteit die inherent is aan de Natuur en haar gedifferentieerde stof. Dit werd in de oudheid zo goed begrepen, dat zelfs de matig religieuze Aristoteles de opmerking maakte dat een dergelijk werk van rechtstreekse schepping voor god helemaal niet passend zou zijn – 𑼀πρεπὲϛ τῷ Θεῷ. Plato en andere filosofen verkondigden hetzelfde: de godheid kan niet zelf de schepping ter hand nemen – πὐτουργεῖν ἅπαντα. Dit noemt Cudworth ‘hylozoïsme’. De oude Zeno heeft volgens Laertius gezegd: ‘De natuur is een gewoonte die uit zichzelf in beweging komt, volgens beginselen die in het zaad liggen; zij vervolmaakt en bevat die verschillende dingen die op bepaalde tijden uit haar worden voortgebracht; zij handelt in overeenstemming met dat waaruit zij is afgescheiden31.’
     Laten wij tot ons onderwerp terugkeren, en even de tijd nemen om erover na te denken. Inderdaad, indien er in die tijden plantaardig leven was dat zich kon voeden met de toen giftige elementen, en indien er zelfs dierlijk leven was waarvoor een voor het water geschikt organisme kon worden ontwikkeld, ondanks de veronderstelde schaarste aan zuurstof, waarom kon er dan niet ook menselijk leven zijn in zijn aanvankelijke stoffelijke vorm, d.w.z. in een ras van wezens dat was aangepast aan dat geologische tijdperk en zijn omgeving? Bovendien erkent de wetenschap dat zij over de werkelijke duur van ‘geologische tijdperken’ niets weet.
     Maar de voornaamste vraag die wij moeten beantwoorden is, of het volkomen zeker is dat vanaf de tijd die het Azoïcum wordt genoemd, er ooit een atmosfeer is geweest zoals de natuurkundigen zich die voorstellen. Niet alle natuurkundigen zijn het hierover eens. Indien de schrijfster de uitspraken van de Geheime Leer door de exacte wetenschap wilde laten bevestigen, dan zou het gemakkelijk zijn aan te tonen – want meer dan één natuurkundige erkent dit – dat de atmosfeer weinig of niets is veranderd sinds de eerste condensatie van de oceanen – d.w.z. sinds de Laurentische periode, het vuursteentijdperk. Dit is in ieder geval de mening van Blanchard, S. Meunier en zelfs van Bischof – zoals de experimenten met basalt van deze laatste geleerde hebben aangetoond. Want als wij de meerderheid van de geleerden zouden geloven voor wat betreft de hoeveelheid dodelijke gassen en de geheel met koolstof en stikstof verzadigde elementen waarin het planten- en het dierenrijk volgens hen zouden hebben geleefd, gegroeid en zich ontwikkeld, dan zou men tot de zonderlinge conclusie moeten komen dat er in die tijd oceanen waren van vloeibaar koolzuur in plaats van water. Met zo’n element wordt het twijfelachtig of de ganoïden of zelfs de primitieve trilobieten wel in de oceanen van het Primair konden leven – laat staan in die van het Siluur, zoals Blanchard zegt.
     De omstandigheden die voor het eerste mensenras nodig waren, vereisen echter geen elementen, hetzij enkelvoudig of samengesteld. Wij handhaven wat wij in het begin hebben gezegd. De geestelijke etherische entiteit, die leefde in op aarde onbekende Ruimten, vóór het eerste siderische ‘vlekje gelei’ zich in de oceaan van grove kosmische stof ontwikkelde – biljoenen en triljoenen jaren vóór ons bolvormige stofdeeltje in de oneindigheid, dat aarde wordt genoemd, ontstond en de monere voortbracht in zijn druppels, oceanen genaamd – had geen ‘elementen’ nodig. De ‘Manu met weke beenderen’ kon het heel goed stellen zonder calciumfosfaat, want hij had geen beenderen, behalve in figuurlijke zin. En terwijl zelfs de moneren, al is hun organisme homogeen, toch stoffelijke levensomstandigheden nodig hadden die hen zouden helpen bij hun verdere evolutie, kon het wezen dat de primitieve mens en de ‘vader van de mens’ werd, na te zijn geëvolueerd op bestaansgebieden waarvan de wetenschap nog niet droomt, heel goed onaantastbaar blijven voor alle atmosferische omstandigheden om hem heen. De primitieve voorvader in de ‘Popul-Vuh’ van Brasseur de Bourbourg, die – in de Mexicaanse legenden – met evenveel gemak onder de grond en onder water als op aarde kon handelen en leven, past slechts bij het tweede en het vroege derde Ras van onze teksten. En als de drie natuurrijken in de voordiluviaanse tijd zo verschillend waren, waarom kon de mens dan niet hebben bestaan uit materiaal en combinaties van atomen die nu aan de natuurwetenschap geheel onbekend zijn? De nu bekende planten en dieren, met hun nagenoeg talloze variëteiten en soorten, hebben zich volgens de wetenschappelijke hypothesen alle ontwikkeld uit primitieve en veel minder talrijke organische vormen. Waarom zou hetzelfde niet zijn gebeurd bij de mens, de elementen en de rest? ‘De universele genesis begint bij de één, breekt in drieën, dan in vijven en culmineert tenslotte in de zeven, om tot vier, drie en één terug te keren.’ (Toelichting.)
     Voor verdere bewijzen zie Afdeling II van dit Deel, ‘Het zevenvoud in de Natuur’. (§ xxv.)

 

Noten:

  1. Wij moeten bedenken dat Ea, Anu, en de oorspronkelijke Bel aan het hoofd van alle Babylonische goden stonden; en dat Ea, de eerste, de god van de wijsheid was, de grote ‘god van het licht’ en van de AFGROND, en dat hij werd vereenzelvigd met Oannes of de bijbelse Dagon – de mens-vis die uit de Perzische Golf oprees.
  2. Zie Afd. II, ‘Het Heilige der Heiligen’.
  3. Pas veel later werd de maan een mannelijke god; bij de hindoes was hij Soma, bij de Chaldeeën Nannak of Nannar, en Sin, de zoon van Mulil, de oudere Bel. De ‘Akkadiërs’ noemden hem de ‘Heer van de schimmen’; en hij was de god van Nipoor (Niffer) in noordelijk Babylonië. Mulil liet de wateren van de Vloed uit de hemel op aarde vallen, en daarom wilde Xisuthrus hem niet toestaan zijn altaar te naderen. Zoals de hedendaagse assyriologen nu hebben vastgesteld, is het noordelijke Nipoor het centrum vanwaar de Chaldeeuwse (zwarte) magie zich verspreidde; en is Eridu (het zuidelijke) de oorspronkelijke zetel van de eredienst van de cultuurgod, de god van de hoogste wijsheid – terwijl de zonnegod overal de opperste godheid was. Bij de joden staat de maan in verband met de Jehova van Israël en zijn zaad, omdat Ur de voornaamste zetel van de verering van de maangod was, en omdat van Abraham wordt gezegd dat hij was gekomen uit Ur, toen hij van A-bra(h)m, Abraham werd.
  4. Toen Narada, de maagdelijke asceet, dreigde aan het mensenras een eind te maken door Daksha’s zonen te verhinderen het voort te planten.
  5. Dit wordt door een geleerde brahmaan bevestigd. In zijn voortreffelijke lezingen over de Bhagavad Gita (zie ‘Theosophist’, april 1887, blz. 444) zegt de spreker: ‘Er is een eigenaardigheid waarop ik uw aandacht moet vestigen. Hij (Krishna) spreekt hier over vier Manu’s. Waarom spreekt bij over vier? Wij zijn nu in het zevende manvantara, dat van Vaivasvata. Indien hij over de voorafgegane Manu’s spreekt, moet hij over zes spreken, maar hij noemt er slechts vier. In sommige toelichtingen is een poging gedaan om dit op een bijzondere manier uit te leggen. Het woord ‘Chatvaraha’ wordt gescheiden valt het woord ‘Manavaha’ en in verband gebracht met Sanaka, Sanandana, Sanatkumara, en Sanatsujata, die ook behoren tot de verstandgeboren zonen van Prajapati. Maar deze interpretatie zal leiden tot een absurde conclusie en maken dat de zin zichzelf tegenspreekt. De in de tekst aangeduide personen hebben in de zin een kwalificerende betekenis. Het is bekend dat Sanaka en de andere drie weigerden te scheppen, hoewel de overige zonen erin hadden toegestemd dat te doen; als men dus spreekt over de personen uit wie de mensheid is ontstaan, zou het onzinnig zijn om die vier ook in de lijst op te nemen. De passage moet worden geïnterpreteerd zonder het samengestelde woord in twee zelfstandige naamwoorden te splitsen. Het aantal Manu’s is dan vier, en de mededeling zou het verslag in de Purana’s tegenspreken, hoewel het in overeenstemming zou zijn met de occulte theorie. U zult u herinneren dat (in het occultisme) wordt verkondigd dat wij nu in het vijfde Wortelras zijn. Elk Wortelras wordt beschouwd als de Santhathi van een bepaalde Manu. Het vierde Ras is nu voorbijgegaan, met andere woorden, er zijn vier Manu’s geweest . . .’
  6. Smithsonian Contributions to Knowledge’, xviii; ‘American Journal of Science’, III, xi, 456; en Croll, ‘Climate and Time’. Lemurië werd niet overstroomd door een vloed, maar vernietigd door vulkanische werking, en verzonk daarna.
  7. Agruerus is Kronos of Saturnus, en het prototype van de israëlitische Jehova. Omdat hij is verbonden met Argha, de maan of ark van de verlossing, is Noach mythologisch één met Saturnus. Maar dan kan dit geen betrekking hebben op de aardse vloed. (Zie echter Faber, ‘Kabiri’, Deel I, blz. 35, 43 en 45.)
  8. Zie ibid., Deel II, blz. 240.
  9. Sanchoniathon zegt dat de titanen de zonen van Kronos waren, en zeven in getal; en hij noemt ze vuuraanbidders, aletae (zonen van Agni?), en diluvianen. Al-ait is de god van het vuur.
  10. Wij merken op dat de Ariërs en niet de Semieten de uitvinders waren van deze zeven, terwijl de Joden dat getal kregen van de Chaldeeën.
  11. Zeven individuele zonen van god, of pitars en pitri’s; in dit geval ook de zonen van Kronos of Saturnus (Kala, ‘tijd’) en arkbewoners, evenals de kabiren en titanen, zoals hun naam – ‘maan-voorvaderen’ – aantoont, want de maan is de Ark, of Argha, op de waterige afgrond van de ruimte.
  12. Zie ‘Kabiri’, Deel I, blz. 131.
  13. Aretia is de vrouwelijke vorm van Artes (de Egyptische Mars). Vandaar het Chaldeeuwse (en nu Hebreeuwse) woord ארץ (aretz), ‘aarde’. De schrijver van ‘Beiträge zur Kenntnis(Art. onder ‘Artes’ Mars) citeert: ‘Addit Cedrenus (Salem I, 3): Stella Martis ab Egyptiis vocatur Ertosi (plantare, generare). Significat autem hoc omnis generis procreationem et vivificationem, omnisque substantiae et materiae naturam et vim ordinantem atque procreantem.’ Het is de aarde als ‘bron van het zijn’; of, zoals de schrijver van ‘The Source of Measures’ verklaart, Arts is hetzelfde in het Hebreeuws en het Egyptisch, en beide combineren het oorspronkelijke denkbeeld van de aarde als bron; precies zoals in het Hebreeuws zelf onder een andere vorm Adam en Madim (Mars) hetzelfde zijn, en deze het denkbeeld van de aarde met Adam in de vorm van H-Adam-H combineren.
  14. Hfst. lxiv, Sectie xi.
  15. Al zulke uitdrukkingen worden verklaard in Afdeling 1, ‘Het ontstaan van de mens’, in dit Deel, en elders.
  16. Men moet bedenken dat in de hindoefilosofie elke gedifferentieerde eenheid dit slechts is tijdens de cyclussen van maya, omdat zij in haar essentie één is met de Allerhoogste of Ene Geest. Vandaar de schijnbare verwarring en tegenspraak in de verschillende Purana’s, en soms in dezelfde Purana, over eenzelfde persoonlijkheid. Vishnu – als de veelvormige Brahma en als Brahma (onzijdig) – is één, en toch zegt men dat hij alle 28 vyasa’s is (Vishnu Purana). ‘In elk dvapara (derde) tijdperk verdeelt Vishnu in de persoon van Vyasa de Veda, die één is, in vier en meer delen. Achtentwintig keer zijn de Veda’s door de grote rishi’s gerangschikt in het Vaivasvata manvantara, in het dvapara-yuga . . . en er zijn dus ook achtentwintig vyasa’s heengegaan . . . zij die allen waren in de vorm van Veda-vyasa’s, die de vyasa’s van hun respectievelijke tijdperken waren . . .’ (Deel III, Hfst. III.) ‘Deze wereld is Brahma in Brahma, uit Brahma . . . verder is er niets te weten.’ En vervolgens . . . ‘Er waren in het eerste manvantara zeven beroemde zonen van Vasishta, die in het derde manvantara zonen van Brahma (d.i. rishi’s) waren, de roemrijke nakomelingen van Urja.’ Dit is duidelijk: de mensheid van het eerste manvantara is die van het zevende en van alle tussenliggende. De mensheid van het eerste Wortelras is de mensheid van het tweede, derde, vierde, vijfde, enz. Tot het einde toe vormt zij een cyclische en voortgaande reïncarnatie van de monaden die behoren tot de Dhyan-Chohans van onze planeetketen.
  17. Het dvapara-yuga is voor elk Ras verschillend. Alle rassen hebben hun eigen cyclussen, wat een groot verschil maakt. Zo was het vierde onderras van de Atlantiërs in zijn kali-yuga toen het werd vernietigd, terwijl het vijfde in zijn satya- of krita-yuga was. Het Arische Ras is nu in zijn kali-yuga, en zal daarin nog 427.000 jaar blijven, terwijl verschillende ‘familierassen’, het Semitische, Hamitische, enz., in hun eigen bijzondere cyclussen zijn. Het komende 6de onderras – dat misschien al snel begint – zal in zijn satya (gouden) tijdperk zijn, terwijl wij de vruchten plukken van onze ongerechtigheid in ons kali-yuga.
  18. Posthumous Humanity’, vertaald door H.S. Olcott, Londen 1887.
  19. Professor Newcomb zegt: ‘De door inkrimping veroorzaakte warmte zou slechts 18.000.000 jaar duren’ (‘Popular Astronomy’, blz. 500); maar ‘een temperatuur die het bestaan van water mogelijk maakt, kon niet eerder worden bereikt dan 10.000.000 jaar geleden’ (Winchell, ‘World-Life’, blz. 356). Maar Sir W. Thomson zegt dat het hele tijdperk van de korstvorming van de aarde 18.000.000 jaar is, hoewel hij dit jaar opnieuw van mening is veranderd en de leeftijd van de zon op slechts 15.000.000 jaar stelt. Zoals in de Aanhangsels zal worden aangetoond, lopen de meningen in de wetenschap zo ver uiteen, dat in wetenschappelijke speculaties nooit enig vertrouwen kan worden gesteld.
  20. De verhandeling: ‘The Plurality of Worlds’(1853) – een anoniem boek, maar waarvan bekend is dat het is geschreven door dr. Whewell – is een goed bewijs hiervoor. Geen christen behoort aan de veelheid van werelden of de geologische ouderdom van de aardbol te geloven, betoogt de schrijver; want als men beweert dat deze wereld er slechts één onder de vele van haar soort is, die alle het werk van God zijn, zoals onze wereld zelf; dat alle de zetel van het leven zijn en het gebied en de woonplaats van intelligente wezens met een wil, onderworpen aan de wet en in staat tot vrije wilsbesluiten; dan zou het ongerijmd zijn te denken dat onze wereld het voorwerp van Gods gunsten en van zijn bijzondere tussenkomst, van zijn boodschappen en zijn persoonlijke bezoek zou zijn . . . Kan de aarde er aanspraak op maken te worden beschouwd als het middelpunt van het morele en religieuze Heelal, vraagt hij, indien zij in het stoffelijke Heelal niet het geringste verschil vertoont met andere werelden? Is het niet even belachelijk om aan zo’n bewering vast te houden (over de veelheid van bewoonde werelden), als het zou zijn om nu nog de oude hypothese van Ptolemaeus te verkondigen, die de aarde in het middelpunt van ons stelsel plaatste? . . . Het bovenstaande is uit het geheugen aangehaald, maar bijna letterlijk. De schrijver ziet niet in dat hij met zo’n verdediging zijn eigen zeepbel uit elkaar laat spatten.
  21. Of wat meer algemeen bekend staat als protoplasma. Deze substantie ontving veel eerder haar naam ‘sarcode’ van prof. Dujardin Beaumetz.
  22. De moneren zijn inderdaad protista. Het zijn dieren ‘noch planten’, schrijft Haeckel; ‘. . . het hele lichaam van de monere is niets anders dan een enkel volkomen homogeen deeltje eiwit in een vaste samenhangende toestand’. (‘Journal of Microscopical Science’, jan. 1869, blz. 28.)
  23. Zie de iguanodon van het Mesozoïcum – een monster van 100 voet lang – dat nu is veranderd in de kleine iguana-hagedis van Zuid-Amerika. De volkstradities over reuzen in vroegere tijden en hun vermelding in iedere mythologie, met inbegrip van de bijbel, zullen misschien eens op feiten blijken te berusten. Alleen al de logica van de analogie zou ons ertoe moeten brengen deze tradities als wetenschappelijke waarheden en natuurfeiten te aanvaarden.
  24. Force and Matter’; door L. Büchner, uitgegeven door J.F. Collingwood, F.R.S.L., blz. 61.
  25. Introduction á l’Etude des Races Humaines’.
  26. Modern Science and Modern Thought’ door S. Laing, blz. 32.
  27. Esoteric Buddhism’, blz. 70.
  28. Hetzelfde lot staat de spiritistische verschijnselen en alle andere psychologische manifestaties van de innerlijke mens te wachten. Sinds de tijd van Hume, van wie de onderzoekingen culmineerden in een nihilistisch idealisme, is de psychologie geleidelijk veranderd in een grof materialisme. Hume wordt als een psycholoog beschouwd, en toch ontkende hij a priori de mogelijkheid van verschijnselen waarin nu miljoenen geloven, waaronder veel wetenschapsmensen. De hylo-idealisten van tegenwoordig zijn zuivere annihilationisten. De scholen van Spencer en van Bain zijn respectievelijk positivistisch en materialistisch, en helemaal niet metafysisch. Het is psychisme en geen psychologie; het doet even weinig denken aan de leer van de Vedanta als het pessimisme van Schopenhauer en Von Hartmann aan de esoterische filosofie, het hart en de ziel van het ware boeddhisme.
  29. Wij moeten opmerken dat, hoewel de astrale en materiële stofgebieden zelfs in de vroegste geologische tijdperken parallel met elkaar liepen, ze zich toch niet in dezelfde fasen van manifestatie bevonden als waarin ze nu zijn. De aarde bereikte haar tegenwoordige graad van dichtheid pas 18.000.000 jaar geleden. Sindsdien zijn zowel het stoffelijke als het astrale gebied grover geworden.
  30. Het begrip en de definitie van het Absolute volgens kardinaal Cusa kunnen alleen het westerse denken bevredigen, dat zonder het zelf te weten, gedurende lange eeuwen van scholastieke en theologische sofisterij gevangen was gehouden en was gedegenereerd. Maar deze ‘Recente filosofie van het Absolute’, die door Sir W. Hamilton tot Cusa werd teruggevoerd, zou de scherper metafysische geest van de hindoe-Vedantakenner nooit bevredigen.
  31. Cudworth, ‘Intellectual System’ I, blz. 328.

De Geheime Leer 2:154-79

© 1988 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag