Het levensraadsel
Nils A. Amnéus

Vertaling van: Life’s Riddle, Nils A. Amnéus

ISBN 9070328593, paperback, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever iets worden overgenomen.

© 2002  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565AG Den Haag

Inhoudsopgave


 

Reïncarnatie (vervolg)

Reïncarnatie door de eeuwen heen
   Een oude en wijdverbreide leer
   Reïncarnatie in de religies van India
   Reïncarnatie in de bijbel
   Reïncarnatie in de vroegchristelijke periode
   Reïncarnatie als ketters veroordeeld
   Anderen die in reïncarnatie geloven

 

Reïncarnatie door de eeuwen heen

Een oude en wijdverbreide leer

Een studie van de religies en filosofieën van de mensheid door de eeuwen heen vanaf het verste verleden zal aantonen dat reïncarnatie een van de oudste en meest wijdverbreide leringen in de wereld is.

Vroegere verwijzingen naar reïncarnatie missen de details die men in de theosofische literatuur aantreft, want die informatie werd in het verleden niet openlijk bekendgemaakt.

In een aantal gevallen werden slechts gedeelten van de leer aangeboden, terwijl andere werden weggelaten. Zo weiden sommige schrijvers vrijwel uitsluitend uit over het voorbestaan zonder te spreken over de fasen van de leer die het bestaan na de dood betreffen. De leer verschijnt misschien niet altijd in haar ware gedaante, maar over de hele wereld is zij in de een of andere vorm bekend geweest en kan ook nu nog in vele landen worden gevonden.

 

Reïncarnatie in de religies van India

Het brahmanisme en het boeddhisme, met honderden miljoenen aanhangers in Azië, leren beide de wedergeboorte van de menselijke ziel.

In de Bhagavad Gita, India’s meest algemeen gelezen en geliefde boek van devotie, richt de innerlijke god van de mens, weergegeven door de godheid Krishna, zich met de volgende woorden tot de menselijke ziel:

Nooit was ikzelf niet, noch jij, noch al de vorsten van de aarde; noch zullen wij hierna ooit ophouden te bestaan. Zoals de heer van dit sterfelijke omhulsel daarin zijn kindertijd, jeugd en ouderdom ervaart, zo zal hij die in toekomstige incarnaties opnieuw ervaren. Iemand die standvastig is in deze overtuiging wordt niet verstoord door wat er ook zal gebeuren. . . .

Men zegt dat deze eindige lichamen die de ziel die daarin woont omhullen, Hem toebehoren, de eeuwige, de onvergankelijke, onbewijsbare geest, die zich in het lichaam bevindt. . . . Deze geest doodt niet, en wordt niet gedood. . . . Hij wordt niet gedood wanneer dit sterfelijke omhulsel wordt vernietigd. . . .

Zoals een mens zijn oude kleding weggooit en nieuwe aantrekt, zo gaat de bewoner van het lichaam, nadat hij zijn oude sterfelijke omhulsel heeft achtergelaten, andere binnen die nieuw zijn. . . . De dood staat vast voor alle dingen die zijn geboren, en wedergeboorte voor allen die sterfelijk zijn. . . .

Ik zowel als jij zijn door vele geboorten heengegaan. . . . De mijne zijn mij bekend, maar jij kent de jouwe niet.
De mens bij wie de toewijding wordt onderbroken door de dood gaat naar het gebied van de rechtvaardigen [de gelukzalige droomtoestand tussen de incarnaties], waar hij een enorm aantal jaren verblijft en dan op aarde opnieuw wordt geboren in een rein en gelukkig gezin. . . .

Het is inderdaad een deel van mijzelf dat, nadat het in deze wereld van voorwaardelijk bestaan een leven heeft aangenomen, de vijf zintuigen en het denkvermogen bijeenbrengt opdat het een lichaam zal verkrijgen en dat weer verlaten. En die worden door de allerhoogste Heer meegevoerd naar en van ieder lichaam dat hij binnengaat of verlaat, zoals de wind de geur van een bloem met zich meedraagt.

 

Reïncarnatie in de bijbel

Reïncarnatie wordt in de bijbel niet als een specifieke lering gepresenteerd, maar we vinden een aantal uitspraken die betrekking hebben op voorbestaan en de wedergeboorte van individuele mensen, die aantonen dat de schrijvers die leer aanvaardden. Een aantal ervan volgt hierna:

In Spreuken 8:22-31 zegt Salomo dat hij zelfs vóór de schepping van de aarde bestond, en dat zijn vreugde met de mensenkinderen was, en in de bewoonbare delen van de aarde; met andere woorden, hij moet in die vroege periode als mens geboren zijn geweest, en daar hij nu, op het moment van het schrijven van zijn Spreuken als Salomo spreekt, bevindt hij zich weer in menselijke vorm. Dit is reïncarnatie. De tekst verwijst niet naar herhaalde geboorten in de toekomst, maar sluit dit idee niet uit.

In Jeremia 1:5 zegt de Heer, wanneer hij zich richt tot de profeet: ‘Eer Ik u vormde in de moederschoot, heb Ik u gekend, en eer u voortkwam uit de baarmoeder, heb Ik u geheiligd; tot een profeet voor de volkeren heb Ik u gesteld.’

Dit impliceert het voorbestaan van Jeremia.

In Jeremia 30:9, Ezechiël 34:23 en 37:24 vindt men uitspraken dat David zal worden ‘verwekt’ en opnieuw koning of herder zal worden voor zijn volk. David was langgeleden gestorven: ‘verwekt’ te worden betekent duidelijk dat dezelfde ziel opnieuw zou worden geboren, zoals deze in een vroegere incarnatie geboren was geweest in een lichaam met de naam ‘David’.

We vinden het volgende in Maleachi 4:5: ‘Zie, Ik zend u de profeet Elia, voordat de grote en gevreesde dag des Heren komt.’

Dit is een duidelijke verwijzing naar voorbestaan en wedergeboorte; Elia, een profeet van wie men weet dat hij in het verleden heeft geleefd, wordt verwacht terug te komen in de toekomst. Er wordt niets gezegd over herhaalde wederkomsten, maar het is duidelijk dat als Elia in het verleden leefde en hier op aarde opnieuw werd geboren en zijn leven leefde en na verloop van tijd stierf, er geen reden is waarom hij niet nogmaals zou kunnen terugkeren vanuit zijn nieuwe postmortale toestand, en dat proces tot in het oneindige zou kunnen herhalen.

In Johannes 9:1-2 vinden we de volgende verwijzingen naar voorbestaan: ‘En voorbijgaande zag Hij [Jezus] een man, die sinds zijn geboorte blind was. En zijn discipelen vroegen Hem en zeiden: Rabbi, wie heeft gezondigd, deze of zijn ouders, dat hij blind is geboren?’

De vorm waarin de vraag is gesteld, toont aan dat voorbestaan als vanzelfsprekend wordt aangenomen door de discipelen, en door het idee in zijn antwoord niet te verwerpen geeft Jezus ervan blijk dat het voor hem acceptabel was.

‘Jezus vroeg aan zijn discipelen: Wie zeggen de mensen dat Ik ben? Zij antwoordden en zeiden: Johannes de Doper, anderen: Elia, weer anderen, dat een van de oude profeten is opgestaan’ (Lucas, 9:18-19).

Van iemand die nu leeft wordt hier gezegd dat hij een incarnatie is van iemand waarvan bekend is dat hij in het verleden heeft bestaan. Het antwoord op de vraag is op zichzelf een aanvaarding van voorbestaan, gevolgd door reïncarnatie, en omdat dit Jezus niet schokt of verrast, moet het idee voor hem aannemelijk hebben geklonken, en in feite toont de terloopse manier waarop met het idee wordt omgegaan aan dat het voor zowel Jezus als zijn discipelen vanzelfsprekend moet zijn geweest.

Overigens laat dit citaat zien dat de termen ‘verwekt’ of ‘opgestaan’ die ook elders in de bijbel in vergelijkbare gevallen worden gebruikt duiden op reïncarnatie van het individu.

De joden geloofden, gebaseerd op oude profetieën, dat het verschijnen van hun Messias zou worden voorafgegaan door de terugkeer van de profeet Elia, en wat betekent ‘terugkeer’ anders dan wedergeboorte in een menselijk lichaam?

Als Jezus naar oude profetieën verwijst en over Johannes de Doper spreekt, zegt hij:

Deze is het, van wie geschreven staat: Zie, Ik zend mijn boodschapper voor uw aangezicht uit, die uw weg voor u zal bereiden.

Voorwaar, Ik zeg u, onder hen, die uit vrouwen zijn geboren, is er niemand opgestaan groter dan Johannes de Doper. . . .

En indien u het wilt aanvaarden: Hij is Elia, die komen zou.
    – Mattheus 11:10-14

En hoe ‘kwam’ Elia? Hij kwam door te worden wedergeboren.

Nadat Johannes de Doper was onthoofd en zijn discipelen niet in staat waren gebleken in hem Elia, die aan de komst van Christus zou voorafgaan, te herkennen, vroegen ze Jezus:

Hoe kunnen dan de schriftgeleerden zeggen dat Elia eerst moet komen? Hij antwoordde en zei: Elia zal inderdaad komen en alles herstellen, maar Ik zeg u, dat Elia reeds is gekomen, en zij hebben hem niet [h]erkend, maar met hem gedaan al wat zij wilden. . . .

Toen begrepen de discipelen, dat Hij tot hen over Johannes de Doper had gesproken.   – Mattheus 17:10-13

In dit citaat en het eraan voorafgaande zien we dat Jezus zelf in ondubbelzinnige woorden stelt dat de ziel van Johannes de Doper dezelfde was als die van Elia. Deze bewering is volkomen in overeenstemming met de reïncarnatieleer. Jezus vestigt de aandacht op een gebeurtenis die nooit zou hebben kunnen plaatsvinden tenzij reïncarnatie een feit is. Hij onderwijst niet de volledige leer, want dat is niet zijn bedoeling; hij laat alleen zien hoe de leer in een specifiek geval van toepassing is.

Het feit dat in de bijbel reïncarnatie als vanzelfsprekend wordt aangenomen en niet als een specifieke leer wordt onderwezen, hoeft ons niet te verbazen wanneer we bedenken dat al eeuwen voordat Christus op aarde leefde deze lering overal bekend was en door de volkeren rondom de Middellandse Zee algemeen werd aangenomen.

Verschillende religieuze sekten en filosofische scholen in deze landen waren gebaseerd op of beïnvloed door de mysteriescholen. Deze waren op hun beurt gebaseerd op de orfische en pythagorische leringen, waarvan die van reïncarnatie er één was.

Onder de joden geloofde de grootste en meest invloedrijke sekte, de Farizeeën, in reïncarnatie. De joodse generaal Flavius Josephus (37-98 n.Chr.), die tevens een priesterlijke functionaris en historicus van zijn volk was, was zelf een farizeeër. In een van zijn werken, De joodse oudheden, boek XVIII, hfst. 1, par. 3, 4, schrijft hij:

Zij [de Farizeeën] geloven dat de ziel een onsterfelijke macht in zich heeft en dat er in het onderaardse beloningen of straffen zullen zijn al naar gelang de mensen in dit leven deugdzaam of slecht hebben geleefd; laatstgenoemde zielen zullen eeuwigdurend gevangen worden gehouden, maar de eersten zullen het vermogen hebben opnieuw te leven. Door deze leerstellingen oefenen ze grote invloed uit op de mensen; al hun godsdienstoefeningen, gebeden of offerandes worden volgens die richtlijnen uitgevoerd. Op grond van hun voortdurend in praktijk brengen van deugden, zowel in hun dagelijkse handelen als in gesprekken, leggen de steden zo’n uitmuntende getuigenis over hen af.
    – naar Eng. vert. Whiston

In een van zijn andere werken, getiteld De joodse oorlog, boek III, hfst. 8, par. 5, schrijft hij:

Weten jullie niet dat zij eeuwige roem oogsten die volgens de natuurwet uit dit leven vertrekken. . . . en dat hun ziel zuiver en gehoorzaam is en zij de heiligste plaats in de hemel krijgen, vanwaar ze in de wenteling van eeuwen opnieuw in een rein lichaam worden gezonden.

Een andere joodse sekte, de Essenen, geloofde eveneens in reïncarnatie.

We geven geen gedetailleerde verklaring van een onderwerp dat algemeen bekend is of als vanzelfsprekend wordt beschouwd zoals de draaiing van de aarde waardoor dag en nacht wordt veroorzaakt, als zo’n onderwerp ter sprake komt; en als in de tijd van Jezus een leer zoals die betreffende wedergeboorte zo algemeen bekend en geaccepteerd was, moeten we niet van hem verwachten dat hij gedetailleerd daarop ingaat. De terloopse alledaagse manier waarop het onderwerp wordt behandeld, geeft eerder aan dat deze als iets vanzelfsprekends werd beschouwd dan dat er ook maar enige twijfel over bestond.

 

Reïncarnatie in de vroegchristelijke periode

Tijdens de eerste eeuwen van het christelijke tijdperk was er nog weinig sprake van een gevestigde kerkelijke organisatie, maar de leringen werden bewaard en uitgewerkt door de volgelingen van de apostelen. De leiders onder hen, zij die het meest ontwikkeld waren en het meeste werden gerespecteerd, waren de zogenaamde ‘kerkvaders’. Tot de bekendsten onder hen behoorden Clemens van Alexandrië, Origenes en Synesius. Volgens De Geheime Leer van H.P. Blavatsky (1:28) waren al deze mannen ingewijd in de mysteriën en moeten daarom heel goed bekend zijn geweest met de leringen over preëxistentie en reïncarnatie, een feit dat duidelijk blijkt uit hun geschriften.

Clemens (ca. 150-220 n.Chr.), die terecht door de christelijke kerk heilig werd verklaard, laat zien dat hij in preëxistentie geloofde als hij in hoofdstuk 1 van zijn ‘Aansporing aan de heiden (tot bekering)’ schrijft: ‘Maar vóór het tot stand brengen van de wereld waren wij er, want omdat we bestemd zijn in Hem te zijn, bestonden we tevoren in de ogen van God.’

Origenes (186-254 n.Chr.), leerling van St. Clemens en Ammonius Saccas, de stichter van de neoplatonische school, wordt beschouwd als een van de grootste christelijke geleerden en denkers. Eén citaat uit zijn geschriften, dat aantoont dat hij het idee van transmigratie in dieren verwierp, werd hiervoor al gegeven. Andere citaten die laten zien dat hij de leringen over preëxistentie en reïncarnatie accepteerde, volgen hier:

[Z]ij die beweren dat alles in de wereld onder leiding van de goddelijke voorzienigheid staat (wat ook wij geloven), kunnen om aan te tonen dat bij het goddelijke bestuur niet de geringste onrechtvaardigheid berust, volgens mij geen ander antwoord geven dan te geloven dat er bepaalde oorzaken uit een vorig bestaan waren waardoor de zielen vóór hun geboorte in het lichaam een zekere hoeveelheid schuld in hun gevoelsnatuur of door hun activiteiten hebben opgedaan, op grond waarvan ze door de goddelijke voorzienigheid waardig zijn bevonden in deze toestand te worden geplaatst.
    – Origenes, De principiis [Over eerste beginselen], boek III, hfst. 3, afd. 5

In dit citaat behandelt Origenes het eeuwenoude probleem van onrechtvaardigheid en wijst erop dat de leer van preëxistentie de enige verklaring is die het goddelijke bestuur kan ontdoen van het stigma van onrechtvaardigheid.

In boek IV, hfst. 1, afd. 23 van hetzelfde werk schrijft Origenes:

Van hen die naar de aarde afdalen is ieder dus volgens zijn verdiensten of overeenkomstig de plaats die hij daar innam, bestemd in deze wereld te worden geboren, in een ander land, of bij een ander volk, of in andere levensomstandigheden, of omringd door ongemak van een andere soort, of bij religieuze ouders of bij ouders die niet religieus zijn; zodat het kan gebeuren dat een Israëliet afdaalt bij de Scythen, en een arme Egyptenaar terechtkomt in Judea.

Hoewel deze opmerkingen de nadruk leggen op preëxistentie is het gemakkelijk te zien dat zij reïncarnatie omvatten, zelfs al wordt dit niet met name genoemd. Als een ‘Egyptenaar wordt geboren in Judea’ betekent dit dat de Egyptenaar stierf en de ziel later werd geïncarneerd in het lichaam van iemand uit Judea. En hoe ontstond de Egyptenaar? Was hij niet een incarnatie van een eerder levend individu, dat misschien tot een ander volk behoorde? En was dit vroegere individu niet de incarnatie van iemand die nog eerder leefde, enz.? En als deze keten zich onbeperkt in het verleden uitstrekt, betekent dit dan niet dat deze zich ook onbeperkt in de toekomst moet uitstrekken? Waarom zou men moeten aannemen dat de man uit Judea het einde van de keten was? Als hij sterft, moet zijn ziel dan niet een nieuwe belichaming zoeken?

Synesius, de christelijke bisschop die in de 4de en 5de eeuw leefde was een neoplatonist, en de neoplatonisten onderwezen reïncarnatie.

E.D. Walker zegt in zijn Reincarnation (blz. 214) dat van Synesius bekend is ‘dat toen de burgers van Ptolemais hem in hun bisdom uitnodigden, hij voor de eer bedankte met als reden dat hij bepaalde opvattingen huldigde waarmee zij het misschien niet eens zouden zijn want deze hadden na diep nadenken stevig wortelgeschoten in zijn geest. Als belangrijkste daarvan noemde hij de preëxistentieleer.’

We zien dus dat tot aan de 5de eeuw n.Chr. de leringen over preexistentie en reïncarnatie bekend waren aan en geaccepteerd en openlijk onderwezen werden door het hoogste kerkelijke gezag, en als deze kerkleiders die leringen accepteerden mogen we aannemen dat ook hun volgelingen die accepteerden.

 

Reïncarnatie als ketters veroordeeld

De vraag doet zich nu voor: Als deze leringen in de eerste eeuwen van de christelijke jaartelling zo algemeen werden geaccepteerd, waardoor zijn ze dan later verdwenen?

Het is mogelijk dat de kerkvaders de reïncarnatieleer te moeilijk vonden om aan de menigte uit te leggen. Het is ook mogelijk dat het veel voorkomende misverstand over transmigratie in dieren, dat zo vaak in verband werd gebracht met reïncarnatie, zelf bijdroeg aan het in diskrediet brengen van de ware leer, en dat om deze redenen de latere kerkvaders de leer introduceerden dat er voor ieder individu bij zijn geboorte een nieuwe ziel werd geschapen.

Naarmate dit idee meer algemeen werd aangenomen, werd de oude lering geleidelijk op de achtergrond geschoven en werd steeds meer in het geheim onderwezen, als dat al gebeurde.

Zelfs nadat men haar als officiële kerkelijke leer had laten vallen, bleef het oude idee echter nog hangen en behield een groot aantal aanhangers. Lange tijd bestonden de twee leringen gelijktijdig, maar omdat ze elkaar wederzijds uitsloten, moest iets worden gedaan om de oudere lering die men nu als ketters beschouwde, de kop in te drukken.

Een vergadering van kerkleiders werd vervolgens bijeengeroepen om een oordeel te vellen over deze leer zoals die werd onderwezen door Origenes, en ook over een aantal van zijn andere leringen die eveneens als ketters werden beschouwd. Deze bijeenkomst of Nationale Synode zoals deze werd genoemd, werd omstreeks het jaar 538 in Constantinopel gehouden onder leiding van patriarch Mennas. Vijftien specifieke leringen van Origenes werden ter discussie gesteld en deze werden allemaal, na veel verhitte discussie formeel veroordeeld en anathema verklaard. De leringen die naar preëxistentie verwezen volgen hieronder.

Origenes’ leringen kwamen erop neer:*

*Uit een samenvatting van G. de Purucker in De Esoterische Traditie, blz. 22-3.

1) Dat de ziel vóór het huidige aardse leven bestaat; en uiteindelijk terugkeert in haar oorspronkelijke geestelijke aard en staat.

4) Dat de mens nu als vergelding of straf een stoffelijk of fysiek lichaam heeft als gevolg van verkeerd handelen, na het verzinken van de ziel in de stof.

5) Dat deze geestelijke wezens zoals ze voorheen in de stof afdaalden uiteindelijk kunnen en zullen herrijzen tot hun vroegere spirituele staat.

13) Dat de ziel van Christus, evenals de zielen van alle andere mensen, een voorbestaan had; en dat Christus wat betreft zijn vermogen en zijn wezen van dezelfde soort is als alle andere mensen.

Na de veroordeling van deze leringen van Origenes door het kerkelijke gezag, konden preëxistentie en reïncarnatie niet langer als deel van de kerkelijke leringen worden onderwezen of getolereerd. Is het in het licht daarvan dan niet aannemelijk dat de kerkelijke literatuur aan een nieuw onderzoek zou worden onderworpen en dat elke verwijzing naar deze leringen zou worden uitgeroeid? Zou het daarom niet mogelijk zijn dat de eerdere geschriften zoals de evangeliën misschien meer directe verwijzingen naar preëxistentie en reïncarnatie hebben bevat dan er nu in voorkomen?

Het Griekse origineel van Origenes’ grote werk De principiis [Over eerste beginselen] waarin de meeste van zijn verwijzingen naar reïncarnatie worden gevonden, is niet langer beschikbaar, maar er bestaat een Latijnse vertaling van. In het voorwoord van deze vertaling door de Latijnse theoloog Tyrannius Rufinus (345 – 410) verwijst deze naar eerdere vertalers van de geschriften van Origenes en hun gewoonte om veranderingen aan te brengen ten opzichte van het Griekse origineel, waar dit niet strookte met de toen heersende christelijke opvattingen. Rufinus zegt dan dat hij dezelfde methode heeft gevolgd, waarbij de vertaler als hij zogenaamde ‘struikelblokken’ in het oorspronkelijke Grieks tegenkwam ‘deze in zijn vertaling zo gladstreek en corrigeerde dat een lezer van het Latijn niets zou tegenkomen dat in strijd zou zijn met ons christelijke geloof’ (geciteerd in De Esoterische Traditie, blz. 347).

Als we ons realiseren dat in Rufinus’ tijd de kerkelijke autoriteiten de leringen van preëxistentie en reïncarnatie met afkeuring begonnen te bekijken, is het dan niet waarschijnlijk dat deze leringen eruit zouden worden gepikt als precies dat soort ‘struikelblokken’ waarnaar Rufinus verwijst en dat ze daarom werden onderworpen aan Rufinus’ methode van ‘gladstrijken en corrigeren’?

Zelfs de Latijnse vertaling zoals zij is, laat weinig twijfel over Origenes’ geloof in wedergeboorte, maar Rufinus’ eigen bekentenis doet ons vermoeden dat als het Griekse origineel beschikbaar was, we daarin mogelijk nog explicietere en sterkere verwijzingen naar het onderwerp zouden kunnen vinden.

Is niet de hele procedure aanvechtbaar, waarbij een groep studenten, die naar we mogen aannemen volgelingen van Jezus waren en in het kader van de anathema’s van de Nationale Synode de taak op zich hadden genomen een leer te veroordelen die absoluut door hem werd bevestigd, en is deze werkwijze niet vatbaar voor kritiek?

In Mattheus 11:10-14 en 17:10-13 waarnaar hierboven werd verwezen, maakt Jezus zelf gebruik van de leringen van preëxistentie en wedergeboorte om voor zijn discipelen het één-zijn van Johannes de Doper en Elia te verklaren. Jezus toont daarmee dat hij deze leringen kent; in plaats van ze als onjuist te veroordelen, geeft hij, door ze te gebruiken, aan dat hij ze onderschrijft.

Daarnaast hebben we de getuigenis van de vroegste kerkvaders waaruit blijkt dat deze leringen in de eerste eeuwen van onze jaartelling nog circuleerden in de kerk.

Dan, 500 jaar na de dood van hun leraar, vinden we een groep zogenaamde volgelingen van hem die deze leringen, die hun leraar had onderschreven, veroordelen.

Hier is sprake van denkbeelden die direct met elkaar in strijd zijn. Als Jezus gelijk had, had de Nationale Synode ongelijk, en omgekeerd. Wie was in de beste positie om het te weten, Jezus of de latere kerkelijke autoriteiten?

Als de uitspraken van Jezus door zijn volgelingen worden geaccepteerd als afkomstig van de Zoon van God, hoe kunnen deze zelfde volgelingen dan een van die uitspraken uitkiezen en deze als onjuist veroordelen? Is dit niet een geval waarin de leerlingen hun leraar willen verbeteren?

De kerkvaders hadden kunnen protesteren tegen het verkeerde idee van transmigratie in dieren dat onder de onontwikkelden zo algemeen was verbreid, want dit was een leer die Jezus nooit had gesteund en die nergens in de bijbel is te vinden. Als zij dit wel hadden gedaan, zouden zij zeer te prijzen zijn geweest voor het verwijderen van een wijdverbreid misverstand. Maar toen ze zover gingen de ware leer met de valse te verwerpen, gooiden ze het kind met het badwater weg.

Hebben wij het recht een deel van Jezus’ leringen te accepteren en andere te verwerpen? En als we al zijn leringen accepteren, moeten we ook reïncarnatie accepteren, want dat is er één van.

 

Anderen die in reïncarnatie geloven

Andere religies, filosofieën, sekten en volkeren die reïncarnatie in een of andere vorm hebben onderwezen zijn onder meer:

Het taoïsme in China.
De mysteriën die in de tempels van Egypte werden onderwezen.
De hermetische filosofie.
De leer van Zarathoestra of Ahura Mazda.
De orfische religie.
De pythagorische filosofie.
De mysteriescholen van Griekenland en Klein-Azië.
Platonisme.
De joodse kabbala.
De talmoed.
De Farizeeën en Essenen.
De vroegchristelijke kerk.
Neoplatonisme.
De Amerikaanse indianen en de eskimo’s.
West-Afrikanen.
Australische aboriginals.

Naast de stichters of hoofden van de verschillende groepen waarnaar hier wordt verwezen en die natuurlijk in reïncarnatie geloofden, zijn er een aantal individuele personen die door wat ze hebben geschreven, aangeven dat ze het eens zijn met het idee. Onder hen vinden we de volgende namen:

Patanjali
Ovidius
Lucretius
Flavius Josephus
Hierocles
Dr. Henry More
Lessing
Fichte
Kapila
Cicero
Vergilius
Philo Judaeus
Andre Pezzani
Victor Hugo
Prof. Francis Bowen
James R. Lowell
Walt Whitman
William R. Alger
Thomas Bailey Aldrich
Jack London
Rudyard Kipling
John Masefield
Wordsworth
Jean Reynaud
Bulwer Lytton
Emerson
Plotinus
Rabbi Manasseh
David Hume
Herder
Napoleon
Goethe
Shelley
Honoré de Balzac
Schopenhauer
Jean B.F. Obry
Carlyle
Longfellow
Rosetti
Richard Wagner
James Freeman Clarke
Prof. Frederick H. Hedge
Tennyson
Whittier
Sir Edwin Arnold
William Sharp
Prof. William Knight
Ella Wheeler Wilcox
Sir H. Rider Haggard
George Russell (Æ)
Henry Ford
Sir Humphrey Davy

Aan deze lijst kunnen nog meer namen worden toegevoegd, maar dit moet voldoende zijn om de ouderdom en het wijdverbreide voorkomen van de leer aan te tonen, en ook de aantrekkingskracht die de leer op filosofen, schrijvers en dichters tot in onze tijd heeft.

Het feit dat een bepaalde groep of bepaalde individuele mensen de leer aanvaarden is op zichzelf geen bewijs dat de leer waar is. En het feit dat een andere groep of andere individuele personen deze verwerpen is geen bewijs dat ze onwaar is. Maar als we in een van die groepen een aantal van de grootste filosofen en religieuze leraren die de wereld heeft gekend aantreffen, en ook een aantal minder grote maar toch algemeen bekende denkers, is dat dan geen aanwijzing dat hier sprake is van een onderwerp dat niet zomaar kan worden opzijgeschoven? We accepteren hun ideeën over andere zaken, waar ze beroemd om zijn; waarom zouden we hun mening over reïncarnatie dan negeren?

Citaten die de opvattingen over reïncarnatie van de hierboven genoemde groepen of individuen weergeven zijn beschikbaar. Om deze allemaal aan u voor te leggen zou een klein boekdeel vergen, en daarom geven we nu slechts een paar van die citaten. Veel van het nu volgende komt uit E.D. Walkers’ Reincarnation, uitgave 1923.

De joodse theoloog en kabbalist, rabbi Manasseh Ben Israel (1604 – 1657), opperrabbijn aan de synagoge van Amsterdam, schrijft in Nismath Hayem:

Het geloof of de leer van transmigratie van zielen [d.w.z. reïncarnatie] is een vast en onveranderlijk dogma dat eenstemmig wordt geaccepteerd door onze hele kerkgemeenschap, zodat er niemand is te vinden die het zou durven ontkennen. . . . Er is inderdaad een groot aantal wijzen in Israël die vast overtuigd zijn van deze leer, zodanig dat zij het tot een dogma hebben gemaakt, een principieel punt van onze religie. Wij zijn daarom verplicht ons daardoor te laten leiden en dit dogma toe te juichen . . . omdat de waarheid ervan onbetwistbaar wordt bewezen door de Zohar en alle boeken van de kabbalisten.

De Duitse filosoof Schopenhauer (1788 – 1860) schrijft in zijn Die Welt als Wille und Vorstellung:

Wat slaap voor het individu is, is dood voor de wil [het ego]. Hij zou het niet een eeuwigheid lang kunnen uithouden om dezelfde handelingen en hetzelfde lijden te verdragen zonder daar werkelijk iets aan te hebben als de herinnering en individualiteit met hem verbonden bleven. Hij werpt ze af en dit is Lethe [de rivier van vergetelheid]; en door deze slaap van de dood verschijnt hij opnieuw, verfrist en toegerust met een ander intellect, als een nieuw wezen. . . .

Deze voortdurende nieuwe geboorten vormen dus de opvolging van levensdromen van een wil [ego] die op zichzelf onvernietigbaar is. . . .

Als Schopenhauer J.B.F. Obry, een Franse autoriteit op het gebied van het hindoeïsme, citeert, spreekt hij ook voor zichzelf:

De diepe overtuiging van de onvernietigbaarheid van onze natuur tot voorbij de dood, die iedereen in het diepst van zijn hart draagt, hangt volledig af van het bewustzijn van de oorspronkelijke en eeuwige aard van ons wezen.

We ontdekken dat de leer van metempsychose [d.i. reïncarnatie] stamt uit de vroegste en meest grootse tijdperken van het menselijk ras en dat zij altijd over de aarde verspreid is geweest als het geloof van de grote meerderheid van de mensheid; nee, werkelijk als de lering van alle religies, met uitzondering van die van de joden en de twee die daaruit zijn voortgekomen; in haar meest subtiele vorm komt ze echter in het boeddhisme het dichtst bij de waarheid.

Over de universaliteit van het geloof in metempsychose zegt Obry terecht in zijn voortreffelijke boek Du Nirvana Indien, blz. 13: ‘Dit oude geloof kwam overal op de wereld voor en was in de verre oudheid zo verbreid dat een geleerde Engelse geestelijke verklaarde dat het vaderloos, moederloos en zonder afstamming was.’ Metempsychose werd al onderwezen in de veda’s, zoals in alle heilige boeken van India, en het is algemeen bekend dat ze de kern vormt van het brahmanisme en het boeddhisme. Ze geldt tegenwoordig in heel niet-islamitisch Azië, dat wil zeggen bij meer dan de helft van de mensheid, dan ook als een rotsvaste overtuiging en heeft een ongelooflijk sterke invloed op het dagelijks leven. Ze was ook het geloof van de Egyptenaren, en van hen werd ze enthousiast ontvangen door Orpheus, Pythagoras en Plato. Maar vooral de pythagoreeërs hielden eraan vast. Dat het ook werd onderwezen in de mysteriën van de Grieken volgt onmiskenbaar uit het 9de boek van Plato’s Wetten. Ook in de Edda, in het bijzonder in de Voluspa, wordt metempsychose onderwezen. Niet minder was ze het fundament van de religie van de druïden. Zelfs een islamitische sekte in India, de Bohrahs, waarvan Colebrooke volledig verslag doet in Asiatic Researches, gelooft in metempsychose en onthoudt zich dienovereenkomstig van elk dierlijk voedsel. Ook onder Amerikaanse indianen en negers, ja zelfs onder de oorspronkelijke bewoners van Australië vindt men sporen van dit geloof.

Ralph Waldo Emerson (1803 – 1882), de Amerikaanse filosoof en essayist, schrijft in Representative Men:

Voor de ziel die vele keren is geboren of zoals de hindoes zeggen, ‘het pad van het bestaan door duizenden geboorten heeft bereisd’, en die de dingen heeft gezien die hier, die in de hemel, en die hieronder zijn, is er niets waarvan zij geen kennis heeft vergaard; geen wonder dat ze zich kan herinneren, . . . wat ze vroeger wist. . . . Want onderzoek en geleerdheid is allemaal herinnering.

In zijn essay The Oversoul zegt hij: ‘Het kind komt volgroeid ter wereld, wat een vroegere ontwikkeling door vorige levens veronderstelt.’ In Experience zegt hij: ‘We worden wakker en bevinden ons op een trap. Er zijn treden onder ons waarlangs we kennelijk omhoog zijn gekomen; en er zijn treden boven ons, vele, die naar boven leiden, verder dan wij kunnen zien.’

Emerson zegt ook in Immortality: ‘We moeten onze bestemming opmaken uit de voorbereiding. We worden door ons instinct gedreven ontelbare ervaringen te ondergaan die van geen zichtbare waarde zijn en we doorlopen misschien een cyclus van vele levens voor we deze hebben verwerkt of uitgeput.’

In het tijdschrift van Charles Emerson schreef zijn broer Ralph Waldo het volgende:

De reden waarom Homerus voor mij is als een bedauwde ochtend, is omdat ook ik leefde toen Troje bestond en in de holle schepen van de Hellenisten voer . . . mijn ziel gaf leven aan het lichaam van een naamloze inwoner van Argos. . . . We vergeten dat we door de slaapverwekkende beker van het heden zijn bedwelmd.

In Ways of the Spirit and other Essays, door de unitaristische geestelijke en schrijver Frederick Henry Hedge (1805 – 1890) wordt in hoofdstuk 12 over ‘de menselijke ziel’ sterk gepleit voor reïncarnatie.

Als we terugkijken in onze herinneringen vinden we geen begin van het bestaan. Wie van ons weet iets, behalve door verhalen van anderen, van de eerste twee jaar van zijn leven op aarde? Niemand herinnert zich het moment toen hij voor het eerst ‘ik’ zei of dacht. We begonnen voor anderen te bestaan voordat we voor onszelf begonnen te bestaan. Onze ervaring valt niet samen met ons bestaan, en onze herinnering begrijpt dit bestaan niet. Wij brengen niet de wortel voort, maar de wortel ons.

Wat is de wortel? Wij noemen hem ziel. Onze ziel noemen we hem; strikt genomen is hij niet van ons, maar zijn wij van hem. Hij is geen deel van ons, maar wij zijn een deel van hem. Hij is niet één element in een verzameling elementen die samen onze individualiteit vormen, maar de wortel van die individualiteit. Hij is groter dan wij zijn en anders dan wij zijn – dat wil zeggen, dan ons bewuste zelf. Het bewuste zelf begint pas enige tijd na de geboorte van het individu. Het is niet ingeboren, maar een voortbrengsel – als het ware de bloesem van een individualiteit. We kunnen ons talloze zielen indenken die nooit dit product voortbrengen, die nooit uitgroeien tot een zelf. En de ziel die zo bloeit bestaat voordat de bloesem ontluikt.

Hoelang tevoren is onmogelijk te zeggen; of bijvoorbeeld de geboorte van een menselijk individu het begin is van het bestaan van de ziel; of ieder nieuw lichaam voorzien wordt van een nieuwe ziel, of dat het lichaam aan een tevoren bestaande ziel wordt gegeven. Het is een vraag waarop de theologie geen licht werpt en die de psychologie slechts vaag toelicht. Maar zover die vage toelichting reikt, steunt ze de hypothese van preëxistentie. Die hypothese schijnt het best te kloppen met het veronderstelde voortgaande bestaan van de ziel in het hiernamaals. Al wat een begin had in de tijd, zo lijkt het, moet een einde hebben in de tijd. De eeuwige bestemming die het geloof toeschrijft aan de ziel vooronderstelt een eeuwige oorsprong. Aan de andere kant als de preëxistentie van de ziel werd bevestigd zou dit tevens onsterfelijkheid bevestigen. . . .

De geboorte van een ziel in het huidige lichaam betekende de dood van het oude – ‘een slaap en een vergeten’. De ziel is in een lichaam gaan slapen en werd wakker in een nieuw. De slaap is een kloof van vergetelheid tussen de twee. . . .

Het wordt algemeen toegegeven dat er aangeboren verschillen van karakter in de mens zijn – verschillende neigingen, temperamenten, die door verschillen in omstandigheden of opvoeding niet geheel kunnen worden verklaard. Ze komen naar voren waar de omstandigheden en opvoeding overigens hetzelfde waren; ze schijnen aangeboren te zijn. Deze worden soms toegeschreven aan een structuur, maar met een structuur is nog niet alles gezegd. Die moet op haar beurt worden verklaard. Volgens mij is het de ziel die de structuur voortbrengt, en niet de structuur de ziel. De vooronderstelling van een vroeger bestaan zou deze verschillen het best kunnen verklaren als iets dat van leven op leven wordt overgedragen – de oogst van het zaad dat in andere bestaanstoestanden werd gezaaid en waarvan de vruchten blijven, hoewel men zich het zaaien niet meer herinnert.

In de Princeton Review van mei 1881 publiceerde de Amerikaanse filosoof prof. Francis Bowen (van Harvard University) (1811 – 1890) een zeer interessant artikel over ‘christelijke metempsychose’, waarin hij aandringt op de christelijke erkenning van reïncarnatie.

Ons leven op aarde wordt terecht beschouwd als discipline en voorbereiding op een hoger en eeuwig leven hierna. Maar als het beperkt is tot de duur van een enkel sterfelijk lichaam is dat zo kort dat dit nauwelijks voldoende lijkt voor zo’n groots doel. Zeventig jaar kan onmogelijk een adequate voorbereiding zijn op de eeuwigheid. Maar welk bewijs hebben we dat de beproeving van de ziel binnen zulke nauwe grenzen wordt beperkt? Waarom kan deze niet worden voortgezet, of herhaald, via een lange reeks opeenvolgende generaties waarbij dezelfde persoonlijkheid [individualiteit] de ene na de andere van een onbepaald aantal woningen van vlees bezielt, en de training die zij heeft ontvangen, het karakter dat zij heeft gevormd en de stemmingen en de neigingen waaraan zij heeft toegegeven in de bestaansfase die daaraan onmiddellijk voorafging, telkens aan de volgende overdraagt? . . .

Waarom zouden we het onaannemelijk vinden dat dezelfde ziel achtereenvolgens een onbepaald aantal sterfelijke lichamen zou bewonen, en op die manier haar ervaring en beproeving verlengt tot ze in ieder opzicht rijp is geworden voor de hemel of het laatste oordeel? Zelfs tijdens dit ene leven verandert ons lichaam voortdurend, hoewel dat gebeurt via een proces van afbraak en herstel dat zo geleidelijk verloopt dat we het niet merken. Iedere mens verblijft aldus achtereenvolgens in vele lichamen, zelfs tijdens één kort leven. . . .

Als iedere geboorte een daad van absolute schepping was, de introductie in het leven van een volkomen nieuw wezen, zouden we ons redelijkerwijs kunnen afvragen waarom verschillende zielen al vanaf het begin zulke uiteenlopende karaktertrekken laten zien. We starten niet allemaal even voorspoedig in de race die vóór ons ligt en daarom kan niet worden verwacht dat iedereen aan het eind van één korte sterfelijke pelgrimstocht hetzelfde doel bereikt en in gelijke mate geschikt is voor de zegeningen of bestraffingen van een onveranderlijke toestand in het hiernamaals. De eenvoudigste waarneming verzekert ons dat het ene kind wordt geboren met beperkte capaciteiten en misschien eigenzinnige neigingen, sterke hartstochten en een weerspannige aard, dat het ertoe neigt kwaad te doen, en dat deze dingen bijna zeker snel tot ontwikkeling zullen komen. Iemand anders daarentegen lijkt vanaf het begin met meer geluk begiftigd te zijn; hij is niet alleen beminnelijk, welwillend en vriendelijk, maar ook vlug van begrip en vroeg wijs, een kind waarvan men heel wat verwacht. De een lijkt een kwade kwelgeest, terwijl de andere al vroeg de belofte inhoudt van een Cowley of een Pascal. Ook de verschillen van uiterlijke omstandigheden zijn zo enorm en duidelijk aanwezig dat ze veel af schijnen te doen aan de verdienste van een goed geleefd leven en de schuld van zonde en misdaad. De een wordt gelukkig opgevoed in een christelijk gezin en onder zoveel beschermende invloeden dat het pad van deugd zich recht en open voor hem uitstrekt – inderdaad zo duidelijk dat zelfs een blinde dat pad veilig zou kunnen gaan; terwijl iemand anders geboren lijkt te zijn met een erfenis van ellende, blootstelling aan gevaar, en misdaad. De een wordt geboren in Centraal-Afrika, terwijl een ander in het hart van het welvarende Europa ter wereld komt. Hoe zit het dan met de eeuwige rechtvaardigheid? Hoe kunnen zulke vreselijke ongelijkheden in overeenstemming worden gebracht met de oneindige wijsheid en goedheid van God?

Als metempsychose [reïncarnatie] wordt opgenomen in het plan van het goddelijke bestuur van de wereld, verdwijnt deze moeilijkheid volkomen. Vanuit dit standpunt beschouwd wordt iedereen geboren in de toestand die hij door zijn eigen vroegere geschiedenis eerlijk heeft verdiend. Hij draagt de gewoonten en neigingen die hij heeft gevormd, de stemmingen waaraan hij heeft toegegeven, de hartstochten die hij niet in bedwang heeft gehouden, van het ene leven naar het andere met zich mee, maar heeft vrijwillig toegestaan dat deze hem naar zonde en misdaad leiden. . . .

Niets belet ons echter te geloven dat de beproeving van een ziel zich eindeloos uitstrekt over een groot aantal opeenvolgende levens op aarde, waarbij iedere opeenvolgende handeling in het hele levensverloop een vergelding of vergoeding is voor wat eraan voorafging. Want dit is de universele wet van het bestaan, of het nu de materie betreft of het denken. Alles verandert, niets sterft in de zin dat het wordt vernietigd. Wat wij de dood noemen is slechts het oplossen van een complex lichaam in zijn samenstellende delen, en niets dat werkelijk één en ondeelbaar is gaat in dat proces verloren of teniet. . . . De menselijke ziel die, zoals we weten op grond van de continuïteit van het bewustzijn, absoluut één en ondeelbaar is, gaat na het uiteenvallen van wat eens zijn woning was verder om een ander lichaam te bezielen. . . . We kunnen ons gemakkelijk indenken en geloven dat iedere persoon die nu leeft een nieuwe verschijningsvorm is van iemand die misschien eeuwen geleden onder een andere naam, in een ander land heeft geleefd, zij het misschien niet van dezelfde lijn van afstamming, en toch in zijn diepste wezen en essentiële karakter één en dezelfde met hem. Zijn omgeving is veranderd; de oude woning van vlees is afgebroken en herbouwd, maar de bewoner is nog dezelfde. Hij stamt af van een vroegere generatie en brengt met zich mee wat òf een hulp kan zijn òf een belemmering; namelijk het karakter en de neigingen die hij daar heeft gevormd en gekoesterd. En daarin ligt vergelding; hij is begonnen aan een nieuw stadium van beproeving en daarin moet hij nu leren waar het karakter dat hij daar heeft opgebouwd van nature toe leidt wanneer het op een nieuw en mogelijk ruimer toneel wordt beproefd. Als dit niet zo is, vertel me dan waarom mensen met zulke verschillende karakters en met zulke verdorven neigingen worden geboren. . . . Ze brengen geen herinnering van de gebeurtenissen van hun vorige leven met zich mee, omdat zo’n geheugen hen ongeschikt zou maken voor de nieuwe rol die ze moeten spelen. Maar ze zijn nog steeds dezelfde in hun principes en gedragingen, in de diepste drijfveren van hun handelen die de vergeten gebeurtenissen van hun vorige leven tot ontwikkeling hebben gebracht en versterkt. Ze zijn dezelfden op alle essentiële punten die hen in het verleden maakten tot een zegen of een vloek voor ieder met wie ze in onmiddellijk contact kwamen en door middel waarvan ze opnieuw een bron van wel of wee zullen worden voor hun omgeving. Natuurlijk kunnen deze ingeboren neigingen worden vergroot of bedwongen door de lessen van een nieuwe ervaring, door na te denken, en door het tot een gewoonte te maken om aan de waarschuwingen van het geweten aandacht te schenken of ze te negeren. Maar ze bestaan nog steeds als oorspronkelijke neigingen, en als zodanig moeten ze het opgaande of neerwaartse pad gemakkelijker en natuurlijker maken en het waarschijnlijker maken dat een doel wordt bereikt dat zover weg ligt en anders onbereikbaar zou zijn. . . .

Het lijkt niet gepast dat een korte periode van beproeving voldoende is om een eeuwigheid van beloning of straf te verdienen. Het is veel redelijker te geloven dat het toekomstige leven dat we volgens de lering kunnen verwachten, op het huidige leven zal lijken en in deze wereld zal worden doorgebracht, hoewel we de last of de zegen, die ons erfdeel is uit het verleden, daar naartoe met ons meedragen. Naast de spirituele betekenis van de leer van regeneratie, en afgezien van de nieuwe geboorte die ‘uit water en uit de geest’ is, ligt er mogelijk een letterlijke betekenis in de plechtige woorden van de Verlosser, ‘tenzij een mens opnieuw wordt geboren, kan hij het koninkrijk Gods niet beërven’.

Ds. William R. Alger (1822 – 1905), een unitaristische predikant en schrijver, wijdde de helft van zijn leven aan een groot boekdeel over onsterfelijkheid, getiteld A Critical History of the Doctrine of a Future Life dat wordt beschouwd als een standaardwerk over dat onderwerp. In de eerste editie, uitgegeven in 1860, karakteriseert de auteur reïncarnatie als een bedrieglijk overtuigende misvatting, niet waard om geloof aan te hechten. Hij vervolgde zijn studie over dit onderwerp nog vijftien jaar en in de laatste editie (1878) stond het uiteindelijke resultaat van zijn meest diepgaande onderzoekingen waarbij hij oprecht reïncarnatie onderschrijft en verdedigt:

Van alle doordachte en verfijnde vormen van het geloof in een toekomstig leven is er geen enkele die zo’n uitgebreide en langdurige invloed heeft gehad als deze [reïncarnatie]. Ze heeft de stem van de meerderheid, en is eeuwenlang aangehangen door de helft van de mensheid met een kracht van overtuiging die haar gelijke bijna niet kent. Wat op het eerste gezicht het meest opvallende feit is betreffende de leer van herhaalde incarnaties van de ziel, waarbij haar vorm en ervaring in iedere opeenvolgende belichaming wordt bepaald door haar verdiensten in de voorafgaande belichamingen, is inderdaad het voortdurende opnieuw verschijnen van dit geloof in alle delen van de wereld en de vaste greep die ze op bepaalde grote volkeren heeft. . . .

De gedachten die hierin [reïncarnatie] zijn belichaamd zijn zo prachtig en de methode ervan is zo rationeel, het gebied van overpeinzing waartoe ze het denken verheft is zo groots en de vooruitzichten die ze opent hebben zo’n universeel bereik en belang, dat de studie ervan ons volledig in harmonie brengt met het verheven terrein van de onsterfelijkheidsgedachte en van een kosmopolitische rechtvaardiging van de Voorzienigheid, onthuld aan ieders oog. Ze verheft ons uit de kleinheid van onze onbetekenende bezigheden en zelfzuchtige zaken en maakt het voor ons gemakkelijker te geloven in de meest grootse verwachtingen die de mensheid ooit heeft gekoesterd.

De industrieel en autofabrikant Henry Ford gaf zijn opvattingen over reïncarnatie in een interview met George Sylvester Viereck (The San Francisco Examiner, 26 augustus 1928):

Ik heb de theorie van reïncarnatie aangenomen toen ik zesentwintig was. . . .

De godsdienst bood in dit opzicht niets – althans ik kon het niet ontdekken. Zelfs het werk kon me geen volledige voldoening verschaffen. Werk is nutteloos als we de in een leven verzamelde ervaringen niet in het volgende kunnen gebruiken.

Toen ik reïncarnatie ontdekte was het alsof ik een universeel plan had gevonden. Ik besefte dat er kansen waren om mijn ideeën uit te werken. Tijd was niet langer beperkt. Ik was niet langer een slaaf van de wijzers van de klok. Er was tijd genoeg om plannen te maken en scheppende arbeid te verrichten.

De ontdekking van reïncarnatie schonk mijn denken rust. Ik was tot rust gekomen. Ik voelde dat er orde en vooruitgang waren in het levensmysterie. Ik zocht niet meer ergens anders naar een oplossing voor het levensraadsel.

Als u een verslag van dit gesprek maakt, schrijf het dan zo dat het denken van de mensen wordt gerustgesteld. Ik zou graag de rust die de langetermijnvisie ons geeft op anderen willen overbrengen.

We bewaren allemaal, al is het zwakjes, herinneringen aan vorige levens. We voelen vaak dat we een voorval of ervaring al eerder, in een vroeger bestaan, hebben meegemaakt. Maar dat is niet het voornaamste; de essentie, de kern, de gevolgen van ervaring zijn van waarde en blijven ons bij.

John Masefield (1878-1967), toneelschrijver en hofdichter van Engeland, drukt zijn gezichtspunten over reïncarnatie uit in een prachtig gedicht, getiteld ‘Een overtuiging’.

Ik beweer dat wanneer iemand sterft
Zijn ziel naar de aarde weerkeert;
Getooid in een nieuw omhulsel van vlees
Wordt hij uit een andere moeder geboren.
Met krachtiger ledematen en een helderder brein
Gaat de oude ziel opnieuw op weg.

Dit is mijn overtuiging en hoop;
Deze hand die de pen vasthoudt,
Is honderden keren stof geweest
En, als stof, tot stof teruggekeerd;
Deze ogen van mij knipperden en schitterden
In Thebe, in Troje, in Babylon.

Al wat ik oprecht denk en doe
Of maak, bederf, of zegen, of verpruts,
Is een vloek of zegen precies op maat
Van vroegere gemakzucht of inspanning.
Mijn leven is het relaas van een optelsom
Van het begaan en overwinnen van fouten.

Ik weet dat in mijn levens die komen
Mijn bedroefde hart zal branden en pijn doen,
En aanbidden, vergeefs,
De vrouw die ik telkens afwees,
En zal beven als ik een ander zie ontvangen
De liefde die ik afwees, de liefde die ze gaf.

En ik zal leren kennen, door boze woorden,
Door spot en hoon en vele tranen,
Een azende zwerm terugkerende vogels,
De spot en minachting die ik zelf uitsprak.
De moedige woorden die ik verzuimde te spreken
Zullen me als lafaard brandmerken op mijn wang.

En terwijl ik over de wegen zwerf
Word ik geholpen en genezen en gezegend;
Liefdevolle woorden zullen bemoedigen en stimuleren
Om op te klimmen naar onvermoede hoogten,
Mijn weg zal de weg zijn die ik heb gemaakt;
Al wat ik gaf wordt terugbetaald.

Zo zal ik vechten, zo zal ik gaan,
In deze lange strijd onder de sterren;
Nu eens zal een gloed mijn hoofd omringen,
Dan weer zal ik verzwakken, lidtekens vertonen,
Tot dit omhulsel, deze hinderlijke vorm,
Geheel tot koninklijk goud is omgesmeed.


Het levensraadsel , blz. 136-157

© 2002  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag