Reïncarnatie (vervolg)
Reïncarnatie door de
eeuwen heen
Een oude en wijdverbreide
leer
Reïncarnatie in de religies van
India
Reïncarnatie in de bijbel
Reïncarnatie in de vroegchristelijke
periode
Reïncarnatie als ketters veroordeeld
Anderen die in reïncarnatie geloven
Reïncarnatie door de eeuwen
heen
Een oude en wijdverbreide leer
Een studie van de religies en filosofieën van de mensheid door
de eeuwen heen vanaf het verste verleden zal aantonen dat reïncarnatie
een van de oudste en meest wijdverbreide leringen in de wereld is.
Vroegere verwijzingen naar reïncarnatie missen de details die
men in de theosofische literatuur aantreft, want die informatie werd
in het verleden niet openlijk bekendgemaakt.
In een aantal gevallen werden slechts gedeelten van de leer aangeboden,
terwijl andere werden weggelaten. Zo weiden sommige schrijvers vrijwel
uitsluitend uit over het voorbestaan zonder te spreken over de fasen
van de leer die het bestaan na de dood betreffen. De leer verschijnt
misschien niet altijd in haar ware gedaante, maar over de hele wereld
is zij in de een of andere vorm bekend geweest en kan ook nu nog in
vele landen worden gevonden.
Reïncarnatie in de religies van
India
Het brahmanisme en het boeddhisme, met honderden miljoenen aanhangers
in Azië, leren beide de wedergeboorte van de menselijke ziel.
In de Bhagavad Gita, India’s meest algemeen gelezen
en geliefde boek van devotie, richt de innerlijke god van de mens, weergegeven
door de godheid Krishna, zich met de volgende woorden tot de menselijke
ziel:
Nooit was ikzelf niet, noch jij, noch al de vorsten
van de aarde; noch zullen wij hierna ooit ophouden te bestaan. Zoals
de heer van dit sterfelijke omhulsel daarin zijn kindertijd, jeugd
en ouderdom ervaart, zo zal hij die in toekomstige incarnaties opnieuw
ervaren. Iemand die standvastig is in deze overtuiging wordt niet
verstoord door wat er ook zal gebeuren. . . .
Men zegt dat deze eindige lichamen die de ziel die
daarin woont omhullen, Hem toebehoren, de eeuwige, de onvergankelijke,
onbewijsbare geest, die zich in het lichaam bevindt. . . . Deze geest
doodt niet, en wordt niet gedood. . . . Hij wordt niet gedood wanneer
dit sterfelijke omhulsel wordt vernietigd. . . .
Zoals een mens zijn oude kleding weggooit en nieuwe
aantrekt, zo gaat de bewoner van het lichaam, nadat hij zijn oude
sterfelijke omhulsel heeft achtergelaten, andere binnen die nieuw
zijn. . . . De dood staat vast voor alle dingen die zijn geboren,
en wedergeboorte voor allen die sterfelijk zijn. . . .
Ik zowel als jij zijn door vele geboorten heengegaan.
. . . De mijne zijn mij bekend, maar jij kent de jouwe niet.
De mens bij wie de toewijding wordt onderbroken door de dood gaat
naar het gebied van de rechtvaardigen [de gelukzalige droomtoestand
tussen de incarnaties], waar hij een enorm aantal jaren verblijft
en dan op aarde opnieuw wordt geboren in een rein en gelukkig gezin.
. . .
Het is inderdaad een deel van mijzelf dat, nadat
het in deze wereld van voorwaardelijk bestaan een leven heeft aangenomen,
de vijf zintuigen en het denkvermogen bijeenbrengt opdat het een lichaam
zal verkrijgen en dat weer verlaten. En die worden door de allerhoogste
Heer meegevoerd naar en van ieder lichaam dat hij binnengaat of verlaat,
zoals de wind de geur van een bloem met zich meedraagt.
Reïncarnatie in de
bijbel
Reïncarnatie wordt in de bijbel niet als een specifieke lering
gepresenteerd, maar we vinden een aantal uitspraken die betrekking hebben
op voorbestaan en de wedergeboorte van individuele mensen, die aantonen
dat de schrijvers die leer aanvaardden. Een aantal ervan volgt hierna:
In Spreuken 8:22-31 zegt Salomo dat hij zelfs vóór
de schepping van de aarde bestond, en dat zijn vreugde met de mensenkinderen
was, en in de bewoonbare delen van de aarde; met andere woorden, hij
moet in die vroege periode als mens geboren zijn geweest, en daar hij
nu, op het moment van het schrijven van zijn Spreuken als Salomo
spreekt, bevindt hij zich weer in menselijke vorm. Dit is reïncarnatie.
De tekst verwijst niet naar herhaalde geboorten in de toekomst, maar
sluit dit idee niet uit.
In Jeremia 1:5 zegt de Heer, wanneer hij zich richt tot de
profeet: ‘Eer Ik u vormde in de moederschoot, heb Ik u gekend,
en eer u voortkwam uit de baarmoeder, heb Ik u geheiligd; tot een profeet
voor de volkeren heb Ik u gesteld.’
Dit impliceert het voorbestaan van Jeremia.
In Jeremia 30:9, Ezechiël 34:23 en 37:24 vindt
men uitspraken dat David zal worden ‘verwekt’ en opnieuw
koning of herder zal worden voor zijn volk. David was langgeleden gestorven:
‘verwekt’ te worden betekent duidelijk dat dezelfde ziel
opnieuw zou worden geboren, zoals deze in een vroegere incarnatie geboren
was geweest in een lichaam met de naam ‘David’.
We vinden het volgende in Maleachi 4:5: ‘Zie, Ik zend
u de profeet Elia, voordat de grote en gevreesde dag des Heren komt.’
Dit is een duidelijke verwijzing naar voorbestaan en wedergeboorte;
Elia, een profeet van wie men weet dat hij in het verleden heeft geleefd,
wordt verwacht terug te komen in de toekomst. Er wordt niets gezegd
over herhaalde wederkomsten, maar het is duidelijk dat als Elia in het
verleden leefde en hier op aarde opnieuw werd geboren en zijn leven
leefde en na verloop van tijd stierf, er geen reden is waarom hij niet
nogmaals zou kunnen terugkeren vanuit zijn nieuwe postmortale toestand,
en dat proces tot in het oneindige zou kunnen herhalen.
In Johannes 9:1-2 vinden we de volgende verwijzingen naar
voorbestaan: ‘En voorbijgaande zag Hij [Jezus] een man, die sinds
zijn geboorte blind was. En zijn discipelen vroegen Hem en zeiden: Rabbi,
wie heeft gezondigd, deze of zijn ouders, dat hij blind is geboren?’
De vorm waarin de vraag is gesteld, toont aan dat voorbestaan als vanzelfsprekend
wordt aangenomen door de discipelen, en door het idee in zijn antwoord
niet te verwerpen geeft Jezus ervan blijk dat het voor hem acceptabel
was.
‘Jezus vroeg aan zijn discipelen: Wie zeggen de mensen dat Ik
ben? Zij antwoordden en zeiden: Johannes de Doper, anderen: Elia, weer
anderen, dat een van de oude profeten is opgestaan’ (Lucas,
9:18-19).
Van iemand die nu leeft wordt hier gezegd dat hij een incarnatie is
van iemand waarvan bekend is dat hij in het verleden heeft bestaan.
Het antwoord op de vraag is op zichzelf een aanvaarding van voorbestaan,
gevolgd door reïncarnatie, en omdat dit Jezus niet schokt of verrast,
moet het idee voor hem aannemelijk hebben geklonken, en in feite toont
de terloopse manier waarop met het idee wordt omgegaan aan dat het voor
zowel Jezus als zijn discipelen vanzelfsprekend moet zijn geweest.
Overigens laat dit citaat zien dat de termen ‘verwekt’
of ‘opgestaan’ die ook elders in de bijbel in vergelijkbare
gevallen worden gebruikt duiden op reïncarnatie van het individu.
De joden geloofden, gebaseerd op oude profetieën, dat het verschijnen
van hun Messias zou worden voorafgegaan door de terugkeer van
de profeet Elia, en wat betekent ‘terugkeer’ anders dan
wedergeboorte in een menselijk lichaam?
Als Jezus naar oude profetieën verwijst en over Johannes de Doper
spreekt, zegt hij:
Deze is het, van wie geschreven staat: Zie, Ik zend
mijn boodschapper voor uw aangezicht uit, die uw weg voor u zal bereiden.
Voorwaar, Ik zeg u, onder hen, die uit vrouwen zijn
geboren, is er niemand opgestaan groter dan Johannes de Doper. . .
.
En indien u het wilt aanvaarden: Hij is Elia, die
komen zou.
– Mattheus 11:10-14
En hoe ‘kwam’ Elia? Hij kwam door te worden wedergeboren.
Nadat Johannes de Doper was onthoofd en zijn discipelen niet in staat
waren gebleken in hem Elia, die aan de komst van Christus zou voorafgaan,
te herkennen, vroegen ze Jezus:
Hoe kunnen dan de schriftgeleerden zeggen dat Elia
eerst moet komen? Hij antwoordde en zei: Elia zal inderdaad komen
en alles herstellen, maar Ik zeg u, dat Elia reeds is gekomen, en
zij hebben hem niet [h]erkend, maar met hem gedaan al wat zij wilden.
. . .
Toen begrepen de discipelen, dat Hij tot hen over
Johannes de Doper had gesproken. – Mattheus
17:10-13
In dit citaat en het eraan voorafgaande zien we dat Jezus zelf in ondubbelzinnige
woorden stelt dat de ziel van Johannes de Doper dezelfde was als die
van Elia. Deze bewering is volkomen in overeenstemming met de reïncarnatieleer.
Jezus vestigt de aandacht op een gebeurtenis die nooit zou hebben kunnen
plaatsvinden tenzij reïncarnatie een feit is. Hij onderwijst niet
de volledige leer, want dat is niet zijn bedoeling; hij laat alleen
zien hoe de leer in een specifiek geval van toepassing is.
Het feit dat in de bijbel reïncarnatie als vanzelfsprekend wordt
aangenomen en niet als een specifieke leer wordt onderwezen, hoeft ons
niet te verbazen wanneer we bedenken dat al eeuwen voordat Christus
op aarde leefde deze lering overal bekend was en door de volkeren rondom
de Middellandse Zee algemeen werd aangenomen.
Verschillende religieuze sekten en filosofische scholen in deze landen
waren gebaseerd op of beïnvloed door de mysteriescholen. Deze waren
op hun beurt gebaseerd op de orfische en pythagorische leringen, waarvan
die van reïncarnatie er één was.
Onder de joden geloofde de grootste en meest invloedrijke sekte, de
Farizeeën, in reïncarnatie. De joodse generaal Flavius Josephus
(37-98 n.Chr.), die tevens een priesterlijke functionaris en historicus
van zijn volk was, was zelf een farizeeër. In een van zijn werken,
De joodse oudheden, boek XVIII, hfst. 1, par. 3, 4, schrijft hij:
Zij [de Farizeeën] geloven dat de ziel een onsterfelijke
macht in zich heeft en dat er in het onderaardse beloningen of straffen
zullen zijn al naar gelang de mensen in dit leven deugdzaam of slecht
hebben geleefd; laatstgenoemde zielen zullen eeuwigdurend gevangen
worden gehouden, maar de eersten zullen het vermogen hebben opnieuw
te leven. Door deze leerstellingen oefenen ze grote invloed uit op
de mensen; al hun godsdienstoefeningen, gebeden of offerandes worden
volgens die richtlijnen uitgevoerd. Op grond van hun voortdurend in
praktijk brengen van deugden, zowel in hun dagelijkse handelen als
in gesprekken, leggen de steden zo’n uitmuntende getuigenis
over hen af.
– naar Eng. vert. Whiston
In een van zijn andere werken, getiteld De joodse oorlog,
boek III, hfst. 8, par. 5, schrijft hij:
Weten jullie niet dat zij eeuwige roem oogsten die
volgens de natuurwet uit dit leven vertrekken. . . . en dat hun ziel
zuiver en gehoorzaam is en zij de heiligste plaats in de hemel krijgen,
vanwaar ze in de wenteling van eeuwen opnieuw in een rein lichaam
worden gezonden.
Een andere joodse sekte, de Essenen, geloofde eveneens in reïncarnatie.
We geven geen gedetailleerde verklaring van een onderwerp dat algemeen
bekend is of als vanzelfsprekend wordt beschouwd zoals de draaiing van
de aarde waardoor dag en nacht wordt veroorzaakt, als zo’n onderwerp
ter sprake komt; en als in de tijd van Jezus een leer zoals die betreffende
wedergeboorte zo algemeen bekend en geaccepteerd was, moeten we niet
van hem verwachten dat hij gedetailleerd daarop ingaat. De terloopse
alledaagse manier waarop het onderwerp wordt behandeld, geeft eerder
aan dat deze als iets vanzelfsprekends werd beschouwd dan dat er ook
maar enige twijfel over bestond.
Reïncarnatie in de
vroegchristelijke periode
Tijdens de eerste eeuwen van het christelijke tijdperk was er nog weinig
sprake van een gevestigde kerkelijke organisatie, maar de leringen werden
bewaard en uitgewerkt door de volgelingen van de apostelen. De leiders
onder hen, zij die het meest ontwikkeld waren en het meeste werden gerespecteerd,
waren de zogenaamde ‘kerkvaders’. Tot de bekendsten onder
hen behoorden Clemens van Alexandrië, Origenes en Synesius. Volgens
De Geheime Leer van H.P. Blavatsky (1:28) waren al deze mannen
ingewijd in de mysteriën en moeten daarom heel goed bekend zijn
geweest met de leringen over preëxistentie en reïncarnatie,
een feit dat duidelijk blijkt uit hun geschriften.
Clemens (ca. 150-220 n.Chr.), die terecht door de christelijke kerk
heilig werd verklaard, laat zien dat hij in preëxistentie geloofde
als hij in hoofdstuk 1 van zijn ‘Aansporing aan de heiden
(tot bekering)’ schrijft: ‘Maar vóór
het tot stand brengen van de wereld waren wij er, want omdat we bestemd
zijn in Hem te zijn, bestonden we tevoren in de ogen van God.’
Origenes (186-254 n.Chr.), leerling van St. Clemens en Ammonius Saccas,
de stichter van de neoplatonische school, wordt beschouwd als een van
de grootste christelijke geleerden en denkers. Eén citaat uit
zijn geschriften, dat aantoont dat hij het idee van transmigratie in
dieren verwierp, werd hiervoor al gegeven. Andere citaten die laten
zien dat hij de leringen over preëxistentie en reïncarnatie
accepteerde, volgen hier:
[Z]ij die beweren dat alles in de wereld onder leiding
van de goddelijke voorzienigheid staat (wat ook wij geloven), kunnen
om aan te tonen dat bij het goddelijke bestuur niet de geringste onrechtvaardigheid
berust, volgens mij geen ander antwoord geven dan te geloven dat er
bepaalde oorzaken uit een vorig bestaan waren waardoor de zielen vóór
hun geboorte in het lichaam een zekere hoeveelheid schuld in hun gevoelsnatuur
of door hun activiteiten hebben opgedaan, op grond waarvan ze door
de goddelijke voorzienigheid waardig zijn bevonden in deze toestand
te worden geplaatst.
– Origenes, De principiis [Over
eerste beginselen], boek III, hfst. 3, afd. 5
In dit citaat behandelt Origenes het eeuwenoude probleem van onrechtvaardigheid
en wijst erop dat de leer van preëxistentie de enige verklaring
is die het goddelijke bestuur kan ontdoen van het stigma van onrechtvaardigheid.
In boek IV, hfst. 1, afd. 23 van hetzelfde werk schrijft Origenes:
Van hen die naar de aarde afdalen is ieder dus volgens
zijn verdiensten of overeenkomstig de plaats die hij daar innam, bestemd
in deze wereld te worden geboren, in een ander land, of bij een ander
volk, of in andere levensomstandigheden, of omringd door ongemak van
een andere soort, of bij religieuze ouders of bij ouders die niet
religieus zijn; zodat het kan gebeuren dat een Israëliet afdaalt
bij de Scythen, en een arme Egyptenaar terechtkomt in Judea.
Hoewel deze opmerkingen de nadruk leggen op preëxistentie is het
gemakkelijk te zien dat zij reïncarnatie omvatten, zelfs al wordt
dit niet met name genoemd. Als een ‘Egyptenaar wordt geboren in
Judea’ betekent dit dat de Egyptenaar stierf en de ziel later
werd geïncarneerd in het lichaam van iemand uit Judea. En hoe ontstond
de Egyptenaar? Was hij niet een incarnatie van een eerder levend individu,
dat misschien tot een ander volk behoorde? En was dit vroegere individu
niet de incarnatie van iemand die nog eerder leefde, enz.? En als deze
keten zich onbeperkt in het verleden uitstrekt, betekent dit dan niet
dat deze zich ook onbeperkt in de toekomst moet uitstrekken? Waarom
zou men moeten aannemen dat de man uit Judea het einde van de keten
was? Als hij sterft, moet zijn ziel dan niet een nieuwe belichaming
zoeken?
Synesius, de christelijke bisschop die in de 4de en 5de eeuw leefde
was een neoplatonist, en de neoplatonisten onderwezen reïncarnatie.
E.D. Walker zegt in zijn Reincarnation (blz. 214) dat van
Synesius bekend is ‘dat toen de burgers van Ptolemais hem in hun
bisdom uitnodigden, hij voor de eer bedankte met als reden dat hij bepaalde
opvattingen huldigde waarmee zij het misschien niet eens zouden zijn
want deze hadden na diep nadenken stevig wortelgeschoten in zijn geest.
Als belangrijkste daarvan noemde hij de preëxistentieleer.’
We zien dus dat tot aan de 5de eeuw n.Chr. de leringen over preexistentie
en reïncarnatie bekend waren aan en geaccepteerd en openlijk onderwezen
werden door het hoogste kerkelijke gezag, en als deze kerkleiders die
leringen accepteerden mogen we aannemen dat ook hun volgelingen die
accepteerden.
Reïncarnatie als
ketters veroordeeld
De vraag doet zich nu voor: Als deze leringen in de eerste eeuwen van
de christelijke jaartelling zo algemeen werden geaccepteerd, waardoor
zijn ze dan later verdwenen?
Het is mogelijk dat de kerkvaders de reïncarnatieleer te moeilijk
vonden om aan de menigte uit te leggen. Het is ook mogelijk dat het
veel voorkomende misverstand over transmigratie in dieren, dat zo vaak
in verband werd gebracht met reïncarnatie, zelf bijdroeg aan het
in diskrediet brengen van de ware leer, en dat om deze redenen de latere
kerkvaders de leer introduceerden dat er voor ieder individu bij zijn
geboorte een nieuwe ziel werd geschapen.
Naarmate dit idee meer algemeen werd aangenomen, werd de oude lering
geleidelijk op de achtergrond geschoven en werd steeds meer in het geheim
onderwezen, als dat al gebeurde.
Zelfs nadat men haar als officiële kerkelijke leer had laten vallen,
bleef het oude idee echter nog hangen en behield een groot aantal aanhangers.
Lange tijd bestonden de twee leringen gelijktijdig, maar omdat ze elkaar
wederzijds uitsloten, moest iets worden gedaan om de oudere lering die
men nu als ketters beschouwde, de kop in te drukken.
Een vergadering van kerkleiders werd vervolgens bijeengeroepen om een
oordeel te vellen over deze leer zoals die werd onderwezen door Origenes,
en ook over een aantal van zijn andere leringen die eveneens als ketters
werden beschouwd. Deze bijeenkomst of Nationale Synode zoals deze werd
genoemd, werd omstreeks het jaar 538 in Constantinopel gehouden onder
leiding van patriarch Mennas. Vijftien specifieke leringen van Origenes
werden ter discussie gesteld en deze werden allemaal, na veel verhitte
discussie formeel veroordeeld en anathema verklaard. De leringen die
naar preëxistentie verwezen volgen hieronder.
Origenes’ leringen kwamen erop neer:*
*Uit een samenvatting van G. de Purucker in De Esoterische
Traditie, blz. 22-3.
1) Dat de ziel vóór het huidige aardse leven bestaat;
en uiteindelijk terugkeert in haar oorspronkelijke geestelijke aard
en staat.
4) Dat de mens nu als vergelding of straf een stoffelijk of fysiek
lichaam heeft als gevolg van verkeerd handelen, na het verzinken van
de ziel in de stof.
5) Dat deze geestelijke wezens zoals ze voorheen in de stof afdaalden
uiteindelijk kunnen en zullen herrijzen tot hun vroegere spirituele
staat.
13) Dat de ziel van Christus, evenals de zielen van alle andere mensen,
een voorbestaan had; en dat Christus wat betreft zijn vermogen en zijn
wezen van dezelfde soort is als alle andere mensen.
Na de veroordeling van deze leringen van Origenes door het kerkelijke
gezag, konden preëxistentie en reïncarnatie niet langer als
deel van de kerkelijke leringen worden onderwezen of getolereerd. Is
het in het licht daarvan dan niet aannemelijk dat de kerkelijke literatuur
aan een nieuw onderzoek zou worden onderworpen en dat elke verwijzing
naar deze leringen zou worden uitgeroeid? Zou het daarom niet mogelijk
zijn dat de eerdere geschriften zoals de evangeliën misschien meer
directe verwijzingen naar preëxistentie en reïncarnatie hebben
bevat dan er nu in voorkomen?
Het Griekse origineel van Origenes’ grote werk De principiis
[Over eerste beginselen] waarin de meeste van zijn verwijzingen naar
reïncarnatie worden gevonden, is niet langer beschikbaar, maar
er bestaat een Latijnse vertaling van. In het voorwoord van deze vertaling
door de Latijnse theoloog Tyrannius Rufinus (345 – 410) verwijst
deze naar eerdere vertalers van de geschriften van Origenes en hun gewoonte
om veranderingen aan te brengen ten opzichte van het Griekse origineel,
waar dit niet strookte met de toen heersende christelijke opvattingen.
Rufinus zegt dan dat hij dezelfde methode heeft gevolgd, waarbij de
vertaler als hij zogenaamde ‘struikelblokken’ in het oorspronkelijke
Grieks tegenkwam ‘deze in zijn vertaling zo gladstreek en corrigeerde
dat een lezer van het Latijn niets zou tegenkomen dat in strijd zou
zijn met ons christelijke geloof’ (geciteerd in De Esoterische
Traditie, blz. 347).
Als we ons realiseren dat in Rufinus’ tijd de kerkelijke autoriteiten
de leringen van preëxistentie en reïncarnatie met afkeuring
begonnen te bekijken, is het dan niet waarschijnlijk dat deze leringen
eruit zouden worden gepikt als precies dat soort ‘struikelblokken’
waarnaar Rufinus verwijst en dat ze daarom werden onderworpen aan Rufinus’
methode van ‘gladstrijken en corrigeren’?
Zelfs de Latijnse vertaling zoals zij is, laat weinig twijfel over
Origenes’ geloof in wedergeboorte, maar Rufinus’ eigen bekentenis
doet ons vermoeden dat als het Griekse origineel beschikbaar was, we
daarin mogelijk nog explicietere en sterkere verwijzingen naar het onderwerp
zouden kunnen vinden.
Is niet de hele procedure aanvechtbaar, waarbij een groep studenten,
die naar we mogen aannemen volgelingen van Jezus waren en in het kader
van de anathema’s van de Nationale Synode de taak op zich hadden
genomen een leer te veroordelen die absoluut door hem werd bevestigd,
en is deze werkwijze niet vatbaar voor kritiek?
In Mattheus 11:10-14 en 17:10-13 waarnaar hierboven werd verwezen,
maakt Jezus zelf gebruik van de leringen van preëxistentie en wedergeboorte
om voor zijn discipelen het één-zijn van Johannes de Doper
en Elia te verklaren. Jezus toont daarmee dat hij deze leringen kent;
in plaats van ze als onjuist te veroordelen, geeft hij, door ze te gebruiken,
aan dat hij ze onderschrijft.
Daarnaast hebben we de getuigenis van de vroegste kerkvaders waaruit
blijkt dat deze leringen in de eerste eeuwen van onze jaartelling nog
circuleerden in de kerk.
Dan, 500 jaar na de dood van hun leraar, vinden we een groep zogenaamde
volgelingen van hem die deze leringen, die hun leraar had onderschreven,
veroordelen.
Hier is sprake van denkbeelden die direct met elkaar in strijd zijn.
Als Jezus gelijk had, had de Nationale Synode ongelijk, en omgekeerd.
Wie was in de beste positie om het te weten, Jezus of de latere kerkelijke
autoriteiten?
Als de uitspraken van Jezus door zijn volgelingen worden geaccepteerd
als afkomstig van de Zoon van God, hoe kunnen deze zelfde volgelingen
dan een van die uitspraken uitkiezen en deze als onjuist veroordelen?
Is dit niet een geval waarin de leerlingen hun leraar willen verbeteren?
De kerkvaders hadden kunnen protesteren tegen het verkeerde idee van
transmigratie in dieren dat onder de onontwikkelden zo algemeen was
verbreid, want dit was een leer die Jezus nooit had gesteund en die
nergens in de bijbel is te vinden. Als zij dit wel hadden gedaan, zouden
zij zeer te prijzen zijn geweest voor het verwijderen van een wijdverbreid
misverstand. Maar toen ze zover gingen de ware leer met de valse te
verwerpen, gooiden ze het kind met het badwater weg.
Hebben wij het recht een deel van Jezus’ leringen te accepteren
en andere te verwerpen? En als we al zijn leringen accepteren, moeten
we ook reïncarnatie accepteren, want dat is er één
van.
Anderen die in reïncarnatie
geloven
Andere religies, filosofieën, sekten en volkeren die reïncarnatie
in een of andere vorm hebben onderwezen zijn onder meer:
Het taoïsme in China.
De mysteriën die in de tempels van Egypte werden onderwezen.
De hermetische filosofie.
De leer van Zarathoestra of Ahura Mazda.
De orfische religie.
De pythagorische filosofie.
De mysteriescholen van Griekenland en Klein-Azië.
Platonisme.
De joodse kabbala.
De talmoed.
De Farizeeën en Essenen.
De vroegchristelijke kerk.
Neoplatonisme.
De Amerikaanse indianen en de eskimo’s.
West-Afrikanen.
Australische aboriginals.
Naast de stichters of hoofden van de verschillende groepen waarnaar
hier wordt verwezen en die natuurlijk in reïncarnatie geloofden,
zijn er een aantal individuele personen die door wat ze hebben geschreven,
aangeven dat ze het eens zijn met het idee. Onder hen vinden we de volgende
namen:
Patanjali
Ovidius
Lucretius
Flavius Josephus
Hierocles
Dr. Henry More
Lessing
Fichte
Kapila
Cicero
Vergilius
Philo Judaeus
Andre Pezzani
Victor Hugo
Prof. Francis Bowen
James R. Lowell
Walt Whitman
William R. Alger
Thomas Bailey Aldrich
Jack London
Rudyard Kipling
John Masefield
Wordsworth
Jean Reynaud
Bulwer Lytton
Emerson |
Plotinus
Rabbi Manasseh
David Hume
Herder
Napoleon
Goethe
Shelley
Honoré de Balzac
Schopenhauer
Jean B.F. Obry
Carlyle
Longfellow
Rosetti
Richard Wagner
James Freeman Clarke
Prof. Frederick H. Hedge
Tennyson
Whittier
Sir Edwin Arnold
William Sharp
Prof. William Knight
Ella Wheeler Wilcox
Sir H. Rider Haggard
George Russell (Æ)
Henry Ford
Sir Humphrey Davy |
Aan deze lijst kunnen nog meer namen worden toegevoegd, maar dit moet
voldoende zijn om de ouderdom en het wijdverbreide voorkomen van de
leer aan te tonen, en ook de aantrekkingskracht die de leer op filosofen,
schrijvers en dichters tot in onze tijd heeft.
Het feit dat een bepaalde groep of bepaalde individuele mensen de leer
aanvaarden is op zichzelf geen bewijs dat de leer waar is. En het feit
dat een andere groep of andere individuele personen deze verwerpen is
geen bewijs dat ze onwaar is. Maar als we in een van die groepen een
aantal van de grootste filosofen en religieuze leraren die de wereld
heeft gekend aantreffen, en ook een aantal minder grote maar toch algemeen
bekende denkers, is dat dan geen aanwijzing dat hier sprake is van een
onderwerp dat niet zomaar kan worden opzijgeschoven? We accepteren hun
ideeën over andere zaken, waar ze beroemd om zijn; waarom zouden
we hun mening over reïncarnatie dan negeren?
Citaten die de opvattingen over reïncarnatie van de hierboven
genoemde groepen of individuen weergeven zijn beschikbaar. Om deze allemaal
aan u voor te leggen zou een klein boekdeel vergen, en daarom geven
we nu slechts een paar van die citaten. Veel van het nu volgende komt
uit E.D. Walkers’ Reincarnation, uitgave 1923.
De joodse theoloog en kabbalist, rabbi Manasseh Ben Israel (1604 –
1657), opperrabbijn aan de synagoge van Amsterdam, schrijft in Nismath
Hayem:
Het geloof of de leer van transmigratie van zielen
[d.w.z. reïncarnatie] is een vast en onveranderlijk
dogma dat eenstemmig wordt geaccepteerd door onze hele kerkgemeenschap,
zodat er niemand is te vinden die het zou durven ontkennen. . . .
Er is inderdaad een groot aantal wijzen in Israël die vast overtuigd
zijn van deze leer, zodanig dat zij het tot een dogma hebben gemaakt,
een principieel punt van onze religie. Wij zijn daarom verplicht ons
daardoor te laten leiden en dit dogma toe te juichen . . . omdat de
waarheid ervan onbetwistbaar wordt bewezen door de Zohar en alle boeken
van de kabbalisten.
De Duitse filosoof Schopenhauer (1788 – 1860) schrijft in zijn
Die Welt als Wille und Vorstellung:
Wat slaap voor het individu is, is dood voor de wil
[het ego]. Hij zou het niet een eeuwigheid lang kunnen uithouden om
dezelfde handelingen en hetzelfde lijden te verdragen zonder daar
werkelijk iets aan te hebben als de herinnering en individualiteit
met hem verbonden bleven. Hij werpt ze af en dit is Lethe [de rivier
van vergetelheid]; en door deze slaap van de dood verschijnt hij opnieuw,
verfrist en toegerust met een ander intellect, als een nieuw wezen.
. . .
Deze voortdurende nieuwe geboorten vormen dus de
opvolging van levensdromen van een wil [ego] die op zichzelf onvernietigbaar
is. . . .
Als Schopenhauer J.B.F. Obry, een Franse autoriteit op het gebied van
het hindoeïsme, citeert, spreekt hij ook voor zichzelf:
De diepe overtuiging van de onvernietigbaarheid van
onze natuur tot voorbij de dood, die iedereen in het diepst van zijn
hart draagt, hangt volledig af van het bewustzijn van de oorspronkelijke
en eeuwige aard van ons wezen.
We ontdekken dat de leer van metempsychose [d.i.
reïncarnatie] stamt uit de vroegste en meest grootse tijdperken
van het menselijk ras en dat zij altijd over de aarde verspreid is
geweest als het geloof van de grote meerderheid van de mensheid; nee,
werkelijk als de lering van alle religies, met uitzondering van die
van de joden en de twee die daaruit zijn voortgekomen; in haar meest
subtiele vorm komt ze echter in het boeddhisme het dichtst bij de
waarheid.
Over de universaliteit van het geloof in metempsychose
zegt Obry terecht in zijn voortreffelijke boek Du Nirvana Indien,
blz. 13: ‘Dit oude geloof kwam overal op de wereld voor en was
in de verre oudheid zo verbreid dat een geleerde Engelse geestelijke
verklaarde dat het vaderloos, moederloos en zonder afstamming was.’
Metempsychose werd al onderwezen in de veda’s, zoals in alle
heilige boeken van India, en het is algemeen bekend dat ze de kern
vormt van het brahmanisme en het boeddhisme. Ze geldt tegenwoordig
in heel niet-islamitisch Azië, dat wil zeggen bij meer dan de
helft van de mensheid, dan ook als een rotsvaste overtuiging en heeft
een ongelooflijk sterke invloed op het dagelijks leven. Ze was ook
het geloof van de Egyptenaren, en van hen werd ze enthousiast ontvangen
door Orpheus, Pythagoras en Plato. Maar vooral de pythagoreeërs
hielden eraan vast. Dat het ook werd onderwezen in de mysteriën
van de Grieken volgt onmiskenbaar uit het 9de boek van Plato’s
Wetten. Ook in de Edda, in het bijzonder in de Voluspa,
wordt metempsychose onderwezen. Niet minder was ze het fundament van
de religie van de druïden. Zelfs een islamitische sekte in India,
de Bohrahs, waarvan Colebrooke volledig verslag doet in Asiatic
Researches, gelooft in metempsychose en onthoudt zich dienovereenkomstig
van elk dierlijk voedsel. Ook onder Amerikaanse indianen en negers,
ja zelfs onder de oorspronkelijke bewoners van Australië vindt
men sporen van dit geloof.
Ralph Waldo Emerson (1803 – 1882), de Amerikaanse filosoof en
essayist, schrijft in Representative Men:
Voor de ziel die vele keren is geboren of zoals de
hindoes zeggen, ‘het pad van het bestaan door duizenden geboorten
heeft bereisd’, en die de dingen heeft gezien die hier, die
in de hemel, en die hieronder zijn, is er niets waarvan zij geen kennis
heeft vergaard; geen wonder dat ze zich kan herinneren, . . . wat
ze vroeger wist. . . . Want onderzoek en geleerdheid is allemaal herinnering.
In zijn essay The Oversoul zegt hij: ‘Het kind komt
volgroeid ter wereld, wat een vroegere ontwikkeling door vorige levens
veronderstelt.’ In Experience zegt hij: ‘We worden
wakker en bevinden ons op een trap. Er zijn treden onder ons waarlangs
we kennelijk omhoog zijn gekomen; en er zijn treden boven ons, vele,
die naar boven leiden, verder dan wij kunnen zien.’
Emerson zegt ook in Immortality: ‘We moeten onze bestemming
opmaken uit de voorbereiding. We worden door ons instinct gedreven ontelbare
ervaringen te ondergaan die van geen zichtbare waarde zijn en we doorlopen
misschien een cyclus van vele levens voor we deze hebben verwerkt of
uitgeput.’
In het tijdschrift van Charles Emerson schreef zijn broer Ralph Waldo
het volgende:
De reden waarom Homerus voor mij is als een bedauwde
ochtend, is omdat ook ik leefde toen Troje bestond en in de holle
schepen van de Hellenisten voer . . . mijn ziel gaf leven aan het
lichaam van een naamloze inwoner van Argos. . . . We vergeten dat
we door de slaapverwekkende beker van het heden zijn bedwelmd.
In Ways of the Spirit and other Essays, door de unitaristische
geestelijke en schrijver Frederick Henry Hedge (1805 – 1890) wordt
in hoofdstuk 12 over ‘de menselijke ziel’ sterk gepleit
voor reïncarnatie.
Als we terugkijken in onze herinneringen vinden we
geen begin van het bestaan. Wie van ons weet iets, behalve door verhalen
van anderen, van de eerste twee jaar van zijn leven op aarde? Niemand
herinnert zich het moment toen hij voor het eerst ‘ik’
zei of dacht. We begonnen voor anderen te bestaan voordat we voor
onszelf begonnen te bestaan. Onze ervaring valt niet samen met ons
bestaan, en onze herinnering begrijpt dit bestaan niet. Wij brengen
niet de wortel voort, maar de wortel ons.
Wat is de wortel? Wij noemen hem ziel. Onze
ziel noemen we hem; strikt genomen is hij niet van ons, maar zijn
wij van hem. Hij is geen deel van ons, maar wij zijn een deel van
hem. Hij is niet één element in een verzameling elementen
die samen onze individualiteit vormen, maar de wortel van die individualiteit.
Hij is groter dan wij zijn en anders dan wij zijn – dat wil
zeggen, dan ons bewuste zelf. Het bewuste zelf begint pas enige tijd
na de geboorte van het individu. Het is niet ingeboren, maar een voortbrengsel
– als het ware de bloesem van een individualiteit. We kunnen
ons talloze zielen indenken die nooit dit product voortbrengen, die
nooit uitgroeien tot een zelf. En de ziel die zo bloeit bestaat voordat
de bloesem ontluikt.
Hoelang tevoren is onmogelijk te zeggen; of bijvoorbeeld
de geboorte van een menselijk individu het begin is van het bestaan
van de ziel; of ieder nieuw lichaam voorzien wordt van een nieuwe
ziel, of dat het lichaam aan een tevoren bestaande ziel wordt gegeven.
Het is een vraag waarop de theologie geen licht werpt en die de psychologie
slechts vaag toelicht. Maar zover die vage toelichting reikt, steunt
ze de hypothese van preëxistentie. Die hypothese schijnt het
best te kloppen met het veronderstelde voortgaande bestaan van de
ziel in het hiernamaals. Al wat een begin had in de tijd, zo lijkt
het, moet een einde hebben in de tijd. De eeuwige bestemming die het
geloof toeschrijft aan de ziel vooronderstelt een eeuwige oorsprong.
Aan de andere kant als de preëxistentie van de ziel werd bevestigd
zou dit tevens onsterfelijkheid bevestigen. . . .
De geboorte van een ziel in het huidige lichaam betekende
de dood van het oude – ‘een slaap en een vergeten’.
De ziel is in een lichaam gaan slapen en werd wakker in een nieuw.
De slaap is een kloof van vergetelheid tussen de twee. . . .
Het wordt algemeen toegegeven dat er aangeboren verschillen
van karakter in de mens zijn – verschillende neigingen, temperamenten,
die door verschillen in omstandigheden of opvoeding niet geheel kunnen
worden verklaard. Ze komen naar voren waar de omstandigheden en opvoeding
overigens hetzelfde waren; ze schijnen aangeboren te zijn. Deze worden
soms toegeschreven aan een structuur, maar met een structuur is nog
niet alles gezegd. Die moet op haar beurt worden verklaard. Volgens
mij is het de ziel die de structuur voortbrengt, en niet de structuur
de ziel. De vooronderstelling van een vroeger bestaan zou deze verschillen
het best kunnen verklaren als iets dat van leven op leven wordt overgedragen
– de oogst van het zaad dat in andere bestaanstoestanden werd
gezaaid en waarvan de vruchten blijven, hoewel men zich het zaaien
niet meer herinnert.
In de Princeton Review van mei 1881 publiceerde de Amerikaanse
filosoof prof. Francis Bowen (van Harvard University) (1811 –
1890) een zeer interessant artikel over ‘christelijke metempsychose’,
waarin hij aandringt op de christelijke erkenning van reïncarnatie.
Ons leven op aarde wordt terecht beschouwd als discipline
en voorbereiding op een hoger en eeuwig leven hierna. Maar als het
beperkt is tot de duur van een enkel sterfelijk lichaam is dat zo
kort dat dit nauwelijks voldoende lijkt voor zo’n groots doel.
Zeventig jaar kan onmogelijk een adequate voorbereiding zijn op de
eeuwigheid. Maar welk bewijs hebben we dat de beproeving van de ziel
binnen zulke nauwe grenzen wordt beperkt? Waarom kan deze niet worden
voortgezet, of herhaald, via een lange reeks opeenvolgende generaties
waarbij dezelfde persoonlijkheid [individualiteit] de ene na de andere
van een onbepaald aantal woningen van vlees bezielt, en de training
die zij heeft ontvangen, het karakter dat zij heeft gevormd en de
stemmingen en de neigingen waaraan zij heeft toegegeven in de bestaansfase
die daaraan onmiddellijk voorafging, telkens aan de volgende overdraagt?
. . .
Waarom zouden we het onaannemelijk vinden dat dezelfde
ziel achtereenvolgens een onbepaald aantal sterfelijke lichamen zou
bewonen, en op die manier haar ervaring en beproeving verlengt tot
ze in ieder opzicht rijp is geworden voor de hemel of het laatste
oordeel? Zelfs tijdens dit ene leven verandert ons lichaam voortdurend,
hoewel dat gebeurt via een proces van afbraak en herstel dat zo geleidelijk
verloopt dat we het niet merken. Iedere mens verblijft aldus achtereenvolgens
in vele lichamen, zelfs tijdens één kort leven. . .
.
Als iedere geboorte een daad van absolute schepping
was, de introductie in het leven van een volkomen nieuw wezen, zouden
we ons redelijkerwijs kunnen afvragen waarom verschillende zielen
al vanaf het begin zulke uiteenlopende karaktertrekken laten zien.
We starten niet allemaal even voorspoedig in de race die vóór
ons ligt en daarom kan niet worden verwacht dat iedereen aan het eind
van één korte sterfelijke pelgrimstocht hetzelfde doel
bereikt en in gelijke mate geschikt is voor de zegeningen of bestraffingen
van een onveranderlijke toestand in het hiernamaals. De eenvoudigste
waarneming verzekert ons dat het ene kind wordt geboren met beperkte
capaciteiten en misschien eigenzinnige neigingen, sterke hartstochten
en een weerspannige aard, dat het ertoe neigt kwaad te doen, en dat
deze dingen bijna zeker snel tot ontwikkeling zullen komen. Iemand
anders daarentegen lijkt vanaf het begin met meer geluk begiftigd
te zijn; hij is niet alleen beminnelijk, welwillend en vriendelijk,
maar ook vlug van begrip en vroeg wijs, een kind waarvan men heel
wat verwacht. De een lijkt een kwade kwelgeest, terwijl de andere
al vroeg de belofte inhoudt van een Cowley of een Pascal. Ook de verschillen
van uiterlijke omstandigheden zijn zo enorm en duidelijk aanwezig
dat ze veel af schijnen te doen aan de verdienste van een goed geleefd
leven en de schuld van zonde en misdaad. De een wordt gelukkig opgevoed
in een christelijk gezin en onder zoveel beschermende invloeden dat
het pad van deugd zich recht en open voor hem uitstrekt – inderdaad
zo duidelijk dat zelfs een blinde dat pad veilig zou kunnen gaan;
terwijl iemand anders geboren lijkt te zijn met een erfenis van ellende,
blootstelling aan gevaar, en misdaad. De een wordt geboren in Centraal-Afrika,
terwijl een ander in het hart van het welvarende Europa ter wereld
komt. Hoe zit het dan met de eeuwige rechtvaardigheid? Hoe kunnen
zulke vreselijke ongelijkheden in overeenstemming worden gebracht
met de oneindige wijsheid en goedheid van God?
Als metempsychose [reïncarnatie] wordt opgenomen
in het plan van het goddelijke bestuur van de wereld, verdwijnt deze
moeilijkheid volkomen. Vanuit dit standpunt beschouwd wordt iedereen
geboren in de toestand die hij door zijn eigen vroegere geschiedenis
eerlijk heeft verdiend. Hij draagt de gewoonten en neigingen die hij
heeft gevormd, de stemmingen waaraan hij heeft toegegeven, de hartstochten
die hij niet in bedwang heeft gehouden, van het ene leven naar het
andere met zich mee, maar heeft vrijwillig toegestaan dat deze hem
naar zonde en misdaad leiden. . . .
Niets belet ons echter te geloven dat de beproeving
van een ziel zich eindeloos uitstrekt over een groot aantal opeenvolgende
levens op aarde, waarbij iedere opeenvolgende handeling in het hele
levensverloop een vergelding of vergoeding is voor wat eraan voorafging.
Want dit is de universele wet van het bestaan, of het nu de materie
betreft of het denken. Alles verandert, niets sterft in de zin dat
het wordt vernietigd. Wat wij de dood noemen is slechts het oplossen
van een complex lichaam in zijn samenstellende delen, en niets dat
werkelijk één en ondeelbaar is gaat in dat proces verloren
of teniet. . . . De menselijke ziel die, zoals we weten op grond van
de continuïteit van het bewustzijn, absoluut één
en ondeelbaar is, gaat na het uiteenvallen van wat eens zijn woning
was verder om een ander lichaam te bezielen. . . . We kunnen ons gemakkelijk
indenken en geloven dat iedere persoon die nu leeft een nieuwe verschijningsvorm
is van iemand die misschien eeuwen geleden onder een andere naam,
in een ander land heeft geleefd, zij het misschien niet van dezelfde
lijn van afstamming, en toch in zijn diepste wezen en essentiële
karakter één en dezelfde met hem. Zijn omgeving is veranderd;
de oude woning van vlees is afgebroken en herbouwd, maar de bewoner
is nog dezelfde. Hij stamt af van een vroegere generatie en brengt
met zich mee wat òf een hulp kan zijn òf een belemmering;
namelijk het karakter en de neigingen die hij daar heeft gevormd en
gekoesterd. En daarin ligt vergelding; hij is begonnen aan een nieuw
stadium van beproeving en daarin moet hij nu leren waar het karakter
dat hij daar heeft opgebouwd van nature toe leidt wanneer het op een
nieuw en mogelijk ruimer toneel wordt beproefd. Als dit niet zo is,
vertel me dan waarom mensen met zulke verschillende karakters en met
zulke verdorven neigingen worden geboren. . . . Ze brengen geen herinnering
van de gebeurtenissen van hun vorige leven met zich mee, omdat zo’n
geheugen hen ongeschikt zou maken voor de nieuwe rol die ze moeten
spelen. Maar ze zijn nog steeds dezelfde in hun principes en gedragingen,
in de diepste drijfveren van hun handelen die de vergeten gebeurtenissen
van hun vorige leven tot ontwikkeling hebben gebracht en versterkt.
Ze zijn dezelfden op alle essentiële punten die hen in het verleden
maakten tot een zegen of een vloek voor ieder met wie ze in onmiddellijk
contact kwamen en door middel waarvan ze opnieuw een bron van wel
of wee zullen worden voor hun omgeving. Natuurlijk kunnen deze ingeboren
neigingen worden vergroot of bedwongen door de lessen van een nieuwe
ervaring, door na te denken, en door het tot een gewoonte te maken
om aan de waarschuwingen van het geweten aandacht te schenken of ze
te negeren. Maar ze bestaan nog steeds als oorspronkelijke neigingen,
en als zodanig moeten ze het opgaande of neerwaartse pad gemakkelijker
en natuurlijker maken en het waarschijnlijker maken dat een doel wordt
bereikt dat zover weg ligt en anders onbereikbaar zou zijn. . . .
Het lijkt niet gepast dat een korte periode van beproeving
voldoende is om een eeuwigheid van beloning of straf te verdienen.
Het is veel redelijker te geloven dat het toekomstige leven dat we
volgens de lering kunnen verwachten, op het huidige leven zal lijken
en in deze wereld zal worden doorgebracht, hoewel we de last of de
zegen, die ons erfdeel is uit het verleden, daar naartoe met ons meedragen.
Naast de spirituele betekenis van de leer van regeneratie, en afgezien
van de nieuwe geboorte die ‘uit water en uit de geest’
is, ligt er mogelijk een letterlijke betekenis in de plechtige woorden
van de Verlosser, ‘tenzij een mens opnieuw wordt geboren, kan
hij het koninkrijk Gods niet beërven’.
Ds. William R. Alger (1822 – 1905), een unitaristische predikant
en schrijver, wijdde de helft van zijn leven aan een groot boekdeel
over onsterfelijkheid, getiteld A Critical History of the Doctrine
of a Future Life dat wordt beschouwd als een standaardwerk over
dat onderwerp. In de eerste editie, uitgegeven in 1860, karakteriseert
de auteur reïncarnatie als een bedrieglijk overtuigende misvatting,
niet waard om geloof aan te hechten. Hij vervolgde zijn studie over
dit onderwerp nog vijftien jaar en in de laatste editie (1878) stond
het uiteindelijke resultaat van zijn meest diepgaande onderzoekingen
waarbij hij oprecht reïncarnatie onderschrijft en verdedigt:
Van alle doordachte en verfijnde vormen van het geloof
in een toekomstig leven is er geen enkele die zo’n uitgebreide
en langdurige invloed heeft gehad als deze [reïncarnatie]. Ze
heeft de stem van de meerderheid, en is eeuwenlang aangehangen door
de helft van de mensheid met een kracht van overtuiging die haar gelijke
bijna niet kent. Wat op het eerste gezicht het meest opvallende feit
is betreffende de leer van herhaalde incarnaties van de ziel, waarbij
haar vorm en ervaring in iedere opeenvolgende belichaming wordt bepaald
door haar verdiensten in de voorafgaande belichamingen, is inderdaad
het voortdurende opnieuw verschijnen van dit geloof in alle delen
van de wereld en de vaste greep die ze op bepaalde grote volkeren
heeft. . . .
De gedachten die hierin [reïncarnatie] zijn
belichaamd zijn zo prachtig en de methode ervan is zo rationeel, het
gebied van overpeinzing waartoe ze het denken verheft is zo groots
en de vooruitzichten die ze opent hebben zo’n universeel bereik
en belang, dat de studie ervan ons volledig in harmonie brengt met
het verheven terrein van de onsterfelijkheidsgedachte en van een kosmopolitische
rechtvaardiging van de Voorzienigheid, onthuld aan ieders oog. Ze
verheft ons uit de kleinheid van onze onbetekenende bezigheden en
zelfzuchtige zaken en maakt het voor ons gemakkelijker te geloven
in de meest grootse verwachtingen die de mensheid ooit heeft gekoesterd.
De industrieel en autofabrikant Henry Ford gaf zijn opvattingen over
reïncarnatie in een interview met George Sylvester Viereck (The
San Francisco Examiner, 26 augustus 1928):
Ik heb de theorie van reïncarnatie aangenomen
toen ik zesentwintig was. . . .
De godsdienst bood in dit opzicht niets – althans
ik kon het niet ontdekken. Zelfs het werk kon me geen volledige voldoening
verschaffen. Werk is nutteloos als we de in een leven verzamelde ervaringen
niet in het volgende kunnen gebruiken.
Toen ik reïncarnatie ontdekte was het alsof
ik een universeel plan had gevonden. Ik besefte dat er kansen waren
om mijn ideeën uit te werken. Tijd was niet langer beperkt. Ik
was niet langer een slaaf van de wijzers van de klok. Er was tijd
genoeg om plannen te maken en scheppende arbeid te verrichten.
De ontdekking van reïncarnatie schonk mijn denken
rust. Ik was tot rust gekomen. Ik voelde dat er orde en vooruitgang
waren in het levensmysterie. Ik zocht niet meer ergens anders naar
een oplossing voor het levensraadsel.
Als u een verslag van dit gesprek maakt, schrijf
het dan zo dat het denken van de mensen wordt gerustgesteld. Ik zou
graag de rust die de langetermijnvisie ons geeft op anderen willen
overbrengen.
We bewaren allemaal, al is het zwakjes, herinneringen
aan vorige levens. We voelen vaak dat we een voorval of ervaring al
eerder, in een vroeger bestaan, hebben meegemaakt. Maar dat is niet
het voornaamste; de essentie, de kern, de gevolgen van ervaring zijn
van waarde en blijven ons bij.
John Masefield (1878-1967), toneelschrijver en hofdichter van Engeland,
drukt zijn gezichtspunten over reïncarnatie uit in een prachtig
gedicht, getiteld ‘Een overtuiging’.
Ik beweer dat wanneer iemand sterft
Zijn ziel naar de aarde weerkeert;
Getooid in een nieuw omhulsel van vlees
Wordt hij uit een andere moeder geboren.
Met krachtiger ledematen en een helderder brein
Gaat de oude ziel opnieuw op weg.
Dit is mijn overtuiging en hoop;
Deze hand die de pen vasthoudt,
Is honderden keren stof geweest
En, als stof, tot stof teruggekeerd;
Deze ogen van mij knipperden en schitterden
In Thebe, in Troje, in Babylon.
Al wat ik oprecht denk en doe
Of maak, bederf, of zegen, of verpruts,
Is een vloek of zegen precies op maat
Van vroegere gemakzucht of inspanning.
Mijn leven is het relaas van een optelsom
Van het begaan en overwinnen van fouten.
Ik weet dat in mijn levens die komen
Mijn bedroefde hart zal branden en pijn doen,
En aanbidden, vergeefs,
De vrouw die ik telkens afwees,
En zal beven als ik een ander zie ontvangen
De liefde die ik afwees, de liefde die ze gaf.
En ik zal leren kennen, door boze woorden,
Door spot en hoon en vele tranen,
Een azende zwerm terugkerende vogels,
De spot en minachting die ik zelf uitsprak.
De moedige woorden die ik verzuimde te spreken
Zullen me als lafaard brandmerken op mijn wang.
En terwijl ik over de wegen zwerf
Word ik geholpen en genezen en gezegend;
Liefdevolle woorden zullen bemoedigen en stimuleren
Om op te klimmen naar onvermoede hoogten,
Mijn weg zal de weg zijn die ik heb gemaakt;
Al wat ik gaf wordt terugbetaald.
Zo zal ik vechten, zo zal ik gaan,
In deze lange strijd onder de sterren;
Nu eens zal een gloed mijn hoofd omringen,
Dan weer zal ik verzwakken, lidtekens vertonen,
Tot dit omhulsel, deze hinderlijke vorm,
Geheel tot koninklijk goud is omgesmeed.