Het levensraadsel
Nils A. Amnéus

Vertaling van: Life’s Riddle, Nils A. Amnéus

ISBN 9070328593, paperback, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever iets worden overgenomen.

© 2002  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565AG Den Haag

Inhoudsopgave


 

Reïncarnatie

Ontlichaming en wederbelichaming
Het bestaan van het ego gaat voort   Zelfbewustzijn van het ego met tussenpozen
Dualiteit – individualiteit – persoonlijkheid
   Tegengestelde aantrekkingen
   De individualiteit – een hogere bron in ons
   Afgescheidenheid kweekt egoïsme
   De persoonlijkheid – een tijdelijk voertuig
   De individualiteit blijft voortdurend bestaan; de persoonlijkheid, een terugkerende manifestatie

Reïncarnatie en het verlies van de herinnering
   Reïncarnatie – een deel van het plan van de natuur
   Als we eerder hebben geleefd, waarom herinneren we ons dat dan niet?
   Is een vergeten bestaan of ervaring van enige waarde voor het individu?
   Er bestaat meer dan één soort geheugen
   Als we eerder hebben geleefd, waarom zijn we dan niet in staat om onszelf te identificeren met specifieke personen uit vroegere levens?
   Is een toekomstig leven, waarin we niet in staat zijn ons te identificeren met ons huidige zelf, waard om te worden geaccepteerd als persoonlijke onsterfelijkheid?
   Stel dat we ons dit zouden herinneren
   Stel dat we onze vroegere persoonlijkheden konden identificeren
   Wat zouden we ermee winnen als we wisten wie we in vroegere incarnaties waren?
   Evolutie en het verlies van herinnering
   Vastgelegde feiten bewaard in het hogere ego
   Een ernstige beproeving
   Waarom varieert het bevolkingsaantal van de aarde?
   Waarom zou een ego naar deze aarde terugkeren? Waarom niet naar een andere planeet?
   Hoe zullen we onze vrienden en geliefden in een ander leven terugvinden?
   Afwisselende cyclussen van activiteit en rust bevorderen de evolutie van de mens

Onevenredige tijdsperioden
Waarom daalt de innerlijke god eigenlijk af naar de lagere bestaansgebieden?
De symboliek van de kruisiging
Speciale gevallen
   Een werkelijke herinnering aan een vorig leven
   Wat veroorzaakte deze abnormale situatie?
   De adepten weten uit ervaring

Transmigratie verkeerd en juist opgevat
   Veel voorkomende onjuiste informatie over het onderwerp
   Exoterische en esoterische leringen
   De hoogste autoriteiten verwerpen transmigratie in dieren
   Andere misleidende factoren
   De symboliek van de sfinx
   Kleuteronderwijs voor kleuterhersenen
   Ook wij gebruiken symbolische uitdrukkingen
   Voormenselijke transmigraties
   Ware transmigratie

Reïncarnatie door de eeuwen heen
   Een oude en wijdverbreide leer
   Reïncarnatie in de religies van India
   Reïncarnatie in de bijbel
   Reïncarnatie in de vroegchristelijke periode
   Reïncarnatie als ketters veroordeeld
   Anderen die in reïncarnatie geloven

 

Ontlichaming en wederbelichaming

Zoals in voorafgaande hoofdstukken werd gezegd wordt de evolutie van alle monaden of levenseenheden bereikt door ervaring die wordt opgedaan tijdens herhaalde belichamingen in de diverse vormen van de natuur.

Om de leer van reïncarnatie te begrijpen, zoals wederbelichaming bij de mens wordt genoemd, is het nodig de complexe aard van de mens te begrijpen, en wat er gebeurt met zijn samenstellende delen wanneer deze na de dood zich van elkaar hebben gescheiden. We zullen daarom een kort overzicht geven van wat er eerder over dit onderwerp is gezegd.

Men zal zich herinneren dat de kern van de mens en de oorsprong van zijn bestaan een straal is van goddelijkheid, een deel van het universele bewustzijn. De diverse beginselen van de menselijke natuur zijn slechts verschillende aspecten van deze straal die door een aantal voertuigen op verschillende gebieden van de natuur werkt.

Wanneer de straal actief is op het uiterlijke gebied functioneert hij door een menselijk mentaal-fysiek voertuig, een menselijk lichaam met zijn hersenen en denkvermogen.

Dit voertuig dient als een ‘lens’ die een bepaald deel of aspect van de straal concentreert, en de combinatie van voertuig en straal brengen een gevoel van ik-ben-ik-heid of egoïsch bewustzijn teweeg dat we het menselijke ego noemen.

Als het lichaam sterft, verliest het menselijke ego het bewustzijn van het mentaal-fysieke gebied, want de lens die het daarop richtte is gebroken. Het gaat dan door een reeks ervaringen zoals besproken in hoofdstuk 6 over ‘Dood – slaap – geboorte’ waaraan we de volgende details toevoegen.

Na de tweede dood is het menselijke ego voor bewust bestaan op het mentaal-geestelijke gebied afhankelijk van zijn mentaal-spirituele voertuig of spirituele lichaam. Zonder dit voertuig zou er geen lens zijn om het bewustzijn te richten op dit gebied en zou het menselijke ego onbewust blijven. Toen het nog was belichaamd op het uiterlijke of mentaal-fysieke gebied maakte het ego gebruik van en leefde het in zijn spirituele lichaam gedurende zijn momenten van aspiratie en wanneer het opging in onzelfzuchtig werk. Het is daarom al enigszins vertrouwd met dit voertuig, en zijn nieuwe leven op het geestelijke gebied is een voortzetting van al wat verheven en edel was in zijn voorafgaande leven. Omdat het mentaal-spirituele voertuig dat vóór de dood werd gebruikt hetzelfde is als dat wat daarna wordt gebruikt, behoudt het ego nog zijn gevoel van identiteit en denkt over zichzelf als hetzelfde ik-ben-ik als dat van zijn aardse bestaan.

De gelukzalige toestand waarin het hogere deel van het menselijke ego na de tweede dood komt, lijkt op een ‘dagdroom’, maar deze is veel levendiger en boeiender dan een gewone ervaring van deze soort.

Gedurende deze periode beleeft het steeds weer de gelukkige ervaringen van zijn voorafgaande leven en vervult alle hoge aspiraties die gedurende het leven op aarde onvervuld bleven.

Als na eeuwen de voorraad spirituele energieën die gedurende het voorafgaande leven op aarde van het ego was opgebouwd, is uitgeput, en de laatste gelukkige herinnering is weggevaagd, is er geen materiaal meer over dat betrekking heeft op het voorafgaande menselijke ego waarop de straal zijn aandacht kan richten. De straal trekt zich dan terug om zich op het eerstvolgende hogere niveau te concentreren, en het menselijke ego verliest het bewustzijn op het mentaal-spirituele gebied zoals het eerder het bewustzijn verloor op het mentaal-fysieke gebied, toen de straal zich terugtrok uit het fysieke lichaam.

Als het menselijke ego het bewustzijn verliest op het mentaal-spirituele gebied gaat zijn essentie over in een latente toestand en blijft, zoals de levenskiem van een zaad, in een slaaptoestand binnen de straal terwijl deze zich terugtrekt naar hogere gebieden.

In alle ervaringen en lessen die het menselijke ego tijdens het voorbije leven heeft geleerd was de straal deelgenoot en deze worden nu toegevoegd aan de andere ervaringen die in vroegere levens zijn opgedaan. Het betreft de gesublimeerde essentie van dat menselijke leven en bestaat uit de blijvende oogst die door de straal is verzameld via zijn menselijke voertuig.

De volledige mens bestaat nu ‘in ontwerp’ op de diverse gebieden van de natuur waartoe de verschillende beginselen behoren. Zijn hoogste aspect is een projectie van de straal en deze wordt bewaard in de straal zelf waarnaar zij is teruggekeerd. De tussenliggende en lagere delen bestaan ‘in ontwerp’ als ‘zaden’, ieder op hun eigen gebied. Elk zo’n zaad met zijn levenskiem bevat potentieel alle neigingen en eigenaardigheden van het karakter, goed of slecht, die erop zijn afgedrukt door de entiteit tijdens haar voorafgaande bestaan.

Gedurende de periode tussen incarnaties is het hoogste deel van de straal actief op zijn eigen gebied, maar als hij zijn cyclus van activiteit daar heeft beëindigd, is hij gereed om zijn evolutie op het fysieke gebied te vervolgen. Hij laat dan het ego beginnen aan zijn reis naar beneden in de richting van de aarde door de vele tussenliggende gebieden heen waar de slapende ‘zaden’ wachten op de terugkeer van de vitaliserende en verenigende straal. Deze reis is al geschetst in hoofdstuk 6 onder de kop: ‘De straal daalt weer af in de stof’.

De straal moet nu een nieuw mentaal-fysiek voertuig bouwen voordat hij opnieuw in contact kan komen met het fysieke gebied. Hij projecteert daarom de slapende levenskiem van het vroegere menselijke ego, een deel van de straal zelf, in het fysieke bestaan en deze levenskiem, tot leven gewekt door de straal, is de vitaliserende kracht van het menselijke embryo als dit zich begint te vormen overeenkomstig het ‘ontwerp’ dat is meegebracht uit zijn vorige bestaan.

De entiteit die nu tot aanzijn komt, is in werkelijkheid dus een deel of projectie van de straal zelf, en deze projectie van de straal is het blijvende deel van het menselijke ego. Het is dezelfde projectie die het menselijke ego van ons vorige leven en van al onze voorafgaande levens heeft voortgebracht. Het is ook deze projectie die in ons volgende en al onze toekomstige levens hetzelfde zal doen, maar naarmate de eeuwen voorbijgaan zal een steeds groter deel van de straal zich manifesteren in de geleidelijk meer vervolmaakt wordende menselijke constitutie.

Het mentaal-fysieke voertuig met zijn zuiver persoonlijke bewustzijn, met andere woorden de ‘lens’, is nieuw, maar omdat deze wordt voortgebracht door dezelfde straal en rond hetzelfde karakter wordt gebouwd volgens hetzelfde ‘ontwerp’ dat is meegebracht uit de vorige incarnatie, is deze eigenlijk een exacte kopie van zijn vroegere zelf.

Een mens is daarom in zijn hogere deel een voortzetting en in zijn lagere deel een reproductie van zijn vroegere zelf.

 

Het bestaan van het ego gaat voort
Zelfbewustzijn van het ego met tussenpozen

Het hogere of reïncarnerende ego bestaat voortdurend en is onafgebroken bewust op zijn eigen gebied – het mentaal-spirituele.

Het hogere deel van het menselijke ego dat een projectie is van het reïncarnerende ego bestaat ononderbroken, maar is niet voortdurend zelfbewust. Het is zelfbewust op het uiterlijke gebied wanneer het functioneert via zijn mentaal-fysieke voertuig. Tijdens de slaap is het onbewust op het uiterlijke gebied en is dan òf volledig onbewust òf gedeeltelijk bewust op het mentaal-spirituele gebied.

Na de dood is het eerst volledig onbewust. Na de tweede dood ontwaakt het geleidelijk tot een gedeeltelijk bewustzijn op het mentaal-spirituele gebied, waar het de gelukkige droomstaat van na de dood ervaart die we eerder hebben besproken. In het geval van een zeer grove of op de stof gerichte natuur kan het menselijke ego in de periode tussen de incarnaties volledig onbewust blijven.

Gedurende de periode van zijn gelukzalige postmortale dromen identificeert het menselijke ego zich nog steeds met de menselijke entiteit van zijn nu afgelopen incarnatie. Aan het einde van de droomperiode komt het in een toestand van volledige onbewustheid en verliest elke herinnering aan zijn voorafgaande identiteit. Als het menselijke ego het bewustzijn verliest op het mentaal-spirituele gebied wordt het volkomen inactief en blijft in slapende toestand totdat het, wanneer het van een nieuw fysiek lichaam is voorzien, opnieuw zelfbewust wordt op het uiterlijke gebied.

Het lagere aspect van het menselijke ego, of het persoonlijke ego, dat zich tijdens het fysieke bestaan identificeert met het lichaam, verliest het bewustzijn en verdwijnt geleidelijk als zijn voertuig, het lichaam, uiteenvalt.

Het hogere aspect van het menselijke ego bestaat dus ononderbroken, een deel van de tijd zelfbewust en actief op het uiterlijke gebied via een menselijk voertuig, en een deel van de tijd in een slaaptoestand, hetzij onbewust of gedeeltelijk bewust op innerlijke gebieden.

Tussen twee incarnaties is er een onderbreking geweest in de continuïteit van het voertuig en daarom een onderbreking in de continuiteit van het zelfbewustzijn van het ego, maar geen onderbreking in de continuïteit van zijn bestaan. Het ego overbrugt de kloof tussen twee incarnaties door zich op innerlijke gebieden terug te trekken zoals het leven in het gebladerte van een overblijvende plant tussen twee actieve groeiseizoenen zich terugtrekt in de wortel.

Tijdens de slaap is er eveneens een onderbreking in de continuïteit van de lens, een tijdelijke verlamming van het lichaam, een ‘kleine dood’, en daarom een onderbreking in de continuïteit van het zelfbewustzijn van het ego.

In het geval van de slaap hebben we een duidelijk bewijs dat een onderbreking in de continuïteit van ons bewustzijn niet een onderbreking in de continuïteit van ons bestaan betekent, want ’s ochtends herstelt ons bewustzijn zich en wordt weer zoals het was voordat we gingen slapen. Het herkent zijn identiteit met zijn vroegere zelf, want de hersenen bewaren de voorraad herinneringen van zijn vroegere ervaringen.

Zowel in de slaap als bij de dood overbrugt het ego de kloof tussen twee bewuste perioden door zich terug te trekken op innerlijke, onzichtbare gebieden. De gewone mens heeft geen helder begrip van wat er tijdens de slaap plaatsvindt, ook al maakt hij deze ervaring elke vierentwintig uur door.

Als we in het geval van de slaap, wanneer het lichaam nog aanwezig en intact is, niet in staat zijn het complete beeld van onze ervaringen met ons mee te nemen tijdens onze afwezigheid op het fysieke gebied, dan zou het ons evenmin moeten verbazen dat we niet in staat zijn ons de ervaringen in de periode tussen incarnaties te herinneren, wanneer we geen fysiek lichaam hebben om ons te helpen om op dit gebied weer tot bewustzijn te komen en onze identiteit met ons vroegere zelf te herstellen.

Gewone mensen kunnen de drempel van slaap en dood niet oversteken en daarbij hun zelfbewustzijn behouden omdat ze nog niet hebben geleerd in hun mentaal-spirituele voertuig te leven, wat voor dit doel noodzakelijk is. Er zijn echter uitzonderingen op de algemene regel, want er zijn op aarde altijd mensen geweest, en die zijn er ook nu nog, van wie de evolutie veel verder is gevorderd dan die van de meeste mensen. Deze wezens zijn de ‘oudere broeders’ van de mensheid, de meesters van wijsheid, soms ook adepten of mahatma’s genoemd, een Sanskrietterm die ‘grote ziel’ betekent.

De adepten leven, zelfs als zij van een fysiek lichaam gebruikmaken, in hun mentaal-spirituele voertuig dat onafhankelijk van het fysieke lichaam bestaat, en zij zijn daarom in staat volledig zelfbewustzijn te behouden, zelfs als het fysieke lichaam gedurende de slaap verlamd is of nadat het na de dood is uiteengevallen. Juist dit vermogen heeft hen in staat gesteld de onzichtbare bestaansgebieden te betreden en voor hun minder ver geëvolueerde broeders een beschrijving mee terug te brengen van de ervaringen die het menselijke ego opdoet in deze voor ons onbekende bewustzijnstoestanden.

De kracht die de adepten bezitten is het resultaat van zelfgerichte pogingen die gedurende vele levens werden voortgezet. Zij leefden zelfs terwijl ze belichaamd waren meer en meer in hun mentaal-spirituele voertuig, zodat in hun geval het menselijke ego werkelijk is verheven tot, en één is geworden met, het hogere ego. Zij begonnen als gewone mensen maar door hun voortdurende inspanning hebben ze hun evolutie versneld en in relatief weinig levens bereikt wat de gemiddelde mens eeuwen en eeuwen zou kosten om te bereiken.

Omdat de adept ongehinderd van het ene gebied naar het andere kan gaan en terugkeren terwijl hij daarbij zijn volledige zelfbewustzijn bewaart, herkent hij de continuïteit van zijn bestaan en de identiteit van zijn ego door al deze veranderingen heen. Omdat hij volledig bewust is in het blijvende deel van zijn natuur, waar al zijn voorafgaande levens zijn opgetekend, kan hij zich niet alleen zijn laatste incarnatie herinneren, maar ook al zijn vroegere levens.

Totdat we zelf ons menselijke ego zover hebben verheven dat we één zijn geworden met het hogere ego, zullen we ons zelfbewustzijn niet kunnen bewaren wanneer we de drempels van slaap en dood oversteken en we zullen daarom niet in staat zijn ons onze vorige levens te herinneren.

Ieder lid van de hele mensheid dat niet opzettelijk het kwaad kiest is echter voorbestemd ooit tot het punt te evolueren waar ook hij één zal zijn geworden met zijn hogere ego, en dan in staat zal zijn de continuïteit van zijn bestaan door alle fasen van het leven heen te herkennen.

Zoals wij een definitief bewijs hebben dat de onderbreking in het zelfbewustzijn in de slaap geen interruptie is van de continuïteit van ons bestaan, wat blijkt uit het feit dat ons menselijke bewustzijn terugkeert in het wachtende lichaam, zo hebben de adepten een duidelijk bewijs dat de dood van het fysieke lichaam geen onderbreking veroorzaakt in de continuïteit van hun bestaan, want zij bevinden zich voortdurend in hun mentaal-spirituele voertuig, dat door de dood niet wordt aangetast.

Of het in ons huidige stadium van ontwikkeling van nut of een belemmering zou zijn in onze evolutie om ons onze vorige levens te herinneren, is een onderwerp dat in het gedeelte over ‘Reïncarnatie en het verlies van de herinnering’ zal worden besproken.

 

Dualiteit – individualiteit – persoonlijkheid

Tegengestelde aantrekkingen

Door de veranderende gedachten, gevoelens en interesses in onszelf te observeren en te onderzoeken, zoals we die uit onze dagelijkse ervaring kennen, kunnen we een onderscheid maken tussen die van de blijvende kant en die van de vergankelijke kant van onze natuur. Zo’n analyse zal ons de dualiteit van interesses en neigingen in onszelf laten zien, en het is daarom praktisch om deze in twee groepen te plaatsen en de natuur van de mens voorlopig als tweevoudig te beschouwen.

Onze natuur heeft een aspect dat haar verwantschap met iets groters herkent. Ze weet dat ze lid is van een familie, een gemeenschap, een volk en voelt een sterke verbondenheid met zo’n groter geheel van levens. Het is de eenheid van al het leven die dit gevoel in ons teweegbrengt en die de onzichtbare, maar onverbrekelijke verbinding vormt tussen ons en andere wezens. Door deze kant van onze natuur kunnen we andere mensen begrijpen en met hen meevoelen, en deze zet ons aan tot handelen wanneer anderen in nood verkeren.

Maar onze natuur heeft ook een andere zijde die haar afgescheidenheid van anderen voelt. Deze sluit zichzelf op in haar eigen omhulsel en wordt op die manier blind voor het lijden en de behoeften van anderen.

We voelen intuïtief aan dat het leven harmonisch en gelukkig zou moeten zijn. We hebben wensbeelden van een betere wereld waar geen lijden en gebrek bestaat en we voelen een drang om te proberen die tot stand te brengen. Maar er is een andere kant in ons die weinig erom geeft hoe het met anderen gaat, als we onszelf maar gelukkig kunnen maken.

Er is iets in ons dat tot ons spreekt als de stem van het geweten, iets dat ons ertoe aanzet onze plichten trouw te vervullen, zelfs als deze onplezierig of saai zijn. Het is de band die ons met anderen verbindt en die ons bewustmaakt van onze plicht tegenover hen. Maar er is ook een deel in ons dat onder zijn verplichtingen probeert uit te komen als deze onplezierig of vervelend zijn.

Onze natuur heeft een aspect waarvan de belangen zich ver uitstrekken voorbij haar onmiddellijke sfeer – iets dat de schoonheid van de natuur en de wonderen van de sterren wil bestuderen en dat nadenkt over de problemen van het leven en het doel van het bestaan. En er is een andere kant, die zich met het lichaam identificeert en zich vooral bezighoudt met de genoegens en pleziertjes daarvan.

Als we proberen te bepalen wat kenmerkend is voor deze twee uiteenlopende stromen in ons, zien we dat deze in het ene geval gericht zijn op onze relaties met onze medemensen – met de natuur en het universum, terwijl ze in het andere geval zijn gericht op het persoonlijke zelf en de beperkte interessesfeer daarvan.

Tussen deze twee polen van zijn wezen, en voortdurend beïnvloed door hun tegengestelde aantrekkingen, staat het menselijke ego dat zich onbewust overgeeft aan, of bewust kiest voor, de ene of de andere pool.

 

De individualiteit – een hogere bron in ons

Als we de sterren beschouwen en onze geest wordt vervuld van de grootsheid van het heelal en we denken dan aan onze eigen kleine persoonlijkheid, worden we ons bewust van de nietigheid en vergankelijkheid hiervan en kunnen we zien wat een onbelangrijke rol zij in het universum speelt.

Dat deel van onze natuur dat op die manier in staat is zich terzijde te stellen en zich de vergankelijkheid van zijn voertuig te realiseren is geen deel van dit voertuig. Het behoort tot de blijvende kant van ons wezen.

We zijn ons bewust van ons eigen bestaan als het ik-ben-ik of het menselijke ego waarvan de identiteit gedurende ons hele leven niet is veranderd. We weten dat dit ego zelfs in onze waaktoestand iets anders is dan het lichaam, het hersenverstand, het geheugen en de gevoelens, want we weten dat het zich afzijdig kan houden en al deze dingen kan waarnemen, leiden en beheersen. Het moet daarom zelfs nu een bestaan hebben dat onafhankelijk is van al deze wisselende stromen binnenin ons, en als het dat nu heeft, terwijl het is belichaamd, kan het ditzelfde onafhankelijke bestaan behouden nadat deze veranderde aspecten bij de dood zijn verdwenen.

Wanneer we de banden voelen die ons met onze medemensen verbinden, is dat omdat iets van onze medemens zich ook in ons bevindt.

Als we ons verbazen over de wonderen van het heelal en we ons, hoe zwak ook, openstellen voor het oneindige om ons daarvan een voorstelling te maken, is dat omdat er iets van het universum en de oneindigheid in onszelf is.

Evenmin als water een niveau kan bereiken dat hoger is dan het reservoir waaruit het stroomt, kunnen gedachten hoger stijgen dan hun bron. Gedachten en intuïties die zich bezighouden met belangen die ver uitgaan boven ons persoonlijke zelf kunnen hun oorsprong niet in dat zelf hebben. Ze moeten voortkomen uit een bron diep in ons die verwant is aan de onderwerpen waarmee ze zich bezighouden, en die bron is de straal van universeel bewustzijn die werkt in het hogere of spirituele denkvermogen. Deze hogere kant van onze natuur met haar voertuigen bestaat op gebieden boven het mentaal-fysieke, onafhankelijk van het fysieke lichaam.

Deze hogere bron bestaat reeds binnenin ons en hoeft niet ‘ontwikkeld’ te worden. Hij is het menselijke ego dat moet evolueren tot een hogere staat van bewustzijn, zodat het kan opstijgen tot bewuste vereniging met zijn hogere bron.

Dit opstijgen en verfijnen van het menselijke ego komt tot stand door de hogere impulsen die ons hier en nu, terwijl het ego belichaamd is, van binnenuit bereiken, in daden en woorden om te zetten. Zoals we gewend zijn geraakt aan ons fysieke lichaam en hebben geleerd dit te gebruiken door erin te leven en de verschillende functies ervan te oefenen, zo moeten we vertrouwd raken met ons mentaal-spirituele voertuig en dit leren gebruiken door die gedachten te denken en daden in de praktijk te brengen die verwant zijn aan onze hogere natuur en het gebied waarop deze bestaat.

Het kenmerk van dit hogere gebied is dat het dichterbij het ene universele leven ligt, en dus resulteert het bestaan op dit gebied in een grotere realisatie van de eenheid van alle leven, en daarom in begrip, sympathie en liefde voor al wat leeft.

Op het spirituele gebied zijn onze medemensen in werkelijkheid andere aspecten van hetzelfde universele leven waar ook wij deel van zijn. Handelingen die tot dit gebied behoren houden daarom altijd rekening met de belangen en het welzijn van anderen. Als we een of ander persoonlijk belang of voordeel opofferen om een dienst te bewijzen aan het algemeen welzijn; als we liever geven dan nemen; als we proberen geluk en opgewektheid te verspreiden in plaats van geluk te zoeken voor onszelf alleen, leven we, het menselijke deel van ons, tijdelijk in het meer universele deel van onszelf – ons mentaal-spirituele voertuig – en maken daarvan gebruik. Wij zijn dan trouw aan onze ‘andere zelven’ – onze medemensen, trouw aan allen – altruïstisch. We hebben het pad betreden dat zal leiden tot bewuste eenwording met ons hogere ego en tot een bewust gebruik van ons mentaal-spirituele voertuig.

Omdat dit het voertuig is waarin ons bewustzijn na de dood zal moeten leven, kunnen we begrijpen hoe belangrijk het is om een gewoonte ervan te maken daarin te leven terwijl we nog belichaamd zijn. We kunnen ook zien waarom alle grote religieuze leraren altijd zo sterk de nadruk hebben gelegd op ethische leringen. Zulke leringen hebben meer dan één doel. Ze helpen ons niet alleen in harmonie te leven met onze medemensen, maar ze verheffen ook het individu tot een nauwere vereniging met zijn hogere ego en bereiden hem geleidelijk erop voor bewust in zijn mentaal-spirituele voertuig te leven.

Dat deel van het menselijke ego dat reageert op de hogere van de twee innerlijke stromen, en belangstelling heeft voor het welzijn van anderen en zaken die groter zijn dan dit ego zelf, is in werkelijkheid een aspect van het hogere ego. Dit bestaat, samen met de hogere brandpunten van de straal van goddelijkheid, op gebieden die hoger zijn dan het mentaal-fysieke en wordt daarom niet beïnvloed door de dood van het lichaam. Zij vormen de altruïstische pool van onze natuur en omdat ze bij het sterven niet uiteenvallen, kunnen ze gezamenlijk als de individualiteit van de mens worden beschouwd.

 

Afgescheidenheid kweekt egoïsme

Zoals er mensen zijn die in het hogere deel van hun natuur leven en vriendelijkheid en goede wil uitstralen naar ieder met wie ze in contact komen, zo zijn er anderen die zelden verder kijken dan de belangen van hun persoonlijke zelf en die weinig of geen belangstellen in het wel en wee van anderen. Ze zijn zich alleen bewust van hun bestaan als het persoonlijke ego en leven en handelen alleen in deze hoedanigheid. Ook zij hebben de altruïstische pool in hun natuur, maar ze leven er zelden in. In hun geval beschouwt het persoonlijke ego zichzelf als de top van de gehele menselijke constitutie. Dit ego wordt dusdanig in beslag genomen door zijn eigen bezigheden dat het zich van zijn hogere pool afkeert en zelfs niet in staat is het bestaan van die kant van zijn natuur te herkennen. Het persoonlijke ego maakt dan de fout zichzelf als het enige ego te beschouwen, het hele ego, terwijl het in werkelijkheid maar een klein deel, een projectie, van het hogere ego is dat gevangen is in het persoonlijke gestel.

Het mentaal-fysieke voertuig van een mens is natuurlijk gescheiden van dat van andere individuen, en als het bewustzijn erin volhardt zich te richten op dit voertuig, zal het persoonlijke ego ook een gevoel van afgescheidenheid verkrijgen; dit ego wordt dan het dominerende element van de menselijke entiteit. Er heeft een ommekeer van polariteit plaatsgevonden en de projectie van de straal van bewustzijn is afgeweken van zijn ware bestemming door het grofstoffelijke van de lens waarmee deze wordt gericht. Het heeft zich afgekeerd van zijn altruïstische pool met het daarbijbehorende steeds uitbreidende bewustzijn, in de tegenovergestelde richting naar een bewustzijn dat beperkt is door zijn eigen persoonlijke zelf.

Zolang het bewustzijn is geconcentreerd in het mentaal-fysieke voertuig zal dit gevoel van afgescheidenheid blijven bestaan en zal het persoonlijke ego niet erin slagen zijn eenheid met het hogere ego te herkennen en dus zijn eenheid met zijn medemensen.

Als we onze eigen belangen behartigen ten nadele van anderen, als we voordeel zoeken ten koste van hen, is het duidelijk dat we de band die ons met hen verbindt niet voelen.

Wanneer we liefdeloos of kritisch zijn tegenover anderen; als we arrogantie en trots voelen en op een of andere manier proberen onze superioriteit over hen te laten gelden, dan is het duidelijk dat we onze eenheid met hen niet beseffen. Als we die wel zouden inzien, zouden we ons niet naar voren schuiven ten koste van hen; we zouden in plaats daarvan elk voordeel dat we misschien bezitten met hen delen.

Als we onverschillig zijn voor de moeilijkheden en het lijden van anderen en tevreden zijn zolang wij ons in een comfortabele positie bevinden, is dat omdat we ons van hen gescheiden voelen en mentaal niet erin zijn geslaagd ons in hun positie te verplaatsen.

Als we geen belangen hebben die verder reiken dan ons eigen belang is dat omdat we ons hebben afgezonderd binnen het omhulsel van onze lagere persoonlijkheid, het mentaal-fysieke voertuig.

Egoïsme kan in al zijn vormen direct worden teruggevoerd op dit gevoel van afgescheidenheid dat bestaat in het persoonlijke ego-bewustzijn. Het is dit gevoel van afgescheidenheid dat zo velen ertoe brengt de inspanningen van hun leven verkeerd te richten door te proberen de belangen van het persoonlijke zelf te bevorderen, terwijl ze daardoor de gelegenheid om goed bekend te worden met hun hogere natuur laten voorbijgaan.

Het is alsof we in een grot leven die naar het licht toe steeds ruimer wordt, maar naar achteren steeds nauwer. Als onze aandacht alleen op ons eigenbelang is geconcentreerd, kijken we naar het einde van de grot en keren onze rug naar de opening. We staan in ons eigen licht en zien alleen dat kleine beetje licht dat tot achterin doordringt. Als we ons zouden omdraaien, zouden we naar de opening van de grot kijken en naar een uitzicht dat steeds ruimer wordt hoe verder we in die richting gaan.

 

De persoonlijkheid – een tijdelijk voertuig

De op zichzelf gerichte pool van ons wezen omvat het fysieke lichaam, het modellichaam, onze op onszelf gerichte verlangens, emoties en gedachten, en ook het persoonlijke ego met zijn breinverstand en zijn dagelijkse herinneringen van lopende gebeurtenissen, die in het brein zijn opgeslagen. Deze groep van bestanddelen en eigenschappen stellen gezamenlijk de op zichzelf gerichte pool van ons wezen samen en we zullen deze in het vervolg aanduiden als de persoonlijkheid.

De persoonlijkheid kwam tot actief bestaan bij de geboorte of later. Ze blijft gedurende het leven als een eenheid bestaan, maar valt bij de dood uiteen in haar samenstellende elementen.

Het materiaal voor het lichaam is afkomstig uit de natuur en keert daarnaar terug. Volgens de medische wetenschap verlaten iedere dag miljoenen cellen ons lichaam, terwijl miljoenen andere daarvoor in de plaats komen. Deze verandering gaat voortdurend door, zodat we na een aantal jaren – gewoonlijk wordt dat op zeven gesteld – een volledig nieuw lichaam hebben. Iemand die de leeftijd van zeventig jaar bereikt, heeft daarom tijdens zijn leven tien verschillende fysieke lichamen gebruikt en achter zich gelaten.

Dit feit is de basis voor de hindoemetafoor dat ‘de mens in een vloeiende stroom van materie staat’. Met ‘de mens’ wordt hier de individualiteit bedoeld, het onvergankelijke deel dat geen wijzigingen ondergaat ondanks de voortdurende verandering die in zijn lichaam plaatsvindt.

De reden waarom het lichaam zijn uiterlijke verschijningsvorm relatief onveranderd behoudt, behalve voorzover het die aanpassingen betreft die het vorderen van de jaren vanzelfsprekend met zich meebrengt, is dat het modellichaam, op het raamwerk waarvan de fysieke cellen zich rangschikken, zelf relatief ongewijzigd blijft. Het modellichaam verandert alleen als het karakter zich langzaam wijzigt. Na de dood valt het modellichaam evenals het fysieke lichaam uiteen.

Omdat de persoonlijkheid tijdelijk van aard is, zal duidelijk zijn dat het erg kortzichtig zou zijn als ons belangrijkste streven is gericht op het bevredigen van zuiver persoonlijke belangen en interesses. De vruchten van al zulke inspanningen zullen moeten worden achtergelaten, terwijl altruïstisch streven ons zal helpen om bewustzijn te verkrijgen en te behouden in ons mentaal-spirituele voertuig, dat door de dood niet wordt aangetast.

Het gebruik van de term ‘persoonlijkheid’ om het voertuiglijke deel van de mens aan te duiden is heel toepasselijk als we de oorsprong van dit woord bekijken. Het komt van het Latijnse woord ‘persona’ dat ‘masker’ betekent. Persona is op haar beurt opgebouwd uit twee woorden, per, wat ‘door’ betekent en sona, ‘klinken, spreken’. Het was in de oudheid bij toneelvoorstellingen gebruikelijk dat de acteurs tijdens de hele voorstelling maskers droegen en kopieën van zulke maskers werden tot nog niet zo lang geleden algemeen gebruikt als motieven voor decoraties in theaters, voordat ze door modernistische decoraties werden vervangen. De maskers hadden openingen voor ogen en mond, waardoorheen de acteur kon zien en spreken, en vormden zo een soort gereedschap of spreekbuis door middel waarvan de werkelijke acteur die zelf onzichtbaar was zijn rol kon spelen en zichzelf kon laten horen. Het is in deze zin dat de persoonlijkheid zowel een instrument is dat door de individualiteit wordt gebruikt om in contact te treden met het stoffelijke gebied en tevens een masker waarachter de individualiteit wordt verborgen.

 

De individualiteit blijft voortdurend bestaan
De persoonlijkheid, een terugkerende manifestatie

Wanneer we het onderwerp reïncarnatie beschouwen zonder naar details te verwijzen, is het de individualiteit die het werkelijke, het onsterfelijke deel van de mens is en het is de individualiteit die van leven tot leven incarneert. De individualiteit is de ‘oorzaak’, de persoonlijkheid is het ‘gevolg’. Er zou geen persoonlijkheid zijn als er geen individualiteit was om deze voort te brengen. Voor iedere incarnatie bouwt de individualiteit zich een nieuwe persoonlijkheid, die dan het instrument wordt door middel waarvan de individualiteit op het stoffelijke gebied kan werken.

Het karakter, het totale effect van al onze gedachten, daden en ervaringen uit het verleden, is de leidende factor in het vormgeven, toerusten en bekleden van de nieuwe persoonlijkheid. We kunnen ons karakter veranderen terwijl we belichaamd zijn, maar omdat dit karakter tussen incarnaties onveranderd blijft, zal de nieuwe persoonlijkheid in alle essentiële kenmerken een reproductie zijn van de persoonlijkheid zoals die was aan het eind van onze vorige incarnatie.

De persoonlijkheid is de ‘weerspiegeling in de materie’ van de individualiteit; zij is ‘de mens gemaakt naar het beeld van God’. Maar dit beeld, dit persoonlijke zelf, heeft een eigen leven gedurende de waaktoestand. Zij heeft een vrije wil en kan kiezen tussen de ingevingen van haar hogere zelf en de impulsen van het lagere, dierlijke zelf. Wanneer ze de laatste weg kiest, raakt het ‘beeld’ vervormd zoals de weerspiegeling van de zon op de rimpelende oppervlakte van een vijver.

Het draadzelf – In de oosterse filosofie wordt de individualiteit het ‘draadzelf’ genoemd waaraan de diverse persoonlijkheden worden toegevoegd als kralen geregen aan een draad. De persoonlijkheden verschillen, maar de draad waaraan ze zijn geregen, de individualiteit, is in leven na leven dezelfde.

De acteur en zijn rollen – Er is nog een illustratie die vaak wordt gebruikt om de relatie tussen de individualiteit en de persoonlijkheid te beschrijven. Een acteur speelt gedurende zijn leven vele verschillende rollen op het toneel. De ene avond speelt hij misschien Hamlet en een andere keer King Lear, of misschien Othello. Het publiek ziet deze karakters op het toneel, maar kent misschien niet eens de naam van de acteur. De toneelkarakters zijn tijdelijk en onwerkelijk. King Lear kent Hamlet niet die de vorige avond verscheen, noch Othello die morgen komt, maar de echte acteur kent al deze rollen en nog vele meer.

De verschillende toneelrollen zijn ‘maskers’ die eenmalig worden opgezet en dan afgedankt, terwijl de acteur het werkelijke wezen achter het masker is, zoals de persoonlijkheid, die maar één leven meegaat, het ‘masker’ is door middel waarvan de individualiteit zich uitdrukt.

Zoals de acteur blijft voortbestaan nadat hij zijn toneelkleding heeft uitgetrokken en uit het theater is vertrokken, zo blijft ook de individualiteit bestaan nadat zij haar ‘masker’, de persoonlijkheid, heeft afgelegd en van dit bestaansgebied verdwijnt, zoals zij dat zowel tijdens de slaap als in de dood doet.

En zoals de acteur na het verlaten van het theater verdergaat met zijn privéleven, zo trekt de individualiteit nadat zij is bevrijd van de verstrikkende beperkingen van de persoonlijkheid zich terug naar meer innerlijke hogere bewustzijnsgebieden waar zij nu haar werkelijke bestaan heeft.

 

Reïncarnatie en het verlies van de herinnering

Reïncarnatie – een deel van het plan van de natuur

Zoals uit het voorgaande blijkt is een ruwe schets van de reïncarnatieleer niet moeilijk te begrijpen, maar er zijn natuurlijk vele vragen die zullen opkomen in het denken van een geïnteresseerde voor wie het onderwerp nieuw is. Omdat deze bij veel anderen in het verleden ook zijn opgekomen, kan hierop worden ingespeeld en de meest algemene zullen we hieronder bespreken.

Als we een antwoord zoeken op deze vragen moeten we het volgende in gedachte houden:

1) Er is een doel in het leven: – de vooruitgang van de ziel naar steeds hogere stadia van zijn.

2) Er is een plan in de natuur om dit doel te verwezenlijken: dit is evolutie door middel van herhaalde ervaringen op het materiële gebied.

3) Er wordt voorzien in de tijd die nodig is voor deze ervaringen door een bijna eindeloze keten van belichamingen in de menselijke vorm.

4) De mens is een deel van de natuur en daarom onderworpen aan dezelfde wetten die voor de rest van de natuur gelden. In het ervaren van herhaalde belichamingen volgt de mens eenvoudig de wet van periodiciteit of cyclische activiteit die we overal in de natuur aan het werk zien.

Reïncarnatie is daarom niet slechts een theorie, maar een verklaring van hoe een van de meest fundamentele processen van de natuur werkt wanneer dit op de mens wordt toegepast. Reïncarnatie moet men niet bestuderen als iets dat op zichzelf staat, maar moet worden gezien in relatie tot andere leringen die behoren tot het universele plan.

 

Als we eerder hebben geleefd, waarom herinneren we ons dat dan niet?

Deze vraag impliceert dat we, omdat we het ons niet herinneren, niet eerder kunnen hebben geleefd; met andere woorden zij is gebaseerd op de veronderstelling dat wat we ons niet kunnen herinneren, we niet kunnen hebben ervaren.

Enig nadenken zal aantonen dat deze veronderstelling niet goed gefundeerd is, want we kennen vele ervaringen die we moeten hebben gehad en die we ons toch niet herinneren.

De eerste paar jaar van ons leven, bijvoorbeeld, zijn we volkomen vergeten. Vele, misschien wel de meeste gebeurtenissen uit het dagelijks leven zijn we vergeten. Als we oud zijn laat het geheugen iemand vaak volledig in de steek. Bij slachtoffers van geheugenverlies zijn soms hele jaren van hun leven uit hun herinnering gewist zoals al werd opgemerkt onder de kop ‘Uitzonderlijke bewustzijnstoestanden’.

In al deze gevallen bewijst het feit dat we ons de gebeurtenissen of zelfs complete jaren van ons leven niet herinneren, niet dat we tijdens die vergeten perioden niet leefden. Als een mens, terwijl hij in hetzelfde fysieke lichaam leeft en gebruikmaakt van dezelfde fysieke hersenen hele jaren uit zijn leven kan kwijtraken, zou het ons niet moeten verbazen dat een vorig bestaan, dat we in een ander lichaam leefden en met andere hersenen, is vergeten. Maar dit brengt ons op een andere vraag:


Is een vergeten bestaan of ervaring van enige waarde voor het individu?

We zijn de buitelingen die we maakten en de builen die we opliepen toen we onze eerste stappen zetten vergeten, maar we zijn niet vergeten hoe we moeten lopen. We zijn vergeten wanneer we het alfabet hebben geleerd, maar we zijn niet vergeten hoe we moeten lezen. Mensen die dagelijks wiskunde toepassen in hun werk zijn gewoonlijk de omstandige pogingen die ze moesten doen om deze kennis te verwerven vergeten, maar als ze later in hun leven aan anderen wiskunde moeten onderwijzen, zullen ze ontdekken dat ze een heel eind zullen moeten teruggaan en de stappen die ze vroeger hadden gezet opnieuw moeten nemen. De stappen waren vergeten, maar het resultaat ervan hebben ze onbewust steeds gebruikt bij de praktische toepassing van hun kennis. Is het dan niet duidelijk dat ervaringen, hoewel vergeten, ons waardevolle en blijvende lessen kunnen hebben geleerd?

 

Er bestaat meer dan één soort geheugen

Het geheugen omvat twee functies, opslaan en in de herinnering terugroepen. Het onvermogen om je iets te herinneren betekent niet noodzakelijk dat de herinnering eraan niet bestaat. Is het niet vaak voorgekomen dat we tot onze schaamte de naam van iemand die we op straat tegenkwamen niet te binnen konden brengen hoewel we zeker weten dat we zijn naam kennen?

Iets wat ons in onze jeugd is overkomen kunnen we volkomen zijn vergeten. Een vergelijkbare ervaring later in ons leven kan die vroegere ervaring in levendige details in onze herinnering terugbrengen. De herinnering was er al die tijd, opgeslagen, maar we waren ons daarvan volkomen onbewust.

Als we spreken over het geheugen in het algemeen, denken we gewoonlijk aan het vastleggen van gebeurtenissen en details uit het dagelijks leven. Deze optekening wordt opgeslagen in de hersenen, en niets daarvan kan verder teruggaan dan de vroege kindertijd en ze kan ook niet langer blijven bestaan dan dat de hersenen leven. Maar dit is niet het enige soort geheugen dat we hebben. Iedere gebeurtenis die we hebben ervaren, iedere handeling die we hebben verricht, iedere gedachte die we hebben gekoesterd, tot in het kleinste detail, wordt permanent vastgelegd in de innerlijke structuur van het hogere of reïncarnerende ego. Het is een herinnering die is opgeslagen in het hogere of bovenbewuste denken. Deze optekening is echter voor het menselijke ego in de normale omstandigheden van zijn aardse leven niet toegankelijk.

Ons geheugen is als de administratie van een zakelijke onderneming. De herinneringen die zijn opgeslagen in de hersenen zijn te vergelijken met de actieve bestanden die in de administratie van het kantoor worden bewaard om snel te kunnen raadplegen. Maar kopieën van alle bestanden worden tegelijkertijd opgeborgen in de kluis, waar ze achter slot en grendel worden bewaard. Er is één kluis voor iedere incarnatie, maar het menselijke ego beschikt alleen over de sleutel tot het referentiebestand.

Soms kan onder abnormale omstandigheden een deur naar een van deze geheugenkluizen openspringen en kennis die normaal voor het individu onbekend is, wordt voor hem nu toegankelijk.

Een voorbeeld hiervan dat indertijd veel aandacht heeft getrokken in medische kringen in Californië is dat van Pat Marquis, een jongen uit Los Angeles die toen twaalf jaar was.* Als hij half in trance verkeert getuigt de jongen van een opmerkelijke kennis van onderwerpen waarvan hij normaal niets weet.

*Het geval is besproken in het Theosophical Forum van oktober 1936.

Zijn paranormale vermogens werden op een keer gedemonstreerd in aanwezigheid van 150 artsen in het Hollywood Hospital en bij een andere gelegenheid voor 200 artsen op een bijeenkomst van de County Medical Association. Hij verscheen ook voor professoren aan het California Institute of Technology in Pasadena, enz.

Als hij half in trance komt, schijnt hij een andere persoonlijkheid te worden – een oude Perzische arts, die zichzelf ‘Napeji’ noemt, een parsi die in de 11de eeuw van onze jaartelling in de Himalaya leefde. Hoewel hij normaal geen woord Perzisch kent, schrijft hij in die taal in antwoord op vragen van één van de onderzoekers, dr. Ameen Fareed, zelf van Perzische afkomst, en arts. Pat Marquis kan als ‘Napeji’ ook in het Perzisch schrijven wanneer dr. Fareed niet aanwezig is. Soms gebruikt hij een archaïsche vorm van die taal. Hij beschrijft op correcte wijze Perzische gewoonten, en zijn manier van doen is als die van een zeer waardig persoon en helemaal niet die van een levendige jongen van twaalf. Toen men hem technische vragen stelde over de zetel van het bewustzijn in de hersenen, antwoordde ‘Napeji’ in de taal van een getrainde anatoom. Dr. C. Reynolds, F.R.C.S., die Pat Marquis voorstelde aan de commissie van artsen in Hollywood, zei: ‘Hoe hij kennis kan hebben van anatomie en moderne medische termen, gaat mijn begrip te boven. De jongen weet daar beslist niets van.’

Bij een andere gelegenheid nam de jongen, nadat hij geheel was geblinddoekt en in de vereiste trance gebracht, en dan in de persoonlijkheid van ‘Napeji’ verkeerde, de degens op in een schermwedstrijd met F. Cavens, een top-schermer. Pat Marquis weet niets van schermen, maar kennelijk is ‘Napeji’ een meester in de kunst, want Cavens zei: ‘Ik ken geen schermmeester ter wereld die dit zou kunnen. Het feit dat hij mijn degenspits kan zien aankomen en pareren en niet in zijn parade kan worden misleid door de hem bedreigende degenspits en zich correct kan terugtrekken, is opmerkelijk. Ik daag elke expert uit om dit te doen. Het zou voor mij volkomen onmogelijk zijn.’ Zestig seconden na de schermwedstrijd was ‘Napeji’ verdwenen en de lachende, gezonde scholier had zijn normale persoonlijkheid weer terug.

Er zouden andere voorbeelden kunnen worden geciteerd van zo’n geheugenopslag van verborgen kennis. Een heel opmerkelijk voorbeeld is dat van Edgar Cayce, van wie het levensverhaal wordt verteld in een boek getiteld Edgar Cayce zijn leven en werk, ‘Vlietend water’ door Thomas Sugrue.* Hoewel hij in zijn normale toestand helemaal niets van medische wetenschap en anatomie wist, was Cayce als hij in een zelfopgelegde trancetoestand verkeerde in staat vele kwalen juist te diagnosticeren en de passende medicijnen voor te schrijven. Er bestaan honderden complete verslagen die beëdigde verklaringen van patiënten bevatten, en verslagen van artsen.

*Uitgeverij De Ster, Tilburg, 1998.

Omdat het onmogelijk is in een korte samenvatting recht te doen aan de enorme hoeveelheid materiaal die in dit boek is opgenomen, moet ik de geïnteresseerde lezer voor details naar het boek zelf verwijzen.

Laten zulke feiten zoals hierboven genoemd niet zien dat er een geheugen‘reservoir’ bestaat, dat gewoonlijk niet toegankelijk is, maar onder bepaalde omstandigheden kan worden ‘afgetapt’ en dan een voorraad onvermoede kennis kan onthullen?

Maar er is nog een ander type geheugen, een soort algemeen of collectief geheugen dat in ons karakter is samengevat. Het is een intuïtief bewustzijn van de herinneringen die worden vastgehouden door het reïncarnerende ego, maar waarbij alle details zijn weggelaten. Het is de oogst van blijvende waarde die we hebben bewaard van talloze ervaringen en lessen die we allang zijn vergeten, zoals ook het vermogen om te lopen en te lezen de vruchten zijn van lessen uit een vergeten verleden.

Hoewel dit karakter-geheugen in het verleden is geworteld en er een gebrek is aan details die aangeven hoe het is verworven, is het zo levendig en dynamisch dat het ons leven, onze gedachten en daden hier en nu sterk beïnvloedt.

Al de lessen en ervaringen uit het verleden, hoewel nooit als herinneringen vastgelegd in ons huidige brein, blijken ons leven dus iedere dag te beïnvloeden.

 

Als we eerder hebben geleefd, waarom zijn we dan niet in staat om onszelf te identificeren met specifieke personen uit vroegere levens?

Omdat we in iedere incarnatie een nieuw brein hebben, dat geen deel heeft gehad aan de ervaringen van onze vorige levens en daarom daarvan onwetend is. De bewustzijnsstraal die in dit leven is geprojecteerd en de individualiteit is dezelfde als in onze vorige levens, maar omdat het voertuig nieuw is, is het resultaat dat het egoische bewustzijn van dit nieuwe samenwerkingsverband zich op natuurlijke wijze identificeert met zijn nieuwe voertuig, en omdat er geen tastbare verbinding bestaat tussen het oude en het nieuwe voertuig is het menselijke ego niet in staat om zijn huidige zelf met dat van zijn vorige incarnatie te identificeren. Het beschouwt zichzelf daarom als een nieuwe ‘schepping’ terwijl het in werkelijkheid een herschepping van zijn vroegere zelf is.

 

Is een toekomstig leven, waarin we niet in staat zijn ons te identificeren met ons huidige zelf, waard om te worden geaccepteerd als persoonlijke onsterfelijkheid?

De reïncarnatieleer houdt geen persoonlijke onsterfelijkheid in of een voortzetting van persoonlijk bewustzijn van de ene incarnatie naar de volgende. Ze verkondigt de continuïteit van de individualiteit en een periodieke reproductie van de persoonlijkheid. Deze gereproduceerde persoonlijkheid is in alle bijzonderheden de persoonlijkheid van de vorige incarnatie met een nieuwe naam. Waarom zou deze lering de hoop van de mens op onsterfelijkheid of een continuïteit van het bestaan niet in vervulling doen gaan? Laten we in onze verbeelding eens teruggaan naar ons vorige leven hier op aarde, en omdat we nu zijn wat we toen waren, moeten we toen hebben gespeculeerd over het leven en ‘ons toekomstige leven’. Stel dat ons toen zou zijn verteld dat na een lange periode van rust we opnieuw zouden terugkomen naar deze aarde en dat we in ‘die toekomst’ (met andere woorden nu) dezelfde persoonlijkheid als in die vorige incarnatie zouden zijn, maar dat we de details van dat leven en ook onze vroegere naam zouden vergeten. Stel verder dat we toen hadden geweten wat we nu weten over ons huidige bestaan – hadden geweten dat het ik-ben-ik of het menselijke ego, waarmee we ons identificeren, z’n bestaan hier zou vervolgen waar het toen was opgehouden en dat deze cyclus keer op keer zou worden herhaald, totdat we een hogere staat van zijn bereiken – stel dat we dit alles toen hadden geweten, zou het niet onze hoop op onsterfelijkheid tot werkelijkheid hebben gemaakt en ons de verzekering van continuïteit van ons bestaan hebben gegeven? En als het onze hoop toen zou hebben verwerkelijkt, zou dan niet diezelfde kennis ons nu de verzekering en hoop kunnen geven voor de toekomst?

 

Stel dat we ons dit zouden herinneren

Stel dat we niet de mogelijkheid hadden om de herinneringen van onze vroegere levens uit te wissen. We zouden ons dan niet alleen de details herinneren van ons vorige leven, maar ook van ontelbare andere levens en we zouden ons die in detail herinneren zoals ook voor het huidige leven het geval is.

Hebben we er niet genoeg aan om de gedachten en herinneringen van dit ene leven te beheersen? Hoe zouden we het moeten klaarspelen als de herinneringen van honderden incarnaties op ons afkwamen? In plaats van één enkel station op de radio zou het zijn alsof we ze allemaal tegelijk zouden aanzetten. Zou zo’n stroom herinneringen, vele misschien van verdrietige of angstaanjagende aard, ons niet overweldigen en ons verhinderen aandacht te schenken aan de plichten van dit leven en het zo belangrijke moment van nu? Verspillen we nu al niet genoeg tijd met nutteloze gedachten over onbelangrijke details van dit huidige leven?

Onze herinneringen zouden natuurlijk niet allemaal ongelukkig zijn. Er zouden vele blije herinneringen zijn en we zouden ervan genieten ons deze weer te binnen te brengen, maar we moeten niet vergeten dat als onze gelukkige herinneringen naar ons zouden terugkeren, dat ook zou gebeuren met de droevige; hoe zouden we weten of de prettige herinneringen de overhand zouden hebben over de droevige?

Als we terugkijken op de geschiedenis zien we beschavingen opkomen, een hoogtepunt bereiken, en dan in verval raken, vaak weggevaagd door horden barbaren, gevolgd door perioden van onwetendheid en spirituele en intellectuele duisternis. We hebben gedurende al die perioden geleefd en deelgenomen aan al die gebeurtenissen. Als we naar een aantal van de meer primitieve rassen van de mensheid van nu kijken en hun manier van leven zien en ons dan realiseren dat ook wij in een of ander ver verleden behoorden tot net zulke rassen, en leefden en handelden zoals zij nu doen, dan moet het voor ons duidelijk zijn, dat ons eigen verleden vele verwerpelijke episoden moet bevatten en dat ook wij deel moeten hebben gehad aan vele tragische gebeurtenissen en vele schokkende belevenissen moeten hebben meegemaakt. Is het niet een feit dat mensen die een of andere tragische gebeurtenis hebben ondergaan, daarvan vaak zo’n schok hebben gekregen, zo’n blijvende indruk, dat ze de rest van hun leven niet meer in staat zijn die van zich af te schudden, en dat de herinnering aan zo’n drama daarna een verlammend effect heeft op al hun activiteiten? Hoe zouden we aandacht kunnen geven aan onze dagelijkse plichten als we werden achtervolgd door niet één, maar door een hele reeks van zulke herinneringen afkomstig uit talloze incarnaties uit het verleden?

Laten we hopen dat al zulke rekeningen zijn vereffend gedurende vele tussenliggende incarnaties. Maar stel dat er nog een of andere onvereffende rekening openstaat die beslist bij ons moet terugkomen, misschien in de vorm van een ongeluk. Zou het vooruitzicht op deze gebeurtenis niet zo’n deprimerend psychologisch effect hebben dat zowel onze mentale als fysieke activiteiten er ernstig door zouden worden gehinderd?

Lijkt het dan niet erop, als we dieper erover nadenken, dat het een barmhartige voorziening is dat de herinneringen uit het verleden voor onze waarneming zijn afgesloten en dat ons een nieuw brein wordt gegeven, en dat we ongehinderd door de ‘spoken’ van het verleden dit leven met een schone lei kunnen beginnen?

 

Stel dat we onze vroegere persoonlijkheden konden identificeren

Gezien vanuit een andere invalshoek, zou het idee dat we ons onze vroegere levens zouden herinneren een aspect krijgen dat aan het belachelijke grenst.

Wanneer we ons onze vorige levens zouden herinneren, zoals dit leven, zouden we in staat zijn onszelf te identificeren met onze vroegere persoonlijkheden. We zouden ons ook onze vrienden en vijanden herinneren uit die dagen en zij zouden zich ons herinneren. Dit zou niet alleen waar zijn voor ons vorige leven, maar ook voor talloze daarvoor. We zouden natuurlijk vele vrienden ontmoeten maar ook veel vijanden hebben en vele oude rekeningen om te vereffenen. Iedere keer dat we iemand tegenkwamen, zouden we ons afvragen: ‘Hoeveel ben ik deze mens nog schuldig – waarmee gaat hij me lastig vallen?’ We zouden vluchtwegen inslaan om schuldeisers te ontwijken, alleen om andere tegen te komen, want al onze financiële transacties en overtredingen zouden natuurlijk ook worden herinnerd.

Als we dit beeld in onze voorstelling nog iets verder doorvoeren, kunnen we zien dat als al onze herinneringen zouden zijn bewaard, dit een heel ongemakkelijke wereld zou zijn om in te leven.

Is het zonder deze kennis tot dusver niet heel aardig met ons gegaan en is het leven niet eenvoudiger gemaakt door het ontbreken ervan, want zonder deze kennis zijn we vrij om iedere persoon die we ontmoeten te beschouwen als een vroegere vriend of een potentiële vriend? Als het een oude vriend is, worden we al snel tot elkaar aangetrokken, want ‘de vrienden die ik zoek, zoeken mij’ zoals Walt Whitman het uitdrukt.

Als het aan de andere kant toevallig een oude vijand zou zijn, hoe eerder we hem tot een vriend maken des te beter het voor ons beiden zou zijn, en hoe minder we zouden weten over onze vroegere onenigheden des te gemakkelijker de situatie ten gunste kan veranderen.

 

Wat zouden we ermee winnen als we wisten wie we in vroegere incarnaties waren?

Als het toevallig één van de grote figuren uit de geschiedenis zou betreffen, zou dat natuurlijk onze ijdelheid strelen, en degenen die zeggen zich hun laatste incarnaties te herinneren, beweren in het algemeen dat ze een of andere grote heerser of militaire leider, een prinses of een andere beroemde figuur uit het verleden zijn geweest. Er is bijna geen psychiatrische inrichting die niet minstens één Napoleon, en soms meerdere, in huis heeft en er zwerven zeker een flink aantal Jeanne d’Arcs rond. Af en toe verkondigt iemand bescheiden dat hij een incarnatie van Jezus is.

De enige moeilijkheid met deze beweringen over vroegere incarnaties is dat gewone mensen zich hun vroegere levens niet in detail kunnen herinneren, totdat ze de vereniging hebben bereikt met hun hogere ego en dan zijn ze niet langer gewone mensen. Ons is verteld dat de meesters van wijsheid, die deze vereniging hebben bereikt, zich hun vorige levens wel kunnen herinneren, maar zij die dat kunnen zullen nooit in het openbaar aanspraak maken op dit vermogen. Mensen die dat wel doen zijn het slachtoffer van zelfmisleiding die in alle eerlijkheid kan worden gevolgd, maar niettemin misleiding of zelfbedrog is.

Zouden we iets ermee winnen door te weten wie we in een vroegere incarnatie waren, iets dat opweegt tegen de nadelen van deze kennis?

Zou ons huidige leven een andere richting hebben genomen als we het hadden geweten? We zouden nog steeds hetzelfde karakter hebben gehad, dezelfde collectieve herinnering van al onze voorbije levens, en als we hetzelfde karakter hadden, zouden we dan niet uiteindelijk ongeveer op dezelfde plaats zijn uitgekomen, of we nu wel of niet onze vroegere persoonlijkheden kennen?

 

Evolutie en het verlies van herinnering

Het doel van het leven is vooruitgang naar hogere zijnstoestanden, en het middel om dit te bereiken is ervaring die tijdens herhaalde incarnaties wordt opgedaan. Om het grootste voordeel uit ons bestaan hier te verkrijgen moet ons hele wezen ongebonden en vrij zijn om zijn volle aandacht te concentreren op zijn taken hier en dit zou onmogelijk zijn als ons denken was vervuild met allerlei soorten resten van herinneringen uit vorige levens. De enige manier waarop we volledig voordeel kunnen trekken uit de kansen die een nieuw leven biedt, is te beginnen met een geest die vrij is van zulke resten, en dit is precies waarin de natuur voorziet door ons een nieuw lichaam en nieuwe hersenen te geven.

De persoonlijkheid is tijdelijk ons voertuig, maar als zij haar doel heeft gediend, wordt ze als een lege schil opzij geworpen. De essentie ligt in het karakter en in het blijvende deel van het menselijke ego.

De oude Grieken, die nog iets van de leringen van de oude wijsheid hadden bewaard, realiseerden zich dat voordat de ziel naar de aarde terugkeerde voor een nieuwe incarnatie, alle herinneringen aan vroegere levens moesten worden uitgewist. Zij stelden het idee symbolisch voor door te leren dat de ziel in haar afdaling uit hogere sferen, voordat ze het materiële bestaan binnenging, de Lethe moest oversteken, ‘de rivier van vergetelheid’ en van haar water moest drinken. Dit wiste de herinnering uit, niet alleen van incarnaties uit het verleden maar ook van de gelukzalige droomtoestand tussen incarnaties en van de kennis van de ziel over haar goddelijke oorsprong. Zonder de tussenkomst van zo’n vergetelheid zouden gedetailleerde herinneringen aan onze vroegere levens onze vooruitgang vertragen, en zou een voortdurend verlangen naar de vrede en gelukzaligheid die we in de hogere zijnstoestanden hebben ervaren ons misschien tot onpraktische dagdromers maken, in plaats van actieve personen die pogen diezelfde vrede en gelukzaligheid in dit leven hier op aarde in praktijk te brengen.

 

Vastgelegde feiten bewaard in het hogere ego

Terwijl gedetailleerde herinneringen uit het bewustzijn van het menselijke ego zijn uitgewist, blijft een volmaakte optekening hiervan bewaard in het permanente deel, het hogere ego. Door deze feiten in te zien, is het menselijke ego onder de speciale omstandigheden die heersen bij de dood en kort voor de geboorte, in staat een ‘panoramisch overzicht’ van zijn vorige en toekomstige leven te krijgen.

Door deze vastgelegde feiten ziet het hogere ego dat de toekomst slechts de uitkomst is van het verleden en herkent de rechtvaardigheid van alles dat zijn vertegenwoordiger, het menselijke ego, in zijn volgende incarnatie zal ontmoeten, en omdat het menselijke ego intuïtief deze het bewustzijn te boven gaande kennis waarneemt, accepteert de gemiddelde mens de vaak nederige positie in het leven die hem is toegekend door wat lijkt op ‘een onberekenbaar lot’.

Is het geen opmerkelijk feit dat de grote meerderheid van de mensen de last van het leven op zich neemt en deze geduldig tot het eind toe draagt, ondanks de schijnbare onrechtvaardigheid waaronder de meesten van hen lijden?

 

Een ernstige beproeving

In de toekomst, als het menselijke ego één is geworden met het hogere ego, zal het volledige verslag van al zijn voorafgaande levens voor zijn innerlijke geestesoog worden ontvouwd. De meesters van wijsheid die deze ervaring hebben doorgemaakt zeggen ons dat in bijna ieder geval deze terugblik wordt ondergaan met een gevoel van buitengewone droefheid en spijt. Een gewoon mens zou de schok niet aankunnen – deze zou krankzinnigheid of de dood tot gevolg kunnen hebben, maar het is een noodzakelijke stap in onze evolutie die vroeg of laat door iedereen moet worden genomen.

Niemand die deze ernstige beproeving heeft doorstaan zou over het zich herinneren van vorige incarnaties oneerbiedig spreken, maar zodra hij het overzicht eenmaal had gezien, zou hij blij zijn de deur naar het verleden te sluiten en zich in plaats daarvan op de toekomst te richten.

Dat we ons onze vorige levens niet herinneren is daarom geen bewijs dat we die levens niet hebben geleefd; en dit is een uiterst barmhartige regeling en de meest geschikte voor onze ongehinderde groei en evolutie.

 

Waarom varieert het bevolkingsaantal van de aarde?

Hoe kan de variatie in het bevolkingsaantal van de aarde worden verklaard wanneer de oude wijsheid leert dat het dezelfde zielen zijn die steeds weer incarneren en dat er geen nieuwe zielen worden ‘geschapen’ en geen oude vernietigd? Zou onder deze omstandigheden het aantal bewoners van de aarde niet constant moeten blijven?

Het aantal menselijke zielen dat hun ‘thuis’ op deze aarde hebben is constant, maar van dit enorme aantal is slechts een klein deel op een bepaald moment in fysieke lichamen geïncarneerd. Het overgrote deel bestaat op de innerlijke, spirituele gebieden van het zijn.

De gedachte kan met de volgende illustratie worden toegelicht: Laten we aannemen dat een stad met vaste grenzen in zijn centrum een groot openbaar gebouw heeft voor zakelijke transacties. De populatie binnen de stadsgrenzen ligt vast en is constant, maar het aantal bezoekers in de hal varieert van tijd tot tijd; een groter aantal in de hal betekent een kleiner aantal erbuiten en andersom. Evenzo betekent een toename of afname van de bevolking van de aarde een overeenkomstige afname of toename in het aantal ontlichaamde wezens, maar geen verandering in het totale aantal entiteiten dat tot de aarde behoort.

 

Waarom zou een ego naar deze aarde terugkeren? Waarom niet naar een andere planeet?

Omdat het universum een ‘praktijkschool’ is en deze aarde het ‘klaslokaal’ is dat het meest met ons stadium van ontwikkeling overeenkomt. Het is daarom de plaats die het best bij ons past en de plaats waar we het snelst en gemakkelijkst kunnen leren.

We moeten door alle ervaringen heengaan, alle lessen leren op onze tocht naar de vervolmaking, en zelfs als we naar een andere planeet of bewustzijnstoestand konden ontsnappen, zouden we toch de lessen moeten leren die we hier niet hebben geleerd en dan mogelijk onder minder gunstige omstandigheden.

Een jongetje dat na de eerste schooldag thuiskwam werd gevraagd hoe het was gegaan, waarop hij antwoordde: ‘Niet zo goed. Ik moet morgen weer terugkomen’. Voor we ons de omvang realiseren van de taak die voor ons ligt, denken we misschien ook dat we in één dag kunnen slagen, maar net zoals moeder de volgende dag haar zoontje terugbrengt naar dezelfde school, waarmee hij vertrouwd begint te raken, zo neemt ook moeder natuur ons terug naar de school waarmee we het meest vertrouwd zijn, totdat we gereed zijn om over te gaan naar een volgend stadium.

Maar er is nóg een reden waarom we juist naar deze aarde moeten terugkeren in plaats van ergens anders heen te gaan. Die reden is dat deze aarde het terrein is waarin we in vroegere levens onze zaden van gedachten en handelingen hebben gezaaid, en zoals een boer zijn oogst binnenhaalt van het veld waar hij heeft gezaaid, zo moeten ook wij hier terugkomen en onze oogst binnenhalen waar we die hebben gezaaid.

 

Hoe zullen we onze vrienden en geliefden in een ander leven terugvinden?

Op dezelfde manier als we ze deze keer hebben gevonden. We zijn in een familie gekomen die ons liefhebbende ouders en misschien broers en zusters heeft gegeven, en in ons volgende leven zullen we weer met hen zijn verbonden, misschien niet precies in dezelfde relaties, maar zo dichtbij als onze wederzijdse aantrekking ons zal brengen.

Onze vrienden buiten de familiekring zullen we op allerlei manieren ontmoeten, zoals dat ook nu is gegaan. Soms horen we iemand zeggen nadat hij iemand die hij niet kent heeft ontmoet: ‘Het lijkt wel of ik die persoon mijn hele leven al heb gekend’. De onbekende blijkt misschien iemand te zijn met wie we veel interesses delen en misschien een levenslange vriendschap sluiten. Het is een oude vriend met wie we de band hebben vernieuwd.

Anderen die we ontmoeten lijken ons vijandig gezind en een vergelijkbaar gevoel komt bij ons op ten opzichte van hen. Het is een oude vijand die we opnieuw ontmoeten, iemand die we misschien onrechtvaardig hebben behandeld of die dat met ons heeft gedaan. Alle rekeningen moeten worden vereffend; evenwicht en harmonie moeten worden hersteld overal waar die verstoord zijn geraakt, zegt de oude wijsheid. Onaangename gevoelens moeten worden vervangen door welwillendheid, want ‘aan haat komt geen einde door haat; aan haat komt een einde door liefde’. We moeten proberen dit individu te begrijpen en het goede in hem te zien, want dat is er en hoe eerder we aan de taak beginnen des te beter, want hij zal ons pad steeds weer kruisen totdat we hebben geleerd elkaar te begrijpen.

 

Afwisselende cyclussen van activiteit en rust bevorderen de evolutie van de mens

Als voor onze evolutie zoveel tijd nodig is, zou het dan niet beter zijn als we voortdurend zouden blijven leven in plaats van te sterven en te worden wedergeboren?

We brengen een derde van iedere vierentwintig uur slapend door en beschouwen dat niet als tijdverspilling, want we zien de voordelen in die deze onderbreking van onze fysieke activiteiten ons oplevert. Een taak die voor ons onoverkomelijk lijkt als we na een dag werken uitgeput zijn, kunnen we na een verkwikkende nachtrust gemakkelijk aan. Een probleem dat we met vermoeide, duffe hersenen niet aankonden, kan de volgende ochtend met een frisse aanpak gemakkelijk worden opgelost. Als we zouden proberen dag in dag uit vierentwintig uur actief te blijven, zouden we geleidelijk steeds minder presteren en ons lichaam en zenuwstelsel zouden tenslotte instorten.

Ook op een grotere tijdschaal slijt het lichaam en raakt het bewustzijn vermoeid. Het moet rusten en zichzelf verfrissen, en zoals de natuur ons in haar wijze voorziening van dag en nacht praktisch dwingt om voor ons eigen welzijn en onze eigen bescherming dagelijks rust te nemen, zo dwingt zij de mens ook, om dezelfde reden, om de langere rust van de dood te nemen. Hij hernieuwt in die periode zijn vitaliteit door een bestaan op innerlijke, geestelijke gebieden.

En er zijn andere voordelen die mogelijk worden gemaakt door deze cyclische onderbrekingen en hervattingen van ons fysieke bestaan.

We kunnen niet ons leven lang hetzelfde stel kleren blijven dragen; als het niet zou verslijten, zouden we er wel uitgroeien. De kleding die een kind past, zou een volwassene niet aankunnen en zouden zijn handelingen belemmeren. Een volwassene moet nieuwe kleding hebben die bij zijn maat past en die beter is aangepast aan zijn meer uitgebreide activiteiten.

Evenzo kan iemand zijn milieu ontgroeien, en de methode van de natuur om hem ‘nieuwe kleren te geven’ of in nieuwe omstandigheden te plaatsen, is door middel van reïncarnatie.

Een ononderbroken bestaan met kleine geleidelijke veranderingen zou hem niet dezelfde kans geven voor verbetering als een volledige verandering. Een ouderwets huis zal door een paar veranderingen hier en daar geen moderne woning worden – dit vereist dat men het oude bouwwerk afbreekt en, met gebruik van een deel van het oude materiaal en ook wat nieuw, het volgens een nieuw en beter ontwerp weer opbouwt.

De natuur herhaalt haar processen voortdurend. De bomen en planten hebben hun seizoengebonden activiteit in de lente en de zomer, en een rustperiode in de herfst en in de winter. Deze onderbreking van de continuïteit is niet alleen goed voor bomen en planten, maar ook voor de boer die misschien het wieden van onkruid op zijn land heeft verwaarloosd. Als het in de winter gaat vriezen, wordt het onkruid gedood, en als het lente wordt heeft de boer een nieuwe kans om zijn gewas in de gaten te houden en het onkruid eruit te halen terwijl het nog jong en zwak is.

Wij mensen zijn een deel van de natuur en zijn onderworpen aan haar wetten. Ook wij weten hoe moeilijk het is om een gewoonte of een fout die we tijdens ons leven hebben laten groeien af te leren of te boven te komen, en wat een voordeel het is als we deze taak van het aanleren van goede gewoonten en het vormen van een edel karakter kunnen beginnen als we nog een kind zijn.

De natuur biedt ons bij iedere nieuwe geboorte in het fysieke bestaan een kans om opnieuw te beginnen.

 

Onevenredige tijdsperioden

Waarom is de periode tussen incarnaties zo lang vergeleken met het geïncarneerde bestaan? Wij mensen zijn deel van iets veel groters dan ons menselijke zelf, en tijdens het interval tussen levens op aarde gaat de hogere kant van onze natuur verder met zijn eigen evolutie in sferen ver boven die waar het menselijke ego verblijft, terwijl dit menselijke ego zijn gelukzalige dromen van na de dood ervaart of onbewust blijft wachten op zijn volgende incarnatie. De tijdsperioden die nodig zijn voor deze ervaringen zijn naar verhouding zoveel groter dan die van het geïncarneerde bestaan omdat de hogere beginselen in ons zoveel grootser zijn dan het menselijke bewustzijn.

De tijd van ons geïncarneerde bestaan is daarom slechts een fractie van een grotere tijdscyclus, een terugkerend tussenspel tussen twee veel langere perioden waarin de straal op geestelijke gebieden actief is.

Zoals ‘een dag voor het lichaam een nacht is voor de ziel’, zo is de innerlijke god beroofd van zijn vrijheid van handelen gedurende het geïncarneerde bestaan. Maar de dood verbreekt de banden met het lagere deel van de menselijke constitutie en dit laat de hogere beginselen vrij om terug te keren naar hun respectieve bestaansgebieden. Zoals ‘de nacht voor het lichaam een dag is voor de ziel’, zo worden de hogere beginselen nu volledig actief op hun eigen gebieden en beginnen wat voor hen het werkelijke bestaan is. Deze activiteiten vereisen zulke immense tijdsperioden dat de duur van het geïncarneerde bestaan in vergelijking daarmee onbetekenend lijkt.

 

Waarom daalt de innerlijke god eigenlijk af naar de lagere bestaansgebieden?

Als de innerlijke god van de mens zijn ware bestaan op spirituele gebieden ver boven het fysieke heeft, waarom heeft deze dan ooit enige verbinding met dit materiële gebied?

Omdat zowel de zichtbare als de onzichtbare natuur één enorm organisme van onderling afhankelijke wezens is waarin alle levenseenheden elkaar wederzijds helpen in hun evolutie. De hoger geevolueerde helpen de minder geëvolueerde, terwijl tegelijkertijd deze ervaring hun eigen evolutie bevordert. Zo is de innerlijke god van de mens, zijn Vader in de Hemel, voortdurend bezig te proberen zijn ‘kind’, de mens, te helpen en te stimuleren door zijn vergeestelijkende invloed uit te stralen naar het bewustzijn van de mens.

Gedurende het geïncarneerde leven beperkt de innerlijke god vrijwillig zijn eigen vrijheid en ‘transformeert’ de intensiteit van zijn activiteit ‘omlaag’ naar het niveau waarop het menselijke ego functioneert. Het lijkt op een stukje slow-motion in het midden van een film, waarvan het minder geëvolueerde menselijke ego kan profiteren. Gedurende deze periode heeft het menselijke ego de gelegenheid vooruitgang te boeken.

Maar op hetzelfde moment dat dit het menselijke ego ten goede komt, doet ook de innerlijke god ervaringen op die deze op geen andere manier zou kunnen verkrijgen. Het is als de relatie tussen ouders en kinderen. Het kind vindt baat bij de hulp die het ontvangt, maar onbewust leert het ook zijn ouders dingen die zij op geen enkele andere wijze zouden kunnen leren. Ze moeten veel van hun vrijheid opgeven en in zekere zin offeren ze zichzelf op voor de bescherming en het welzijn van het kind, maar hierdoor ontwikkelen ze op hun beurt sympathie, begrip en mededogen, en bevorderen zo de evolutie van de geestelijke kant van hun natuur.

Plotinus (205 – 270 n.Chr.), de grote filosoof van de neoplatonische school, geeft ons in een prachtige omschrijving de reden waarom de ziel afdaalt in de stof en de voordelen die zij daarvan ondervindt, en laat zien dat de ziel het fysieke leven moet ervaren om daardoor haar geestelijke bestaan beter te waarderen.

De uiteenzetting van Plotinus volgt hieronder. De interpretatie van bepaalde woorden door de schrijver staat tussen haakjes.

Hoewel de ziel van goddelijke oorsprong is en voortkomt uit hoge regionen, wordt ze opgenomen in de donkere vergaarplaats van het lichaam, en omdat ze van nature een aankomende god [een god in wording] is, daalt ze naar hier af door een zekere vrijwillige neiging, omwille van de macht en voor het verfraaien van lagere zaken [om betekenis en waardigheid aan het materiële leven te verlenen]. Hierdoor ontvangt zij kennis over haar latente vermogens en laat een diversiteit aan voor haar natuur specifieke werkingen zien die door voortdurend in een onstoffelijke omgeving te verkeren [een ontlichaamde toestand], en zich nooit in energie te begeven [actief gebruik van latente krachten], haar anders voor niets zouden zijn gegeven. . . . Door een overvloed aan verlangen raakt de ziel diep verzonken in de materie en verblijft niet langer volledig bij de universele ziel. Toch kunnen onze zielen afwisselend zich vandaar verheffen, waarbij ze een ervaring van wat zij hebben gekend en ondergaan in hun gevallen [belichaamde] staat met zich mee terug dragen; en waardoor ze zullen leren hoe gezegend het is in de begrijpelijke [geestelijke] wereld te vertoeven, en door vergelijking van tegengestelden als het ware duidelijker het voortreffelijke van een hogere toestand zullen beseffen. Want de ervaring van het kwade leidt tot een meer heldere kennis van het goede. Dit wordt in onze zielen tot stand gebracht in overeenstemming met de kringlopen van de tijd [cyclische incarnaties], waarin een omzetting plaatsvindt van ondergeschikte tot meer verheven naturen [de mens evolueert tot het goddelijke].

 

De symboliek van de kruisiging

De periode van incarnatie waarbij de innerlijke god is verbonden met de tussenliggende en lagere delen van de mens en deze verlicht, is in zekere zin een ‘kruisiging’ van de innerlijke god op het ‘kruis van de materie’ en dit heeft geleid tot het verhaal van de kruisiging van Christus.

In dit verhaal dat eerder symbolisch dan letterlijk moet worden opgevat is het menselijk lichaam en het persoonlijke ego ‘het kruis van de materie’, de ‘last’ die de innerlijke god vrijwillig op zich heeft genomen om te dragen en waaraan hij tijdens de periode van incarnatie is ‘vastgenageld’.

In de symboliek van de misdadigers die samen met Christus werden gekruisigd, is degene die berouw heeft en tegen wie Christus gezegd zou hebben: ‘Heden zult u met mij in het paradijs zijn’ (Lucas 23:43), dat gedeelte van het menselijke ego dat zich tijdens het leven op het hogere heeft gericht. Dit is het hogere aspect van het menselijke ego dat na de tweede dood de hemelse postmortale droomstaat binnengaat. De neigingen van de lagere natuur van de mens die niet zijn gezuiverd worden weergegeven door de andere misdadiger.

 

Speciale gevallen

Een werkelijke herinnering aan een vorig leven

Een gewoon individu kan zich onder normale omstandigheden zijn vroegere levens niet herinneren om redenen die al zijn uitgelegd. Werkelijke uitzonderingen op deze regel zijn zeldzaam, maar soms horen we van iemand die zich een vorig leven herinnert met details die kunnen worden geverifieerd.

Eén zo’n geval werd gerapporteerd in de bijlage ‘American Weekly’ van de San Francisco Examiner van 1 december 1937. Dit verslag, dat is voorzien van foto’s en meer dan twee krantenpagina’s beslaat, is gemaakt door een commissie van drie prominente burgers uit Delhi, India, die het geval hebben onderzocht. Het hoofd van de commissie was de directeur van een toonaangevende krant uit Delhi. Een ander commissielid was een leider van de Nationale Congrespartij van India en een naaste medewerker van Mohandas Gandhi en tevens een van de meest vooraanstaande advocaten van Delhi (de namen werden gegeven).

De commissie besteedde alle mogelijke zorg aan het controleren van alle gegevens die onder hun aandacht kwamen. Uit dit zeer volledige rapport waarin namen, adressen en data worden gegeven, vernemen we dat een klein meisje in Delhi, dat op het moment van het schrijven van het rapport elf jaar was, op vierjarige leeftijd tegen haar ouders begon te praten over dingen die ze zich uit haar vorige leven herinnerde, waarin ze naar haar zeggen in Muttra had gewoond, een stad 145 kilometer van Delhi.

Toen ze ouder werd zei ze dat ze in Muttra getrouwd was geweest, ze noemde de naam van haar man en zei dat hij van beroep stoffenhandelaar was. Ze zei dat haar vorige lichaam was gestorven toen ze 23 was, een jaar voordat zij, het huidige kind van elf, was geboren. In dat vorige leven had ze een dochter en een zoon. Ze gaf het adres van de vroegere zaak, beschreef de details van het huis en ook van een tempel in de buurt en van straten en wegen die naar haar vroegere huis leidden. Ze zei dat er een waterput in een hoek van de binnenplaats was en dat ze in een bepaalde kamer wat geld onder de vloer had verborgen.

Men nam per brief contact op met haar vroegere echtgenoot in Muttra en hij bevestigde dat de gegeven informatie in hoofdlijnen correct was. Later kwam de echtgenoot met een zoon – het kind van de overleden vrouw van wie de ziel nu belichaamd was in het elf jaar oude meisje – naar Delhi om het meisje te ontmoeten, en ze herkende haar vroegere man onmiddellijk. De man stelde haar vragen die alleen zijn vroegere vrouw zou kunnen beantwoorden en zij gaf de juiste antwoorden. De man raakte er volkomen van overtuigd dat dit dezelfde ziel was als die van zijn eerste vrouw.

Een man die ze niet eerder had gezien kwam haar bezoeken en vroeg haar of ze hem kende. Ze antwoordde hem correct dat hij de jongere neef van haar vroegere echtgenoot was.

De commissie bracht het meisje vervolgens per trein naar Muttra, de stad waar ze vroeger had gewoond.

Toen ze uit de trein stapte herkende ze tussen een groep mensen op het perron een oudere broer van haar vroegere man.

Ze gingen het station uit en ze nam voorin plaats in een rijtuig en men zei haar de bestuurder naar haar oude huis te laten rijden. Zonder moeite wees ze de weg en merkte nog op dat de weg vroeger niet was geasfalteerd en ze herkende gebouwen langs de weg en gaf op vragen daarover de juiste antwoorden, wees op nieuwe gebouwen en liet het rijtuig tenslotte stoppen in een laan waar het oude huis stond. De kleur van het huis was veranderd, maar ze vond het zonder veel problemen. Ze wees de kamer aan waarin ze vroeger woonde en bleek heel goed op de hoogte te zijn van alle hoekjes en gaatjes van het huis.

Ze vroeg of men haar naar haar andere huis kon brengen (want ze had op twee plaatsen gewoond). Ze leidde zelfstandig het gezelschap daarheen en herkende later haar tweede huis eveneens moeiteloos. Hier had ze het geld verborgen en hier zou de waterput zijn.

Dit was de plaats, zei ze, waar ze het grootste deel van haar vorige leven had doorgebracht en ze ging het huis binnen alsof ze nog steeds de vrouw des huizes was.

Toen haar werd gevraagd de waterput aan te wijzen waarover ze in Delhi had gesproken, holde ze naar de kleine binnenplaats van het huis en was erg van streek toen ze daar helemaal geen waterput vond, maar terwijl ze naar een bepaalde hoek wees, zei ze vol zelfvertrouwen: ‘hier was de put’. Toen men een steen weghaalde kwam de put, die men een paar jaar eerder had afgesloten, tevoorschijn.

Toen men haar vroeg naar haar zogenaamde schat, bracht ze het gezelschap naar haar vroegere kamer en terwijl ze naar een bepaalde plek in een hoek wees, zei ze dat het geld daaronder was verborgen. Men maakte de vloer open en men vond een kistje onder de grond voor het bewaren van waardevolle dingen, maar er zat geen geld in. Het meisje hield vol dat het geld daar moest zijn, maar men kon het niet vinden. Later kwam men erachter dat haar vorige echtgenoot het geld na de dood van zijn vroegere vrouw eruit had gehaald.

Toen ze nog in Delhi was kon ze zich nog heel weinig herinneren van haar ouders in haar vorige leven, maar toen men haar naar het huis van haar ‘ouders’ in een andere straat in Muttra bracht, herkende ze dat niet alleen, maar ze was ook in staat haar oude ‘vader’ en ‘moeder’ te identificeren in een groep van meer dan vijftig mensen.

De zoon die in haar vorige leven bij haar was geboren en die de indirecte oorzaak van haar dood was geweest, was nu twaalf jaar, een jaar ouder dan zijzelf, maar toch voelde ze moederlijke genegenheid voor hem. Ze voelde nauwere banden van verwantschap met deze zoon en met haar vroegere echtgenoot dan met de leden van haar nieuwe familie en ze was erg verdrietig toen ze de oude omgeving moest verlaten en terug moest naar Delhi.

Het rapport eindigt met een verklaring onder ede door de neef van de vroegere echtgenoot, waarin een reeks vragen die hij heeft gesteld en de antwoorden die het meisje gaf zijn opgetekend. Als resultaat van dit interview raakte de neef ervan overtuigd dat het meisje een familielid was ‘dat nu in een ander lichaam woonde’.

Hier is dus een geval waarvan de echtheid zo goed is bewezen als een redelijke onderzoeker zich het maar zou kunnen wensen, en dat vertelt over een ziel, een ego, dat zich het vorige leven herinnert en daarvan het bewijs levert. Het geval is abnormaal, want de reïncarnatie vond bijna onmiddellijk na de dood plaats. Als het normaal was geweest, zou er tussen de incarnaties een interval van honderden of duizenden jaren hebben gezeten, en we zouden nooit ervan hebben gehoord, want zulke gedetailleerde herinneringen zouden zo’n kloof nooit kunnen overbruggen. Omdat dit een afwijkend geval is, kan het dienen als een uiterlijk zichtbaar bewijs dat reïncarnatie een realiteit is.

 

Wat veroorzaakte deze abnormale situatie?

Waarom dit juist bij deze ziel gebeurde kunnen we gemakkelijker begrijpen na het bestuderen van hoofdstuk 8, ‘Karma’.

Hoe het gebeurde is moeilijk te verklaren. Misschien was een buitengewoon sterke gehechtheid aan degenen van wie ze hield, samen met het feit dat haar leven vroegtijdig werd afgebroken, voldoende om de natuurlijke neiging om over te gaan in de normale postmortale toestanden, te overwinnen en haar weer geboren te doen worden. Het feit dat het modellichaam en de psychische energieën van de persoonlijke natuur niet de tijd hadden zich volkomen te verspreiden, biedt misschien enige verklaring voor de overdracht van herinnering. Men kan alleen erover speculeren. Men zou over het inzicht en de wijsheid van een meester moeten beschikken om een volledige verklaring te geven.

Het is een triest geval en erg ongelukkig voor de ziel die het moet ervaren, want zij vindt zichzelf geplaatst tussen tegengestelde belangen en verplichtingen die haar in verschillende richtingen trekken. Het toont de complicaties die zouden kunnen ontstaan en ons in de war brengen als ieder van ons zijn vorige levens zou herinneren, en het toont hoe blij we mogen zijn dat we dat niet kunnen.

 

De adepten weten uit ervaring

Voor hen die erin zijn geslaagd hun menselijke ego bewust te verenigen met hun hogere ego, is reïncarnatie niet slechts een werkhypothese, maar een bewezen feit, want zij hebben deze ervaring ondergaan in het volle bezit van hun egoïsche bewustzijn.

H.P. Blavatsky en haar opvolgers hebben hun leringen over dit onderwerp in verschillende theosofische boeken voor ons beschikbaar gemaakt.

De geïnteresseerde die de studie over dit onderwerp verder wil voortzetten wordt in het bijzonder verwezen naar de hoofdstukken ‘Wedergeboorte zoals door de eeuwen heen onderwezen’ en ‘Hoe de mens wordt geboren en wedergeboren’ in De Esoterische Traditie door G. de Purucker.

 

Transmigratie – verkeerd en juist opgevat

Veel voorkomende onjuiste informatie over het onderwerp

Een van de redenen waarom de reïncarnatieleer zoveel weerstand heeft ontmoet is het feit dat mensen die niet goed waren geïnformeerd hebben begrepen dat deze zou betekenen dat de menselijke ziel in het lichaam van een dier zou worden wedergeboren.

Dit wijdverbreide misverstand, dat al eeuwen bestaat, komt algemeen voor en heeft geleid tot veel ongegronde kritiek en had tot gevolg dat men de ware lering belachelijk maakte. Het is daarom niet ongebruikelijk dat als het woord reïncarnatie valt, iemand in lachen uitbarst en roept: ‘Ik wil niet als een kat terugkomen’. De grap die zo leuk lijkt is gebaseerd op onwetendheid van de criticus en is niet van toepassing op leringen van de oude wijsheid over dit onderwerp. Die stellen onomwonden dat wanneer de monade eenmaal tot het menselijke stadium is geëvolueerd deze zich niet in iets dat lager is dan de mens kan belichamen. Het mindere kan het grootsere niet bevatten, en dierlijke hersenen en een dierlijk denkvermogen zijn evenmin in staat om als voertuig te dienen voor het menselijke bewustzijn, als dat een glas van een deciliter een liter vloeistof kan bevatten. Bovendien is de gang van de evolutie voorwaarts en opwaarts, en er is geen reden voor de monade om een stap terug te doen naar een lager stadium, zelfs als ze dat zou kunnen.

Een andere factor die heeft bijgedragen aan het verkeerd begrijpen van dit onderwerp is de verwarring die bestaat ten aanzien van termen die worden gebruikt om de wedergeboorte van de menselijke ziel aan te duiden.

Er worden verschillende aspecten van de algemene leer over wederbelichaming aangeduid met de volgende woorden (zie dr. G. de Purucker in zijn De Esoterische Traditie, blz. 325):

preëxistentie
wedergeboorte
palingenese
transmigratie
metempsychose
reïncarnatie
metensomatose

Elk van deze termen heeft een specifieke betekenis, maar encyclopedieën en woordenboeken behandelen deze min of meer als synoniemen en ze worden in het algemeen in verband gebracht met het idee van wedergeboorte in dierenlichamen.

Van deze termen is reïncarnatie relatief nieuw en kreeg in de 19de eeuw algemene bekendheid voornamelijk door de geschriften van H.P. Blavatsky en haar volgelingen. Veel gebruikte termen in oudere literatuur zijn preëxistentie, metempsychose of transmigratie.

Zoals al is uitgelegd verwijst de term reïncarnatie naar belichaming in voertuigen van vlees. Het is daarom juist de term te gebruiken voor de wederbelichaming van een menselijk ego in een menselijk lichaam, maar men moet deze nooit interpreteren in de zin van wedergeboorte van een menselijk ego in het lichaam van een dier.

 

Exoterische en esoterische leringen

Op dit punt komt vanzelfsprekend de vraag bij ons op: Hoe kon dit verkeerde idee ontstaan en zo algemeen worden verbreid als het in strijd is met de leringen van de oude wijsheid over dit onderwerp?

Er zijn veel factoren die gezamenlijk tot dit resultaat hebben geleid. Misschien is de belangrijkste daarvan de tweeledige methode van onderwijs die door de Ouden werd toegepast en die we hieronder schetsen.

De oude wijsheid bevat veel leringen over de verborgen krachten van de natuur die, als ze op zelfzuchtige wijze werden gebruikt, onnoemelijke schade zouden kunnen veroorzaken. Om deze reden zou het gevaarlijk zijn geweest alle leringen openlijk en aan iedereen bekend te maken. De innerlijke, diepere leringen werden daarom alleen gegeven aan hen die na jaren training en vele zware beproevingen betrouwbaar waren bevonden, en die de nodige achtergrond hadden om de leringen te begrijpen. Zij die deze leringen ontvingen moesten een eed van geheimhouding afleggen, en het is daarom geen wonder dat slechts fragmenten van deze leringen tot in onze tijd bewaard zijn gebleven.

Maar de grote massa, die de vereiste beproevingen niet kon of wilde ondergaan of niet in staat was de diepere leringen te begrijpen moest ook worden onderwezen en moest iets hebben als leidraad voor hun handelingen. Om hen te helpen werd in fabels of parabelen bedekt naar de innerlijke leringen verwezen, of ze werden in een versluierde vorm gepresenteerd als theatervoorstellingen waarin ideeën door personen werden weergegeven, en eigenschappen in de menselijke natuur door verschillende dieren werden gesymboliseerd.

Deze tweeledige methode van onderwijs werd door de Ouden algemeen toegepast. Zij werd gebruikt in tempels en mysteriescholen door Pythagoras, Plato, en alle grote meesters. Dat Jezus haar ook toepaste is ons bekend omdat hij tegen zijn discipelen zou hebben gezegd: ‘U is het gegeven de mysteriën van het koninkrijk Gods te kennen, maar aan anderen (worden ze gepredikt) in gelijkenissen, opdat zij ziende niet zien en horende niet begrijpen’ (Lucas 8:10).

De Qabbalah of Kabbala is de geheime leer van de joden. In het belangrijkste boek ervan, de ‘Zohar’, vinden we een uitspraak die erop neerkomt dat iemand die beweert de Hebreeuwse bijbel in zijn letterlijke betekenis te begrijpen een dwaas is (geciteerd in De Esoterische Traditie, blz. 36).

Maimonides, een van de grootste joodse rabbi’s uit de Middeleeuwen, schrijft: ‘Wat in het boek van de Schepping staat geschreven, moeten we nooit letterlijk opvatten. . . . Letterlijk opgevat bevat dat boek de meest absurde en vergezochte denkbeelden over het goddelijke’ (geciteerd in De Esoterische Traditie, blz. 36).

Origenes, de Alexandrijnse geleerde en kerkvader die in de tweede en derde eeuw na Christus leefde, schrijft:

In Egypte hebben de filosofen een hoogst edele en geheime wijsheid over de aard van het goddelijke, een wijsheid die aan het volk uitsluitend in een gewaad van allegorieën en fabels wordt bekendgemaakt. . . . Alle oosterse volkeren – de Perzen, de Indiërs, de Syriërs – verbergen geheime mysteriën onder een waas van religieuze fabels en allegorieën; de werkelijk wijzen [de ingewijden] van alle volkeren begrijpen de betekenis ervan; maar de onwetende menigte ziet alleen de symbolen en het bedekkende kleed.
    – Origenes: Contra Celsum, boek I, hfst. xii, geciteerd in De Esoterische Traditie, blz. 36

De Franse geleerde en schrijver Antoine Fabre d’Olivet (1768 – 1825) zegt:

Het is algemeen bekend dat alle vooraanstaande figuren, zowel onder de Ouden als uit deze tijd, alle geleerden die wat betreft kennis en werk hun sporen hebben verdiend, het erover eens zijn dat de voorschriften van Pythagoras symbolisch moeten worden gezien, dat wil zeggen, dat ze in figuurlijke zin een heel andere betekenis bevatten dan wat ze schijnen te bieden wanneer men ze letterlijk opvat. Het was de gewoonte van de Egyptische priesters van wie hij ze had verkregen om hun leer te verbergen onder een uiterlijk kleed van parabelen en allegorieën.*

*Examination of the Golden Verses of Pythagoras, blz. 275; herdruk Londen: G.P. Putnam’s sons, 1925; Engelse vertaling door Nayán Louise Redfield van Les Vers dorés de Pythagore.

Fabre d’Olivet geeft veel verwijzingen om zijn stelling te ondersteunen.

Deze dualistische methode van onderricht, samen met het feit dat de verborgen innerlijke betekenis verloren is gegaan, terwijl het uiterlijke bekleedsel – symbolen en fabels – zijn overgebleven, is de oorzaak ervan dat transmigratie, metempsychose en reïncarnatie op grote schaal verkeerd worden opgevat.

 

De hoogste autoriteiten verwerpen transmigratie in dieren

We hebben echter aanwijzingen dat zij die de ware leringen kenden het onjuiste denkbeeld dat de menselijke ziel ooit door de lagere rijken van de natuur transmigreert verwierpen, zoals blijkt uit de volgende citaten uit de geschriften van een aantal van de grootste leiders van het denken van de oudheid.

Een zo’n leider van het denken was Pythagoras. Hij had in Egypte, Chaldea, Perzië en India gereisd, en was ingewijd in de tempels en mysteriescholen van deze landen. Hij was een hervormer van het orfisme, een vroege Griekse cultus.

Hij stichtte een school te Krotona in Italië waar hij zijn geheime leringen gaf aan speciaal getrainde en door een eed gebonden kandidaten. Plato was een student van deze school en erkent dat het beste van zijn leringen afkomstig is van Pythagoras. Het gnostische, het stoïcijnse en het neoplatonische denkstelsel werden alle beïnvloed door de leringen van Pythagoras en zijn volgeling Plato.

De neoplatonisten onderwezen volgens G. de Purucker* min of meer openlijk wat de geheime leringen van Pythagoras en Plato waren geweest. Eén van de neoplatonisten, Hierocles (410-476 n.Chr.), die zo’n grote reputatie genoot op grond van zijn karakter en geleerdheid dat hij een tweede Plato werd genoemd, is de schrijver van een commentaar op ‘De gulden verzen van Pythagoras’ dat tot in onze tijd bewaard is gebleven.

*Beginselen van de Esoterische Filosofie, blz. 73.

In de slotopmerkingen van zijn commentaar zegt Hierocles:

Dit is het commentaar op deze Gulden Verzen dat wij daarvoor geschikt achten; en het kan een samenvatting worden genoemd van de leer van Pythagoras, die noch te beknopt, noch te uitgebreid is.†

†Geciteerd uit The Commentaries on the Golden Verses of Pythagoras in Dacier’s Life of Pythagoras, with his Symbols and Golden Verses, together with the Life of Hierocles and his Commentaries upon the Verses, blz. 388 (Londen, 1707).

Dit commentaar is de bron van het grootste deel van onze kennis over de filosofie van Pythagoras.

In zijn commentaar op de verzen 52 en 53, waarbij hij verwijst naar de ervaringen van de ziel na de dood waaronder het idee over transmigratie in dieren, schrijft Hierocles:

Als iemand door een beschamende onwetendheid over de onsterfelijkheid van de ziel zichzelf ervan zou overtuigen dat zijn ziel sterft met zijn lichaam, verwacht hij iets . . . wat nooit kan gebeuren. Evenzo wordt iemand die verwacht dat hij na zijn dood het lichaam van een beest zal aannemen en een redeloos dier zal worden op grond van zijn onvolkomenheden, of een plant door zijn traagheid en domheid – zo iemand, zeg ik, die volkomen in strijd handelt met degenen die de essentie van de mens transformeren tot een van de hogere wezens, en deze doet neerslaan in een van de lagere substanties, wordt oneindig misleid en is absoluut onwetend over de essentiële vorm van onze ziel. Die ziel kan nooit veranderen, want omdat zij altijd een mens is en blijft, wordt alleen maar gezegd dat ze door deugd of ondeugd een god of een beest kan worden, hoewel ze door haar natuur noch het een noch het ander kan zijn, maar slechts de gelijkenis met het een of het ander kan hebben.*

*Op.cit., blz. 334vv.

Zegt dit niet in de eerste plaats dat de ziel de dood overleeft en vervolgens dat transmigratie in dieren een omkering zou zijn van de stroom van evolutie die de ziel zou terugzenden in iets lagers in plaats van voorwaarts naar iets hogers en daarom in strijd met de ware lering? Wordt hier niet gezegd dat wanneer de mens ‘een god’ of ‘een beest’ wordt genoemd dit een figuurlijke uitdrukking is die alleen de onwetende letterlijk zou opvatten?

Als we onze aandacht richten op de leringen van het oude Egypte, vinden we dat ook zij de algemene misvatting van transmigratie in dieren verwerpen.

In hoofdstuk 10 van de Pymander, een van de hermetische boeken, onderwijst Hermes zijn leerling over de straf die de goddeloze ziel na de dood ten deel valt. Over de klachten en het gejammer van de ziel over haar lijden zegt Hermes:

Dit zijn de stemmen van de ziel die wordt gestraft, niet zoals velen veronderstellen . . . dat een ziel die het lichaam verlaat een wild beest wordt, wat een grote vergissing is.†

†Geciteerd uit The Theological and Philosophical works of Hermes Trismegistus deel I Poemandres (Pymander Hfst. X, 20) door John David Chambers, van het Oriel College, Oxford, Edinburgh, 1882, blz. 65.

In een andere passage van hetzelfde hoofdstuk vertelt Hermes zijn discipel dat

de goddeloze ziel in haar eigen bij haar horende essentie blijft en zichzelf straft door haar pogingen een ander aards – dat wil zeggen, menselijk – lichaam binnen te gaan. Want geen enkel ander type lichaam kan de woonplaats zijn van de menselijke ziel, die nooit kan afdalen in de vorm van een redeloos dier. De goddelijke wet behoedt de menselijke ziel voor zo’n fout.*

*Louis Ménard, Hermès Trismégiste I, x, geciteerd in Walker, Reincarnation, blz. 333. (Hetzelfde citaat is te vinden in The Pymander door J.D. Chambers, blz. 63.)

In India vinden we dezelfde wijdverbreide misvatting over transmigratie die we ook elders aantreffen. Dat deze door hen die weten niet letterlijk wordt opgevat, blijkt uit een opmerking die een brahmaan maakte tegen E.D. Walker, schrijver van Reincarnation, a Study of Forgotten Truth. De brahmaan zegt (blz. 270):

Het hele vraagstuk van de wedergeboorten berust op het juiste begrip van wat het is dat opnieuw wordt geboren. . . . Wat essentieel kenmerkend is voor de mens kan onmogelijk bestaan in een dierlijke vorm, want anders kan dit niet essentieel zijn voor de mens. . . . We moeten nadrukkelijk stellen dat het ware menselijke ego in geen enkel opzicht migreert van een menselijk naar een dierlijk lichaam, hoewel die beginselen die lager dan het gebied van het zelfbewustzijn liggen, dat wel kunnen doen. En alleen in deze betekenis wordt transmigratie door de esoterische wetenschap aanvaard.

Origenes, de grote christelijke kerkvader uit de derde eeuw, accepteerde de reïncarnatieleer, maar verwierp die van transmigratie in dieren. In zijn werk De principiis [Over eerste beginselen], boek I, hoofdstuk 8, afd. 4, schrijft hij:

We denken dat deze zienswijzen die sommigen onnodig plegen naar voren te brengen en te verkondigen, in geen geval moeten worden toegelaten, namelijk dat zielen tot zo’n graad van verlaging afdalen dat ze hun verstandelijke aard en waardigheid vergeten en wegzinken in de toestand van grote of kleine redeloze dieren. . . . Al die beweringen aanvaarden we niet en, omdat ze tegen ons geloof ingaan, spreken we ze tegen en wijzen ze af.†

†Geciteerd in De Esoterische Traditie, blz. 351.

Hier hebben we uiteenzettingen door de hoogste autoriteiten die allen het idee verwerpen dat de menselijke ziel door de lagere natuurrijken migreert.

 

Andere misleidende factoren

Naast de dualistische methode van onderwijs hebben mogelijk andere factoren bijgedragen aan het verkeerd begrijpen van transmigratie. Een daarvan is het feit dat het menselijk lichaam een dierlijk lichaam is – weliswaar hoger ontwikkeld dan dat van andere dieren, maar niettemin dierlijk. In dit opzicht is het juist om te zeggen dat als we worden wedergeboren, we een dierlijk lichaam binnengaan. Het zou juister zijn te zeggen dat we een menselijk-dierlijk lichaam binnengaan, maar als het voorvoegsel menselijk wordt weggelaten, is het gemakkelijk te begrijpen hoe iemand die slechts oppervlakkig bekend is met het onderwerp dit zo zou kunnen interpreteren dat wedergeboorte van de mens in een menselijk-dierlijk lichaam een wedergeboorte in het lichaam van een of ander lager dier betekent. Voeg dit bij het feit dat wanneer een mens een zinnelijk leven leidt en toegeeft aan gulzigheid en andere lage begeertes, naar waarheid kan worden gezegd dat hij in het dierlijke deel van zijn natuur leeft; hij wordt tijdelijk een dier, zijn eigen dier, en we vinden hier voldoende materiaal dat zou kunnen leiden tot een verkeerd begrip van de ware lering. Dit is waar Hierocles naar verwijst in het laatste gedeelte van het citaat hierboven.

 

De symboliek van de sfinx

Optekeningen van oude Egyptische leringen die ons hebben bereikt, schijnen aan te geven dat de Egyptenaren geloofden in de transmigratie van de ziel in dieren.* Toch lieten deze zelfde Egyptenaren, die kennelijk de misvattingen die in de toekomst daaruit zouden kunnen voortvloeien hebben voorzien, ons een optekening na, uitgehouwen in steen, van wat ze precies bedoelden met ‘dierlijke transmigratie’. Hun ingewijden en filosofen, kunstenaars en beeldhouwers gaven het nageslacht de sfinx, een enorm beeld van een menselijk hoofd op het lichaam van een rustende leeuw. Op het gezicht zien we een schitterende uitdrukking van sereniteit en kalmte en de ogen ervan schijnen te zijn gericht op iets in de verte, alsof degene aan wie de ogen toebehoren bezig is iets te overpeinzen dat ver voorbij deze aarde is.

*Zie het citaat van Herodotus in H.P. Blavatsky’s Theosophical Glossary onder ‘Pre-existence’.

Kan er een treffender manier worden gevonden om uitdrukking te geven aan het idee dat de mens een samengesteld wezen is – een bewustzijn en intelligentie tijdelijk ondergebracht in een dierlijk lichaam, dat voor zolang het duurt het voertuig is van dit bewustzijn tijdens zijn verblijf in de wereld van materie?

Een beeld van een menselijk hoofd op een menselijk lichaam zou ons niets hebben geleerd, maar een menselijk hoofd op het lichaam van een leeuw vestigde de aandacht op de dualiteit van de menselijke natuur, en door het lichaam in rusttoestand weer te geven symboliseerde men dat, wanneer men het menselijk lichaam met de daarbij behorende gevoelens en begeerten onder controle heeft en het in rust verkeert, het bewustzijn zelfs tijdens zijn verblijf in deze wereld vrij is zich in overpeinzing te verheffen naar andere en hogere bestaansgebieden.

Het idee om de dualiteit van de menselijke natuur te illustreren door middel van een menselijk hoofd op een dierlijk lichaam treft men niet alleen in Egypte aan. De oude Assyriërs pasten precies dezelfde methode van onderwijs toe, maar gebruikten het lichaam van een stier in plaats van dat van een leeuw. De Assyriërs voegden een extra element toe door de stier vleugels te geven om nog eens te beklemtonen dat het menselijk bewustzijn niet aan de aarde is gebonden, maar zich tot hogere bewustzijnsgebieden kan verheffen zelfs terwijl het is belichaamd.

De Ouden hoefden hun tijdgenoten die de symboliek misschien verkeerd zouden begrijpen niet te beschermen, want deze waren intelligent genoeg om te weten dat wezens zoals een sfinx of een gevleugelde stier niet echt bestonden. Zouden wij niet evenzeer moeten weten dat wanneer de Ouden spreken over mensen die in dierlijke lichamen incarneren, zij daarmee menselijke lichamen met dierlijke neigingen bedoelen?

 

Kleuteronderwijs voor kleuterhersenen

Een andere factor die misschien ertoe heeft bijgedragen dat dit onderwerp algemeen zo verkeerd wordt begrepen, is dat het door de geringe mentale ontwikkeling van de meeste mensen onmogelijk was aan hen de ingewikkelde werkingen van de wet van oorzaak en gevolg uit te leggen, waarbij de oorzaken die in één leven worden gelegd gevolgen zullen hebben in een toekomstige incarnatie. Toch hadden deze mensen enig onderwijs nodig dat hen respect voor deugd zou bijbrengen en tot zelfbeheersing zou aansporen. Er was ook iets nodig om sympathie en mededogen op te wekken voor de lagere levensvormen. De leer dat de menselijke ziel na een slecht leven mogelijk een dierlijk lichaam zou gaan bewonen zou een gemakkelijke vereenvoudiging zijn die voor dit doel kon worden toegepast, en dit maakt het begrijpelijk waarom degenen die wel beter wisten deze leer als een dreigement gebruikten om anderen die niet via de onontwikkelde hogere vermogens van hun onvolwassen aard konden worden bereikt ‘in het gareel’ te houden. Deze leer werd gebruikt als ‘kleuteronderwijs’ voor ‘kleuterhersenen’.

Gebruiken we zelf niet een soortgelijke methode als we kinderen van drie of vier jaar proberen te leren met lucifers om te gaan? Het is onmogelijk dit te doen door met het kind te praten over gevaren die het niet zelf heeft ervaren en daarom verzinnen we een of andere angstaanjagende voorstelling van zaken en zeggen misschien dat de ‘kabouters hem zullen pakken’, of iets dergelijks dat misschien indruk maakt op de kindergeest. Het is een tijdelijk hulpmiddel dat men gebruikt om het kind te beschermen, maar er hoort een werkelijke uitleg op te volgen zodra het kind die kan begrijpen. Het is een waarheid die wordt verteld in de vorm van een fabel. Het gevaar is reëel, maar de beschrijving ervan is symbolisch.

Is de leer over een hemel en een hel niet iets dergelijks? Deze leer werd ooit letterlijk geaccepteerd en in sommige kringen is dat misschien nog steeds zo, maar deze voorstelling wordt langzamerhand vervangen door het inzicht dat dit een symbolische voorstelling is van de werkelijke feiten, namelijk dat een schoon en deugdzaam leven gezondheid en geluk zal brengen en dat het omgekeerde lijden en ongeluk brengt. Het is een gemakkelijke vereenvoudiging waarbij alle details zijn weggelaten.

Het gevaar van het gebruik van zulke methoden ligt in het feit dat wanneer de geest eenmaal voldoende is ontwikkeld om in te zien dat de letterlijke interpretatie niet waar is, zij de waarheid achter de symbolische voorstelling misschien niet herkent, en dan de conclusie trekt dat de lering nergens op is gebaseerd.

Op dit kritieke punt aangekomen moeten verdere leringen worden gegeven om de verborgen waarheid te verklaren; en om te voorzien in deze tot nu toe ontbrekende informatie is de oude wijsheid opnieuw geformuleerd voor het welzijn van de mensheid.

 

Ook wij gebruiken symbolische uitdrukkingen

Voordat we de spot drijven met de Ouden om hun symbolische uiteenzettingen die voor ons zo dwaas lijken omdat we ze letterlijk opvatten, is het misschien goed te bedenken dat ook wij symbolische uitspraken gebruiken waarbij het risico bestaat dat ze door toekomstige generaties verkeerd worden geïnterpreteerd.

Onze christelijke bijbel staat vol met zulke figuurlijke taal. We zien dat mensen worden vergeleken met schapen en geiten en dat Jezus, de zoon van God en de Verlosser, een lam wordt genoemd. Ook spreekt Jezus over zichzelf als een wijnstok en over zijn discipelen als de ranken daarvan. De symboliek hiervan wordt nu heel goed begrepen, maar stel dat onze beschaving wordt vernietigd en dat er over ongeveer 10.000 jaar maar een paar onvolledige optekeningen zoals die hierboven werden genoemd over zijn, en dat iemand probeert onze ideeën en religie op grond van deze onvolledige fragmenten te reconstrueren. Zou het juist zijn als zo iemand zou concluderen dat de ‘mensen’ van de twintigste eeuw in werkelijkheid schapen- en geitenlichamen gebruikten en dat de wereld in feite werd gered door een wijnstok?

Als we een interval van honderd eeuwen zouden kunnen overbruggen, zouden we dan niet onze afstammeling in de 120ste eeuw in misschien niet al te beleefde bewoordingen aanspreken en vragen hoe hij iets dat zo overduidelijk een symbolische voorstelling is, bedoeld om een idee over te dragen en dit begrijpelijk te maken voor de gewone burger, letterlijk kan opvatten? En zouden we hem niet duidelijk maken dat zelfs de meest naïeve mensen uit onze tijd, de 20ste eeuw, zouden begrijpen dat zulke uitdrukkingswijzen symbolisch zijn bedoeld?

En stel dat de Ouden die de leer van reïncarnatie accepteerden de verkeerde ideeën zouden kunnen zien die daarover in de 20ste eeuw zijn ontstaan, zou het dan niet voor de hand liggen dat zij op hun beurt verbaasd zouden zijn dat wij hun symbolen niet begrijpen?

 

Voormenselijke transmigraties

Zoals werd uitgelegd in hoofdstuk 1 (Involutie en evolutie) en hoofdstuk 2 (Het heelal: een praktijkschool) begint de evoluerende levenseenheid of monade haar evolutiereis door zich te belichamen in de laagste vormen van de natuur, waarna ze zich geleidelijk en na enorme tijdsperioden in steeds hogere natuurrijken belichaamt. Heel deze evolutie vindt plaats voordat de monade het menselijke stadium heeft bereikt, en dit is een proces dat ordelijk verloopt, en niet onregelmatig heen en weer slingert.

Dit proces kan worden vergeleken met een ‘migratie van monaden’ door de verschillende rijken van de natuur heen, ‘een beweging over imaginaire grenzen van de ene locatie naar de andere’ en kan daarom heel terecht transmigratie worden genoemd.

Ieder van ons is door zulke transmigraties heengegaan voordat we ons huidige stadium van zelfbewuste mensen bereikten. Tijdens deze transmigraties hadden we slechts het bewustzijn van mineralen, planten en dieren.

Naar de voormenselijke evolutiefasen van de monade wordt verwezen in een aforisme in de joodse kabbala, dat zegt: ‘een steen wordt een plant, een plant wordt een dier, een dier wordt een mens en een mens wordt een god’. Dit betekent niet dat de lichamen van het ene natuurrijk veranderen in die van het andere, maar het verwijst naar de transmigraties van de monade van één type lichaam naar een ander type.

De soefidichter Jalalu’d-Din Rumi verwijst naar hetzelfde onderwerp in het volgende gedicht:

Ik stierf als mineraal en werd een plant;
Ik stierf als plant en verscheen weer als een dier;
Ik stierf als dier en werd een mens;
Waarom zou ik dan bang zijn?
Wanneer werd ik minder door te sterven?
De volgende keer zal ik als mens sterven
Opdat ik vleugels krijg als een engel.
En ook van hieruit moet ik pogen verder te komen.

De dood en de ervaringen na de dood van het menselijke ego houden een overgang in van het bewustzijn van materiële naar innerlijke, onzichtbare gebieden, en tenslotte terug naar het materiële. Als de term ‘transmigratie’ wordt gebruikt in verband met de ervaringen na de dood van het menselijke ego, dient dit beperkt te blijven tot de voortgang van het menselijke bewustzijn van het ene gebied of de ene toestand naar het andere gebied of de andere toestand binnen de eigen menselijke sfeer van activiteit.

Dichters en schrijvers hebben niet altijd onderscheid gemaakt tussen de voormenselijke transmigraties van de monaden lager dan de mens en de postmortale transmigraties van het menselijke ego of de menselijke ziel, maar lieten de twee ideeën tot één versmelten, en dit heeft aanleiding gegeven tot de verkeerde opvatting dat het menselijke ego transmigreert naar de lagere natuurrijken.

 

Ware transmigratie

De atomen die het fysieke lichaam van de mens opbouwen verspreiden zich na de dood. Hetzelfde gebeurt met alles wat bij de tweede dood wordt afgelegd, waaronder de meer etherische deeltjes van het modellichaam en ook bepaalde andere energieën die zich tussen het menselijke ego en het modellichaam bevinden. Al deze delen van de vroegere menselijke constitutie keren nu terug naar de natuur, ieder naar het gebied waartoe het behoort. Hier zijn ze vrij om als bouwstenen te worden opgenomen in de voertuigen van andere levende wezens waartoe ze worden aangetrokken.

Tijdens hun samenwerking met de menselijke entiteit, waarvan ze het voertuig hielpen opbouwen, ontvingen ze bepaalde indrukken, hoge of lage al naar gelang van de omstandigheden, en deze indrukken bepalen nu de richting van hun reizen. Ze kunnen het plantenrijk binnengaan of worden aangetrokken tot lichamen van verschillende dieren of misschien andere menselijke lichamen binnengaan.

De atomen van het gehele lagere deel van de menselijke constitutie migreren dus door de natuur en transmigreren van het ene natuurrijk naar het andere en dan misschien weer terug.

Op dit feit doelden de Ouden toen ze zeiden dat de mens door de lagere vormen van de natuur transmigreert, en deze bewering is juist wanneer met ‘mens’ de elementen van zijn samengestelde wezen worden bedoeld die zich op een lager gebied bevinden dan het menselijke ego, maar is onjuist als ze wordt toegepast op het menselijke ego of de hogere beginselen boven dit ego.

Voor een verdere toelichting op dit onderwerp verwijzen we de lezer naar de hoofdstukken ‘Wederbelichaming’ en ‘Hoe de mens wordt geboren en wedergeboren’ in De Esoterische Traditie van G. de Purucker.


Het levensraadsel , blz. 88-136

© 2002  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag