Reïncarnatie
Ontlichaming en wederbelichaming
Het bestaan van het ego gaat voort Zelfbewustzijn
van het ego met tussenpozen
Dualiteit – individualiteit – persoonlijkheid
Tegengestelde aantrekkingen
De individualiteit – een hogere
bron in ons
Afgescheidenheid kweekt egoïsme
De persoonlijkheid – een tijdelijk
voertuig
De individualiteit blijft voortdurend
bestaan; de persoonlijkheid, een terugkerende manifestatie
Reïncarnatie en het verlies van de herinnering
Reïncarnatie
– een deel van het plan van de natuur
Als we eerder hebben geleefd, waarom
herinneren we ons dat dan niet?
Is een vergeten bestaan of ervaring
van enige waarde voor het individu?
Er bestaat meer dan één
soort geheugen
Als we eerder hebben geleefd, waarom
zijn we dan niet in staat om onszelf te identificeren met specifieke
personen uit vroegere levens?
Is een toekomstig leven, waarin we
niet in staat zijn ons te identificeren met ons huidige zelf, waard
om te worden geaccepteerd als persoonlijke onsterfelijkheid?
Stel dat we ons dit zouden herinneren
Stel dat we onze vroegere persoonlijkheden
konden identificeren
Wat zouden we ermee winnen als we
wisten wie we in vroegere incarnaties waren?
Evolutie en het verlies van herinnering
Vastgelegde feiten bewaard in het
hogere ego
Een ernstige beproeving
Waarom varieert het bevolkingsaantal
van de aarde?
Waarom zou een ego naar deze aarde
terugkeren? Waarom niet naar een andere planeet?
Hoe zullen we onze vrienden en geliefden
in een ander leven terugvinden?
Afwisselende cyclussen van activiteit
en rust bevorderen de evolutie van de mens
Onevenredige tijdsperioden
Waarom daalt de innerlijke god eigenlijk af naar de
lagere bestaansgebieden?
De symboliek van de kruisiging
Speciale gevallen
Een werkelijke herinnering
aan een vorig leven
Wat veroorzaakte deze abnormale situatie?
De adepten weten uit ervaring
Transmigratie verkeerd en juist opgevat
Veel voorkomende onjuiste
informatie over het onderwerp
Exoterische en esoterische leringen
De hoogste autoriteiten verwerpen
transmigratie in dieren
Andere misleidende factoren
De symboliek van de sfinx
Kleuteronderwijs voor kleuterhersenen
Ook wij gebruiken symbolische uitdrukkingen
Voormenselijke transmigraties
Ware transmigratie
Reïncarnatie door de eeuwen heen
Een
oude en wijdverbreide leer
Reïncarnatie
in de religies van India
Reïncarnatie
in de bijbel
Reïncarnatie
in de vroegchristelijke periode
Reïncarnatie
als ketters veroordeeld
Anderen die in reïncarnatie
geloven
Ontlichaming en wederbelichaming
Zoals in voorafgaande hoofdstukken werd gezegd wordt de evolutie van
alle monaden of levenseenheden bereikt door ervaring die wordt opgedaan
tijdens herhaalde belichamingen in de diverse vormen van de natuur.
Om de leer van reïncarnatie te begrijpen, zoals wederbelichaming
bij de mens wordt genoemd, is het nodig de complexe aard van de mens
te begrijpen, en wat er gebeurt met zijn samenstellende delen wanneer
deze na de dood zich van elkaar hebben gescheiden. We zullen daarom
een kort overzicht geven van wat er eerder over dit onderwerp is gezegd.
Men zal zich herinneren dat de kern van de mens en de oorsprong van
zijn bestaan een straal is van goddelijkheid, een deel van het universele
bewustzijn. De diverse beginselen van de menselijke natuur zijn slechts
verschillende aspecten van deze straal die door een aantal voertuigen
op verschillende gebieden van de natuur werkt.
Wanneer de straal actief is op het uiterlijke gebied functioneert hij
door een menselijk mentaal-fysiek voertuig, een menselijk lichaam met
zijn hersenen en denkvermogen.
Dit voertuig dient als een ‘lens’ die een bepaald deel
of aspect van de straal concentreert, en de combinatie van voertuig
en straal brengen een gevoel van ik-ben-ik-heid
of egoïsch bewustzijn teweeg dat we het menselijke ego noemen.
Als het lichaam sterft, verliest het menselijke ego het bewustzijn
van het mentaal-fysieke gebied, want de lens die het daarop richtte
is gebroken. Het gaat dan door een reeks ervaringen zoals besproken
in hoofdstuk 6 over ‘Dood – slaap – geboorte’
waaraan we de volgende details toevoegen.
Na de tweede dood is het menselijke ego voor bewust bestaan
op het mentaal-geestelijke gebied afhankelijk van zijn mentaal-spirituele
voertuig of spirituele lichaam. Zonder dit voertuig zou er geen lens
zijn om het bewustzijn te richten op dit gebied en zou het menselijke
ego onbewust blijven. Toen het nog was belichaamd op het uiterlijke
of mentaal-fysieke gebied maakte het ego gebruik van en leefde het in
zijn spirituele lichaam gedurende zijn momenten van aspiratie en wanneer
het opging in onzelfzuchtig werk. Het is daarom al enigszins vertrouwd
met dit voertuig, en zijn nieuwe leven op het geestelijke gebied is
een voortzetting van al wat verheven en edel was in zijn voorafgaande
leven. Omdat het mentaal-spirituele voertuig dat vóór
de dood werd gebruikt hetzelfde is als dat wat daarna wordt gebruikt,
behoudt het ego nog zijn gevoel van identiteit en denkt over zichzelf
als hetzelfde ik-ben-ik als dat van zijn aardse bestaan.
De gelukzalige toestand waarin het hogere deel van het menselijke ego
na de tweede dood komt, lijkt op een ‘dagdroom’, maar deze
is veel levendiger en boeiender dan een gewone ervaring van deze soort.
Gedurende deze periode beleeft het steeds weer de gelukkige ervaringen
van zijn voorafgaande leven en vervult alle hoge aspiraties die gedurende
het leven op aarde onvervuld bleven.
Als na eeuwen de voorraad spirituele energieën die gedurende het
voorafgaande leven op aarde van het ego was opgebouwd, is uitgeput,
en de laatste gelukkige herinnering is weggevaagd, is er geen materiaal
meer over dat betrekking heeft op het voorafgaande menselijke ego waarop
de straal zijn aandacht kan richten. De straal trekt zich dan terug
om zich op het eerstvolgende hogere niveau te concentreren, en het menselijke
ego verliest het bewustzijn op het mentaal-spirituele gebied zoals het
eerder het bewustzijn verloor op het mentaal-fysieke gebied, toen de
straal zich terugtrok uit het fysieke lichaam.
Als het menselijke ego het bewustzijn verliest op het mentaal-spirituele
gebied gaat zijn essentie over in een latente toestand en blijft, zoals
de levenskiem van een zaad, in een slaaptoestand binnen de straal terwijl
deze zich terugtrekt naar hogere gebieden.
In alle ervaringen en lessen die het menselijke ego tijdens het voorbije
leven heeft geleerd was de straal deelgenoot en deze worden nu toegevoegd
aan de andere ervaringen die in vroegere levens zijn opgedaan. Het betreft
de gesublimeerde essentie van dat menselijke leven en bestaat uit de
blijvende oogst die door de straal is verzameld via zijn menselijke
voertuig.
De volledige mens bestaat nu ‘in ontwerp’ op de diverse
gebieden van de natuur waartoe de verschillende beginselen behoren.
Zijn hoogste aspect is een projectie van de straal en deze wordt bewaard
in de straal zelf waarnaar zij is teruggekeerd. De tussenliggende en
lagere delen bestaan ‘in ontwerp’ als ‘zaden’,
ieder op hun eigen gebied. Elk zo’n zaad met zijn levenskiem bevat
potentieel alle neigingen en eigenaardigheden van het karakter, goed
of slecht, die erop zijn afgedrukt door de entiteit tijdens haar voorafgaande
bestaan.
Gedurende de periode tussen incarnaties is het hoogste deel van de
straal actief op zijn eigen gebied, maar als hij zijn cyclus van activiteit
daar heeft beëindigd, is hij gereed om zijn evolutie op het fysieke
gebied te vervolgen. Hij laat dan het ego beginnen aan zijn reis naar
beneden in de richting van de aarde door de vele tussenliggende gebieden
heen waar de slapende ‘zaden’ wachten op de terugkeer van
de vitaliserende en verenigende straal. Deze reis is al geschetst in
hoofdstuk 6 onder de kop: ‘De straal daalt weer af in de stof’.
De straal moet nu een nieuw mentaal-fysiek voertuig bouwen voordat
hij opnieuw in contact kan komen met het fysieke gebied. Hij projecteert
daarom de slapende levenskiem van het vroegere menselijke ego, een deel
van de straal zelf, in het fysieke bestaan en deze levenskiem, tot leven
gewekt door de straal, is de vitaliserende kracht van het menselijke
embryo als dit zich begint te vormen overeenkomstig het ‘ontwerp’
dat is meegebracht uit zijn vorige bestaan.
De entiteit die nu tot aanzijn komt, is in werkelijkheid dus een deel
of projectie van de straal zelf, en deze projectie van de straal is
het blijvende deel van het menselijke ego. Het is dezelfde projectie
die het menselijke ego van ons vorige leven en van al onze voorafgaande
levens heeft voortgebracht. Het is ook deze projectie die in ons volgende
en al onze toekomstige levens hetzelfde zal doen, maar naarmate de eeuwen
voorbijgaan zal een steeds groter deel van de straal zich manifesteren
in de geleidelijk meer vervolmaakt wordende menselijke constitutie.
Het mentaal-fysieke voertuig met zijn zuiver persoonlijke bewustzijn,
met andere woorden de ‘lens’, is nieuw, maar omdat deze
wordt voortgebracht door dezelfde straal en rond hetzelfde karakter
wordt gebouwd volgens hetzelfde ‘ontwerp’ dat is meegebracht
uit de vorige incarnatie, is deze eigenlijk een exacte kopie van zijn
vroegere zelf.
Een mens is daarom in zijn hogere deel een voortzetting en in zijn
lagere deel een reproductie van zijn vroegere zelf.
Het bestaan van het ego gaat voort
Zelfbewustzijn van het ego met tussenpozen
Het hogere of reïncarnerende ego bestaat voortdurend en is onafgebroken
bewust op zijn eigen gebied – het mentaal-spirituele.
Het hogere deel van het menselijke ego dat een projectie is van het
reïncarnerende ego bestaat ononderbroken, maar is niet voortdurend
zelfbewust. Het is zelfbewust op het uiterlijke gebied wanneer het functioneert
via zijn mentaal-fysieke voertuig. Tijdens de slaap is het onbewust
op het uiterlijke gebied en is dan òf volledig onbewust òf
gedeeltelijk bewust op het mentaal-spirituele gebied.
Na de dood is het eerst volledig onbewust. Na de tweede dood ontwaakt
het geleidelijk tot een gedeeltelijk bewustzijn op het mentaal-spirituele
gebied, waar het de gelukkige droomstaat van na de dood ervaart die
we eerder hebben besproken. In het geval van een zeer grove of op de
stof gerichte natuur kan het menselijke ego in de periode tussen de
incarnaties volledig onbewust blijven.
Gedurende de periode van zijn gelukzalige postmortale dromen identificeert
het menselijke ego zich nog steeds met de menselijke entiteit van zijn
nu afgelopen incarnatie. Aan het einde van de droomperiode komt het
in een toestand van volledige onbewustheid en verliest elke herinnering
aan zijn voorafgaande identiteit. Als het menselijke ego het bewustzijn
verliest op het mentaal-spirituele gebied wordt het volkomen inactief
en blijft in slapende toestand totdat het, wanneer het van een nieuw
fysiek lichaam is voorzien, opnieuw zelfbewust wordt op het uiterlijke
gebied.
Het lagere aspect van het menselijke ego, of het persoonlijke ego,
dat zich tijdens het fysieke bestaan identificeert met het lichaam,
verliest het bewustzijn en verdwijnt geleidelijk als zijn voertuig,
het lichaam, uiteenvalt.
Het hogere aspect van het menselijke ego bestaat dus ononderbroken,
een deel van de tijd zelfbewust en actief op het uiterlijke gebied via
een menselijk voertuig, en een deel van de tijd in een slaaptoestand,
hetzij onbewust of gedeeltelijk bewust op innerlijke gebieden.
Tussen twee incarnaties is er een onderbreking geweest in de continuïteit
van het voertuig en daarom een onderbreking in de continuiteit van het
zelfbewustzijn van het ego, maar geen onderbreking in de continuïteit
van zijn bestaan. Het ego overbrugt de kloof tussen twee incarnaties
door zich op innerlijke gebieden terug te trekken zoals het leven in
het gebladerte van een overblijvende plant tussen twee actieve groeiseizoenen
zich terugtrekt in de wortel.
Tijdens de slaap is er eveneens een onderbreking in de continuïteit
van de lens, een tijdelijke verlamming van het lichaam, een ‘kleine
dood’, en daarom een onderbreking in de continuïteit van
het zelfbewustzijn van het ego.
In het geval van de slaap hebben we een duidelijk bewijs dat een onderbreking
in de continuïteit van ons bewustzijn niet een onderbreking in
de continuïteit van ons bestaan betekent, want ’s ochtends
herstelt ons bewustzijn zich en wordt weer zoals het was voordat we
gingen slapen. Het herkent zijn identiteit met zijn vroegere zelf, want
de hersenen bewaren de voorraad herinneringen van zijn vroegere ervaringen.
Zowel in de slaap als bij de dood overbrugt het ego de kloof tussen
twee bewuste perioden door zich terug te trekken op innerlijke, onzichtbare
gebieden. De gewone mens heeft geen helder begrip van wat er tijdens
de slaap plaatsvindt, ook al maakt hij deze ervaring elke vierentwintig
uur door.
Als we in het geval van de slaap, wanneer het lichaam nog aanwezig
en intact is, niet in staat zijn het complete beeld van onze ervaringen
met ons mee te nemen tijdens onze afwezigheid op het fysieke gebied,
dan zou het ons evenmin moeten verbazen dat we niet in staat zijn ons
de ervaringen in de periode tussen incarnaties te herinneren, wanneer
we geen fysiek lichaam hebben om ons te helpen om op dit gebied weer
tot bewustzijn te komen en onze identiteit met ons vroegere zelf te
herstellen.
Gewone mensen kunnen de drempel van slaap en dood niet oversteken en
daarbij hun zelfbewustzijn behouden omdat ze nog niet hebben geleerd
in hun mentaal-spirituele voertuig te leven, wat voor dit doel noodzakelijk
is. Er zijn echter uitzonderingen op de algemene regel, want er zijn
op aarde altijd mensen geweest, en die zijn er ook nu nog, van wie de
evolutie veel verder is gevorderd dan die van de meeste mensen. Deze
wezens zijn de ‘oudere broeders’ van de mensheid, de meesters
van wijsheid, soms ook adepten of mahatma’s genoemd, een Sanskrietterm
die ‘grote ziel’ betekent.
De adepten leven, zelfs als zij van een fysiek lichaam gebruikmaken,
in hun mentaal-spirituele voertuig dat onafhankelijk van het fysieke
lichaam bestaat, en zij zijn daarom in staat volledig zelfbewustzijn
te behouden, zelfs als het fysieke lichaam gedurende de slaap verlamd
is of nadat het na de dood is uiteengevallen. Juist dit vermogen heeft
hen in staat gesteld de onzichtbare bestaansgebieden te betreden en
voor hun minder ver geëvolueerde broeders een beschrijving mee
terug te brengen van de ervaringen die het menselijke ego opdoet in
deze voor ons onbekende bewustzijnstoestanden.
De kracht die de adepten bezitten is het resultaat van zelfgerichte
pogingen die gedurende vele levens werden voortgezet. Zij leefden zelfs
terwijl ze belichaamd waren meer en meer in hun mentaal-spirituele voertuig,
zodat in hun geval het menselijke ego werkelijk is verheven tot, en
één is geworden met, het hogere ego. Zij begonnen als
gewone mensen maar door hun voortdurende inspanning hebben ze hun evolutie
versneld en in relatief weinig levens bereikt wat de gemiddelde mens
eeuwen en eeuwen zou kosten om te bereiken.
Omdat de adept ongehinderd van het ene gebied naar het andere kan gaan
en terugkeren terwijl hij daarbij zijn volledige zelfbewustzijn bewaart,
herkent hij de continuïteit van zijn bestaan en de identiteit van
zijn ego door al deze veranderingen heen. Omdat hij volledig bewust
is in het blijvende deel van zijn natuur, waar al zijn voorafgaande
levens zijn opgetekend, kan hij zich niet alleen zijn laatste incarnatie
herinneren, maar ook al zijn vroegere levens.
Totdat we zelf ons menselijke ego zover hebben verheven dat we één
zijn geworden met het hogere ego, zullen we ons zelfbewustzijn niet
kunnen bewaren wanneer we de drempels van slaap en dood oversteken en
we zullen daarom niet in staat zijn ons onze vorige levens te herinneren.
Ieder lid van de hele mensheid dat niet opzettelijk het kwaad kiest
is echter voorbestemd ooit tot het punt te evolueren waar ook hij één
zal zijn geworden met zijn hogere ego, en dan in staat zal zijn de continuïteit
van zijn bestaan door alle fasen van het leven heen te herkennen.
Zoals wij een definitief bewijs hebben dat de onderbreking
in het zelfbewustzijn in de slaap geen interruptie is van de continuïteit
van ons bestaan, wat blijkt uit het feit dat ons menselijke bewustzijn
terugkeert in het wachtende lichaam, zo hebben de adepten een
duidelijk bewijs dat de dood van het fysieke lichaam geen onderbreking
veroorzaakt in de continuïteit van hun bestaan, want zij bevinden
zich voortdurend in hun mentaal-spirituele voertuig, dat door de dood
niet wordt aangetast.
Of het in ons huidige stadium van ontwikkeling van nut of een belemmering
zou zijn in onze evolutie om ons onze vorige levens te herinneren, is
een onderwerp dat in het gedeelte over ‘Reïncarnatie en het
verlies van de herinnering’ zal worden besproken.
Dualiteit – individualiteit –
persoonlijkheid
Tegengestelde aantrekkingen
Door de veranderende gedachten, gevoelens en interesses in onszelf
te observeren en te onderzoeken, zoals we die uit onze dagelijkse ervaring
kennen, kunnen we een onderscheid maken tussen die van de blijvende
kant en die van de vergankelijke kant van onze natuur. Zo’n analyse
zal ons de dualiteit van interesses en neigingen in onszelf laten zien,
en het is daarom praktisch om deze in twee groepen te plaatsen en de
natuur van de mens voorlopig als tweevoudig te beschouwen.
Onze natuur heeft een aspect dat haar verwantschap met iets groters
herkent. Ze weet dat ze lid is van een familie, een gemeenschap, een
volk en voelt een sterke verbondenheid met zo’n groter geheel
van levens. Het is de eenheid van al het leven die dit gevoel in ons
teweegbrengt en die de onzichtbare, maar onverbrekelijke verbinding
vormt tussen ons en andere wezens. Door deze kant van onze natuur kunnen
we andere mensen begrijpen en met hen meevoelen, en deze zet ons aan
tot handelen wanneer anderen in nood verkeren.
Maar onze natuur heeft ook een andere zijde die haar afgescheidenheid
van anderen voelt. Deze sluit zichzelf op in haar eigen omhulsel en
wordt op die manier blind voor het lijden en de behoeften van anderen.
We voelen intuïtief aan dat het leven harmonisch en gelukkig zou
moeten zijn. We hebben wensbeelden van een betere wereld waar geen lijden
en gebrek bestaat en we voelen een drang om te proberen die tot stand
te brengen. Maar er is een andere kant in ons die weinig erom geeft
hoe het met anderen gaat, als we onszelf maar gelukkig kunnen maken.
Er is iets in ons dat tot ons spreekt als de stem van het geweten,
iets dat ons ertoe aanzet onze plichten trouw te vervullen, zelfs als
deze onplezierig of saai zijn. Het is de band die ons met anderen verbindt
en die ons bewustmaakt van onze plicht tegenover hen. Maar er is ook
een deel in ons dat onder zijn verplichtingen probeert uit te komen
als deze onplezierig of vervelend zijn.
Onze natuur heeft een aspect waarvan de belangen zich ver uitstrekken
voorbij haar onmiddellijke sfeer – iets dat de schoonheid van
de natuur en de wonderen van de sterren wil bestuderen en dat nadenkt
over de problemen van het leven en het doel van het bestaan. En er is
een andere kant, die zich met het lichaam identificeert en zich vooral
bezighoudt met de genoegens en pleziertjes daarvan.
Als we proberen te bepalen wat kenmerkend is voor deze twee uiteenlopende
stromen in ons, zien we dat deze in het ene geval gericht zijn op onze
relaties met onze medemensen – met de natuur en het universum,
terwijl ze in het andere geval zijn gericht op het persoonlijke zelf
en de beperkte interessesfeer daarvan.
Tussen deze twee polen van zijn wezen, en voortdurend beïnvloed
door hun tegengestelde aantrekkingen, staat het menselijke ego dat zich
onbewust overgeeft aan, of bewust kiest voor, de ene of de andere pool.
De individualiteit – een hogere
bron in ons
Als we de sterren beschouwen en onze geest wordt vervuld van de grootsheid
van het heelal en we denken dan aan onze eigen kleine persoonlijkheid,
worden we ons bewust van de nietigheid en vergankelijkheid hiervan en
kunnen we zien wat een onbelangrijke rol zij in het universum speelt.
Dat deel van onze natuur dat op die manier in staat is zich terzijde
te stellen en zich de vergankelijkheid van zijn voertuig te realiseren
is geen deel van dit voertuig. Het behoort tot de blijvende kant van
ons wezen.
We zijn ons bewust van ons eigen bestaan als het ik-ben-ik
of het menselijke ego waarvan de identiteit gedurende ons hele leven
niet is veranderd. We weten dat dit ego zelfs in onze waaktoestand iets
anders is dan het lichaam, het hersenverstand, het geheugen en de gevoelens,
want we weten dat het zich afzijdig kan houden en al deze dingen kan
waarnemen, leiden en beheersen. Het moet daarom zelfs nu een bestaan
hebben dat onafhankelijk is van al deze wisselende stromen binnenin
ons, en als het dat nu heeft, terwijl het is belichaamd, kan het ditzelfde
onafhankelijke bestaan behouden nadat deze veranderde aspecten bij de
dood zijn verdwenen.
Wanneer we de banden voelen die ons met onze medemensen verbinden,
is dat omdat iets van onze medemens zich ook in ons bevindt.
Als we ons verbazen over de wonderen van het heelal en we ons, hoe
zwak ook, openstellen voor het oneindige om ons daarvan een voorstelling
te maken, is dat omdat er iets van het universum en de oneindigheid
in onszelf is.
Evenmin als water een niveau kan bereiken dat hoger is dan het reservoir
waaruit het stroomt, kunnen gedachten hoger stijgen dan hun bron. Gedachten
en intuïties die zich bezighouden met belangen die ver uitgaan
boven ons persoonlijke zelf kunnen hun oorsprong niet in dat zelf hebben.
Ze moeten voortkomen uit een bron diep in ons die verwant is aan de
onderwerpen waarmee ze zich bezighouden, en die bron is de straal van
universeel bewustzijn die werkt in het hogere of spirituele denkvermogen.
Deze hogere kant van onze natuur met haar voertuigen bestaat op gebieden
boven het mentaal-fysieke, onafhankelijk van het fysieke lichaam.
Deze hogere bron bestaat reeds binnenin ons en hoeft niet ‘ontwikkeld’
te worden. Hij is het menselijke ego dat moet evolueren tot een hogere
staat van bewustzijn, zodat het kan opstijgen tot bewuste vereniging
met zijn hogere bron.
Dit opstijgen en verfijnen van het menselijke ego komt tot stand door
de hogere impulsen die ons hier en nu, terwijl het ego belichaamd is,
van binnenuit bereiken, in daden en woorden om te zetten. Zoals we gewend
zijn geraakt aan ons fysieke lichaam en hebben geleerd dit te gebruiken
door erin te leven en de verschillende functies ervan te oefenen, zo
moeten we vertrouwd raken met ons mentaal-spirituele voertuig en dit
leren gebruiken door die gedachten te denken en daden in de praktijk
te brengen die verwant zijn aan onze hogere natuur en het gebied waarop
deze bestaat.
Het kenmerk van dit hogere gebied is dat het dichterbij het ene universele
leven ligt, en dus resulteert het bestaan op dit gebied in een grotere
realisatie van de eenheid van alle leven, en daarom in begrip, sympathie
en liefde voor al wat leeft.
Op het spirituele gebied zijn onze medemensen in werkelijkheid andere
aspecten van hetzelfde universele leven waar ook wij deel van zijn.
Handelingen die tot dit gebied behoren houden daarom altijd rekening
met de belangen en het welzijn van anderen. Als we een of ander persoonlijk
belang of voordeel opofferen om een dienst te bewijzen aan het algemeen
welzijn; als we liever geven dan nemen; als we proberen geluk en opgewektheid
te verspreiden in plaats van geluk te zoeken voor onszelf alleen, leven
we, het menselijke deel van ons, tijdelijk in het meer universele deel
van onszelf – ons mentaal-spirituele voertuig – en maken
daarvan gebruik. Wij zijn dan trouw aan onze ‘andere zelven’
– onze medemensen, trouw aan allen – altruïstisch.
We hebben het pad betreden dat zal leiden tot bewuste eenwording met
ons hogere ego en tot een bewust gebruik van ons mentaal-spirituele
voertuig.
Omdat dit het voertuig is waarin ons bewustzijn na de dood zal moeten
leven, kunnen we begrijpen hoe belangrijk het is om een gewoonte ervan
te maken daarin te leven terwijl we nog belichaamd zijn. We kunnen ook
zien waarom alle grote religieuze leraren altijd zo sterk de nadruk
hebben gelegd op ethische leringen. Zulke leringen hebben meer dan één
doel. Ze helpen ons niet alleen in harmonie te leven met onze medemensen,
maar ze verheffen ook het individu tot een nauwere vereniging met zijn
hogere ego en bereiden hem geleidelijk erop voor bewust in zijn mentaal-spirituele
voertuig te leven.
Dat deel van het menselijke ego dat reageert op de hogere van de twee
innerlijke stromen, en belangstelling heeft voor het welzijn van anderen
en zaken die groter zijn dan dit ego zelf, is in werkelijkheid een aspect
van het hogere ego. Dit bestaat, samen met de hogere brandpunten van
de straal van goddelijkheid, op gebieden die hoger zijn dan het mentaal-fysieke
en wordt daarom niet beïnvloed door de dood van het lichaam. Zij
vormen de altruïstische pool van onze natuur en omdat ze bij het
sterven niet uiteenvallen, kunnen ze gezamenlijk als de individualiteit
van de mens worden beschouwd.
Afgescheidenheid kweekt egoïsme
Zoals er mensen zijn die in het hogere deel van hun natuur leven en
vriendelijkheid en goede wil uitstralen naar ieder met wie ze in contact
komen, zo zijn er anderen die zelden verder kijken dan de belangen van
hun persoonlijke zelf en die weinig of geen belangstellen in het wel
en wee van anderen. Ze zijn zich alleen bewust van hun bestaan als het
persoonlijke ego en leven en handelen alleen in deze hoedanigheid. Ook
zij hebben de altruïstische pool in hun natuur, maar ze leven er
zelden in. In hun geval beschouwt het persoonlijke ego zichzelf als
de top van de gehele menselijke constitutie. Dit ego wordt dusdanig
in beslag genomen door zijn eigen bezigheden dat het zich van zijn hogere
pool afkeert en zelfs niet in staat is het bestaan van die kant van
zijn natuur te herkennen. Het persoonlijke ego maakt dan de fout zichzelf
als het enige ego te beschouwen, het hele ego, terwijl het in werkelijkheid
maar een klein deel, een projectie, van het hogere ego is dat gevangen
is in het persoonlijke gestel.
Het mentaal-fysieke voertuig van een mens is natuurlijk gescheiden
van dat van andere individuen, en als het bewustzijn erin volhardt zich
te richten op dit voertuig, zal het persoonlijke ego ook een gevoel
van afgescheidenheid verkrijgen; dit ego wordt dan het dominerende element
van de menselijke entiteit. Er heeft een ommekeer van polariteit plaatsgevonden
en de projectie van de straal van bewustzijn is afgeweken van zijn ware
bestemming door het grofstoffelijke van de lens waarmee deze wordt gericht.
Het heeft zich afgekeerd van zijn altruïstische pool met het daarbijbehorende
steeds uitbreidende bewustzijn, in de tegenovergestelde richting naar
een bewustzijn dat beperkt is door zijn eigen persoonlijke zelf.
Zolang het bewustzijn is geconcentreerd in het mentaal-fysieke voertuig
zal dit gevoel van afgescheidenheid blijven bestaan en zal het persoonlijke
ego niet erin slagen zijn eenheid met het hogere ego te herkennen en
dus zijn eenheid met zijn medemensen.
Als we onze eigen belangen behartigen ten nadele van anderen, als we
voordeel zoeken ten koste van hen, is het duidelijk dat we de band die
ons met hen verbindt niet voelen.
Wanneer we liefdeloos of kritisch zijn tegenover anderen; als we arrogantie
en trots voelen en op een of andere manier proberen onze superioriteit
over hen te laten gelden, dan is het duidelijk dat we onze eenheid met
hen niet beseffen. Als we die wel zouden inzien, zouden we ons niet
naar voren schuiven ten koste van hen; we zouden in plaats daarvan elk
voordeel dat we misschien bezitten met hen delen.
Als we onverschillig zijn voor de moeilijkheden en het lijden van anderen
en tevreden zijn zolang wij ons in een comfortabele positie bevinden,
is dat omdat we ons van hen gescheiden voelen en mentaal niet erin zijn
geslaagd ons in hun positie te verplaatsen.
Als we geen belangen hebben die verder reiken dan ons eigen belang
is dat omdat we ons hebben afgezonderd binnen het omhulsel van onze
lagere persoonlijkheid, het mentaal-fysieke voertuig.
Egoïsme kan in al zijn vormen direct worden teruggevoerd op dit
gevoel van afgescheidenheid dat bestaat in het persoonlijke ego-bewustzijn.
Het is dit gevoel van afgescheidenheid dat zo velen ertoe brengt de
inspanningen van hun leven verkeerd te richten door te proberen de belangen
van het persoonlijke zelf te bevorderen, terwijl ze daardoor de gelegenheid
om goed bekend te worden met hun hogere natuur laten voorbijgaan.
Het is alsof we in een grot leven die naar het licht toe steeds ruimer
wordt, maar naar achteren steeds nauwer. Als onze aandacht alleen op
ons eigenbelang is geconcentreerd, kijken we naar het einde van de grot
en keren onze rug naar de opening. We staan in ons eigen licht en zien
alleen dat kleine beetje licht dat tot achterin doordringt. Als we ons
zouden omdraaien, zouden we naar de opening van de grot kijken en naar
een uitzicht dat steeds ruimer wordt hoe verder we in die richting gaan.
De persoonlijkheid – een tijdelijk
voertuig
De op zichzelf gerichte pool van ons wezen omvat het fysieke lichaam,
het modellichaam, onze op onszelf gerichte verlangens, emoties en gedachten,
en ook het persoonlijke ego met zijn breinverstand en zijn dagelijkse
herinneringen van lopende gebeurtenissen, die in het brein zijn opgeslagen.
Deze groep van bestanddelen en eigenschappen stellen gezamenlijk de
op zichzelf gerichte pool van ons wezen samen en we zullen deze in het
vervolg aanduiden als de persoonlijkheid.
De persoonlijkheid kwam tot actief bestaan bij de geboorte of later.
Ze blijft gedurende het leven als een eenheid bestaan, maar valt bij
de dood uiteen in haar samenstellende elementen.
Het materiaal voor het lichaam is afkomstig uit de natuur en keert
daarnaar terug. Volgens de medische wetenschap verlaten iedere dag miljoenen
cellen ons lichaam, terwijl miljoenen andere daarvoor in de plaats komen.
Deze verandering gaat voortdurend door, zodat we na een aantal jaren
– gewoonlijk wordt dat op zeven gesteld – een volledig nieuw
lichaam hebben. Iemand die de leeftijd van zeventig jaar bereikt, heeft
daarom tijdens zijn leven tien verschillende fysieke lichamen gebruikt
en achter zich gelaten.
Dit feit is de basis voor de hindoemetafoor dat ‘de mens in een
vloeiende stroom van materie staat’. Met ‘de mens’
wordt hier de individualiteit bedoeld, het onvergankelijke deel dat
geen wijzigingen ondergaat ondanks de voortdurende verandering die in
zijn lichaam plaatsvindt.
De reden waarom het lichaam zijn uiterlijke verschijningsvorm relatief
onveranderd behoudt, behalve voorzover het die aanpassingen betreft
die het vorderen van de jaren vanzelfsprekend met zich meebrengt, is
dat het modellichaam, op het raamwerk waarvan de fysieke cellen zich
rangschikken, zelf relatief ongewijzigd blijft. Het modellichaam verandert
alleen als het karakter zich langzaam wijzigt. Na de dood valt het modellichaam
evenals het fysieke lichaam uiteen.
Omdat de persoonlijkheid tijdelijk van aard is, zal duidelijk zijn
dat het erg kortzichtig zou zijn als ons belangrijkste streven is gericht
op het bevredigen van zuiver persoonlijke belangen en interesses. De
vruchten van al zulke inspanningen zullen moeten worden achtergelaten,
terwijl altruïstisch streven ons zal helpen om bewustzijn te verkrijgen
en te behouden in ons mentaal-spirituele voertuig, dat door de dood
niet wordt aangetast.
Het gebruik van de term ‘persoonlijkheid’ om het voertuiglijke
deel van de mens aan te duiden is heel toepasselijk als we de oorsprong
van dit woord bekijken. Het komt van het Latijnse woord ‘persona’
dat ‘masker’ betekent. Persona is op haar beurt opgebouwd
uit twee woorden, per, wat ‘door’ betekent en sona,
‘klinken, spreken’. Het was in de oudheid bij toneelvoorstellingen
gebruikelijk dat de acteurs tijdens de hele voorstelling maskers droegen
en kopieën van zulke maskers werden tot nog niet zo lang geleden
algemeen gebruikt als motieven voor decoraties in theaters, voordat
ze door modernistische decoraties werden vervangen. De maskers hadden
openingen voor ogen en mond, waardoorheen de acteur kon zien en spreken,
en vormden zo een soort gereedschap of spreekbuis door middel waarvan
de werkelijke acteur die zelf onzichtbaar was zijn rol kon spelen en
zichzelf kon laten horen. Het is in deze zin dat de persoonlijkheid
zowel een instrument is dat door de individualiteit wordt gebruikt om
in contact te treden met het stoffelijke gebied en tevens een masker
waarachter de individualiteit wordt verborgen.
De individualiteit blijft voortdurend
bestaan
De persoonlijkheid, een terugkerende manifestatie
Wanneer we het onderwerp reïncarnatie beschouwen zonder naar details
te verwijzen, is het de individualiteit die het werkelijke, het onsterfelijke
deel van de mens is en het is de individualiteit die van leven tot leven
incarneert. De individualiteit is de ‘oorzaak’, de persoonlijkheid
is het ‘gevolg’. Er zou geen persoonlijkheid zijn als er
geen individualiteit was om deze voort te brengen. Voor iedere incarnatie
bouwt de individualiteit zich een nieuwe persoonlijkheid, die dan het
instrument wordt door middel waarvan de individualiteit op het stoffelijke
gebied kan werken.
Het karakter, het totale effect van al onze gedachten, daden en ervaringen
uit het verleden, is de leidende factor in het vormgeven, toerusten
en bekleden van de nieuwe persoonlijkheid. We kunnen ons karakter veranderen
terwijl we belichaamd zijn, maar omdat dit karakter tussen incarnaties
onveranderd blijft, zal de nieuwe persoonlijkheid in alle essentiële
kenmerken een reproductie zijn van de persoonlijkheid zoals die was
aan het eind van onze vorige incarnatie.
De persoonlijkheid is de ‘weerspiegeling in de materie’
van de individualiteit; zij is ‘de mens gemaakt naar het beeld
van God’. Maar dit beeld, dit persoonlijke zelf, heeft een eigen
leven gedurende de waaktoestand. Zij heeft een vrije wil en kan kiezen
tussen de ingevingen van haar hogere zelf en de impulsen van het lagere,
dierlijke zelf. Wanneer ze de laatste weg kiest, raakt het ‘beeld’
vervormd zoals de weerspiegeling van de zon op de rimpelende oppervlakte
van een vijver.
Het draadzelf – In de oosterse filosofie wordt de individualiteit
het ‘draadzelf’ genoemd waaraan de diverse persoonlijkheden
worden toegevoegd als kralen geregen aan een draad. De persoonlijkheden
verschillen, maar de draad waaraan ze zijn geregen, de individualiteit,
is in leven na leven dezelfde.
De acteur en zijn rollen – Er is nog een illustratie
die vaak wordt gebruikt om de relatie tussen de individualiteit en de
persoonlijkheid te beschrijven. Een acteur speelt gedurende zijn leven
vele verschillende rollen op het toneel. De ene avond speelt hij misschien
Hamlet en een andere keer King Lear, of misschien Othello. Het publiek
ziet deze karakters op het toneel, maar kent misschien niet eens de
naam van de acteur. De toneelkarakters zijn tijdelijk en onwerkelijk.
King Lear kent Hamlet niet die de vorige avond verscheen, noch Othello
die morgen komt, maar de echte acteur kent al deze rollen en nog vele
meer.
De verschillende toneelrollen zijn ‘maskers’ die eenmalig
worden opgezet en dan afgedankt, terwijl de acteur het werkelijke wezen
achter het masker is, zoals de persoonlijkheid, die maar één
leven meegaat, het ‘masker’ is door middel waarvan de individualiteit
zich uitdrukt.
Zoals de acteur blijft voortbestaan nadat hij zijn toneelkleding heeft
uitgetrokken en uit het theater is vertrokken, zo blijft ook de individualiteit
bestaan nadat zij haar ‘masker’, de persoonlijkheid, heeft
afgelegd en van dit bestaansgebied verdwijnt, zoals zij dat zowel tijdens
de slaap als in de dood doet.
En zoals de acteur na het verlaten van het theater verdergaat met zijn
privéleven, zo trekt de individualiteit nadat zij is bevrijd
van de verstrikkende beperkingen van de persoonlijkheid zich terug naar
meer innerlijke hogere bewustzijnsgebieden waar zij nu haar werkelijke
bestaan heeft.
Reïncarnatie en het verlies
van de herinnering
Reïncarnatie – een
deel van het plan van de natuur
Zoals uit het voorgaande blijkt is een ruwe schets van de reïncarnatieleer
niet moeilijk te begrijpen, maar er zijn natuurlijk vele vragen die
zullen opkomen in het denken van een geïnteresseerde voor wie het
onderwerp nieuw is. Omdat deze bij veel anderen in het verleden ook
zijn opgekomen, kan hierop worden ingespeeld en de meest algemene zullen
we hieronder bespreken.
Als we een antwoord zoeken op deze vragen moeten we het volgende in
gedachte houden:
1) Er is een doel in het leven: – de vooruitgang van de ziel
naar steeds hogere stadia van zijn.
2) Er is een plan in de natuur om dit doel te verwezenlijken: dit is
evolutie door middel van herhaalde ervaringen op het materiële
gebied.
3) Er wordt voorzien in de tijd die nodig is voor deze ervaringen door
een bijna eindeloze keten van belichamingen in de menselijke vorm.
4) De mens is een deel van de natuur en daarom onderworpen aan dezelfde
wetten die voor de rest van de natuur gelden. In het ervaren van herhaalde
belichamingen volgt de mens eenvoudig de wet van periodiciteit of cyclische
activiteit die we overal in de natuur aan het werk zien.
Reïncarnatie is daarom niet slechts een theorie, maar een verklaring
van hoe een van de meest fundamentele processen van de natuur werkt
wanneer dit op de mens wordt toegepast. Reïncarnatie moet men niet
bestuderen als iets dat op zichzelf staat, maar moet worden gezien in
relatie tot andere leringen die behoren tot het universele plan.
Als we eerder hebben geleefd, waarom
herinneren we ons dat dan niet?
Deze vraag impliceert dat we, omdat we het ons niet herinneren, niet
eerder kunnen hebben geleefd; met andere woorden zij is gebaseerd op
de veronderstelling dat wat we ons niet kunnen herinneren, we niet kunnen
hebben ervaren.
Enig nadenken zal aantonen dat deze veronderstelling niet goed gefundeerd
is, want we kennen vele ervaringen die we moeten hebben gehad en die
we ons toch niet herinneren.
De eerste paar jaar van ons leven, bijvoorbeeld, zijn we volkomen vergeten.
Vele, misschien wel de meeste gebeurtenissen uit het dagelijks leven
zijn we vergeten. Als we oud zijn laat het geheugen iemand vaak volledig
in de steek. Bij slachtoffers van geheugenverlies zijn soms hele jaren
van hun leven uit hun herinnering gewist zoals al werd opgemerkt onder
de kop ‘Uitzonderlijke bewustzijnstoestanden’.
In al deze gevallen bewijst het feit dat we ons de gebeurtenissen of
zelfs complete jaren van ons leven niet herinneren, niet dat we tijdens
die vergeten perioden niet leefden. Als een mens, terwijl hij in hetzelfde
fysieke lichaam leeft en gebruikmaakt van dezelfde fysieke hersenen
hele jaren uit zijn leven kan kwijtraken, zou het ons niet moeten verbazen
dat een vorig bestaan, dat we in een ander lichaam leefden en met andere
hersenen, is vergeten. Maar dit brengt ons op een andere vraag:
Is een vergeten bestaan of ervaring
van enige waarde voor het individu?
We zijn de buitelingen die we maakten en de builen die we opliepen
toen we onze eerste stappen zetten vergeten, maar we zijn niet vergeten
hoe we moeten lopen. We zijn vergeten wanneer we het alfabet hebben
geleerd, maar we zijn niet vergeten hoe we moeten lezen. Mensen die
dagelijks wiskunde toepassen in hun werk zijn gewoonlijk de omstandige
pogingen die ze moesten doen om deze kennis te verwerven vergeten, maar
als ze later in hun leven aan anderen wiskunde moeten onderwijzen, zullen
ze ontdekken dat ze een heel eind zullen moeten teruggaan en de stappen
die ze vroeger hadden gezet opnieuw moeten nemen. De stappen waren vergeten,
maar het resultaat ervan hebben ze onbewust steeds gebruikt bij de praktische
toepassing van hun kennis. Is het dan niet duidelijk dat ervaringen,
hoewel vergeten, ons waardevolle en blijvende lessen kunnen hebben geleerd?
Er bestaat meer dan één
soort geheugen
Het geheugen omvat twee functies, opslaan en in de herinnering terugroepen.
Het onvermogen om je iets te herinneren betekent niet noodzakelijk dat
de herinnering eraan niet bestaat. Is het niet vaak voorgekomen dat
we tot onze schaamte de naam van iemand die we op straat tegenkwamen
niet te binnen konden brengen hoewel we zeker weten dat we zijn naam
kennen?
Iets wat ons in onze jeugd is overkomen kunnen we volkomen zijn vergeten.
Een vergelijkbare ervaring later in ons leven kan die vroegere ervaring
in levendige details in onze herinnering terugbrengen. De herinnering
was er al die tijd, opgeslagen, maar we waren ons daarvan volkomen onbewust.
Als we spreken over het geheugen in het algemeen, denken we gewoonlijk
aan het vastleggen van gebeurtenissen en details uit het dagelijks leven.
Deze optekening wordt opgeslagen in de hersenen, en niets daarvan kan
verder teruggaan dan de vroege kindertijd en ze kan ook niet langer
blijven bestaan dan dat de hersenen leven. Maar dit is niet het enige
soort geheugen dat we hebben. Iedere gebeurtenis die we hebben ervaren,
iedere handeling die we hebben verricht, iedere gedachte die we hebben
gekoesterd, tot in het kleinste detail, wordt permanent vastgelegd in
de innerlijke structuur van het hogere of reïncarnerende ego. Het
is een herinnering die is opgeslagen in het hogere of bovenbewuste denken.
Deze optekening is echter voor het menselijke ego in de normale omstandigheden
van zijn aardse leven niet toegankelijk.
Ons geheugen is als de administratie van een zakelijke onderneming.
De herinneringen die zijn opgeslagen in de hersenen zijn te vergelijken
met de actieve bestanden die in de administratie van het kantoor worden
bewaard om snel te kunnen raadplegen. Maar kopieën van alle bestanden
worden tegelijkertijd opgeborgen in de kluis, waar ze achter slot en
grendel worden bewaard. Er is één kluis voor iedere incarnatie,
maar het menselijke ego beschikt alleen over de sleutel tot het referentiebestand.
Soms kan onder abnormale omstandigheden een deur naar een van deze
geheugenkluizen openspringen en kennis die normaal voor het individu
onbekend is, wordt voor hem nu toegankelijk.
Een voorbeeld hiervan dat indertijd veel aandacht heeft getrokken in
medische kringen in Californië is dat van Pat Marquis, een jongen
uit Los Angeles die toen twaalf jaar was.* Als hij half in trance verkeert
getuigt de jongen van een opmerkelijke kennis van onderwerpen waarvan
hij normaal niets weet.
*Het geval is besproken in het Theosophical Forum
van oktober 1936.
Zijn paranormale vermogens werden op een keer gedemonstreerd in aanwezigheid
van 150 artsen in het Hollywood Hospital en bij een andere gelegenheid
voor 200 artsen op een bijeenkomst van de County Medical Association.
Hij verscheen ook voor professoren aan het California Institute of Technology
in Pasadena, enz.
Als hij half in trance komt, schijnt hij een andere persoonlijkheid
te worden – een oude Perzische arts, die zichzelf ‘Napeji’
noemt, een parsi die in de 11de eeuw van onze jaartelling in de Himalaya
leefde. Hoewel hij normaal geen woord Perzisch kent, schrijft hij in
die taal in antwoord op vragen van één van de onderzoekers,
dr. Ameen Fareed, zelf van Perzische afkomst, en arts. Pat Marquis kan
als ‘Napeji’ ook in het Perzisch schrijven wanneer dr. Fareed
niet aanwezig is. Soms gebruikt hij een archaïsche vorm van die
taal. Hij beschrijft op correcte wijze Perzische gewoonten, en zijn
manier van doen is als die van een zeer waardig persoon en helemaal
niet die van een levendige jongen van twaalf. Toen men hem technische
vragen stelde over de zetel van het bewustzijn in de hersenen, antwoordde
‘Napeji’ in de taal van een getrainde anatoom. Dr. C. Reynolds,
F.R.C.S., die Pat Marquis voorstelde aan de commissie van artsen in
Hollywood, zei: ‘Hoe hij kennis kan hebben van anatomie en moderne
medische termen, gaat mijn begrip te boven. De jongen weet
daar beslist niets van.’
Bij een andere gelegenheid nam de jongen, nadat hij geheel was geblinddoekt
en in de vereiste trance gebracht, en dan in de persoonlijkheid van
‘Napeji’ verkeerde, de degens op in een schermwedstrijd
met F. Cavens, een top-schermer. Pat Marquis weet niets van schermen,
maar kennelijk is ‘Napeji’ een meester in de kunst, want
Cavens zei: ‘Ik ken geen schermmeester ter wereld die dit zou
kunnen. Het feit dat hij mijn degenspits kan zien aankomen en pareren
en niet in zijn parade kan worden misleid door de hem bedreigende degenspits
en zich correct kan terugtrekken, is opmerkelijk. Ik daag elke expert
uit om dit te doen. Het zou voor mij volkomen onmogelijk zijn.’
Zestig seconden na de schermwedstrijd was ‘Napeji’ verdwenen
en de lachende, gezonde scholier had zijn normale persoonlijkheid weer
terug.
Er zouden andere voorbeelden kunnen worden geciteerd van zo’n
geheugenopslag van verborgen kennis. Een heel opmerkelijk voorbeeld
is dat van Edgar Cayce, van wie het levensverhaal wordt verteld in een
boek getiteld Edgar Cayce zijn leven en werk, ‘Vlietend water’
door Thomas Sugrue.* Hoewel hij in zijn normale toestand helemaal niets
van medische wetenschap en anatomie wist, was Cayce als hij in een zelfopgelegde
trancetoestand verkeerde in staat vele kwalen juist te diagnosticeren
en de passende medicijnen voor te schrijven. Er bestaan honderden complete
verslagen die beëdigde verklaringen van patiënten bevatten,
en verslagen van artsen.
*Uitgeverij De Ster, Tilburg, 1998.
Omdat het onmogelijk is in een korte samenvatting recht te doen aan
de enorme hoeveelheid materiaal die in dit boek is opgenomen, moet ik
de geïnteresseerde lezer voor details naar het boek zelf verwijzen.
Laten zulke feiten zoals hierboven genoemd niet zien dat er een geheugen‘reservoir’
bestaat, dat gewoonlijk niet toegankelijk is, maar onder bepaalde omstandigheden
kan worden ‘afgetapt’ en dan een voorraad onvermoede kennis
kan onthullen?
Maar er is nog een ander type geheugen, een soort algemeen of collectief
geheugen dat in ons karakter is samengevat. Het is een intuïtief
bewustzijn van de herinneringen die worden vastgehouden door het reïncarnerende
ego, maar waarbij alle details zijn weggelaten. Het is de oogst van
blijvende waarde die we hebben bewaard van talloze ervaringen en lessen
die we allang zijn vergeten, zoals ook het vermogen om te lopen en te
lezen de vruchten zijn van lessen uit een vergeten verleden.
Hoewel dit karakter-geheugen in het verleden is geworteld en er een
gebrek is aan details die aangeven hoe het is verworven, is het zo levendig
en dynamisch dat het ons leven, onze gedachten en daden hier en nu sterk
beïnvloedt.
Al de lessen en ervaringen uit het verleden, hoewel nooit als herinneringen
vastgelegd in ons huidige brein, blijken ons leven dus iedere dag te
beïnvloeden.
Als we eerder hebben geleefd, waarom
zijn we dan niet in staat om onszelf te identificeren met specifieke
personen uit vroegere levens?
Omdat we in iedere incarnatie een nieuw brein hebben, dat geen deel
heeft gehad aan de ervaringen van onze vorige levens en daarom daarvan
onwetend is. De bewustzijnsstraal die in dit leven is geprojecteerd
en de individualiteit is dezelfde als in onze vorige levens, maar omdat
het voertuig nieuw is, is het resultaat dat het egoische bewustzijn
van dit nieuwe samenwerkingsverband zich op natuurlijke wijze identificeert
met zijn nieuwe voertuig, en omdat er geen tastbare verbinding bestaat
tussen het oude en het nieuwe voertuig is het menselijke ego niet in
staat om zijn huidige zelf met dat van zijn vorige incarnatie te identificeren.
Het beschouwt zichzelf daarom als een nieuwe ‘schepping’
terwijl het in werkelijkheid een herschepping van zijn vroegere zelf
is.
Is een toekomstig leven, waarin we
niet in staat zijn ons te identificeren met ons huidige zelf, waard
om te worden geaccepteerd als persoonlijke onsterfelijkheid?
De reïncarnatieleer houdt geen persoonlijke onsterfelijkheid in
of een voortzetting van persoonlijk bewustzijn van de ene incarnatie
naar de volgende. Ze verkondigt de continuïteit van de individualiteit
en een periodieke reproductie van de persoonlijkheid. Deze gereproduceerde
persoonlijkheid is in alle bijzonderheden de persoonlijkheid van de
vorige incarnatie met een nieuwe naam. Waarom zou deze lering de hoop
van de mens op onsterfelijkheid of een continuïteit van het bestaan
niet in vervulling doen gaan? Laten we in onze verbeelding eens teruggaan
naar ons vorige leven hier op aarde, en omdat we nu zijn wat we toen
waren, moeten we toen hebben gespeculeerd over het leven en ‘ons
toekomstige leven’. Stel dat ons toen zou zijn verteld dat na
een lange periode van rust we opnieuw zouden terugkomen naar deze aarde
en dat we in ‘die toekomst’ (met andere woorden nu) dezelfde
persoonlijkheid als in die vorige incarnatie zouden zijn, maar dat we
de details van dat leven en ook onze vroegere naam zouden vergeten.
Stel verder dat we toen hadden geweten wat we nu weten over ons huidige
bestaan – hadden geweten dat het ik-ben-ik
of het menselijke ego, waarmee we ons identificeren, z’n bestaan
hier zou vervolgen waar het toen was opgehouden en dat deze cyclus keer
op keer zou worden herhaald, totdat we een hogere staat van zijn bereiken
– stel dat we dit alles toen hadden geweten, zou het
niet onze hoop op onsterfelijkheid tot werkelijkheid hebben gemaakt
en ons de verzekering van continuïteit van ons bestaan hebben gegeven?
En als het onze hoop toen zou hebben verwerkelijkt, zou dan
niet diezelfde kennis ons nu de verzekering en hoop kunnen
geven voor de toekomst?
Stel dat we ons dit zouden herinneren
Stel dat we niet de mogelijkheid hadden om de herinneringen van onze
vroegere levens uit te wissen. We zouden ons dan niet alleen de details
herinneren van ons vorige leven, maar ook van ontelbare andere levens
en we zouden ons die in detail herinneren zoals ook voor het huidige
leven het geval is.
Hebben we er niet genoeg aan om de gedachten en herinneringen van dit
ene leven te beheersen? Hoe zouden we het moeten klaarspelen als de
herinneringen van honderden incarnaties op ons afkwamen? In plaats van
één enkel station op de radio zou het zijn alsof we ze
allemaal tegelijk zouden aanzetten. Zou zo’n stroom herinneringen,
vele misschien van verdrietige of angstaanjagende aard, ons niet overweldigen
en ons verhinderen aandacht te schenken aan de plichten van dit leven
en het zo belangrijke moment van nu? Verspillen we nu al niet genoeg
tijd met nutteloze gedachten over onbelangrijke details van dit huidige
leven?
Onze herinneringen zouden natuurlijk niet allemaal ongelukkig zijn.
Er zouden vele blije herinneringen zijn en we zouden ervan genieten
ons deze weer te binnen te brengen, maar we moeten niet vergeten dat
als onze gelukkige herinneringen naar ons zouden terugkeren, dat ook
zou gebeuren met de droevige; hoe zouden we weten of de prettige herinneringen
de overhand zouden hebben over de droevige?
Als we terugkijken op de geschiedenis zien we beschavingen opkomen,
een hoogtepunt bereiken, en dan in verval raken, vaak weggevaagd door
horden barbaren, gevolgd door perioden van onwetendheid en spirituele
en intellectuele duisternis. We hebben gedurende al die perioden geleefd
en deelgenomen aan al die gebeurtenissen. Als we naar een aantal van
de meer primitieve rassen van de mensheid van nu kijken en hun manier
van leven zien en ons dan realiseren dat ook wij in een of ander ver
verleden behoorden tot net zulke rassen, en leefden en handelden zoals
zij nu doen, dan moet het voor ons duidelijk zijn, dat ons eigen verleden
vele verwerpelijke episoden moet bevatten en dat ook wij deel moeten
hebben gehad aan vele tragische gebeurtenissen en vele schokkende belevenissen
moeten hebben meegemaakt. Is het niet een feit dat mensen die een of
andere tragische gebeurtenis hebben ondergaan, daarvan vaak zo’n
schok hebben gekregen, zo’n blijvende indruk, dat ze de rest van
hun leven niet meer in staat zijn die van zich af te schudden, en dat
de herinnering aan zo’n drama daarna een verlammend effect heeft
op al hun activiteiten? Hoe zouden we aandacht kunnen geven aan onze
dagelijkse plichten als we werden achtervolgd door niet één,
maar door een hele reeks van zulke herinneringen afkomstig uit talloze
incarnaties uit het verleden?
Laten we hopen dat al zulke rekeningen zijn vereffend gedurende vele
tussenliggende incarnaties. Maar stel dat er nog een of andere onvereffende
rekening openstaat die beslist bij ons moet terugkomen, misschien in
de vorm van een ongeluk. Zou het vooruitzicht op deze gebeurtenis niet
zo’n deprimerend psychologisch effect hebben dat zowel onze mentale
als fysieke activiteiten er ernstig door zouden worden gehinderd?
Lijkt het dan niet erop, als we dieper erover nadenken, dat het een
barmhartige voorziening is dat de herinneringen uit het verleden voor
onze waarneming zijn afgesloten en dat ons een nieuw brein wordt gegeven,
en dat we ongehinderd door de ‘spoken’ van het verleden
dit leven met een schone lei kunnen beginnen?
Stel dat we onze vroegere persoonlijkheden
konden identificeren
Gezien vanuit een andere invalshoek, zou het idee dat we ons onze vroegere
levens zouden herinneren een aspect krijgen dat aan het belachelijke
grenst.
Wanneer we ons onze vorige levens zouden herinneren, zoals dit leven,
zouden we in staat zijn onszelf te identificeren met onze vroegere persoonlijkheden.
We zouden ons ook onze vrienden en vijanden herinneren uit die dagen
en zij zouden zich ons herinneren. Dit zou niet alleen waar zijn voor
ons vorige leven, maar ook voor talloze daarvoor. We zouden natuurlijk
vele vrienden ontmoeten maar ook veel vijanden hebben en vele oude rekeningen
om te vereffenen. Iedere keer dat we iemand tegenkwamen, zouden we ons
afvragen: ‘Hoeveel ben ik deze mens nog schuldig – waarmee
gaat hij me lastig vallen?’ We zouden vluchtwegen inslaan om schuldeisers
te ontwijken, alleen om andere tegen te komen, want al onze financiële
transacties en overtredingen zouden natuurlijk ook worden herinnerd.
Als we dit beeld in onze voorstelling nog iets verder doorvoeren, kunnen
we zien dat als al onze herinneringen zouden zijn bewaard, dit een heel
ongemakkelijke wereld zou zijn om in te leven.
Is het zonder deze kennis tot dusver niet heel aardig met ons gegaan
en is het leven niet eenvoudiger gemaakt door het ontbreken ervan, want
zonder deze kennis zijn we vrij om iedere persoon die we ontmoeten te
beschouwen als een vroegere vriend of een potentiële vriend? Als
het een oude vriend is, worden we al snel tot elkaar aangetrokken, want
‘de vrienden die ik zoek, zoeken mij’ zoals Walt Whitman
het uitdrukt.
Als het aan de andere kant toevallig een oude vijand zou zijn, hoe
eerder we hem tot een vriend maken des te beter het voor ons beiden
zou zijn, en hoe minder we zouden weten over onze vroegere onenigheden
des te gemakkelijker de situatie ten gunste kan veranderen.
Wat zouden we ermee winnen als we
wisten wie we in vroegere incarnaties waren?
Als het toevallig één van de grote figuren uit de geschiedenis
zou betreffen, zou dat natuurlijk onze ijdelheid strelen, en degenen
die zeggen zich hun laatste incarnaties te herinneren, beweren in het
algemeen dat ze een of andere grote heerser of militaire leider, een
prinses of een andere beroemde figuur uit het verleden zijn geweest.
Er is bijna geen psychiatrische inrichting die niet minstens één
Napoleon, en soms meerdere, in huis heeft en er zwerven zeker een flink
aantal Jeanne d’Arcs rond. Af en toe verkondigt iemand bescheiden
dat hij een incarnatie van Jezus is.
De enige moeilijkheid met deze beweringen over vroegere incarnaties
is dat gewone mensen zich hun vroegere levens niet in detail kunnen
herinneren, totdat ze de vereniging hebben bereikt met hun hogere ego
en dan zijn ze niet langer gewone mensen. Ons is verteld dat de meesters
van wijsheid, die deze vereniging hebben bereikt, zich hun vorige levens
wel kunnen herinneren, maar zij die dat kunnen zullen nooit in het openbaar
aanspraak maken op dit vermogen. Mensen die dat wel doen zijn het slachtoffer
van zelfmisleiding die in alle eerlijkheid kan worden gevolgd, maar
niettemin misleiding of zelfbedrog is.
Zouden we iets ermee winnen door te weten wie we in een vroegere incarnatie
waren, iets dat opweegt tegen de nadelen van deze kennis?
Zou ons huidige leven een andere richting hebben genomen als we het
hadden geweten? We zouden nog steeds hetzelfde karakter hebben gehad,
dezelfde collectieve herinnering van al onze voorbije levens, en als
we hetzelfde karakter hadden, zouden we dan niet uiteindelijk ongeveer
op dezelfde plaats zijn uitgekomen, of we nu wel of niet onze vroegere
persoonlijkheden kennen?
Evolutie en het verlies van herinnering
Het doel van het leven is vooruitgang naar hogere zijnstoestanden,
en het middel om dit te bereiken is ervaring die tijdens herhaalde incarnaties
wordt opgedaan. Om het grootste voordeel uit ons bestaan hier te verkrijgen
moet ons hele wezen ongebonden en vrij zijn om zijn volle aandacht te
concentreren op zijn taken hier en dit zou onmogelijk zijn als ons denken
was vervuild met allerlei soorten resten van herinneringen uit vorige
levens. De enige manier waarop we volledig voordeel kunnen trekken uit
de kansen die een nieuw leven biedt, is te beginnen met een geest die
vrij is van zulke resten, en dit is precies waarin de natuur voorziet
door ons een nieuw lichaam en nieuwe hersenen te geven.
De persoonlijkheid is tijdelijk ons voertuig, maar als zij haar doel
heeft gediend, wordt ze als een lege schil opzij geworpen. De essentie
ligt in het karakter en in het blijvende deel van het menselijke ego.
De oude Grieken, die nog iets van de leringen van de oude wijsheid
hadden bewaard, realiseerden zich dat voordat de ziel naar de aarde
terugkeerde voor een nieuwe incarnatie, alle herinneringen aan vroegere
levens moesten worden uitgewist. Zij stelden het idee symbolisch voor
door te leren dat de ziel in haar afdaling uit hogere sferen, voordat
ze het materiële bestaan binnenging, de Lethe moest oversteken,
‘de rivier van vergetelheid’ en van haar water moest drinken.
Dit wiste de herinnering uit, niet alleen van incarnaties uit het verleden
maar ook van de gelukzalige droomtoestand tussen incarnaties en van
de kennis van de ziel over haar goddelijke oorsprong. Zonder de tussenkomst
van zo’n vergetelheid zouden gedetailleerde herinneringen aan
onze vroegere levens onze vooruitgang vertragen, en zou een voortdurend
verlangen naar de vrede en gelukzaligheid die we in de hogere zijnstoestanden
hebben ervaren ons misschien tot onpraktische dagdromers maken, in plaats
van actieve personen die pogen diezelfde vrede en gelukzaligheid in
dit leven hier op aarde in praktijk te brengen.
Vastgelegde feiten bewaard in het
hogere ego
Terwijl gedetailleerde herinneringen uit het bewustzijn van het menselijke
ego zijn uitgewist, blijft een volmaakte optekening hiervan bewaard
in het permanente deel, het hogere ego. Door deze feiten in te zien,
is het menselijke ego onder de speciale omstandigheden die heersen bij
de dood en kort voor de geboorte, in staat een ‘panoramisch overzicht’
van zijn vorige en toekomstige leven te krijgen.
Door deze vastgelegde feiten ziet het hogere ego dat de toekomst slechts
de uitkomst is van het verleden en herkent de rechtvaardigheid van alles
dat zijn vertegenwoordiger, het menselijke ego, in zijn volgende incarnatie
zal ontmoeten, en omdat het menselijke ego intuïtief deze het bewustzijn
te boven gaande kennis waarneemt, accepteert de gemiddelde mens de vaak
nederige positie in het leven die hem is toegekend door wat lijkt op
‘een onberekenbaar lot’.
Is het geen opmerkelijk feit dat de grote meerderheid van de mensen
de last van het leven op zich neemt en deze geduldig tot het eind toe
draagt, ondanks de schijnbare onrechtvaardigheid waaronder
de meesten van hen lijden?
Een ernstige beproeving
In de toekomst, als het menselijke ego één is geworden
met het hogere ego, zal het volledige verslag van al zijn voorafgaande
levens voor zijn innerlijke geestesoog worden ontvouwd. De meesters
van wijsheid die deze ervaring hebben doorgemaakt zeggen ons dat in
bijna ieder geval deze terugblik wordt ondergaan met een gevoel van
buitengewone droefheid en spijt. Een gewoon mens zou de schok niet aankunnen
– deze zou krankzinnigheid of de dood tot gevolg kunnen hebben,
maar het is een noodzakelijke stap in onze evolutie die vroeg of laat
door iedereen moet worden genomen.
Niemand die deze ernstige beproeving heeft doorstaan zou over het zich
herinneren van vorige incarnaties oneerbiedig spreken, maar zodra hij
het overzicht eenmaal had gezien, zou hij blij zijn de deur naar het
verleden te sluiten en zich in plaats daarvan op de toekomst te richten.
Dat we ons onze vorige levens niet herinneren is daarom geen bewijs
dat we die levens niet hebben geleefd; en dit is een uiterst barmhartige
regeling en de meest geschikte voor onze ongehinderde groei en evolutie.
Waarom varieert het bevolkingsaantal
van de aarde?
Hoe kan de variatie in het bevolkingsaantal van de aarde worden verklaard
wanneer de oude wijsheid leert dat het dezelfde zielen zijn die steeds
weer incarneren en dat er geen nieuwe zielen worden ‘geschapen’
en geen oude vernietigd? Zou onder deze omstandigheden het aantal bewoners
van de aarde niet constant moeten blijven?
Het aantal menselijke zielen dat hun ‘thuis’ op deze aarde
hebben is constant, maar van dit enorme aantal is slechts een klein
deel op een bepaald moment in fysieke lichamen geïncarneerd. Het
overgrote deel bestaat op de innerlijke, spirituele gebieden van het
zijn.
De gedachte kan met de volgende illustratie worden toegelicht: Laten
we aannemen dat een stad met vaste grenzen in zijn centrum een groot
openbaar gebouw heeft voor zakelijke transacties. De populatie binnen
de stadsgrenzen ligt vast en is constant, maar het aantal bezoekers
in de hal varieert van tijd tot tijd; een groter aantal in de hal betekent
een kleiner aantal erbuiten en andersom. Evenzo betekent een toename
of afname van de bevolking van de aarde een overeenkomstige afname of
toename in het aantal ontlichaamde wezens, maar geen verandering in
het totale aantal entiteiten dat tot de aarde behoort.
Waarom zou een ego naar deze aarde
terugkeren? Waarom niet naar een andere planeet?
Omdat het universum een ‘praktijkschool’ is en deze aarde
het ‘klaslokaal’ is dat het meest met ons stadium van ontwikkeling
overeenkomt. Het is daarom de plaats die het best bij ons past en de
plaats waar we het snelst en gemakkelijkst kunnen leren.
We moeten door alle ervaringen heengaan, alle lessen leren op onze
tocht naar de vervolmaking, en zelfs als we naar een andere planeet
of bewustzijnstoestand konden ontsnappen, zouden we toch de lessen moeten
leren die we hier niet hebben geleerd en dan mogelijk onder minder gunstige
omstandigheden.
Een jongetje dat na de eerste schooldag thuiskwam werd gevraagd hoe
het was gegaan, waarop hij antwoordde: ‘Niet zo goed. Ik moet
morgen weer terugkomen’. Voor we ons de omvang realiseren van
de taak die voor ons ligt, denken we misschien ook dat we in één
dag kunnen slagen, maar net zoals moeder de volgende dag haar zoontje
terugbrengt naar dezelfde school, waarmee hij vertrouwd begint te raken,
zo neemt ook moeder natuur ons terug naar de school waarmee we het meest
vertrouwd zijn, totdat we gereed zijn om over te gaan naar een volgend
stadium.
Maar er is nóg een reden waarom we juist naar deze
aarde moeten terugkeren in plaats van ergens anders heen te gaan. Die
reden is dat deze aarde het terrein is waarin we in vroegere levens
onze zaden van gedachten en handelingen hebben gezaaid, en zoals een
boer zijn oogst binnenhaalt van het veld waar hij heeft gezaaid, zo
moeten ook wij hier terugkomen en onze oogst binnenhalen waar we die
hebben gezaaid.
Hoe zullen we onze vrienden
en geliefden in een ander leven terugvinden?
Op dezelfde manier als we ze deze keer hebben gevonden. We zijn in
een familie gekomen die ons liefhebbende ouders en misschien broers
en zusters heeft gegeven, en in ons volgende leven zullen we weer met
hen zijn verbonden, misschien niet precies in dezelfde relaties, maar
zo dichtbij als onze wederzijdse aantrekking ons zal brengen.
Onze vrienden buiten de familiekring zullen we op allerlei manieren
ontmoeten, zoals dat ook nu is gegaan. Soms horen we iemand zeggen nadat
hij iemand die hij niet kent heeft ontmoet: ‘Het lijkt wel of
ik die persoon mijn hele leven al heb gekend’. De onbekende blijkt
misschien iemand te zijn met wie we veel interesses delen en misschien
een levenslange vriendschap sluiten. Het is een oude vriend met wie
we de band hebben vernieuwd.
Anderen die we ontmoeten lijken ons vijandig gezind en een vergelijkbaar
gevoel komt bij ons op ten opzichte van hen. Het is een oude vijand
die we opnieuw ontmoeten, iemand die we misschien onrechtvaardig hebben
behandeld of die dat met ons heeft gedaan. Alle rekeningen moeten worden
vereffend; evenwicht en harmonie moeten worden hersteld overal waar
die verstoord zijn geraakt, zegt de oude wijsheid. Onaangename gevoelens
moeten worden vervangen door welwillendheid, want ‘aan haat komt
geen einde door haat; aan haat komt een einde door liefde’. We
moeten proberen dit individu te begrijpen en het goede in hem te zien,
want dat is er en hoe eerder we aan de taak beginnen des te beter, want
hij zal ons pad steeds weer kruisen totdat we hebben geleerd elkaar
te begrijpen.
Afwisselende cyclussen van activiteit
en rust bevorderen de evolutie van de mens
Als voor onze evolutie zoveel tijd nodig is, zou het dan niet beter
zijn als we voortdurend zouden blijven leven in plaats van te sterven
en te worden wedergeboren?
We brengen een derde van iedere vierentwintig uur slapend door en beschouwen
dat niet als tijdverspilling, want we zien de voordelen in die deze
onderbreking van onze fysieke activiteiten ons oplevert. Een taak die
voor ons onoverkomelijk lijkt als we na een dag werken uitgeput zijn,
kunnen we na een verkwikkende nachtrust gemakkelijk aan. Een probleem
dat we met vermoeide, duffe hersenen niet aankonden, kan de volgende
ochtend met een frisse aanpak gemakkelijk worden opgelost. Als we zouden
proberen dag in dag uit vierentwintig uur actief te blijven, zouden
we geleidelijk steeds minder presteren en ons lichaam en zenuwstelsel
zouden tenslotte instorten.
Ook op een grotere tijdschaal slijt het lichaam en raakt het bewustzijn
vermoeid. Het moet rusten en zichzelf verfrissen, en zoals de natuur
ons in haar wijze voorziening van dag en nacht praktisch dwingt om voor
ons eigen welzijn en onze eigen bescherming dagelijks rust te nemen,
zo dwingt zij de mens ook, om dezelfde reden, om de langere rust van
de dood te nemen. Hij hernieuwt in die periode zijn vitaliteit door
een bestaan op innerlijke, geestelijke gebieden.
En er zijn andere voordelen die mogelijk worden gemaakt door deze cyclische
onderbrekingen en hervattingen van ons fysieke bestaan.
We kunnen niet ons leven lang hetzelfde stel kleren blijven dragen;
als het niet zou verslijten, zouden we er wel uitgroeien. De kleding
die een kind past, zou een volwassene niet aankunnen en zouden zijn
handelingen belemmeren. Een volwassene moet nieuwe kleding hebben die
bij zijn maat past en die beter is aangepast aan zijn meer uitgebreide
activiteiten.
Evenzo kan iemand zijn milieu ontgroeien, en de methode van de natuur
om hem ‘nieuwe kleren te geven’ of in nieuwe omstandigheden
te plaatsen, is door middel van reïncarnatie.
Een ononderbroken bestaan met kleine geleidelijke veranderingen zou
hem niet dezelfde kans geven voor verbetering als een volledige verandering.
Een ouderwets huis zal door een paar veranderingen hier en daar geen
moderne woning worden – dit vereist dat men het oude bouwwerk
afbreekt en, met gebruik van een deel van het oude materiaal en ook
wat nieuw, het volgens een nieuw en beter ontwerp weer opbouwt.
De natuur herhaalt haar processen voortdurend. De bomen en planten
hebben hun seizoengebonden activiteit in de lente en de zomer, en een
rustperiode in de herfst en in de winter. Deze onderbreking van de continuïteit
is niet alleen goed voor bomen en planten, maar ook voor de boer die
misschien het wieden van onkruid op zijn land heeft verwaarloosd. Als
het in de winter gaat vriezen, wordt het onkruid gedood, en als het
lente wordt heeft de boer een nieuwe kans om zijn gewas in de gaten
te houden en het onkruid eruit te halen terwijl het nog jong en zwak
is.
Wij mensen zijn een deel van de natuur en zijn onderworpen aan haar
wetten. Ook wij weten hoe moeilijk het is om een gewoonte of een fout
die we tijdens ons leven hebben laten groeien af te leren of te boven
te komen, en wat een voordeel het is als we deze taak van het aanleren
van goede gewoonten en het vormen van een edel karakter kunnen beginnen
als we nog een kind zijn.
De natuur biedt ons bij iedere nieuwe geboorte in het fysieke bestaan
een kans om opnieuw te beginnen.
Onevenredige tijdsperioden
Waarom is de periode tussen incarnaties zo lang vergeleken met het
geïncarneerde bestaan? Wij mensen zijn deel van iets veel groters
dan ons menselijke zelf, en tijdens het interval tussen levens op aarde
gaat de hogere kant van onze natuur verder met zijn eigen evolutie in
sferen ver boven die waar het menselijke ego verblijft, terwijl dit
menselijke ego zijn gelukzalige dromen van na de dood ervaart of onbewust
blijft wachten op zijn volgende incarnatie. De tijdsperioden die nodig
zijn voor deze ervaringen zijn naar verhouding zoveel groter dan die
van het geïncarneerde bestaan omdat de hogere beginselen in ons
zoveel grootser zijn dan het menselijke bewustzijn.
De tijd van ons geïncarneerde bestaan is daarom slechts een fractie
van een grotere tijdscyclus, een terugkerend tussenspel tussen twee
veel langere perioden waarin de straal op geestelijke gebieden actief
is.
Zoals ‘een dag voor het lichaam een nacht is voor de ziel’,
zo is de innerlijke god beroofd van zijn vrijheid van handelen gedurende
het geïncarneerde bestaan. Maar de dood verbreekt de banden met
het lagere deel van de menselijke constitutie en dit laat de hogere
beginselen vrij om terug te keren naar hun respectieve bestaansgebieden.
Zoals ‘de nacht voor het lichaam een dag is voor de ziel’,
zo worden de hogere beginselen nu volledig actief op hun eigen gebieden
en beginnen wat voor hen het werkelijke bestaan is. Deze activiteiten
vereisen zulke immense tijdsperioden dat de duur van het geïncarneerde
bestaan in vergelijking daarmee onbetekenend lijkt.
Waarom daalt de innerlijke god
eigenlijk af naar de lagere bestaansgebieden?
Als de innerlijke god van de mens zijn ware bestaan op spirituele gebieden
ver boven het fysieke heeft, waarom heeft deze dan ooit enige verbinding
met dit materiële gebied?
Omdat zowel de zichtbare als de onzichtbare natuur één
enorm organisme van onderling afhankelijke wezens is waarin alle levenseenheden
elkaar wederzijds helpen in hun evolutie. De hoger geevolueerde helpen
de minder geëvolueerde, terwijl tegelijkertijd deze ervaring hun
eigen evolutie bevordert. Zo is de innerlijke god van de mens, zijn
Vader in de Hemel, voortdurend bezig te proberen zijn ‘kind’,
de mens, te helpen en te stimuleren door zijn vergeestelijkende invloed
uit te stralen naar het bewustzijn van de mens.
Gedurende het geïncarneerde leven beperkt de innerlijke god vrijwillig
zijn eigen vrijheid en ‘transformeert’ de intensiteit van
zijn activiteit ‘omlaag’ naar het niveau waarop het menselijke
ego functioneert. Het lijkt op een stukje slow-motion in het midden
van een film, waarvan het minder geëvolueerde menselijke ego kan
profiteren. Gedurende deze periode heeft het menselijke ego de gelegenheid
vooruitgang te boeken.
Maar op hetzelfde moment dat dit het menselijke ego ten goede komt,
doet ook de innerlijke god ervaringen op die deze op geen andere manier
zou kunnen verkrijgen. Het is als de relatie tussen ouders en kinderen.
Het kind vindt baat bij de hulp die het ontvangt, maar onbewust leert
het ook zijn ouders dingen die zij op geen enkele andere wijze zouden
kunnen leren. Ze moeten veel van hun vrijheid opgeven en in zekere zin
offeren ze zichzelf op voor de bescherming en het welzijn van het kind,
maar hierdoor ontwikkelen ze op hun beurt sympathie, begrip en mededogen,
en bevorderen zo de evolutie van de geestelijke kant van hun natuur.
Plotinus (205 – 270 n.Chr.), de grote filosoof van de neoplatonische
school, geeft ons in een prachtige omschrijving de reden waarom de ziel
afdaalt in de stof en de voordelen die zij daarvan ondervindt, en laat
zien dat de ziel het fysieke leven moet ervaren om daardoor haar geestelijke
bestaan beter te waarderen.
De uiteenzetting van Plotinus volgt hieronder. De interpretatie van
bepaalde woorden door de schrijver staat tussen haakjes.
Hoewel de ziel van goddelijke oorsprong is en voortkomt
uit hoge regionen, wordt ze opgenomen in de donkere vergaarplaats
van het lichaam, en omdat ze van nature een aankomende god [een god
in wording] is, daalt ze naar hier af door een zekere vrijwillige
neiging, omwille van de macht en voor het verfraaien van lagere zaken
[om betekenis en waardigheid aan het materiële leven te verlenen].
Hierdoor ontvangt zij kennis over haar latente vermogens en laat een
diversiteit aan voor haar natuur specifieke werkingen zien die door
voortdurend in een onstoffelijke omgeving te verkeren [een ontlichaamde
toestand], en zich nooit in energie te begeven [actief gebruik van
latente krachten], haar anders voor niets zouden zijn gegeven. . .
. Door een overvloed aan verlangen raakt de ziel diep verzonken in
de materie en verblijft niet langer volledig bij de universele ziel.
Toch kunnen onze zielen afwisselend zich vandaar verheffen, waarbij
ze een ervaring van wat zij hebben gekend en ondergaan in hun gevallen
[belichaamde] staat met zich mee terug dragen; en waardoor ze zullen
leren hoe gezegend het is in de begrijpelijke [geestelijke] wereld
te vertoeven, en door vergelijking van tegengestelden als het ware
duidelijker het voortreffelijke van een hogere toestand zullen beseffen.
Want de ervaring van het kwade leidt tot een meer heldere kennis van
het goede. Dit wordt in onze zielen tot stand gebracht in overeenstemming
met de kringlopen van de tijd [cyclische incarnaties], waarin een
omzetting plaatsvindt van ondergeschikte tot meer verheven naturen
[de mens evolueert tot het goddelijke].
De symboliek van de kruisiging
De periode van incarnatie waarbij de innerlijke god is verbonden met
de tussenliggende en lagere delen van de mens en deze verlicht, is in
zekere zin een ‘kruisiging’ van de innerlijke god op het
‘kruis van de materie’ en dit heeft geleid tot het verhaal
van de kruisiging van Christus.
In dit verhaal dat eerder symbolisch dan letterlijk moet worden opgevat
is het menselijk lichaam en het persoonlijke ego ‘het kruis van
de materie’, de ‘last’ die de innerlijke god vrijwillig
op zich heeft genomen om te dragen en waaraan hij tijdens de periode
van incarnatie is ‘vastgenageld’.
In de symboliek van de misdadigers die samen met Christus werden gekruisigd,
is degene die berouw heeft en tegen wie Christus gezegd zou hebben:
‘Heden zult u met mij in het paradijs zijn’ (Lucas
23:43), dat gedeelte van het menselijke ego dat zich tijdens het leven
op het hogere heeft gericht. Dit is het hogere aspect van het menselijke
ego dat na de tweede dood de hemelse postmortale droomstaat binnengaat.
De neigingen van de lagere natuur van de mens die niet zijn gezuiverd
worden weergegeven door de andere misdadiger.
Speciale gevallen
Een werkelijke herinnering aan een
vorig leven
Een gewoon individu kan zich onder normale omstandigheden zijn vroegere
levens niet herinneren om redenen die al zijn uitgelegd. Werkelijke
uitzonderingen op deze regel zijn zeldzaam, maar soms horen we van iemand
die zich een vorig leven herinnert met details die kunnen worden geverifieerd.
Eén zo’n geval werd gerapporteerd in de bijlage ‘American
Weekly’ van de San Francisco Examiner van 1 december
1937. Dit verslag, dat is voorzien van foto’s en meer dan twee
krantenpagina’s beslaat, is gemaakt door een commissie van drie
prominente burgers uit Delhi, India, die het geval hebben onderzocht.
Het hoofd van de commissie was de directeur van een toonaangevende krant
uit Delhi. Een ander commissielid was een leider van de Nationale Congrespartij
van India en een naaste medewerker van Mohandas Gandhi en tevens een
van de meest vooraanstaande advocaten van Delhi (de namen werden gegeven).
De commissie besteedde alle mogelijke zorg aan het controleren van
alle gegevens die onder hun aandacht kwamen. Uit dit zeer volledige
rapport waarin namen, adressen en data worden gegeven, vernemen we dat
een klein meisje in Delhi, dat op het moment van het schrijven van het
rapport elf jaar was, op vierjarige leeftijd tegen haar ouders begon
te praten over dingen die ze zich uit haar vorige leven herinnerde,
waarin ze naar haar zeggen in Muttra had gewoond, een stad 145 kilometer
van Delhi.
Toen ze ouder werd zei ze dat ze in Muttra getrouwd was geweest, ze
noemde de naam van haar man en zei dat hij van beroep stoffenhandelaar
was. Ze zei dat haar vorige lichaam was gestorven toen ze 23 was, een
jaar voordat zij, het huidige kind van elf, was geboren. In dat vorige
leven had ze een dochter en een zoon. Ze gaf het adres van de vroegere
zaak, beschreef de details van het huis en ook van een tempel in de
buurt en van straten en wegen die naar haar vroegere huis leidden. Ze
zei dat er een waterput in een hoek van de binnenplaats was en dat ze
in een bepaalde kamer wat geld onder de vloer had verborgen.
Men nam per brief contact op met haar vroegere echtgenoot in Muttra
en hij bevestigde dat de gegeven informatie in hoofdlijnen correct was.
Later kwam de echtgenoot met een zoon – het kind van de overleden
vrouw van wie de ziel nu belichaamd was in het elf jaar oude meisje
– naar Delhi om het meisje te ontmoeten, en ze herkende haar vroegere
man onmiddellijk. De man stelde haar vragen die alleen zijn vroegere
vrouw zou kunnen beantwoorden en zij gaf de juiste antwoorden. De man
raakte er volkomen van overtuigd dat dit dezelfde ziel was als die van
zijn eerste vrouw.
Een man die ze niet eerder had gezien kwam haar bezoeken en vroeg haar
of ze hem kende. Ze antwoordde hem correct dat hij de jongere neef van
haar vroegere echtgenoot was.
De commissie bracht het meisje vervolgens per trein naar Muttra, de
stad waar ze vroeger had gewoond.
Toen ze uit de trein stapte herkende ze tussen een groep mensen op
het perron een oudere broer van haar vroegere man.
Ze gingen het station uit en ze nam voorin plaats in een rijtuig en
men zei haar de bestuurder naar haar oude huis te laten rijden. Zonder
moeite wees ze de weg en merkte nog op dat de weg vroeger niet was geasfalteerd
en ze herkende gebouwen langs de weg en gaf op vragen daarover de juiste
antwoorden, wees op nieuwe gebouwen en liet het rijtuig tenslotte stoppen
in een laan waar het oude huis stond. De kleur van het huis was veranderd,
maar ze vond het zonder veel problemen. Ze wees de kamer aan waarin
ze vroeger woonde en bleek heel goed op de hoogte te zijn van alle hoekjes
en gaatjes van het huis.
Ze vroeg of men haar naar haar andere huis kon brengen (want ze had
op twee plaatsen gewoond). Ze leidde zelfstandig het gezelschap daarheen
en herkende later haar tweede huis eveneens moeiteloos. Hier had ze
het geld verborgen en hier zou de waterput zijn.
Dit was de plaats, zei ze, waar ze het grootste deel van haar vorige
leven had doorgebracht en ze ging het huis binnen alsof ze nog steeds
de vrouw des huizes was.
Toen haar werd gevraagd de waterput aan te wijzen waarover ze in Delhi
had gesproken, holde ze naar de kleine binnenplaats van het huis en
was erg van streek toen ze daar helemaal geen waterput vond, maar terwijl
ze naar een bepaalde hoek wees, zei ze vol zelfvertrouwen: ‘hier
was de put’. Toen men een steen weghaalde kwam de put, die men
een paar jaar eerder had afgesloten, tevoorschijn.
Toen men haar vroeg naar haar zogenaamde schat, bracht ze het gezelschap
naar haar vroegere kamer en terwijl ze naar een bepaalde plek in een
hoek wees, zei ze dat het geld daaronder was verborgen. Men maakte de
vloer open en men vond een kistje onder de grond voor het bewaren van
waardevolle dingen, maar er zat geen geld in. Het meisje hield vol dat
het geld daar moest zijn, maar men kon het niet vinden. Later kwam men
erachter dat haar vorige echtgenoot het geld na de dood van zijn vroegere
vrouw eruit had gehaald.
Toen ze nog in Delhi was kon ze zich nog heel weinig herinneren van
haar ouders in haar vorige leven, maar toen men haar naar het huis van
haar ‘ouders’ in een andere straat in Muttra bracht, herkende
ze dat niet alleen, maar ze was ook in staat haar oude ‘vader’
en ‘moeder’ te identificeren in een groep van meer dan vijftig
mensen.
De zoon die in haar vorige leven bij haar was geboren en die de indirecte
oorzaak van haar dood was geweest, was nu twaalf jaar, een jaar ouder
dan zijzelf, maar toch voelde ze moederlijke genegenheid voor hem. Ze
voelde nauwere banden van verwantschap met deze zoon en met haar vroegere
echtgenoot dan met de leden van haar nieuwe familie en ze was erg verdrietig
toen ze de oude omgeving moest verlaten en terug moest naar Delhi.
Het rapport eindigt met een verklaring onder ede door de neef van de
vroegere echtgenoot, waarin een reeks vragen die hij heeft gesteld en
de antwoorden die het meisje gaf zijn opgetekend. Als resultaat van
dit interview raakte de neef ervan overtuigd dat het meisje een familielid
was ‘dat nu in een ander lichaam woonde’.
Hier is dus een geval waarvan de echtheid zo goed is bewezen als een
redelijke onderzoeker zich het maar zou kunnen wensen, en dat vertelt
over een ziel, een ego, dat zich het vorige leven herinnert en daarvan
het bewijs levert. Het geval is abnormaal, want de reïncarnatie
vond bijna onmiddellijk na de dood plaats. Als het normaal was geweest,
zou er tussen de incarnaties een interval van honderden of duizenden
jaren hebben gezeten, en we zouden nooit ervan hebben gehoord, want
zulke gedetailleerde herinneringen zouden zo’n kloof nooit kunnen
overbruggen. Omdat dit een afwijkend geval is, kan het dienen als een
uiterlijk zichtbaar bewijs dat reïncarnatie een realiteit is.
Wat veroorzaakte deze abnormale
situatie?
Waarom dit juist bij deze ziel gebeurde kunnen we gemakkelijker
begrijpen na het bestuderen van hoofdstuk 8, ‘Karma’.
Hoe het gebeurde is moeilijk te verklaren. Misschien was een
buitengewoon sterke gehechtheid aan degenen van wie ze hield, samen
met het feit dat haar leven vroegtijdig werd afgebroken, voldoende om
de natuurlijke neiging om over te gaan in de normale postmortale toestanden,
te overwinnen en haar weer geboren te doen worden. Het feit dat het
modellichaam en de psychische energieën van de persoonlijke natuur
niet de tijd hadden zich volkomen te verspreiden, biedt misschien enige
verklaring voor de overdracht van herinnering. Men kan alleen erover
speculeren. Men zou over het inzicht en de wijsheid van een meester
moeten beschikken om een volledige verklaring te geven.
Het is een triest geval en erg ongelukkig voor de ziel die het moet
ervaren, want zij vindt zichzelf geplaatst tussen tegengestelde belangen
en verplichtingen die haar in verschillende richtingen trekken. Het
toont de complicaties die zouden kunnen ontstaan en ons in de war brengen
als ieder van ons zijn vorige levens zou herinneren, en het toont hoe
blij we mogen zijn dat we dat niet kunnen.
De adepten weten uit ervaring
Voor hen die erin zijn geslaagd hun menselijke ego bewust te verenigen
met hun hogere ego, is reïncarnatie niet slechts een werkhypothese,
maar een bewezen feit, want zij hebben deze ervaring ondergaan in het
volle bezit van hun egoïsche bewustzijn.
H.P. Blavatsky en haar opvolgers hebben hun leringen over dit onderwerp
in verschillende theosofische boeken voor ons beschikbaar gemaakt.
De geïnteresseerde die de studie over dit onderwerp verder wil
voortzetten wordt in het bijzonder verwezen naar de hoofdstukken ‘Wedergeboorte
zoals door de eeuwen heen onderwezen’ en ‘Hoe de mens wordt
geboren en wedergeboren’ in De Esoterische Traditie door
G. de Purucker.
Transmigratie – verkeerd
en juist opgevat
Veel voorkomende onjuiste informatie
over het onderwerp
Een van de redenen waarom de reïncarnatieleer zoveel weerstand
heeft ontmoet is het feit dat mensen die niet goed waren geïnformeerd
hebben begrepen dat deze zou betekenen dat de menselijke ziel in het
lichaam van een dier zou worden wedergeboren.
Dit wijdverbreide misverstand, dat al eeuwen bestaat, komt algemeen
voor en heeft geleid tot veel ongegronde kritiek en had tot gevolg dat
men de ware lering belachelijk maakte. Het is daarom niet ongebruikelijk
dat als het woord reïncarnatie valt, iemand in lachen uitbarst
en roept: ‘Ik wil niet als een kat terugkomen’. De grap
die zo leuk lijkt is gebaseerd op onwetendheid van de criticus en is
niet van toepassing op leringen van de oude wijsheid over dit onderwerp.
Die stellen onomwonden dat wanneer de monade eenmaal tot het menselijke
stadium is geëvolueerd deze zich niet in iets dat lager is dan
de mens kan belichamen. Het mindere kan het grootsere niet bevatten,
en dierlijke hersenen en een dierlijk denkvermogen zijn evenmin in staat
om als voertuig te dienen voor het menselijke bewustzijn, als dat een
glas van een deciliter een liter vloeistof kan bevatten. Bovendien is
de gang van de evolutie voorwaarts en opwaarts, en er is geen reden
voor de monade om een stap terug te doen naar een lager stadium, zelfs
als ze dat zou kunnen.
Een andere factor die heeft bijgedragen aan het verkeerd begrijpen
van dit onderwerp is de verwarring die bestaat ten aanzien van termen
die worden gebruikt om de wedergeboorte van de menselijke ziel aan te
duiden.
Er worden verschillende aspecten van de algemene leer over wederbelichaming
aangeduid met de volgende woorden (zie dr. G. de Purucker in zijn De
Esoterische Traditie, blz. 325):
preëxistentie
wedergeboorte
palingenese
transmigratie
metempsychose
reïncarnatie
metensomatose
Elk van deze termen heeft een specifieke betekenis, maar encyclopedieën
en woordenboeken behandelen deze min of meer als synoniemen en ze worden
in het algemeen in verband gebracht met het idee van wedergeboorte in
dierenlichamen.
Van deze termen is reïncarnatie relatief nieuw en kreeg in de
19de eeuw algemene bekendheid voornamelijk door de geschriften van H.P.
Blavatsky en haar volgelingen. Veel gebruikte termen in oudere literatuur
zijn preëxistentie, metempsychose of transmigratie.
Zoals al is uitgelegd verwijst de term reïncarnatie naar belichaming
in voertuigen van vlees. Het is daarom juist de term te gebruiken voor
de wederbelichaming van een menselijk ego in een menselijk lichaam,
maar men moet deze nooit interpreteren in de zin van wedergeboorte van
een menselijk ego in het lichaam van een dier.
Exoterische en esoterische leringen
Op dit punt komt vanzelfsprekend de vraag bij ons op: Hoe kon dit verkeerde
idee ontstaan en zo algemeen worden verbreid als het in strijd is met
de leringen van de oude wijsheid over dit onderwerp?
Er zijn veel factoren die gezamenlijk tot dit resultaat hebben geleid.
Misschien is de belangrijkste daarvan de tweeledige methode van onderwijs
die door de Ouden werd toegepast en die we hieronder schetsen.
De oude wijsheid bevat veel leringen over de verborgen krachten van
de natuur die, als ze op zelfzuchtige wijze werden gebruikt, onnoemelijke
schade zouden kunnen veroorzaken. Om deze reden zou het gevaarlijk zijn
geweest alle leringen openlijk en aan iedereen bekend te maken. De innerlijke,
diepere leringen werden daarom alleen gegeven aan hen die na jaren training
en vele zware beproevingen betrouwbaar waren bevonden, en die de nodige
achtergrond hadden om de leringen te begrijpen. Zij die deze leringen
ontvingen moesten een eed van geheimhouding afleggen, en het is daarom
geen wonder dat slechts fragmenten van deze leringen tot in onze tijd
bewaard zijn gebleven.
Maar de grote massa, die de vereiste beproevingen niet kon of wilde
ondergaan of niet in staat was de diepere leringen te begrijpen moest
ook worden onderwezen en moest iets hebben als leidraad voor hun handelingen.
Om hen te helpen werd in fabels of parabelen bedekt naar de innerlijke
leringen verwezen, of ze werden in een versluierde vorm gepresenteerd
als theatervoorstellingen waarin ideeën door personen werden weergegeven,
en eigenschappen in de menselijke natuur door verschillende dieren werden
gesymboliseerd.
Deze tweeledige methode van onderwijs werd door de Ouden algemeen toegepast.
Zij werd gebruikt in tempels en mysteriescholen door Pythagoras, Plato,
en alle grote meesters. Dat Jezus haar ook toepaste is ons bekend omdat
hij tegen zijn discipelen zou hebben gezegd: ‘U is het gegeven
de mysteriën van het koninkrijk Gods te kennen, maar aan anderen
(worden ze gepredikt) in gelijkenissen, opdat zij ziende niet zien en
horende niet begrijpen’ (Lucas 8:10).
De Qabbalah of Kabbala is de geheime leer van de joden. In het belangrijkste
boek ervan, de ‘Zohar’, vinden we een uitspraak die erop
neerkomt dat iemand die beweert de Hebreeuwse bijbel in zijn letterlijke
betekenis te begrijpen een dwaas is (geciteerd in De Esoterische
Traditie, blz. 36).
Maimonides, een van de grootste joodse rabbi’s uit de Middeleeuwen,
schrijft: ‘Wat in het boek van de Schepping staat geschreven,
moeten we nooit letterlijk opvatten. . . . Letterlijk opgevat bevat
dat boek de meest absurde en vergezochte denkbeelden over het goddelijke’
(geciteerd in De Esoterische Traditie, blz. 36).
Origenes, de Alexandrijnse geleerde en kerkvader die in de tweede en
derde eeuw na Christus leefde, schrijft:
In Egypte hebben de filosofen een hoogst edele en
geheime wijsheid over de aard van het goddelijke, een wijsheid die
aan het volk uitsluitend in een gewaad van allegorieën en fabels
wordt bekendgemaakt. . . . Alle oosterse volkeren – de Perzen,
de Indiërs, de Syriërs – verbergen geheime mysteriën
onder een waas van religieuze fabels en allegorieën; de werkelijk
wijzen [de ingewijden] van alle volkeren begrijpen de betekenis ervan;
maar de onwetende menigte ziet alleen de symbolen en het bedekkende
kleed.
– Origenes: Contra Celsum,
boek I, hfst. xii, geciteerd in De Esoterische Traditie,
blz. 36
De Franse geleerde en schrijver Antoine Fabre d’Olivet (1768
– 1825) zegt:
Het is algemeen bekend dat alle vooraanstaande figuren,
zowel onder de Ouden als uit deze tijd, alle geleerden die wat betreft
kennis en werk hun sporen hebben verdiend, het erover eens zijn dat
de voorschriften van Pythagoras symbolisch moeten worden gezien, dat
wil zeggen, dat ze in figuurlijke zin een heel andere betekenis bevatten
dan wat ze schijnen te bieden wanneer men ze letterlijk opvat. Het
was de gewoonte van de Egyptische priesters van wie hij ze had verkregen
om hun leer te verbergen onder een uiterlijk kleed van parabelen en
allegorieën.*
*Examination of the Golden Verses of Pythagoras,
blz. 275; herdruk Londen: G.P. Putnam’s sons, 1925; Engelse vertaling
door Nayán Louise Redfield van Les Vers dorés de Pythagore.
Fabre d’Olivet geeft veel verwijzingen om zijn stelling te ondersteunen.
Deze dualistische methode van onderricht, samen met het feit dat de
verborgen innerlijke betekenis verloren is gegaan, terwijl het uiterlijke
bekleedsel – symbolen en fabels – zijn overgebleven, is
de oorzaak ervan dat transmigratie, metempsychose en reïncarnatie
op grote schaal verkeerd worden opgevat.
De hoogste autoriteiten verwerpen
transmigratie in dieren
We hebben echter aanwijzingen dat zij die de ware leringen kenden het
onjuiste denkbeeld dat de menselijke ziel ooit door de lagere rijken
van de natuur transmigreert verwierpen, zoals blijkt uit de volgende
citaten uit de geschriften van een aantal van de grootste leiders van
het denken van de oudheid.
Een zo’n leider van het denken was Pythagoras. Hij had in Egypte,
Chaldea, Perzië en India gereisd, en was ingewijd in de tempels
en mysteriescholen van deze landen. Hij was een hervormer van het orfisme,
een vroege Griekse cultus.
Hij stichtte een school te Krotona in Italië waar hij zijn geheime
leringen gaf aan speciaal getrainde en door een eed gebonden kandidaten.
Plato was een student van deze school en erkent dat het beste van zijn
leringen afkomstig is van Pythagoras. Het gnostische, het stoïcijnse
en het neoplatonische denkstelsel werden alle beïnvloed door de
leringen van Pythagoras en zijn volgeling Plato.
De neoplatonisten onderwezen volgens G. de Purucker* min of meer openlijk
wat de geheime leringen van Pythagoras en Plato waren geweest. Eén
van de neoplatonisten, Hierocles (410-476 n.Chr.), die zo’n grote
reputatie genoot op grond van zijn karakter en geleerdheid dat hij een
tweede Plato werd genoemd, is de schrijver van een commentaar op ‘De
gulden verzen van Pythagoras’ dat tot in onze tijd bewaard is
gebleven.
*Beginselen van de Esoterische Filosofie, blz.
73.
In de slotopmerkingen van zijn commentaar zegt Hierocles:
Dit is het commentaar op deze Gulden Verzen dat wij
daarvoor geschikt achten; en het kan een samenvatting worden genoemd
van de leer van Pythagoras, die noch te beknopt, noch te uitgebreid
is.†
†Geciteerd uit The Commentaries on the Golden
Verses of Pythagoras in Dacier’s Life of Pythagoras, with his
Symbols and Golden Verses, together with the Life of Hierocles and his
Commentaries upon the Verses, blz. 388 (Londen, 1707).
Dit commentaar is de bron van het grootste deel van onze kennis over
de filosofie van Pythagoras.
In zijn commentaar op de verzen 52 en 53, waarbij hij verwijst naar
de ervaringen van de ziel na de dood waaronder het idee over transmigratie
in dieren, schrijft Hierocles:
Als iemand door een beschamende onwetendheid over
de onsterfelijkheid van de ziel zichzelf ervan zou overtuigen dat
zijn ziel sterft met zijn lichaam, verwacht hij iets . . . wat nooit
kan gebeuren. Evenzo wordt iemand die verwacht dat hij na zijn dood
het lichaam van een beest zal aannemen en een redeloos dier zal worden
op grond van zijn onvolkomenheden, of een plant door zijn traagheid
en domheid – zo iemand, zeg ik, die volkomen in strijd handelt
met degenen die de essentie van de mens transformeren tot een van
de hogere wezens, en deze doet neerslaan in een van de lagere substanties,
wordt oneindig misleid en is absoluut onwetend over de essentiële
vorm van onze ziel. Die ziel kan nooit veranderen, want omdat zij
altijd een mens is en blijft, wordt alleen maar gezegd dat ze door
deugd of ondeugd een god of een beest kan worden, hoewel ze door haar
natuur noch het een noch het ander kan zijn, maar slechts de gelijkenis
met het een of het ander kan hebben.*
*Op.cit., blz. 334vv.
Zegt dit niet in de eerste plaats dat de ziel de dood overleeft en
vervolgens dat transmigratie in dieren een omkering zou zijn van de
stroom van evolutie die de ziel zou terugzenden in iets lagers in plaats
van voorwaarts naar iets hogers en daarom in strijd met de ware lering?
Wordt hier niet gezegd dat wanneer de mens ‘een god’ of
‘een beest’ wordt genoemd dit een figuurlijke uitdrukking
is die alleen de onwetende letterlijk zou opvatten?
Als we onze aandacht richten op de leringen van het oude Egypte, vinden
we dat ook zij de algemene misvatting van transmigratie in dieren verwerpen.
In hoofdstuk 10 van de Pymander, een van de hermetische boeken,
onderwijst Hermes zijn leerling over de straf die de goddeloze ziel
na de dood ten deel valt. Over de klachten en het gejammer van de ziel
over haar lijden zegt Hermes:
Dit zijn de stemmen van de ziel die wordt gestraft,
niet zoals velen veronderstellen . . . dat een ziel die het lichaam
verlaat een wild beest wordt, wat een grote vergissing is.†
†Geciteerd uit The Theological and Philosophical
works of Hermes Trismegistus deel I Poemandres (Pymander
Hfst. X, 20) door John David Chambers, van het Oriel College, Oxford,
Edinburgh, 1882, blz. 65.
In een andere passage van hetzelfde hoofdstuk vertelt Hermes zijn discipel
dat
de goddeloze ziel in haar eigen bij haar horende
essentie blijft en zichzelf straft door haar pogingen een ander aards
– dat wil zeggen, menselijk – lichaam binnen te gaan.
Want geen enkel ander type lichaam kan de woonplaats zijn van de menselijke
ziel, die nooit kan afdalen in de vorm van een redeloos dier. De goddelijke
wet behoedt de menselijke ziel voor zo’n fout.*
*Louis Ménard, Hermès Trismégiste
I, x, geciteerd in Walker, Reincarnation, blz. 333. (Hetzelfde
citaat is te vinden in The Pymander door J.D. Chambers, blz.
63.)
In India vinden we dezelfde wijdverbreide misvatting over transmigratie
die we ook elders aantreffen. Dat deze door hen die weten niet letterlijk
wordt opgevat, blijkt uit een opmerking die een brahmaan maakte tegen
E.D. Walker, schrijver van Reincarnation, a Study of Forgotten Truth.
De brahmaan zegt (blz. 270):
Het hele vraagstuk van de wedergeboorten berust op
het juiste begrip van wat het is dat opnieuw wordt geboren. . . .
Wat essentieel kenmerkend is voor de mens kan onmogelijk bestaan in
een dierlijke vorm, want anders kan dit niet essentieel zijn voor
de mens. . . . We moeten nadrukkelijk stellen dat het ware menselijke
ego in geen enkel opzicht migreert van een menselijk naar een dierlijk
lichaam, hoewel die beginselen die lager dan het gebied van het zelfbewustzijn
liggen, dat wel kunnen doen. En alleen in deze betekenis wordt transmigratie
door de esoterische wetenschap aanvaard.
Origenes, de grote christelijke kerkvader uit de derde eeuw, accepteerde
de reïncarnatieleer, maar verwierp die van transmigratie in dieren.
In zijn werk De principiis [Over eerste beginselen], boek I,
hoofdstuk 8, afd. 4, schrijft hij:
We denken dat deze zienswijzen die sommigen onnodig
plegen naar voren te brengen en te verkondigen, in geen geval moeten
worden toegelaten, namelijk dat zielen tot zo’n graad van verlaging
afdalen dat ze hun verstandelijke aard en waardigheid vergeten en
wegzinken in de toestand van grote of kleine redeloze dieren. . .
. Al die beweringen aanvaarden we niet en, omdat ze tegen ons geloof
ingaan, spreken we ze tegen en wijzen ze af.†
†Geciteerd in De Esoterische Traditie,
blz. 351.
Hier hebben we uiteenzettingen door de hoogste autoriteiten die allen
het idee verwerpen dat de menselijke ziel door de lagere natuurrijken
migreert.
Andere misleidende factoren
Naast de dualistische methode van onderwijs hebben mogelijk andere
factoren bijgedragen aan het verkeerd begrijpen van transmigratie. Een
daarvan is het feit dat het menselijk lichaam een dierlijk
lichaam is – weliswaar hoger ontwikkeld dan dat van andere dieren,
maar niettemin dierlijk. In dit opzicht is het juist om te zeggen dat
als we worden wedergeboren, we een dierlijk lichaam binnengaan. Het
zou juister zijn te zeggen dat we een menselijk-dierlijk lichaam
binnengaan, maar als het voorvoegsel menselijk wordt weggelaten,
is het gemakkelijk te begrijpen hoe iemand die slechts oppervlakkig
bekend is met het onderwerp dit zo zou kunnen interpreteren dat wedergeboorte
van de mens in een menselijk-dierlijk lichaam een wedergeboorte in het
lichaam van een of ander lager dier betekent. Voeg dit bij het feit
dat wanneer een mens een zinnelijk leven leidt en toegeeft aan gulzigheid
en andere lage begeertes, naar waarheid kan worden gezegd dat hij in
het dierlijke deel van zijn natuur leeft; hij wordt tijdelijk een dier,
zijn eigen dier, en we vinden hier voldoende materiaal dat zou kunnen
leiden tot een verkeerd begrip van de ware lering. Dit is waar Hierocles
naar verwijst in het laatste gedeelte van het citaat hierboven.
De symboliek van de sfinx
Optekeningen van oude Egyptische leringen die ons hebben bereikt, schijnen
aan te geven dat de Egyptenaren geloofden in de transmigratie van de
ziel in dieren.* Toch lieten deze zelfde Egyptenaren, die kennelijk
de misvattingen die in de toekomst daaruit zouden kunnen voortvloeien
hebben voorzien, ons een optekening na, uitgehouwen in steen, van wat
ze precies bedoelden met ‘dierlijke transmigratie’. Hun
ingewijden en filosofen, kunstenaars en beeldhouwers gaven het nageslacht
de sfinx, een enorm beeld van een menselijk hoofd op het lichaam van
een rustende leeuw. Op het gezicht zien we een schitterende uitdrukking
van sereniteit en kalmte en de ogen ervan schijnen te zijn gericht op
iets in de verte, alsof degene aan wie de ogen toebehoren bezig is iets
te overpeinzen dat ver voorbij deze aarde is.
*Zie het citaat van Herodotus in H.P. Blavatsky’s
Theosophical Glossary onder ‘Pre-existence’.
Kan er een treffender manier worden gevonden om uitdrukking