De zes verheven deugden van het boeddhisme – 1


Vraag — U heeft vaak gezegd dat de diepste waarheden de eenvoudigste zijn en dat ze de ruggengraat van alle grote religies vormen. Ik heb daar veel over nagedacht. Kort geleden las ik een boekje getiteld De Stem van de Stilte, waarin over ‘zes verheven deugden’ wordt gesproken. Ik voel veel voor die gedachten en zou graag meer erover willen weten.

Commentaar — Ik neem aan dat u doelt op de pâramitâ’s uit de boeddhistische literatuur. Gewoonlijk worden er zes genoemd, soms zeven of zelfs tien, maar het aantal is niet zo belangrijk. Het zou ons te ver voeren uitvoerig erop in te gaan, maar we kunnen ze natuurlijk wel bespreken.
   Elke grote religie kent voorschriften of aansporingen tot een beter leven. De pâramitâ’s in het boeddhisme zijn een reeks ‘deugden’ die een bepaalde wijze van denken en handelen beschrijven en die, als ze tot een deel van ons leven zijn gemaakt, de mysteriën van het heelal en de mens zullen onthullen. Ook wordt gezegd dat het beoefenen van die deugden door een oprechte aspirant tenslotte tot volkomen verlichting zal leiden. Met andere woorden, de pâramitâ’s wijzen ons, als ze daadwerkelijk in praktijk worden gebracht, de weg naar directe aanschouwing van de waarheid. Hetzelfde zou kunnen worden gezegd over elke andere reeks eigenschappen of deugden. Als we werkelijk volgens het ene gebod van Jezus zouden leven, zouden we hetzelfde bereiken – want volmaakte liefde leidt tot volmaakt begrijpen.

Vraag — Dit is voor mij helemaal nieuw, want ik ben niet bekend met het boeddhisme. Kunt u duidelijk maken wat elk van die deugden inhoudt?

Commentaar — Zeker, maar ik zal niet de Sanskrietwoorden gebruiken, tenzij in ons gesprek blijkt dat het zin heeft een bepaalde term te analyseren. De vertaling van de pâramitâ’s luidt als volgt:

1. Barmhartigheid de sleutel van barmhartigheid en onsterfelijke liefde;

2. Rechtschapenheid — de sleutel van harmonie in woord en daad;

3. Verdraagzaamheid — mild geduld dat door niets kan worden verstoord;

4. Gelijkmoedigheid — onbewogenheid in vreugde en verdriet;

5. Onverschrokkenheid — de stoutmoedigheid die zich strijdend een weg baant naar de hoogste waarheid;

6. Contemplatie — de open poort naar de waarheid.

Ik zou eraan kunnen toevoegen dat dienstbetoon aan de mensheid van nog hoger belang wordt geacht: ‘Leven om de mensheid tot zegen te zijn is de eerste stap. De zes verheven deugden in praktijk brengen de tweede.’

Vraag — Ikzelf zie niet in dat aan die dingen een bijzondere betekenis moet worden gehecht. Kunnen we zeggen dat de boeddhisten beter erin zijn geslaagd de waarheid te vinden dan christenen of joden? Ik bedoel dit: hoe mooi deze deugden ook mogen klinken, ik moet zeggen dat ze me bijna net zo koud laten als de tien geboden; misschien omdat ik niet inzie dat ze ons, meer dan iets anders, nader tot het werkelijke leven brengen.

Commentaar — U heeft in zoverre gelijk dat zolang een stelsel van gedragsregels slechts een vorm blijft, het dood is – of het nu de tien geboden zijn, de zes of tien pâramitâ’s of het ene verheven gebod van de Christus. Alleen wanneer zo’n stelsel of gedragslijn ertoe bijdraagt onze aspiraties in goede banen te leiden, vormt het een brug naar een dieper inzicht in het bestaan.
   Een van de moeilijkste dingen die we allemaal moeten leren, is het rechtstreekse en praktische verband te zien tussen deze ethische voorschriften en het verstandelijk begrijpen van de wetten die het innerlijke en uiterlijke leven van de mens, het innerlijke en uiterlijke leven van het heelal beheersen. Als de geschiedenis van de ziel kon worden geschreven, zouden we misschien zien dat de strijd tussen de honger naar kennis enerzijds en het verlangen van de ziel naar wijsheid anderzijds door de eeuwen heen de grootste worsteling van de mensheid vormde. Het intellect is van essentiële betekenis, maar het is niet de voornaamste factor in de menselijke ontwikkeling. Iedere aspirant weet uit ervaring dat hij, zodra hij zich een behoorlijke intellectuele kennis heeft verworven, in de verleiding komt zo te worden geboeid door de ingewikkelde structuur van het heelal – volmaakter dan het fijnste precisieinstrument – dat hij het werkelijke doel van de ziel uit het oog verliest, namelijk het bewust samenwerken met de innerlijke god om de wereld van de mensen te dienen.
   Met andere woorden, het beoefenen van de deugden, nodig om de waarheid te vinden, komt maar al te vaak op de tweede plaats en wel na het verstandelijk verwerven van meer en meer feiten – wat tot geestelijke steriliteit leidt.

Vraag — Wat u zegt spreekt me aan, want ik heb altijd nogal sceptisch gestaan tegenover alles wat zweemt naar speciale methoden van training. Hebben deze deugden iets met psychische vermogens te maken?

Commentaar — Helemaal niet. Ieder systeem van ‘training’, dat zelfs maar in de verte verband houdt met het psychische, heeft de neiging de ziel van de waarheid weg te leiden. Tegenwoordig houdt men zich veel te veel met dat soort dingen bezig. Men denkt geestelijk te groeien door in deze zogenaamde ‘occulte kunsten’ te liefhebberen, maar wat men in feite doet, is zijn eigen ontwikkeling in de weg staan. Het ware occultisme is altruďsme zonder meer, en heeft met psychische vermogens niets te maken. De pâramitâ’s leggen de nadruk op de ontplooiing van de geestelijke eigenschappen van onze natuur, in tegenstelling tot de psychische en zuiver mentale, en ze staan daarom in nauw verband met die innerlijke drang – omdat ze een integrerend deel daarvan vormen – die in ieder mens die de ogen op het goddelijke in zichzelf heeft gericht, aanwezig is.
   Geestelijk inzicht en wijsheid vallen ons alleen ten deel als een natuurlijk gevolg van het dagelijks in praktijk brengen van de geest achter deze ‘deugden’ of ‘geboden’ of ‘ethische normen’, ongeacht of ze van hindoe, christelijke of boeddhistische oorsprong zijn, en wat hun aantal is, één, drie, vier, zeven of tien. Want de essentie van deze voorschriften of regels is de blijvende kracht, niet hun uiterlijke vorm; en juist de geestelijke waarde die erachter ligt willen we bespreken, en niet de vorm waarin ze zijn gekleed.

Vraag — Dat is geen kleinigheid. Zelf zou ik niet weten hoe ik één ervan in praktijk moet brengen, laat staan alle zes. Hoe moet je beginnen? Moeten we proberen er één onder de knie te krijgen om dan naar een volgende over te gaan? Ik ben bang dat ik al bij de eerste zou stranden en nooit aan de andere zou toekomen.

Commentaar — U kunt deze deugden niet los van elkaar beschouwen en één ervan volledig in praktijk brengen zonder alle andere daar tot op zekere hoogte in te betrekken. De natuur gaat niet op die manier te werk – alles draagt bij tot al het andere en tot het geheel. Nogmaals laten we niet zoveel aandacht schenken aan hun vorm, want dan worden het, wat hun geestelijke waarde betreft, dode dingen voor ons.
   U zult zich herinneren dat als eerste vereiste werd genoemd: ‘Leven om de mensheid tot zegen te zijn’. Dat was ‘de eerste stap’, niet de tweede, vierde of vijfde, maar de eerste, terwijl het beoefenen van de deugden ‘de tweede stap’ werd genoemd. Dit is een heel belangrijk onderscheid. Bij enig nadenken zullen we inzien dat als we zó proberen te leven dat ons hele bestaan in het teken staat van dienstbaarheid, we ons automatisch voorbereiden op het in praktijk brengen van enkele, zo niet alle deugden. Als we op die manier richting geven aan ons denken en ons leven, zullen we zien dat deze deugden een natuurlijke kans kunnen bieden om het onedele metaal van onze natuur om te zetten.
   Laten we de eerste eens onderzoeken: barmhartigheid en onsterfelijke liefde. Het woord barmhartigheid wordt vaak misbruikt, want het betekende oorspronkelijk niet medelijden in de negatieve, beperkende en zelfs onvriendelijke zin, waarin wij het maar al te vaak gebruiken. Veeleer duidde het woord op een spontaan opwellen van begrip en aandacht voor de noden van een medemens. We komen ermee in aanraking in alle verhoudingen in het leven, van de meest eenvoudige tot de meest ingewikkelde, want contact met anderen dwingt ons te kiezen: hetzij een stap te doen naar het pad van zelfzucht, of naar dat van onbaatzuchtigheid en mededogen. Ware barmhartigheid maakt haar voornemen niet kenbaar – als je aalmoezen geeft, doe dat dan ‘in het verborgene’. Barmhartigheid in de praktijk wil zeggen: werkelijke achting en aandacht voor anderen; het weerhoudt ons ervan te veel met onszelf bezig te zijn, en legt aldus de basis voor alle andere deugden.

Vraag — Is het eigenlijk niet hetzelfde als het in praktijk brengen van de Gulden Regel? En was het niet Paulus die zich ongeveer zo uitdrukte, dat zelfs al spreken we met de tongen van engelen, maar hebben geen liefde, we als ‘schallend koper of een rinkelend cimbaal’ zijn?

Commentaar — Zo is het; alle heilige geschriften van de wereld leggen, als we weten hoe we ze moeten lezen, de nadruk op deze altruďstische levenshouding.
   Tot zover de eerste deugd of pâramitâ. De tweede, rechtschapenheid of ‘harmonie in woord en daad’, volgt hierop op natuurlijke wijze en zegt ons hoe we ons moeten gedragen als we onze ethiek in praktijk brengen.

Vraag — Daarmee heb ik meer moeite dan met de eerste. ‘Harmonie in woord en daad’ – wil dat zeggen dat je altijd moet toegeven in een gesprek of een discussie met anderen, om vooral maar de vrede te bewaren? Vrede tot elke prijs is tegenwoordig het gesprek van de dag.

Commentaar — Zo denk ik er niet over. ‘Vrede tot elke prijs’ is volgens mij een van de meest ondoeltreffende zo niet rampzalige middelen om een ware en duurzame vrede tot stand te brengen. Laten we ons echter niet begeven in maatschappelijke of politieke kwesties, niet omdat we daarvoor bang zijn, maar omdat dit zo gemakkelijk uitloopt op een intellectueel dispuut dat tot geen enkele oplossing leidt.
   Laten we terugkeren tot deze tweede pâramitâ: rechtschapenheid sluit harmonie in, maar niet noodzakelijk overeenstemming. Daartussen is een groot verschil, als je er goed over nadenkt. Er ontstaat geen harmonie als iedereen dezelfde toon ten gehore brengt. Een componist maakt gebruik van verscheidene tonen, dissonanten en zelfs wanklanken, en laat ze opgaan in een harmonieus geheel. Dit is de betekenis van het woord symfonie, het samenbrengen van klanken, het met elkaar in harmonie brengen van vele verschillende tonen. Rechtschapenheid houdt dan ook in dat we in overeenstemming leven met onze hogere aspiraties, waardoor onze dagelijkse handelingen een harmonie in woord en daad weerspiegelen. Eenvoudig gezegd betekent dit, dat we zó leven dat we het evenwicht en de orde van de natuurwetten niet verstoren.
   De enige reden waarom we mentaal, fysiek of emotioneel lijden is, dat we op een bepaald moment het kosmische evenwicht hebben verstoord en in een of andere vorm disharmonie hebben veroorzaakt – en maar al te vaak ook tweedracht in onze betrekkingen met anderen. De natuur reageert daarop automatisch en onpersoonlijk, en probeert het door ons verstoorde evenwicht te herstellen. Daardoor lijden we. Maar naarmate we erin slagen meer in overeenstemming met haar wetten te werken, zullen we zien dat we niet voortdurend draaikolken van strijd en verwarring veroorzaken, maar werkelijk in staat zijn op een rustige manier de harmonie te herstellen.
   Laten we nu de derde deugd bespreken: verdraagzaamheid. Het is niet zo moeilijk in te zien dat een klein beetje meer geduld in de wereld een goede gang van zaken zou bevorderen. Zoals ik al heb gezegd, moeten we deze pâramitâ’s niet beschouwen als een opklimmende reeks, zoals de sporten van een ladder. In zekere zin volgen ze elkaar inderdaad op natuurlijke wijze op, maar men kan er onmogelijk één van in praktijk brengen, hoe weinig ook, zonder tegelijk de andere tot op zekere hoogte te beoefenen.
   Wat de noodzaak van geduld betreft, ook daaraan zitten twee kanten. Hier dienen we ons onderscheidingsvermogen te leren gebruiken evenzeer als op elk ander gebied waarop we iets ondernemen. ‘Geduld overwint alles’ is ons sinds onze kinderjaren ingeprent. Het is ongetwijfeld een deugd, en één die we hard nodig hebben; maar we weten allemaal dat er ogenblikken komen waarop het van wijsheid en kracht getuigt als we anderen niet langer toestaan hun wil aan ons op te leggen.
   Het ziet ernaar uit dat we de pâramitâ’s niet volledig kunnen bespreken; we zullen daarom de andere snel doornemen om een indruk te krijgen hoe ze met elkaar samenhangen:
   die alle leiden tot directe waarneming of zelfkennis.
   Dit zijn in het kort de pâramitâ’s. Ik moet herhalen dat ze absoluut niets betekenen als we niet de essentie van deze deugden in praktijk brengen. Als hun levende geestelijke kracht niet door alle gedachten, daden en gevoelens in ons leven stroomt, zijn ze inderdaad als schallend koper of een rinkelend cimbaal.
   Al kennen we alle Sanskriettermen en de afleiding uit hun grondvormen en al begrijpen we verstandelijk de modus operandi van geestelijke verlichting, of denken we dat we dat weten, als het leven ons plotseling aan ons woord houdt en zegt: ‘Bewijs dat deze deugden iets in je dagelijkse ervaringen betekenen’, zullen we volkomen falen als we hun innerlijke waarde niet tot een deel van onze ziel hebben gemaakt.

Vraag — Het is gemakkelijk over die dingen te spreken en precies te weten wat er moet gebeuren, maar om werkelijk te leven en te handelen zonder naar resultaten uit te zien en zonder te proberen te ontdekken wat de vruchten van onze daden zijn, is iets heel anders. Als we die weg onvermoeibaar volgden, zouden onze handelingen en motieven zich slechts langs een uiterst fijne grens kunnen bewegen. Kortom, het in praktijk brengen in het dagelijks leven is een heel andere zaak – tenminste voor mij.

Commentaar — Dat maakt het nu juist zo mooi. Als het gemakkelijk was, was het de moeite niet waard. Maar het is niet gemakkelijk, en toch is het tegelijk wonderlijk eenvoudig. Daarin ligt de paradox. Het is een nogal moeilijke opgave, vooral als we bedenken dat we de waarheden die we allen zoeken, niet zullen vinden wanneer we niet werkelijk een aanvang maken met het in praktijk brengen van enkele van deze fundamentele deugden, en dan niet alleen op zondag of woensdag, maar elk uur van elke dag. We hebben ons allemaal wel eens afgevraagd waarom dat zo is; maar hoe meer ons bewustzijn zich ermee bezighoudt, hoe meer zekerheid we krijgen dat het niet op een andere manier zou kunnen. Want de geheimen van de natuur worden ons niet zomaar onthuld, maar slechts na de noodzakelijke voorbereiding en training. Een van de grote leermeesters zei het aldus: ‘Alleen hij die liefde voor de mensheid koestert en ervan blijk geeft dat hij het idee van een zich vernieuwende praktische broederschap volledig begrijpt, heeft recht op het bezit van de geheimen [van de natuur]. Zo iemand, en hij alleen – zal nooit zijn kracht misbruiken; en er zal geen vrees bestaan dat hij ze voor zelfzuchtige doeleinden zal aanwenden.’
    De geheimen van de natuur zijn als zodanig niet geheim, maar omvatten een levenswijze die niet zal worden onthuld tenzij we de werkelijke taak van de ziel ten uitvoer brengen – die van dienstbaarheid in deze wereld.


Mens, Vonk der Eeuwigheid, James A. Long, blz. 160-9

© 2000 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag