Meer over theosofie


Voor we aan onze bespreking over de ‘moderne school’ van theosofie beginnen – waarmee de verschillende organisaties worden bedoeld die sinds 1875 ontstonden – zou ik graag nog enkele fundamentele gedachten aan u willen voorleggen.
   Als we de geschiedenis en de ontwikkeling nagaan van de verschillende religieuze filosofieën uit het verleden, is het interessant te zien dat ze eenzelfde patroon vertonen. Er verschijnt een boodschapper – een Christus of een Boeddha, een Zarathoestra of Krishña – en hij wordt door enkelen verwelkomd, terwijl zijn boodschap òf onopgemerkt blijft, òf als vals en gevaarlijk voor de status quo wordt gebrandmerkt. Hij gaat heen, en de discipelen uit zijn eigen tijd of uit latere generaties, die zich tenslotte de betekenis van zijn leringen enigszins bewust worden, beginnen een organisatie op te bouwen – de heilige woorden worden opgeschreven, centra voor erediensten worden gevestigd, sacramenten worden gebruikt als een middel tot verlossing, en de eens levende boodschap wordt een formeel geloof. Latere gelovigen, in hoofdzaak geleid door de uiterlijke vormen, verschillen al snel van mening, en het duurt niet lang of de oorspronkelijke kern van de ‘nieuwe openbaring’ valt uiteen.
   Zoals kenmerkend is voor de menselijke natuur treffen we enerzijds de ultraconservatieven aan, die zich star aan de letter van de leer houden en beweren dat hun interpretatie de enige gezaghebbende is. Aan de andere kant, en lijnrecht daartegenover, staan de ultraliberalen, die in hun ijver om alle beperkingen teniet te doen, alle gevoel voor verhoudingen verliezen, hun waarden en normen ondermijnen en vaak eindigen met zwart als wit en kwaad als goed te zien. Tussen deze beide uitersten staan degenen die er standvastig naar streven de ‘middenweg’ te volgen in hun poging de boodschap te vertolken en achter vorm en traditie het goddelijke motief opnieuw te ontdekken.
   Dit is helemaal niet vreemd, want het treedt in alle aspecten van het menselijk bestaan aan de dag: in het zakenleven, bij de opvoeding, in het maatschappelijk verkeer, zowel als in nationale en internationale aangelegenheden. En zo is het gegaan met de theosofie in haar vroegere vormen, evenals ook tegenwoordig het geval is met haar moderne expressies, waar de verschillen nu duidelijk zichtbaar zijn geworden. Het gaat hier om eigenschappen, die alle door mensen getrokken grenzen doorbreken, want in elke organisatie kunnen deze drie typen aanhangers in allerlei schakeringen worden gevonden. Hopelijk zullen er altijd genoeg mensen zijn, al dan niet bij een of andere organisatie aangesloten, die willen trachten de kennis van de oorspronkelijke theosophia of goddelijke wijsheid levend te houden – niet door te proberen aan de zware verantwoordelijkheden van het leven te ontkomen, maar door van haar filosofie op een intelligente en praktische manier gebruik te maken voor het verzachten van de toenemende noden van de mensen.

Vraag — Maar hoe kan men weten wat waar is en wat niet? Ik heb heel wat gelezen in allerlei boeken. Sommige denkbeelden kwamen mij als oude vrienden voor, zelfs al waren ze nieuw voor mij, maar ik vond ook heel wat dat mij absoluut niet aanstond.

Commentaar — Helaas worden er tegenwoordig verschillende opvattingen over theosofie verkondigd, en het is niet eenvoudig het onderscheid te zien tussen wat waar is en onwaar. Als iemand ernstig ernaar verlangt door te dringen tot de zuivere leer die de stichtster van de moderne school inspireerde, moet hij zich rechtstreeks tot de bron wenden en zich met haar beginselen vertrouwd maken. Op deze manier zal hij maatstaven verkrijgen waaraan hij latere interpretaties kan toetsen.

Vraag — U zegt de ‘zuivere leer’ – betekent dit dat de theosofie bepaalde leerstukken heeft die men moet geloven? Of kan men eruit kiezen wat men wil, en de rest vergeten?

Commentaar — In al haar geschriften maakt H.P. Blavatsky duidelijk dat theosofie absoluut geen geloofsregels of geloofsbelijdenis heeft, geen stelsel van dogma’s waaraan men zich dient te houden, omdat ieder mens volkomen vrij is te kiezen waartoe hij zich voelt aangetrokken. Als we zijn geworteld in dezelfde goddelijke intelligentie die de kosmos voortbracht, hebben we niet alleen het voorrecht, maar wordt van ons verwacht dat we groeien en ons ontwikkelen overeenkomstig ons eigen karakter, niet dat van een ander. Onder geen enkele omstandigheid zouden we ons gebonden moeten voelen door de intellectuele of morele of zelfs geestelijke druk van iets anders dan ons eigen innerlijke ‘gevoel’. Wat we ook lezen of horen, op welk gebied ook, zou altijd de toets van ons eigen hoogste oordeel moeten doorstaan. Klinkt het ons als waar in de oren, dan dienen we het te aanvaarden, althans voorlopig, totdat we een groter facet van de waarheid zien. Doet het dit niet, dan kunnen we het rustig verwerpen. Misschien verwerpen we iets dat later van essentieel belang zal blijken te zijn; maar als het ons op dit ogenblik niet juist toeschijnt, dan zijn we er niet voor gereed, of dat speciale aspect van de waarheid zal misschien in de toekomst van meer blijvend nut voor ons zijn.

Vraag — Maar er moeten toch bepaalde leringen zijn die tot de theosofie behoren, is het niet? Of beweegt ze zich in hoofdzaak op filantropisch terrein en werkt ze voor betere omstandigheden en dat soort dingen?

Commentaar — Nee, ware theosofie is niet alleen maar een vaag soort van goeddoen, die geen aandacht schenkt aan de mens en zijn dringende verlangen om te weten wie hij is en welke rol hij eigenlijk op aarde vervult. Niettemin is ze duidelijk ‘filantropisch’ – dit woord hier gebruikt in zijn zuivere betekenis – omdat een fundamentele ‘liefde voor de mensheid’ het motief was voor haar nieuwe presentatie.
   Is ze dan een religie, of misschien een nieuw soort filosofie? Feitelijk is ze geen van beide en allebei; inderdaad wordt theosofie de moeder van alle religies en filosofieën genoemd.

Vraag — Zou dit niet verklaren waarom we zoveel punten van overeenkomst vinden in de grote religies? Ik herinner me hoezeer ik daardoor werd getroffen toen ik een cursus volgde in vergelijkende godsdienstwetenschap. In die tijd had ik nog niet veel gereisd en wist heel weinig over andere volkeren, maar de professor die we hadden was een ernstig onderzoeker van zowel de Upanishads als de oude Griekse en Romeinse literatuur, en meer dan eens wees hij op een ‘gouden draad’ van wijsheid die ons, volgens hem, de weg kon wijzen door de doolhof van de vele interpretaties.

Commentaar — Er is inderdaad een ‘gouden draad’ van waarheid die de meest archaïsche vormen van geloof met de huidige verbindt, en die een schakel vormt tussen de geestelijke tradities van alle volkeren en rassen en de vonk van goddelijke intelligentie in het hart van ieder mens.

Vraag — Ik geloof dat ik het spoor bijster ben geraakt. Ik zou graag nog eens terugkomen op het woordenboek en deze verschillende denkbeelden in verband brengen met wat daarin staat.

Commentaar — Natuurlijk kan dat. U zult zich herinneren dat het eerste deel van de definitie slaat op theosofie met een kleine t, zoals ze in de achter ons liggende eeuwen op velerlei manieren tot uitdrukking kwam. Als we haar nu in eenvoudiger woorden weergeven, zullen we zien hoe universeel ze van toepassing is op ieder religieus of filosofisch stelsel, waarin het thema van de godheid als de bron en oorsprong van alle wezens en dingen een centrale plaats inneemt:
   theosophia, of kennis over de bewegingen en werkmethoden van de godheid als ze zich gaat belichamen in een universum (en in elk deel daarvan, waaronder de mens), kennis die wordt verworven hetzij door direct geestelijk inzicht, of door studie of filosofische bespiegeling, of door een vruchtbaar samengaan van het denken en de intuïtie.

Vraag — Ik kan me niet voorstellen dat iemand van ons dit stadium van verlichting in één leven bereikt. Misschien was daarom de reïncarnatiegedachte zo populair bij vele volkeren, omdat men begreep dat er meer dan één leven nodig was om het doel te bereiken.

Commentaar — Van niemand van ons wordt verwacht dat hij in één enkel leven in die mate zal slagen! Dat zou even dwaas zijn als te verwachten dat een kind van de lagere school onmiddellijk tot een universiteit kan worden toegelaten. Niettemin is er, zoals Johannes zei, in ieder mens ‘het licht’ en eens zullen we ons een eigen visie van de ‘goddelijke dingen’ verwerven. Intussen kunnen we moed vatten, want zelfs binnen de betrekkelijk korte periode van de opgetekende geschiedenis zijn er grote en edele zielen verschenen die de rest van ons ver genoeg vooruit waren om de hoogten te trotseren. Ze hadden misschien vele, vele levens lang het eenzame pad gevolgd van zelfdiscipline, zelfbeheersing en zelfverlichting – om tenslotte de kruisiging van hun aardse natuur te ondergaan, opdat de innerlijke god meer ten volle in hun ziel kon worden geboren. Dit waren de leiders en gidsen van de mensheid, de lange reeks heilanden en christussen, die na het voltooien van hun heilige ervaring hun ‘visie’ met anderen hebben gedeeld, en op die wijze enorme veranderingen hebben teweeggebracht in het geestelijke en psychische lot van de volkeren onder wie zij leefden.
   Ze verschenen niet om nieuwe waarheden te onthullen of zelfs een nieuwe religie te stichten. Zoals H.P. Blavatsky zegt, waren zij allen ‘doorgevers, geen oorspronkelijke leraren. Ze brachten nieuwe vormen en interpretaties, terwijl de waarheden waarop deze berustten zo oud waren als de mensheid.’

Vraag — Dat klinkt zinnig. En als ik logisch redeneer zouden zij allen natuurlijk hetzelfde leren. Als ze werkelijk hun ‘moment van waarheid’ hadden ervaren, zouden ze dan niet in contact hebben gestaan met dezelfde goddelijke bron?

Commentaar — Precies, en daarom ontdekken we, als we ons in de wereldreligies en in de verschillende mystieke en filosofische stelsels verdiepen, dat wanneer deze tot hun essentiële aspecten worden teruggebracht, zij alle hetzelfde zeggen. We vergeten soms dat onze kennis van de geschiedenis van onze mensheid maar gering is en op niet meer dan vijf of zesduizend jaar berust, terwijl de tradities van veel oude volkeren honderdduizenden jaren teruggaan, en elk van deze tradities wijst op een archaïsche wijsheidsreligie als de altijd vloeiende bron van waarheid, waaruit alle menselijke kennis is geput. Deze is zo oud dat haar oorsprong niet kan worden nagegaan, en toch wordt haar bestaan bevestigd door de periodieke incarnatie van mensen die door hun verheven geestelijke formaat de geïnspireerde leiders werden van elkaar opvolgende beschavingen.

Vraag — Maar deze wijsheidsreligie werd toen ongetwijfeld geen theosofie genoemd, is het wel?

Commentaar — Nee, inderdaad niet. Namen zijn volkomen bijkomstig, want de waarheid komt onder alle benamingen voor, afhankelijk van een aantal oorzaken. Voor verschillende volkeren is in verschillende tijden een ander soort leiding noodzakelijk. De ene keer zien we dat de nadruk ligt op het devotionele of religieuze aspect, zoals in de begintijd van het christendom, en wordt een dringend beroep gedaan te streven naar het ‘christusbewustzijn’ of ‘mystieke eenwording’ met de Vader in ons binnenste. Een andere keer wordt de filosofische basis van de veelzijdige natuur van de mens bestudeerd, zoals in de dagen van Plato, of in het oude India en Egypte en bij andere volkeren uit die tijd. Dan weer zijn er perioden waarin de wetenschap vooropgaat in een uitgebreid onderzoek van de wetten van de natuur. Maar of ze nu algemeen wordt vereerd of een tijdlang ondergronds gaat, steeds is de waarheid de erfenis van allen die de toets doorstaan.
   Nog één opmerking, als dat mag, voor we het tweede deel van onze definitie bespreken. Zojuist vroeg iemand zich af of theosofie een stelsel van leringen omvatte. Als we ons tot De Geheime Leer wenden, zullen we zien dat ze inderdaad een systematische uiteenzetting bevat van filosofische beginselen – ontleend aan de wijsheidsleer van de oudheid – beginselen die het ‘ontstaan van werelden en van de mens’ door vele ronden van ervaring beschrijven. Maar zoals de schrijfster herhaaldelijk zegt, was zijzelf slechts een doorgever; ze bracht niets nieuws, maar het was haar taak het zoeklicht van de belangstelling te richten op deze schat van ‘wijsheid’, verborgen achter de wirwar van mystieke en religieuze leringen uit vroegere beschavingen.

Vraag — Stichtte zij daarom The Theosophical Society of stonden haar nog andere doeleinden voor de geest?

Vraag — Ik heb begrepen dat ze een broederschap onder de verschillende rassen wilde vestigen, maar ik denk dat de tijd daarvoor niet gunstig was.

Commentaar — In geestelijke aangelegenheden kunnen we welslagen of falen niet naar gewone maatstaven beoordelen. Ondanks de voortdurende dreiging van een wereldoorlog is de broederschapsgedachte overal ingeburgerd geraakt in het bewustzijn van de volkeren, wat op zichzelf een geweldige vooruitgang is. Hoewel het doel dat ten grondslag lag aan de oorspronkelijke organisatie was om deze oude kennis over de structuur en de werkingen van de natuur, zowel de fysieke als de goddelijke, uit te dragen, was haar voornaamste oogmerk die mannen en vrouwen in één kern te verenigen die zich wilden wijden aan de verwezenlijking van het ideaal dat u noemt. En omdat ware broederschap universeel moet zijn – ongeacht de oppervlakkige verschillen in huidskleur, ras, of geloof – kon deze natuurlijk niet tot stand worden gebracht zonder dat er tussen de grote verscheidenheid van volkeren op ieder continent enkele bruggen van onderling begrip werden geslagen. Daarom werd een onbevooroordeelde studie aangemoedigd van alle religies, filosofieën en wetenschappen, oude en moderne, tegelijk met een onderzoek van de innerlijke constitutie van de mens en zijn relatie tot de hogere en lagere bewustzijnsgebieden waaraan hij deelheeft.
   Dit is een heel omvangrijk programma, en omdat de menselijke natuur is zoals zij is, zijn de oorspronkelijke doeleinden niet bereikt. Niettemin werd opnieuw een toorts omhooggehouden. Het kan eeuwen duren voordat een verlichte broederschap van volkeren werkelijkheid wordt, maar toch blijkt een duidelijke vooruitgang door het groeiende besef dat niet alleen alle mensen broeders zijn, maar ook dat elke religieuze waarheid (niet dogma) haar kracht put uit één onvergankelijke bron.
   Laten we nu de tweede definitie in het woordenboek nauwkeurig onderzoeken. In de eerste plaats is ze in zoverre misleidend, dat de moderne theosofie, zoals uiteengezet door H.P. Blavatsky, niet de bedoeling had uitsluitend ‘boeddhistische en brahmaanse theorieën’ te volgen. Zelfs een oppervlakkige bestudering van haar werken toont aan dat zij de tradities en geschriften van alle landen gebruikte om te illustreren dat deze uit de ene eeuwige wijsheid voortkwamen. De sagen en de mythologie uit de Scandinavische Edda’s, de joodse theosofie van de kabbala, de leringen en voorschriften van Pythagoras en Plato, van Ammonius Saccas en de neoplatonici, zowel als de geschriften van Lao-Tse en Confucius uit China, worden alle samen met het christendom, het boeddhisme en de filosofie van de Upanishads en de Bhagavad-Gitâ besproken.

Vraag — Hoe verklaart u het gebruik van zoveel oosterse termen in haar boeken? Het lijkt mij dat deze denkbeelden in eenvoudiger taal hadden kunnen worden gesteld. Maar terwijl ik dit zeg, begin ik me af te vragen welk woord ik bijvoorbeeld in plaats van karma zou willen gebruiken!

Commentaar — Dat is het juist. Sommige latere schrijvers zijn wellicht te ver gegaan met het gebruik van onbekende termen die misschien de voorkeur verdienen als iemand een technische uiteenzetting geeft, maar die voor literatuur van inleidende aard niet noodzakelijk lijken. Er zijn gevallen waarin het gebruik van technische taal van essentieel belang is; alle takken van wetenschap bijvoorbeeld maken gebruik van honderden technische termen die specialisten onmiddellijk verstaan, maar die voor een leek maar weinig betekenis hebben.
   U noemde karma. Het is zo dat toen H.P. Blavatsky haar boeken schreef (en de situatie is zelfs nu nog zo) er in geen enkele moderne Europese taal een woord bestond dat kon weergeven wat deze ene Sanskrietterm inhoudt. Toen dus het woord karma met zijn filosofische inhoud in het westen werd ingevoerd, werd het zo onmisbaar, dat het algauw in onze taal werd overgenomen, op dezelfde manier als dit met duizenden andere vreemde termen is gebeurd. Nu zouden we kunnen zeggen dat karma precies datgene betekent wat Paulus bedoelde toen hij aan de Galaten schreef dat God niet met zich laat spotten en dat wat een mens zaait hij ook zal oogsten. Maar zie nu eens hoeveel woorden we hebben gebruikt, waar het ene woord karma, als het op de juiste manier wordt opgevat, hetzelfde en nog meer uitdrukt.

Vraag — Ik begrijp dat sommige van deze termen erg nuttig kunnen zijn. Maar wat wordt bedoeld als het woordenboek zegt dat de moderne theosofie een soort ‘pantheïstische evolutie’ leert?

Vraag — Als je iemand een pantheïst noemt, betekent dit dan niet dat hij vele goden aanbidt in plaats van in één Opperwezen te geloven?

Commentaar — Dat is één interpretatie, maar slechts een ondergeschikte, die niet werkelijk weergeeft wat de term betekent. Jammer genoeg hebben wij in het westen de gewoonte om neer te zien op iedere opvatting die niet onmiddellijk met onze eigen denkbeelden strookt. Het woord komt uit het Grieks – pan + theos, of ‘alles goddelijk’ – en betekende oorspronkelijk dat alles uit de godheid is voortgekomen. We hebben God echter al zoveel eeuwen buiten ons geplaatst en afgescheiden van onszelf, dat men van elk geloof dat de godheid ziet als de bron van alle wezens en dingen, zegt dat het ‘naar pantheïsme riekt’. Vandaar dat men er afkerig tegenover staat, omdat men ten onrechte meent dat het betekent dat elk ding God is – en wat een godslastering te zeggen dat een steen of een paard of zelfs een mens God is!
    Maar als we ons bij de uitdrukking ‘pantheïstische evolutie’ een evolutie voorstellen gebaseerd op de gedachte dat ieder punt in de ruimte – dat alle bewoners omvat van atoom tot ster in ons zonnestelsel en in de myriaden zonnestelsels die de melkweg vormen en nog verder – een uitdrukking is van de godheid, omdat het een aspect ervan tot woning dient, dan heeft theosofie, zoals ik haar begrijp, door alle eeuwen heen dit soort ‘pantheïsme’ onderschreven. En hieruit kan men natuurlijk de conclusie trekken dat al die levende wezens, ongeacht hun evolutionaire status, zich voortdurend vernieuwen en daarbij van het ene na het andere voertuig of lichaam gebruikmaken, opdat de innerlijke godsvonk die haar opeenvolgende voertuigen bezielt, kan groeien en zich ontplooien en door deze ervaringen rijker kan worden. In het menselijke stadium wordt deze cyclische terugkeer reïncarnatie genoemd, wat wil zeggen dat de menselijke ziel een menselijk lichaam binnengaat en van leven voorziet.

Vraag — Ik ben zo blij dat u dit zegt, omdat het onderwerp reïncarnatie in de boeken die ik heb gelezen mij het meest heeft aangesproken. Dat komt misschien omdat ik die overtuiging al sinds mijn kinderjaren heb, toen een dierbare vriend van mijn vader, een predikant, mij erover vertelde. Ik was zeven of acht jaar en op een zondag nam hij me na het middagmaal mee voor een wandeling langs de rivier. Het was herfst en de bomen waren een en al vuur en goud. Hij zei dat hij zou willen dat ik altijd zou onthouden hoe mooi ze waren even voordat ze schenen te sterven; maar dat ze niet werkelijk stierven, en alleen voor een poosje hun bladeren verloren, zodat ze konden rusten en in de lente weer nieuwe laten groeien. Misschien zou hij niet zo’n diepe indruk hebben gemaakt als hij niet een paar weken later plotseling was gestorven. Een tijdlang was ik diep bedroefd, en toen vond ik grote troost in zijn woorden, en sindsdien heb ik met toenemende zekerheid gevoeld dat de dood geen einde kan maken aan liefde en sympathie en aan al die ontastbare waarden die zozeer een werkelijk deel van het menselijk leven uitmaken.

Commentaar — Reeds lang heb ik het gevoel dat als deze ene leer van de wedergeboorte van de ziel opnieuw in het christendom werd opgenomen, waartoe ze eens behoorde, ze een machtige invloed zou uitoefenen op de westerse psychologie en daardoor op alle onderlinge betrekkingen over de hele wereld. Als reïncarnatie op positieve wijze met haar zusterleer karma zou worden verbonden, zouden mannen en vrouwen overal tot het besef komen dat zij in wezen goden zijn die hun toekomst in eigen handen hebben – een toekomst schitterend en vol belofte, omdat er niets is dat niet kan worden bereikt.
    Het zou wel eens kunnen zijn dat deze archaïsche waarheden in de twintigste eeuw een nieuwe kans hebben gekregen om zowel met letterknechten als fantasten af te rekenen. Men kan er de naam esoterische filosofie van de oudheid aan geven, maar ze zal meer zijn dan dat. Ze zal de inspiratie van de godheid zijn die de mens ontving toen hij voor het eerst mens werd, en deze inspiratie sluimert nog altijd in het hart van ieder mens. Hierop doelde meester Jezus toen hij zei: ‘Eer Abraham was, ben Ik’; en daaraan dacht de psalmist toen hij zong: ‘Zelfs al ga ik door een dal van de schaduw van de dood. . . . Gij zijt met mij’.


Mens, Vonk der Eeuwigheid, James A. Long, blz. 215-27

© 2000 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag