Honderd jaar geleden, in april, werd William Q. Judge 35 jaar en begon
hij zijn uitgeversactiviteiten met het doel de theosofie onder de aandacht
van het Amerikaanse publiek te brengen. Hij stichtte en redigeerde The
Path, een maandblad gewijd aan de ‘Broederschap van de mensheid,
theosofie in Amerika en de studie van de occulte wetenschap, filosofie
en de arische* literatuur.’ Al ontleende het tijdschrift zijn
inspiratie aan de theosofische filosofie en haar idealen, het was geen
officiële spreekbuis voor de Theosophical Society die met zijn
hulp in 1875 werd gesticht door Helena P. Blavatsky en Henry Steel Olcott.
Zijn bedoeling en die van de medeoprichter, Arthur Gebhard, was in de
eerste plaats ‘hun medemensen te wijzen op een pad dat naar hun
ervaring, de mens hoop biedt’, en in de tweede plaats, ‘om
alle ethische en filosofische stelsels te onderzoeken die zeggen rechtstreeks
naar dat pad te leiden’. Hoewel er aandacht zou worden besteed
aan het praktisch occultisme (occulte kunsten en wetenschappen), ‘was
dat niet het doel van dit blad’. Wat er door middel van
verschijnselen mocht worden bereikt zou, zoals Judge in zijn eerste
hoofdartikel zei, ‘een bijkomstigheid zijn bij het volgen van
het pad, . . . De eerste stap in de ware mystiek en het ware occultisme
is de poging de betekenis te begrijpen van universele broederschap.’
*Van het Sanskriet arya dat edel betekent: een
naam gebruikt voor de Indo-Europese kolonisten in Noord-India en voor
hun talen.
Tien jaar lang, tot aan zijn dood in maart 1896, volgde W.Q. Judge
zijn gekozen weg en zijn vele artikelen (gesigneerd of niet gesigneerd
of onder een van zijn vele schuilnamen) werden gretig in de States en
het buitenland gelezen. ‘Zuivere buddhi’ noemde H.P. Blavatsky
The Path: Judge bezat niet alleen een intuïtief begrip
van de diepzinnige theosofische waarheden, maar had ook het zeldzame
vermogen daaraan in bondige en heldere taal uitdrukking te geven. Even
belangrijk was dat hij de gave bezat mee te leven, zich te vereenzelvigen
met de ‘dringende behoeften’ van gewone mensen de zin en
het doel van hun leven te vinden. Kennis omtrent ‘de spirituele
toestand van de mens, zijn doel en bestemming’ zou zeker voedsel
bieden aan de ‘grootste denkers’, maar zulke kennis was
voor iedereen, ongeacht hun ontwikkeling, religie, ras, kaste,
kleur of geslacht.
Door gebruik te maken van de groothoeklens van theosofische wijsheid,
leverde Judge heldere commentaren op een verscheidenheid van onderwerpen:
Astrale bedwelming; Christelijke kerkvaders over reïncarnatie;
Oud en nieuw spiritisme; Is armoede slecht karma?; Psychometrie; Kaliyuga
– de huidige eeuw; Reïncarnatie van dieren; Zelfmoord is
geen dood; Kometen; en vele, vele andere. Een gunstig bijproduct van
het brede terrein van onderwerpen dat Judge bestreek, zowel in The
Path als op zijn lezingen-tournees, was de algemene belangstelling
die werd gewekt voor de vergelijkende godsdienststudie en voor de heldendichten
en filosofische geschriften van India. Hij zag in de Bhagavad Gita
en de Upanishads en in de verhalen over het leven en de zending
van de Boeddha een sterke verwantschap met de theosofische ethiek en
leringen. Om te voldoen aan de groeiende vraag naar een uiteenzetting
van theosofische en oosterse leringen, werd in 1889 een drukpers aangeschaft
om pamfletten en brochures uit te geven en een klein uit 8 pagina’s
bestaand tijdschrift, The Theosophical Forum. Hetzelfde jaar
publiceerde de uitgeverij van The Path een goedkope pocketeditie van
Patañjali’s Yoga Aforismen, in 1890 gevolgd door
Judge’s Recension of the Bhagavad-Gita, beide voorzien
van een inleiding van W.Q. Judge.
Het is voor ons in deze tijd moeilijk ons voor te stellen hoe gering
de kennis van het publiek van een eeuw geleden was van de geschriften
en mondelinge overleveringen van andere volkeren dan van het eigen volk.
Zelfs in elitaire kringen van geleerden en dichters waren slechts weinigen,
zoals de transcendentalisten in Europa en Amerika, op de hoogte van
de rijkdommen aan mythische en legendarische kennis van de Oud-Noorse,
Germaanse, Keltische, Perzische, Indische, Chinese en traditionele volkeren.
Judge zou de dagboeknotitie van Emerson van 1 oktober 1848 hebben gewaardeerd:
Boeken zijn als regenbogen die men dankbaar moet
aanvaarden in de eerste indruk . . . Ik heb, mijn vriend en ik hebben
een schitterende dag te danken aan de Bhagavat Geeta. – Het
was het belangrijkste boek; het was alsof een macht ons toesprak,
niets dat klein of onwaardig was, maar groots, sereen, logisch, de
stem van een oude intelligentie die in een andere eeuwen een andere
streek over dezelfde vragen had nagedacht en ze had opgelost, waarmee
we ons bezighouden.*
*The Journals and Miscellaneous Notebooks of Ralph
Waldo Emerson, red. Merton M. Sealts Jr., Harvard University
Press, 1973; deel 10, blz. 360.
Vele jaren voor Judge zijn tijdschrift Path begon, koesterde
hij de wens naar India te gaan en zich geheel in dienst te stellen van
hen die achter de Theosophical Society stonden. Maar hij was een pasgetrouwd
man en had nog geen vaste positie (handelsrecht). Maar omstreeks 1884
was de situatie veranderd en zag het ernaar uit dat zijn droom kon worden
verwezenlijkt. Toen hij op weg naar India zijn reis in Parijs onderbrak
om H.P. Blavatsky en kolonel Olcott weer te ontmoeten, werd hem gevraagd
haar met De Geheime Leer te helpen. Hij werkte iets meer dan
drie maanden met haar samen en ging toen op reis naar India, waar hij
half juli in Bombay arriveerde. Na op verschillende plaatsen lezingen
te hebben gehouden, ging hij naar het hoofdkwartier van de Society in
Adyar, Madras, waar hij verwachtte zijn verdere leven te zullen blijven.
Het duurde echter niet lang of het werd Judge duidelijk dat zijn echte
werk niet in India lag. Dat was in Amerika. Hij keerde onmiddellijk
terug, een nieuw mens, iemand die wist welke kant hij op moest en die
weg met alle kracht volgde. Waar het theosofisch werk in de Verenigde
Staten voorheen kwijnde, ontstonden nu door het hele land studiecentra
en afdelingen. Er was duidelijk behoefte aan een informeel middel om
theosofische leringen naar buiten te brengen, het nut ervan in het dagelijks
leven bekendheid te geven en een ruimer beeld te bieden van het religieuze
en filosofische erfdeel van de wereld. Binnen twee jaar werd The
Path geboren.
Naast zijn rechtspraktijk, zijn redactionele en officiële verplichtingen
– hij was gekozen tot Algemeen Secretaris van de nieuw-gestichte
Amerikaanse afdeling van de Society in oktober 1886 – schreef
Judge honderden en honderden brieven, vaak met de hand, aan hen die
zijn raad vroegen. De brieven aan Julia Campbell Ver Planck (Jasper
Niemand) werden in 1891 gepubliceerd onder de titel Letters That
Have Helped Me; na het overlijden van Judge werd een tweede deel
uitgegeven dat uittreksels bevat uit zijn brieven aan andere leerlingen.
Het wordt nu in één deel uitgegeven en deze Brieven zijn
tientallen jaren lang voor menig bestudeerder een vriend en metgezel
geweest, vooral voor hen die de pijnlijke ervaringen van zelfonderzoek
en zuivering van de ziel meemaken.
Wij zijn niet de enigen die op het pad moeten lijden.
Evenals wijzelf hebben de meesters gehuild, al huilen zij nu niet.
Een van hen schreef enkele jaren geleden: ‘Denkt u dat we niet
vele keren grotere beproevingen hebben ondergaan dan die waarin u
zich nu denkt te bevinden?’ De meester schijnt ons vaak af te
wijzen en zijn (spirituele) gezicht te verbergen, opdat de discipel
een poging kan wagen. Op de deuren en muren van de tempel is het woord
‘probeer’ geschreven . . .
Het pad van de ware leerling kent verdriet, maar
er is ook grote vreugde en hoop.
– Brieven die me hebben geholpen,
blz. 10
In 1893 vond er een historische gebeurtenis plaats toen in Chicago
onder auspiciën van de Wereldtentoonstelling een Parlement van
de Religies plaatsvond. Dit was voor het eerst dat vertegenwoordigers
van de belangrijkste wereldgodsdiensten elkaar ontmoetten om met elkaar
van gedachten te wisselen over hun verschillende religieuze leringen.
Op uitnodiging van het Parlement van de Religies hield de Theosophical
Society op 15-16 september een Theosofisch Congres onder voorzitterschap
van haar vice-president William Q. Judge, en tijdens dit congres gaven
vooraanstaande leden uit Engeland, India en de Verenigde Staten voor
volle zalen een uiteenzetting van de voornaamste leringen en idealen
van de theosofie. In zijn brief van 21 september 1893 schreef Judge
aan President Olcott in India:
Om het Congres bij voorbaat kort samen te vatten, kan ik u verzekeren
dat het in alle opzichten een buitengewoon succes was. . . . de belangstelling
van het publiek was zo groot dat de leiding van de Tentoonstelling ons
een extra bijeenkomst toewees op zondagavond de 17de, in de grootste
zaal van het gebouw. Deze bijeenkomst werd gehouden en bezocht door
3500 mensen, die tot half elf ’s avonds bleven. En dat was het
einde van de activiteiten.
Het Congres was inderdaad een geweldig succes en wel in die mate, dat
toen San Francisco het volgend jaar tijdens zijn Midwinter Tentoonstelling
een Religieus Parlement organiseerde, W.Q. Judge werd uitgenodigd te
spreken over ‘Punten van overeenkomst in alle religies.’
Honderd jaar na het oprichten van The Path en al wat het betekende
voor het bevruchten van de gedachtenwereld van Amerika, brengen we hulde
aan William Quan Judge, vriend van de mensheid en dapper verdediger
van het recht en de plicht van ieder mens de waarheid te zoeken en te
beleven die de zijne is.