Satan en Mara
Bas Rijken van Olst

 

Naar een lezing, gehouden op de jaarlijkse bijeenkomst van het Theosofisch Genootschap (Pasadena) in Apeldoorn, 29 september 1990.


 

Satan en Mara staan bekend als symbolen van het kwaad, eerstgenoemde in de joodse en christelijke tradities en in de islam en laatstgenoemde in het boeddhisme. Omdat de opvattingen over goed en kwaad in de verschillende religieuze tradities sterk uiteenlopen, vragen we ons af wat onder goed en kwaad moet worden verstaan. Ons dagelijks leven bestaat uit een voortdurende stroom van gebeurtenissen die onze ervaring vormgeeft; sommige waarderen we als goed en andere als kwaad. Deze begrippen goed en kwaad worden echter niet altijd relatief gebruikt. In sommige tradities is het aan het goede tegengestelde aspect in de tweevoudige natuur van de schepper geworden tot de duivel, een verpersoonlijking van het absolute kwaad, terwijl men de goede kant van de schepper maakte tot een persoonlijk god. In andere tradities zijn goed en kwaad abstracte en filosofische begrippen gebleven, twee aspecten van een eraan ten grondslag liggende eenheid. Zo waren bijvoorbeeld de hindoegoden vaak zowel goed- als kwaadaardig.

Mara, de Vernietiger of de Boze, is de naam van een deva (godheid) van hoge status in de boeddhistische kosmologie, die het leven van de Boeddha moeilijk maakt, zoals Satan in dat van Jezus. Hij verleidt, tart, test en daagt uit, maar de bodhisattva Gautama zwicht niet. Mara heeft verschillende betekenissen en namen. Het woord betekent letterlijk ‘dood’. Hij wordt omschreven als de heer van de wereld van begeerten (kamaloka), een gebied of bewustzijnstoestand waarin men kan verkeren in de waaktoestand, in de slaap of na de dood. In het boeddhisme vormen begeerten de grote illusie en de grote belemmering op de weg naar het verbreken van de ketenen van gehechtheid en naar het bereiken van de verlossing.

In werkelijkheid is Mara niet zozeer een slecht persoon, alswel een kracht in onszelf die verleidt en test. Hij moedigt de mensen aan hun begeerten te volgen. Haat, passie en misleiding behoren tot zijn gebied. Maar de boeddhistische literatuur biedt ook het tegenmiddel aan en laat altijd het contrast zien tussen de weg die leidt tot de bevrijding en de weg die voert naar steeds meer gehechtheid, lijden en herhaalde dood. Mara verschijnt in het eerste hoofdstuk van de Dhammapada, ‘De Tweelingverzen’, dat geheel is gewijd aan de tegenstelling van goed en kwaad:

De genotzoeker die in stoffelijke dingen behagen schept, wiens zinnen niet zijn beteugeld, die onmatig eet, traag van geest en lusteloos is, over hem zegeviert Mara (de Boze) zoals de moessonwind over een slecht gewortelde boom.

Hij die geen genot kan vinden in stoffelijke dingen, die zijn zinnen volmaakt in bedwang heeft, die matig eet, een onwrikbaar geloof heeft, krachtig is, op hem heeft Mara even weinig vat als de wind op een rotsgebergte.      – 1:7-8

De tegenstelling tussen goed en kwaad in het boeddhisme is er een tussen vrijheid en gebondenheid; tussen onsterfelijkheid en verlichting enerzijds, en dood, dat wat doodt, en onwetendheid anderzijds; tussen werkelijkheid en illusie; tussen de bron van manifestatie en het gevolg ervan.

Laten we nu Satan beschouwen; het christendom identificeert hem met de slang uit Genesis, die Eva aanzet tot het eten van de appel van de boom van kennis van goed en kwaad, hetgeen door God was verboden. Adam en Eva worden dan uit het paradijs verdreven omdat ze Gods gebod hebben overtreden, hetgeen de oorzaak van ‘erfzonde’ wordt.

De oude wijsheidstraditie geeft een heel andere kijk op Satan. H.P. Blavatsky zegt:

De benaming Sa'tan, in het Hebreeuws satan, ‘een tegenstander’ . . . behoort rechtmatig aan de eerste en wreedste ‘tegenstander van alle andere goden’ – Jehova, en niet aan de slang, die slechts woorden van sympathie en wijsheid sprak en in het ergste geval zelfs volgens het dogma ‘de tegenstander van de mensen’ is.

.    .    .

. . . het is alleen maar natuurlijk – zelfs vanuit het gezichtspunt van de dode letter – om Satan, de slang van Genesis, op te vatten als de werkelijke schepper en weldoener, de vader van de geestelijke mensheid. Want hij was de ‘boodschapper van het licht’, de helder stralende Lucifer, die de ogen opende van de automaat, die zoals men beweert door Jehova was geschapen; . . .
      – De Geheime Leer 2:437, 274

De slang was een gevallen engel die eeuwige wijsheid weerspiegelde. Hij kwam zijn belofte na en leerde Adam en Eva – de mensheid – het verschil tussen goed en kwaad, d.w.z. schonk hen het onderscheidingsvermogen, het zelfbewustzijn. Terwijl in het boeddhisme het symbool van het kwaad zich concentreert op begeerten en op al wat materieel en vergankelijk is, roept de slang als lichtbrenger het beginsel van ons denkvermogen in ons wakker. Zodra dit vermogen gaat werken, treedt het op als verleider en verlosser, en hieruit blijkt het verband tussen de lichtbrenger en de tegenstander in de mens. Met dit denken wordt de waarde van onze verlangens en van de objecten van onze begeerten gewogen. In het dagelijks leven betekent dit vaak een door schade en schande wijs worden.

Vanuit een ander gezichtspunt zijn Satan (als tegenstander en niet als slang, want alleen in het christendom vallen deze samen) en Jehova de twee tegengestelde polen van dezelfde godheid: de demiurg of schepper – niet de hoogste god of het hoogste beginsel in de kabbala – en de kosmische weerspiegeling ervan. Volgens de kabbalisten is God licht en Satan de noodzakelijke schaduw daarvan, het tegengestelde van licht. Satan is dan de personificatie van het abstracte kwaad. Maar omdat het kwaad en de bestraffing wapens zijn van de wet van karma, de absoluut rechtvaardige wet die ons de gevolgen doet voelen van de door ons veroorzaakte daden, is het zogenaamde kwaad de dienaar van het goede.

In de islam treffen we Satan aan onder de naam Iblis. De Koran bevat een variant van het verhaal van Adam en Satan. Adam was door Allah uit klei gemaakt:

En toen Wij tegen de engelen zeiden: ‘buigt neer voor Adam’, vielen ze allen neer behalve Satan, die in zijn trots weigerde en een ongelovige werd.

Tegen Adam zeiden We: ‘Woon met je vrouw in het paradijs en eet van de vruchten zoveel je maar wilt. Maar nader deze boom niet of jullie zullen beiden in overtreding zijn.’

Maar Satan veroorzaakte hun val uit het paradijs en hun verbanning.    – 2: 34-6

Terwijl in de bijbelse versie de slang Eva verleidt en later in het christendom met Satan wordt geïdentificeerd, speelt Satan hier al direct deze rol.

Het grootste struikelblok voor Iblis blijkt zijn trots te zijn, waardoor hij zich isoleert en tegenover Allah komt te staan. De soefi's zijn in hun oordeel over Iblis verdeeld in twee kampen. Sommigen zien hem als een moreel corrupt wezen, dat verderf zaait onder de mensen; voor anderen is hij het gehoorzame, liefhebbende instrument van God en een model voor het mystieke leven van zelfopoffering. In één opvatting wordt de weigering neer te buigen voor Adam gezien als het uitoefenen van de vrije wil door Iblis, die zo'n hoge verering en liefde heeft voor God, dat hij alleen voor Hem wil buigen, en in de mens van klei, Adam, kennelijk de aanwezige vonk of essentie van de allerhoogste niet herkent. Sommigen denken dat Iblis de mens de kans gaf te kiezen tussen goed en kwaad, en daardoor wordt deze in een langdurige strijd met de satanische krachten van de schepping volwassen. Iblis is nooit het absolute kwaad; hij blijft in de joodse en moslim traditie niet een vijand van God, maar zijn schepsel, een tegenstander van alleen de mens.

In het werk van de soefi-schrijver Farid ad Din ‘Attar, die in 1220 is gestorven, kan men de meest uiteenlopende karaktertrekken van Iblis aantreffen, van heel sobere veroordelingen van Iblis als de sluwe verleider tot heel roerende beschrijvingen van Iblis als een tragisch slachtoffer dat naar rehabilitatie verlangt. ‘Attar zegt:

Als Iblis de bazaars verlaat,
     hoe moeten de bazaars dan functioneren?
Omdat de hele wereld zijn bazaar is,
     is het opdrijven van prijzen, het kopen en verkopen zijn werk.
Aan hem en aan niemand anders behoort de grote bazaar toe,
     elke bazaar; geen wereldse daad vindt plaats zonder hem, geen ogenblik.1

De traditionele belangen en de wereldlijke waarden zijn het terrein van Iblis, zoals ze ook het terrein zijn van Mara. Verder zegt hij:

Als u de betekenis van uw oorsprong begrijpt, zult u koning zijn,
     zo niet, dan zult u zijn als een duivel, als Satan zelf.2

De Punjabi dichter en filosoof Shaikh Muhammad Iqbal (1873 of '77 – 1938) heeft zijn leven lang geworsteld met het thema van Iblis. Hij studeerde zowel in het Westen als in het Oosten, hij dichtte in het urdu en het perzisch, en na het ontstaan van Pakistan werd hij uitgeroepen tot nationale dichter en geestelijke vader van dat land. Volgens Bausani brengt zijn werk verschillende aspecten van Satan samen:

1) het Prometheus-element van actie en manier van handelen, van overmoed; in deze opvatting is de dichter door Milton beïnvloed

2) het oud-Hebreeuwse en zuiver islamitische denkbeeld van Satan als een instrument van God

3) het gnostisch-christelijke element van het kwade als een onafhankelijke kracht, afkomstig uit Iran

4) het denkbeeld van een satanisch deel in god, dat is toe te schrijven aan de invloed van mystiek en Europees idealisme, en

5) de pragmatisch-politieke persoonlijkheid van Satan, die uitdrukking wordt van de anti-Europese en anti-mystieke (eerder: anti-quiëtistische) ideologie (van Iqbal).3

In haar analyse van zijn werk merkt dr. Annemarie Schimmel op dat als we Lucifer-Iblis opvatten als de geest die een domme onbewustheid en een beperkte loomheid veracht als niet-leven, en de ziel helpt om de krachten van de chaos te boven te komen, door deze te leiden naar een hoger niveau van bewustzijn; als we Iblis opvatten als de werkelijke vriend van de mens, die wordt geleerd om zichzelf te overtreffen en die hij nooit rust geeft – dan hebben we het ideaalbeeld van Satan zoals dat in veel van Iqbals gedichten voorkomt. Iblis werpt de mens uit het zoete leven van het paradijs en brengt hem tot de gevaren van het proces van zelfbewustwording.

Goed en kwaad behoren tot de mensheid en bestaan in ons. Er zijn geen antropomorfe wezens buiten de mensheid die deze voortbrengen. Zo zegt James Long over deze contrasterende begrippen:

. . . het zijn relatieve toestanden van levende wezens, en geen op zichzelf bestaande entiteiten. Daarom moeten goed en kwaad in de menselijke verhoudingen worden gezien als betrekkelijke toestanden van bewustzijn. Goed, zouden we kunnen zeggen, is dat wat in harmonie is met de opwaartse drang tot vooruitgang; kwaad, dat wat neigt naar teruggang en het verstoren van het natuurlijke evenwicht.4

Als we ons denkvermogen oefenen, gebruiken we onze vrije wil en hebben we vrije keuze. Daardoor rijzen we uit boven de lagere stoffelijke structuur van het heelal. Door te denken, doen we een poging tot vormgeven, tot richting geven aan onze gedachten, en gaan zo vorm en belichaming te boven. We worden geleidelijk de materie de baas, in plaats van erdoor verleid en misleid te worden. Zowel Satan als Mara vervullen deze functie symbolisch. Alleen als we ons steeds bewust zijn van dit contrast, kunnen we onze weg van spirituele evolutie vervolgen.

 

Verwijzingen

  1. Geciteerd door Peter J. Awn in Satan's Tragedy and Redemption: Iblis in Sufi Psychology, E.J. Brill, Leiden, 1983; blz. 154.
  2. Ibid., blz. 164.
  3. A. Bausani, geciteerd door Annemarie Schimmel in Gabriel's Wing, E.J. Brill, Leiden, 1963; blz. 209.
  4. Mens, Vonk der Eeuwigheid, Theosophical University Press Agency, den Haag, 4de herziene druk, 2000, blz. 91.
 
Andere artikelen over ethiek
 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/apr 1992

© 1992 Theosophical University Press Agency