Toespraak gehouden op het Parlement van de Religies
van de Wereld. Chicago, 31 augustus 1993.
Wij komen hier bijeen op de gemeenschappelijke grondslag van ons menszijn,
in het besef dat de mensheid in het algemeen op zoek is naar antwoorden
op de verschrikkelijke onrechtvaardigheden van het leven en dat we er
vurig naar verlangen een kanaal, een voertuig van het goddelijke te
zijn, welke naam we daaraan ook willen geven. We zijn ons tevens bewust
van de wonderlijke waarheid dat ieder mens – ja, iedere levensvonk
in de lucht, de zee, de aarde en de hemel – een levend wezen
is dat op zijn eigen unieke wijze evolueert naar een steeds dieper besef
van zijn goddelijke essentie, en toch zijn we allen één
– leven en bewegen en bestaan we binnen het terrein van het Kosmische
Doel.
Ik koos als titel voor deze toespraak een regel uit het gedicht van
John Keats ‘Aan Homerus’, de blinde minstreel. Na zijn dood
vond men het tussen de geschriften van Keats1:
Van verre en in duistere onwetendheid,
Hoor ik van u en de Cycladen, als één
Die aan de oever neergevlijd, wellicht verlangt
in diepe zee dolfijn-koraal te ontmoeten.
U was dus blind! – maar hoor, de sluier scheurt,
Want Jupiter ontsloot de Hemelpoort
Om u te laten leven. Neptunus bouwde u
Een tent van schuim en Pan liet op zijn
beurt
U door het bosvolk met een lied begroeten.
Ja, aan de oevers van het duister is er
licht,
En steile diepten tonen onbetreden groen;
Te middernacht ontluikt de ochtendstond;
En blindheid schenkt drievoudig zicht:
zulk zicht had gij, zoals ook eens
Diana overkwam, de Koningin van Aarde,
Hel en ‘t Hemelrijk.
In zijn korte leven van 25 jaar onderging Keats – dichter, ziener,
bard – de pijn en de extase van hen die in ogenblikken van uiterste
helderheid door de goden worden begunstigd. Telkens als de onsterfelijken
hem gebruikten als hun instrument vulden de bronnen van zuivere inspiratie
zijn ziel en vloeiden ze door zijn pen. Als de deur zich tijdelijk sloot,
waren pijn en eenzaamheid ondraaglijk; toch blijkt uit zijn lange brieven
aan vrienden en broers en zuster dat hij zelfs in de duistere perioden
van ziekte en nabije wanhoop volhield in het besef dat het licht van
het goddelijke aanwezig was en dat de stralen daarvan zijn wezen opnieuw
zouden vervullen.
Dit is de boodschap van de theosofie, een boodschap van hoop:
in ieder van ons bevindt zich het goddelijke licht, ‘het ware
Licht, dat ieder mens verlicht die ter wereld komt’ wat zijn ideologie,
theologie of materialistische inslag ook mag zijn. De theosofie spreekt
over onze goddelijke afkomst, vele miljoenen jaren geleden – en
nog veel langer geleden als we aan dit heelal voorafgaande heelallen
denken; ze zegt ons dat we geen marionetten zijn van een god of duivel
en ook niemand nodig hebben om voor ons te bemiddelen tussen onze Vader
in ons en de Vader buiten ons, want we zijn allen vonken van het hemelse
vuur in het hart van het Zijn, broeders en metgezellen van sterren en
goden. Het mooist van alles is het feit dat de theosofie licht werpt
op Plato’s uitspraak dat de Ziel – het woord hier gebruikt
voor het geestelijk zelf – ‘onsterfelijk is, vele malen
is geboren en alle dingen die bestaan heeft gezien . . . van al deze
dingen kennis heeft’, zodat het niet moeilijk moet zijn ‘uit
een enkele herinnering al het overige’ terug te roepen, als een
mens zijn hart en ziel erin legt en niet opgeeft – want, zegt
hij, ‘alles wat we weten en kennen is slechts herinnering’.2
We hebben inderdaad vele malen de dood overleefd; want de dood is een
deel van onze levenscyclus, niet het einde van het bestaan. Alles wat
hier geboren wordt, zal sterven en weer herboren worden, of het een
atoom, mineraal, dier, mens, ster, melkwegstelsel of een heelal is.
Uiteindelijk komt ieder levend wezen tot volle bloei, want geboorte,
dood en wedergeboorte vormen het cyclische ritme van de natuur, die
er altijd naar streeft om de verborgen mogelijkheden van haar kinderen
naar buiten te brengen.
Zoals vanmorgen in het theosofisch forum werd gezegd, was H.P. Blavatsky
de inspirerende kracht achter de vorming in 1875 in New York van een
organisatie waarvan de filosofische en ethische beginselen, zonder in
de loop van de decennia aan kracht te hebben ingeboet, het bewustzijn
van de mensheid hebben doordrongen, zodat het ons niet langer verrast
om via de TV of in de literatuur toespelingen te horen op reïncarnatie
en karma, op de idealen van mededogen en bovenal op broederschap waarvan
zo’n honderd jaar geleden geen sprake was – zelfs universele
broederschap die ook het nietigste levensvonkje omvat.
Wellicht is dit filosofisch inspirerend, maar is het genoeg? Waarschijnlijk
hebben de meesten van u zondag jl. dr. Gerald Barney’s welsprekende
oproep gehoord aan het einde van zijn betoog over de cruciale kwesties
die ons in de 21ste eeuw te wachten staan. Zijn vraag, ‘Wat
gaan wij doen? gericht tot de leiders van de vele geloofsgemeenschappen,
was ook bedoeld voor ieder mens: ons nu bewust te worden van
wat wij van de 20ste eeuw onze kinderen en kleinkinderen nalaten. Als
de dreigende problemen zo groot zijn dat het denken ze niet meer kan
omvatten en we over een traditie of filosofie beschikken die ons diep
aangrijpt, zijn we geneigd iedereen te vertellen dat zij de
antwoorden heeft op de menselijke noden; of teleurgesteld door hun gebrek
aan belangstelling, ons terugtrekken in onze eigen gedachtenwereld.
Geen van deze benaderingen is doeltreffend of verstandig.
Wat we allereerst moeten beseffen is, denk ik, dat een maatschappelijke
verandering niet wereldwijd, massaal tot stand kan worden gebracht;
het is de vallende waterdruppel die de steen uitholt. Om een wereldwijde
verandering tot stand te brengen, waarvoor dr. Barney en zijn collega’s
van het Millennium Institute zich zo hartstochtelijk inzetten, is het
nodig dat ieder van ons in de stilte van onze eigen ziel het
wonder van zelf-transmutatie tot stand brengt. We moeten beginnen waar
we staan en eerlijk nagaan of we onbewust meedoen aan afbraak in plaats
van aan opbouw van het menselijke en planetaire leven.
‘De sleutel tot succes’, zegt Lord Beaconsfield, ‘is
trouw aan het doel’. Maar om snel en op grote schaal zelf-transmutatie
te verwachten is onrealistisch; niet iedereen kan zelfs maar beginnen
in deze richting te denken. De negatieve aspecten van de menselijke
natuur die zich duizenden jaren lang hebben versterkt, verdwijnen niet
van de ene dag op de andere. Te veel mensenlevens zijn verzonken in
duisternis en moedeloosheid en de wereldsituatie is slechts een afspiegeling
van hun toestand. Wie van ons is soms niet ten einde raad bij de gedachte
aan het ondraaglijke lijden en de slopende pijn die wij onze eigen medemensen
aandoen? Hoe komt het dat in een heelal waarin schoonheid en orde bestaan,
in de verste uithoeken van de ruimten zo goed als in de microwerelden
van het atoom, wij mensen, met onze schitterende intelligentie en edele
afkomst, ons zo kunnen verlagen dat onze daden beestachtiger zijn dan
die van de dieren – en altijd ten koste van onschuldigen?
Er is iets heel erg mis met onszelf of met de kosmos. Waarom moet goed
samengaan met kwaad, schoon met lelijk, waarheid met leugen –
en de vreugde van geboorte worden gevolgd door de pijn van scheiding,
van de dood? Wat is de werkelijkheid, los van wat wij er in onze emotionele
toestand ten onrechte voor houden? Misschien moeten we onszelf vanuit
een andere hoek bezien.
Waarom kunnen we het hele evolutiedrama, vanaf het vuurvliegje tot
de poolster, niet zien als een dans van tegenstellingen, vanaf het eerste
lichtpunt uit de onmetelijke duisternis of de chaos, tot het uitdoven
van ons melkwegstelsel in een glorie van licht, als het verdwijnt in
de afgrond van chaos en duisternis, waaruit het in de verre toekomst
weer tevoorschijn treedt in het licht, als een nieuw heelal? Planeet,
zon, melkwegstelsel, zullen weer terugkeren tot een actief bestaan,
waarin elk zijn evolutionaire reis vervolgt naar bewustwording van zijn
ingeboren goddelijke aard. Volgens de eeuwige gewoonte van de wereld
is licht inherent aan duisternis, kosmos inherent aan chaos, zoals chaos
inherent is aan kosmos. Beide zijn onverbrekelijk verbonden.
Enkele verzen uit de Stanza’s van het Boek van Dzyan, waaruit
H.P. Blavatsky putte bij het schrijven van De Geheime Leer,
haar meesterlijke synthese van wetenschap, religie en filosofie, zijn
hier op hun plaats:
De eeuwige Moeder, gewikkeld
in haar altijd onzichtbare gewaden, had opnieuw zeven eeuwigheden
lang gesluimerd.
Duisternis alleen vulde het grenzeloze Al,
want Vader, Moeder en Zoon waren opnieuw één en de Zoon
was nog niet ontwaakt voor het nieuwe wiel en zijn pelgrimstocht daarop.
. . .
Alleen de ene vorm van bestaan strekte zich
grenzeloos, eindeloos, oorzaakloos uit in een droomloze slaap; en
het leven klopte onbewust in de universele ruimte. . . .
. . . Het Heelal was nog verborgen in de
Goddelijke gedachte. . . .
De Duisternis straalt licht uit en het licht
laat één enkele straal vallen in de Moeder-diepte. De
straal schiet door het maagdelijke ei, de straal laat het eeuwige
ei trillen en dit laat daardoor de niet-eeuwige kiem vallen, die zich
verdicht tot het wereld-ei. . . .
Ziedaar, O Lanoo! Het stralende kind van
de twee, de ongeëvenaarde schitterende heerlijkheid: Heldere
Ruimte, Zoon van Donkere Ruimte, die uit de diepten van de grote donkere
wateren te voorschijn komt. . . .
De ene straal vermenigvuldigt de kleinere
stralen. Het leven gaat aan de vorm vooraf en het leven overleeft
het laatste atoom van vorm. . . .
Dit is uw tegenwoordige wiel, zei de vlam
tot de vonk. Gij zijt mijzelf, mijn evenbeeld en mijn schaduw.
Hoe nauw sluit dit aan bij de scheppingsmythen in de heilige tradities
over de hele wereld, zowel in de formele religies als in de overgeleverde
kennis van de oorspronkelijke volkeren van Afrika, de bewoners van Australië
en Noord- en Zuid-Amerika. Harmonie, als we tot de kern ervan doordringen
en een aantrekkelijke verscheidenheid aan de omtrek – en dat bevestigt
dat er eenheid is in het goddelijke en verscheidenheid in de uitingsvorm.
Vandaar dat al wat bestaat wordt geboren en sterft – of het een
trilobiet is, een veldleeuwerik, een viooltje of een ster – en
zijn levenscyclus volbrengt op grond van het feit dat zich in de verborgen
ruimte in zijn hart de Logos bevindt, Brahman, God, welke naam we daaraan
ook willen geven, en zonder wie het bestaan niet mogelijk is.
Het grote doel achter deze opeenvolging van geboren worden en sterven
is het geestelijk volwassen worden van elk levensdeeltje. Wij mensen
staan halverwege de evolutionaire stroom, tussen een godsvonk die zich
niet bewust is van zijn bestemming en een volledig ontwikkelde god.
De natuur gebruikt alle beschikbare middelen, zelfs de meest afschuwwekkende
situaties om haar doel te bereiken – het tot stand brengen van
verandering, transformatie, omzetting van onedele eigenschappen in het
goud van mededogen. We zijn één mensheid en niemand
is onvatbaar voor de tragische afwijkingen waarvan onze mentale en psychische
levensopvatting blijk geven. Tegelijk staan we dichter bij de goden
dan we denken en nooit waren we verstoken van geestelijke leiding: elk
volk dat we kennen heeft door openbaring, overlevering of via een geïnspireerde
leraar, een zekere mate van verheven inspiratie ontvangen van de bewakers
en beschermers van de mensheid die de heilige wijsheid onder hun hoede
hebben en die ons menselijk geboorterecht is.
‘De sterren schijnen het helderst als de nacht het donkerst is.’
De huidige beroering in de wereld is er stellig de oorzaak van dat het
geweten van de mensheid op ruwe wijze wordt wakker geschud en dat het
geestelijke verantwoordelijkheidsgevoel wordt versterkt – wat
van onschatbare waarde is voor de toekomst van het menselijk ras. Hoe
beangstigend en gruwelijk de tegenwoordige omstandigheden ook zijn,
de optekenaars van de natuur zijn altijd waakzaam en reageren op elke
daad in gelijke mate. Het levensrad draait zonder ophouden, de dag wordt
nacht en de nacht verdwijnt om een nieuwe dag aan te kondigen.
Zo zijn ook rust en moed inherent aan het tumult en de razernij van
het leven en huist er in het diepst van een depressie een atoom van
licht. Het yin-yang symbool kan ons daarbij helpen: in de donkere helft
bevindt zich een klein lichtpuntje; in de lichte helft een klein donker
puntje. Laat in uw verbeelding het atoom van licht in het donkere deel
groeien en groeien, totdat een nieuwe kracht en een groter zelfvertrouwen
voelbaar worden als een bolwerk tegen de komende duistere cyclus waarin
we geneigd zijn ons machteloos te voelen. Langzamerhand zullen lichtende
gedachten in perioden van duisternis sterker en sterker worden; en als
tenslotte zonniger cyclussen weerkeren, is het gemakkelijker overmoed
te vermijden in het besef dat ook zij voorbijgaan. Evenwicht, gelijkmoedigheid,
hoe moeilijk ook te verwerven, zijn niettemin een prijzenswaardig doel.
Is er dan toch iets mis met de kosmos? Al is onvolmaaktheid een onloochenbaar
feit – als alles volmaakt was zou de stimulans tot groei ontbreken
– er is geen sprake van een fundamentele fout in het universele
plan, in de natuur, in het denken en doen van die geestelijke wezens
die sterren en planeten als hun lichaam gebruiken, onze aarde als een
van hun woningen en mensen als de menselijke fase in hun evolutionaire
ontplooiing. In het licht van de oneindigheid is niets onherstelbaars,
niets zonder hoop:
Ja, aan de oevers van het duister is er licht,
En steile diepten tonen onbetreden groen;
Te middernacht ontluikt de ochtendstond;
En blindheid schenkt drievoudig zicht:
De theosofie, zoals die door H.P. Blavatsky is geïntroduceerd
in een prachtige synthese van de in de wereld vergaarde wijsheid, het
natuurlijk erfdeel van het mensenras, verzekert ons dat zich in het
hart van het Zijn harmonie, schoonheid en waarheid bevinden, dat heelallen
komen en gaan met regelmatige tussenpozen en dat elk heelal zelf de
gastheer, een open deur is, voor miljarden levende wezens – monaden,
zo u wilt – die als vallende sterren naar de aarde afdalen om
menselijke zielen tot hun woonplaats te kiezen, en om dan, steeds groeiend,
volledig bewuste godheden te worden.
Het is duidelijk dat als de mensheid als geheel die visie bezat, nieuwe
hoop ons deel zou zijn, we een nieuw besef zouden hebben van het doel
van het leven, een helderder inzicht in wie we zijn , waarom we op aarde
zijn geboren en wat onze relatie is tot onze planeet, de zon, de maan
en de sterren. De theosofie heeft een groot bereik want ze omvat de
evolutionaire geschiedenis van de mens, die ver voor de oorsprong van
onze tegenwoordige mensheid haar begin heeft. Konden we ons met het
oog van de geest hoog boven onze aardse zorgen verheffen, dan zouden
we het weidse panorama overzien van ons mensenrijk of onze levensgolf,
die zich tot in het verre verleden uitstrekt; en op onze huidige aarde
zouden we zien hoe het miljoenen jaren geleden uit zijn droom/slaap
van onschuld ontwaakte en zich bewust werd van zijn menszijn. Het denkvermogen,
de intelligentie, de visie op wat mogelijk is, het geweten, de wil en
de begeerte vragen alle om aandacht. Het was een prachtige tijd zolang
we acht sloegen op de raad van de goden, ‘koning-leraren’,
zoals ze werden genoemd. Het is het oude verhaal: in de toestand van
jeugdige aanmatiging (als ras waren we inderdaad heel jong) schoven
we hun leiding terzijde waarop zij zich van het toneel terugtrokken,
‘onzichtbaar’ werden en dus voor ons ‘niet-bestaand’.
Toch kwam hun ‘terugtrekking’ op het juiste moment en was
die nodig voor onze ontwikkeling als onafhankelijke, zelfstandige wezens
– zoals ouders zich tijdig moeten terugtrekken om hun kinderen
in staat te stellen hun eigen beslissingen te nemen en volwassen te
worden door de gevolgen van hun keuzen onder ogen te zien. Maar de goden
zijn nooit ver weg – als dat zo was zouden dichters en musici,
kunstenaars, schrijvers en de miljoenen gewone mensen zoals u en ik
wel heel hoog moeten opstijgen om hun aandacht te trekken. Laten we
bedenken dat de goden niet alleen ‘buiten’ ons bestaan in
de natuur, maar dat elk levend deeltje, elk levensatoom in elk natuurrijk,
de tempel is van een levende god en dat wij inderdaad belichaamde godheden
zijn.
Wat heeft de theosofie precies aan de mensheid te bieden in deze laatste
jaren van onze turbulente en door oorlogen geplaagde eeuw? Een filosofie
die getoetst en op haar juistheid onderzocht is door generaties van
zieners die de moed, het uithoudingsvermogen en de liefde bezaten om
er zich in levens van discipline en training op voor te bereiden de
geestelijke wetten die in het stoffelijk heelal werken en het besturen
te begrijpen. Een filosofie die de druk van tegenslagen doorstaat, die
meer voldoet naar de mate dat ze in praktijk wordt gebracht, want ze
schenkt een steeds dieper vertrouwen in de onoverwinnelijkheid van de
menselijke geest.
Of de theosofie met haar vele rijke filosofische leringen visie, inzicht,
begrip zal brengen hangt van onszelf af. In haar eerste tijdschrift,
‘The Theosophist’, maakte Blavatsky het van meet
af aan duidelijk dat ‘de basisgedachte van de Society een vrij
en onbevreesd onderzoek’ is. Dat is de reden dat zij die zich
bij een theosofische organisatie aansluiten niet verplicht zijn welke
van de leerstellingen dan ook te geloven; die zijn er en ieder is vrij
ze te aanvaarden of niet. Het enige vereiste is de aanvaarding van het
beginsel van universele broederschap en de bereidheid onder alle omstandigheden
te proberen humaan te denken, te spreken en te handelen.
Ieder die studeert is volkomen vrij te informeren en te onderzoeken,
en tot zijn of haar eigen waardeoordeel te komen. Er bestaat een algemene
neiging om antwoorden buiten onszelf te zoeken; we vergeten dat geen
enkel stelsel van filosofische waarheden of van religieuze begrippen
– de theosofie inbegrepen – is bedoeld om specifieke voorschriften
te verschaffen voor elk mentaal, psychisch of ander symptoom, maar om
ons weer bewust te maken van de algemene ethische en morele idealen
waarop het heelal en elk deel van dat heelal is gebouwd.
Ik vind het veelbetekenend dat Gautama Boeddha ‘juiste inzichten’
bovenaan plaatste op de lijst van ethische voorschriften die tot zijn
Edele Achtvoudige Pad behoren. Als de broeders een juist inzicht konden
verwerven, een juist begrip, juiste opvattingen, dan zouden ze zich
na verloop van tijd juist spreken, juist handelen en alle andere vereisten
eigen maken. Dat is bij uitstek de rol van de theosofie – mannen
en vrouwen te helpen een diepere visie te verwerven, een bredere kijk
op hun dharma, hun innerlijke plicht tegenover zichzelf en
de mensheid.
Al te gemakkelijk citeren we de bijbelwoorden: ‘waar geen visie
is gaat het volk ten onder’ – waarbij we gewoonlijk de tweede
helft weglaten: ‘maar hij die de wet in acht neemt, hij is gelukkig’.
Het Hebreeuws is kernachtig, elk woord vol betekenis. Isaac Leeser’s
vertaling luidt: ‘Zonder een profetische visie wordt een volk
onhandelbaar; maar als men de wet (thora) in acht neemt, zal men gelukkig
zijn’. Vrij weergegeven: ‘Waar geen visie is (geen profetisch
inzicht) gaat de mensengemeenschap ten onder (wordt bandeloos, valt
uiteen), maar als de mens aandacht schenkt aan de thora (de geestelijke
Wet), dan is men verenigd (gelukkig, standvastig, en gaat alles
goed)’. De boodschap is duidelijk: tenzij we enig inzicht en begrip
hebben wat de zin van ons leven betreft – waarom we geboren zijn
en waarom we moeten sterven – en van de betekenis van pijn en
verdriet, dan komt een deel van ons om, kwijnt het weg door verwaarlozing,
omdat het niet gebruikt wordt; een deel van ons zondert zich af, vervreemdt
zich van de bron, of, zoals de hermetische geschriften het zeggen, we
voelen ons verloren, verward, ‘verstoken van de aanwezigheid van
de goden’.
De theosofie kan ons helpen onze karmische omstandigheden niet langer
te zien als een onrechtvaardig noodlot, maar als een gelegenheid tot
groei of tot het vrijmaken van de weg voordat we grotere verantwoordelijkheden
kunnen dragen. Is de theosofische filosofie kosmisch van omvang, des
te beter, want deze idealen en leringen werpen juist daarom licht op
menselijke problemen omdat wij de nakomelingen, de kleinschalige tegenhangers
zijn van het heelal, zodat ieder van ons in het klein alles bevat wat
onze kosmische ouder in het groot heeft. Dit alles wijst nadrukkelijk
op ons nauwe innerlijke verband met elk aspect van het leven en dat
is van groot praktisch nut in ons bestaan.
Het Parlement van Religies van 1993 heeft de moeilijke rol op zich
genomen om het zoeklicht van geestelijke visie te richten op de cruciale
problemen van deze tijd: problemen die vroegen om pijnstillers op korte
termijn, totdat oplossingen op langere termijn kunnen beginnen te werken.
Dat is in onze ingewikkelde wereld geen eenvoudige zaak; maar als ieder
mens zijn of haar eigen persoonlijke wensen opzij zou zetten, een maand
lang en dan nog een maand en nog een – te beginnen met één
dag tegelijk – en elke gram van zijn denkkracht en energie zou
geven aan het grotere goed van het geheel, ongeacht de omstandigheden,
dan zouden wijze oplossingen in zicht komen.
Een eerste stap in deze richting zou zijn om nooit, met ook maar één
enkele gedachte, woord of daad, een hindernis te plaatsen op het pad
van een ander. Dit lijkt misschien een negatieve hulp – maar serieus
toegepast zou het een werkzame kracht ten goede kunnen worden, een dynamische
uiting van de Gulden Regel die elke traditie ons in een of andere vorm
voorschrijft. Wij wijzen dergelijke individuele geestelijke maatregelen
af als onpraktisch, niet te gebruiken in de ‘werkelijke’
wereld. Toch is het juist op deze manier dat echte vooruitgang voor
de mensheid het snelst en meest effectief zou kunnen worden geboekt.
En wat meer is, er zouden dan mensen zijn met de nodige training en
moed en wilskracht, om het ‘onmogelijke’ om te vormen tot
praktische oplossingen, die klaarstaan en bereid zijn te dienen.
We besluiten met de profetische regels van Keats, die hij in november
1818, drie jaar vóór zijn dood,3
toestuurde aan zijn vriend en kunstbroeder Benjamin Robert Haydon. Zie
eens, bij het lezen van deze regels, hoe ze voor deze tijd geschreven
hadden kunnen zijn:
Grote geesten toeven nu op aarde
. . .
En andere geesten staan daar apart
In de voorhof van de tijd die komt;
Zij geven straks de wereld een nieuw hart,
een nieuwe polsslag – hoort u niet
het gegons
Van grootse werken in een ver gebied?
Luister een moment volkeren, en wees stil!
Noten
- The Complete Poetical Works and Letters of John
Keats, Cambridge Edition, blz. 119.
- Meno, Par. 81c, blz. 360, Jowett vert.
- The Selected Letters of John Keats, geredigeerd
door en met een inleiding van Lionel Trilling, 1951, blz. 60-1.