Volgens de gangbare evolutietheorie zijn de oorsprong
en evolutie van het leven het resultaat van willekeurige fysiochemische
processen. Men zegt dat de eerste levende organismen door toeval in
de oerzeeën zijn ontstaan en zich door willekeurige genetische
mutaties geleidelijk tot een grotere complexiteit en verscheidenheid
hebben ontwikkeld, waarbij de minst aangepaste variaties door natuurlijke
selectie werden uitgewied. In hun laatste boek, Our Place in the
Cosmos: The Unfinished Revolution,1
merken de kosmologen Fred Hoyle en Chandra Wickramasinghe op:
Dit alles wordt tegenwoordig onderwezen
alsof het om bewezen, onbetwistbare feiten zou gaan, maar in werkelijkheid
is het weinig meer dan een dogma, een dogma dat een verstard element
in ons onderwijsstelsel is geworden. – blz.
2
Volgens de moderne wetenschap is de aarde ongeveer 4,6
miljard jaar oud,2 en verschenen de
eerste eencellige organismen ongeveer 3,8 miljard jaar geleden, zodra
de jeugdige aarde bewoonbaar werd. Als het leven zich door toeval zou
hebben ontwikkeld, is het moeilijk te begrijpen hoe dit zo snel heeft
kunnen plaatsvinden, gezien de verbazingwekkende complexiteit van organische
moleculen. Zo heeft bijvoorbeeld
het eiwit histon-4 in alle levensvormen
in essentie dezelfde keten van 102 aminozuren. Zou u willen proberen
deze keten op goed geluk samen te stellen uit een voorraad aminozuren
die u zelf mag kiezen – één poging voor elk atoom
in elke ster in elk melkwegstelsel dat we met de krachtigste telescoop
kunnen waarnemen – dan zou uw kans om met succes histon-4 te
vinden even groot zijn als het wedden op een paard met een kans van
5 x 10132 (dat is een 5 gevolgd
door 132 nullen) op 1, en histon-4 is nog maar één van
de zeer vele kritische eiwitten. –
Our Place in the Cosmos, blz. 29
Hoyle en Wickramasinghe denken dat het leven zich eerst
ontwikkelde in de diepten van de ruimte, en de aarde door kometen werd
bezaaid met leven. Ze leveren bewijsmateriaal dat doet vermoeden dat
kometen en interstellaire wolken niet alleen organische moleculen kunnen
bevatten, maar ook virussen en gevriesdroogde bacteriën. Bacteriën
hebben ongetwijfeld opmerkelijke eigenschappen waardoor ze in staat
zouden kunnen zijn in de ruimte te overleven en het binnendringen in
de aardse atmosfeer te doorstaan. Ze kunnen bijvoorbeeld niet alleen
tegen de laagste druk en temperatuur, maar overleven ook een druk van
wel 10 ton per vierkante centimeter en temperatuur-uitschieters tot
700°C. Ze kunnen ook intense stralingsdoses overleven. Als bacteriën
zich in een aards milieu zouden hebben ontwikkeld, is het moeilijk te
begrijpen hoe ze dergelijke eigenschappen hebben kunnen verwerven.
De meeste astronomen geloven dat het zonnestelsel is omringd
door een sfeer van ongeveer 100 miljard komeetkernen, die bekend is
als de Oort-wolk. Van tijd tot tijd drijven afzonderlijke kometen uit
deze wolk door de wisselwerking met een passerende ster of moleculaire
wolk af naar de binnenste gebieden van het zonnestelsel. Wanneer een
komeet de zon nadert beginnen haar buitenste lagen te verdampen, waarbij
ze haar biologisch materiaal loslaat waarvan iets op de oppervlakten
van de planeten, met inbegrip van de aarde, zou kunnen neerdalen en
de genetische bouwstenen verschaffen waaruit het leven zich heeft ontwikkeld.
De aarde is voortdurend omgeven door een halo van verdampt materiaal
van kortperiodieke kometen, en ongeveer 1.000 ton van dit materiaal
wordt elk jaar door de atmosfeer van de aarde opgeveegd, voldoende om
zo’n 1021 bacteriën en
1025 virussen op te leveren.
In 1976 werden door de NASA twee ruimtesondes, de Vikings
1 en 2, naar Mars gezonden met aan boord proefnemingen, ontworpen om
de bodem van Mars te onderzoeken op de aanwezigheid van micro-organismen.
Aangezien Mars voldoende atmosfeer bezit voor een zachte landing van
micro-organismen zouden, als de theorie van Hoyle en Wickramasinghe
juist is, de experimenten een positief resultaat hebben moeten opleveren.
Volgens de officiële lezing echter werden er geen tekenen van leven
aangetroffen. In werkelijkheid is dit niet waar, want hoewel
het ene experiment een negatief resultaat had, leverde het andere een
positief resultaat op. De NASA beweerde echter dat het positieve resultaat
waarschijnlijk was toe te schrijven aan de aanwezigheid van een of ander
sterk oxydatiemiddel in de Marsbodem, en verkondigde dat er geen leven
op Mars was gevonden. De ontwerpers van dit experiment, G.V. Levin en
P.A. Straat, hebben bijna 10 jaar besteed aan het zoeken naar een manier
om met niet-biologische middelen de resultaten die men op Mars had verkregen
te reproduceren, maar zonder succes. Intussen was het andere experiment
alsnog uitgevoerd op Antarctische bodem – vergelijkbaar met de
onvruchtbare bodem van Mars – en slaagde men er niet in organisch
materiaal van biologische oorsprong te bespeuren, waarvan bekend was
dat het er wel moest zijn! Dit experiment was zonder meer duizenden
malen minder gevoelig dan het experiment dat het positieve resultaat
had opgeleverd. Levin en Straat houden daarom vol dat de Viking-experimenten
wel degelijk microbieel leven op Mars hebben aangetroffen, terwijl de
NASA dat blijft ontkennen.
De aanwezigheid op Mars van micro-organismen hoeft geen
bewijs te zijn voor de juistheid van de theorieën van Hoyle en
Wickramasinghe, aangezien er andere verklaringen denkbaar zijn. Een
onderzoek dat meer uitsluitsel zal geven heeft in de eerste jaren van
de volgende eeuw plaats, wanneer het ruimtevaartuig ROSETTA een ontmoeting
met een komeet zal hebben en daar een sonde zal uitzetten om monsters
van zijn oppervlakte te nemen. De opvattingen van de beide onderzoekers
hebben tot dusver weinig weerklank bij andere wetenschappers gevonden.
Theorieën over de oorsprong van het leven gaan er
doorgaans als vanzelfsprekend vanuit dat er zoiets als dode materie
bestaat. Vanuit een materialistisch gezichtspunt bestaan levende organismen
uit een of meer cellen, maar hoewel men cellen als levend beschouwt,
gelooft men dat de atomen waaruit die cellen zijn samengesteld levenloos
zijn, en beziet men leven als niet meer dan een bijprodukt van ingewikkelde
fysiochemische processen. Als een van de essentiële kenmerken van
leven wordt soms voortplanting genoemd, en toch kunnen virussen –
die als levend worden beschouwd – zich niet zelf voortplanten,
maar dit alleen via een gastheercel doen. Men zegt dat andere eigenschappen
van leven complexiteit, metabolisme en de wisselwerking met de omgeving
zijn. Maar is er iets in de natuur dat deze eigenschappen niet bezit?
Zelfs ‘fundamentele’ subatomaire deeltjes bijvoorbeeld schijnen
verre van eenvoudige, structuurloze punten te zijn, zoals de meeste
natuurkundigen geloven, en kunnen op hun gebied precies even complex
als een planeet of een zon zijn, maar hun complexiteit wordt misschien
niet zichtbaar doordat ze zo minuscuul zijn en hun leven, vergeleken
met het onze, zo fantastisch snel gaat.
De theosofie verwerpt de idee van een scherpe scheidslijn
tussen levende en niet-levende systemen. H.P. Blavatsky schrijft:
het occultisme aanvaardt niets anorganisch
in de Kosmos. De door de wetenschap gebruikte uitdrukking ‘anorganische
stof’ betekent eenvoudig dat het latente leven dat sluimert
in de moleculen van de zogenaamde ‘inerte stof’ onkenbaar
is. ALLES IS LEVEN, en elk atoom, zelfs van
mineraalstof, is een LEVEN, hoewel dit boven
ons bevattingsvermogen ligt en voor ons niet waarneembaar is, . .
. – GL 1:276
Vanuit één gezichtspunt
is het kenmerkende onderscheid tussen het zogenoemde organische en
anorganische de functie van voeding, maar hoe kunnen dan, als er geen
voeding is, de lichamen die anorganisch worden genoemd, verandering
ondergaan? Zelfs kristallen ondergaan een proces van aanzetting, dat
voor hen de functie van voeding vervult. In werkelijkheid is alles
wat verandert organisch, zo leert de Occulte filosofie ons; het heeft
het levensbeginsel in zich en bezit de volledige ontwikkelingsmogelijkheid
van de hogere levens. – Collected Writings
10:383
Leven en bewustzijn zijn universeel: alles leeft en is
bewust, hoewel er grote verschillen bestaan in de graad van gemanifesteerd
leven en bewustzijn. Fysieke stof is een gekristalliseerde, sluimerende
vorm van leven-bewustzijn. Complexere fysieke vormen scheppen
geen leven, maar maken het mogelijk dat een grotere innerlijke vitaliteit
zich uitdrukt door middel van de fysieke vorm. Als ‘anorganische’
stof een ingeboren neiging schijnt te bezitten om zich tot ‘organische’
vormen te organiseren, komt dit door een creatieve impuls die zijn oorsprong
in innerlijke werelden heeft en van binnen naar buiten werkt.
Blavatsky verwierp daarom het denkbeeld dat de eerste levenskiemen naar
de aarde kwamen via een meteoor, een theorie die in haar tijd naar voren
werd gebracht door de wetenschappers Helmholtz en Sir W. Thomson (GL
2:176, 817, 830). Dit sluit evenwel de mogelijkheid niet uit dat het
materiaal dat door de aarde op haar reis door de ruimte wordt opgeveegd
een belangrijke rol in de fysieke evolutie zou kunnen spelen.
Het proces van verouderen leidt uiteindelijk tot de dood,
maar er is geen bekend fysiek mechanisme dat dit proces stuurt. Theosofisch
gezien functioneert een fysiek organisme als één geheel
zolang het wordt bezield en bijeengehouden door innerlijke energievelden
of zielen, die uit fijnere, niet-fysieke graden van geest-substantie
zijn samengesteld. Een organisme wordt geboren met een bepaalde voorraad
levensenergie en nadat deze energie is verbruikt, trekt de innerlijke
entiteit zich terug voor een periode van rust en sterft het fysieke
lichaam. Eenmaal bevrijd van de beperking die zij door deze coördinerende
kracht ondervinden, worden de individuele moleculen actiever of van
meer leven vervuld en gaan hun eigen weg, waardoor het lichaam uiteenvalt.
Wat de evolutie van levende organismen betreft, zijn de
fossiele gegevens in tegenspraak met het darwinistisch geloof in een
zich vertakkende evolutionaire boom, waarbij alle schepselen via kleine
stapjes afstammen van een primitieve gemeenschappelijke voorouder. De
levensboom wordt in verschillende niveaus verdeeld, te beginnen met
de rijken (de omvangrijkste groep), gevolgd door de fylen (stammen),
klassen, orden, families, geslachten en tenslotte soorten (de twijgen
aan de levensboom). Maar het is alleen op de laagste niveaus –
geslachten en soorten – dat men noemenswaardig fossiel bewijsmateriaal
van tussenvormen heeft gevonden, en zelfs hier geeft het patroon van
verbindingen lang niet zo’n geleidelijk beeld te zien als volgens
de darwinistische theorie zou moeten. De ontwikkeling van het huidige
eentenige paard uit een paard ter grootte van een hond, met vier tenen
aan de voor- en drie aan de achtervoeten, is een van de meest volledige
fossiele ketens die is ontdekt, maar het enige wat hieruit blijkt is
dat een wezen van een bepaalde soort zich kan ontwikkelen tot een iets
ander wezen van dezelfde soort. Hoewel paarden en beren tot verschillende
orden van zoogdieren behoren en men veronderstelt dat ze van een gemeenschappelijke
voorouder afstammen, is er geen enkel fossiel bewijs van voorouders
die deels beer deels paard waren. Dit is slechts één van
de talloze ‘missing links’ [ontbrekende schakels] en het
stereotype excuus dat deze ontbreken door de onvolledigheid van de fossiele
gegevens, wordt met de dag minder geloofwaardig.
Hoyle en Wickramasinghe betogen dat soorten alleen op
eigen kracht zich slechts binnen zeer nauwe grenzen kunnen aanpassen,
en dat voor het ontstaan van ingrijpender verschillen, die zich over
orden en klassen uitstrekken, een plotselinge invoer van nieuwe genetische
informatie van buitenaf nodig is. Naar hun mening wordt in deze invoer
voorzien door virussen van kometen die, behalve dat ze ziekten veroorzaken,
ook nu en dan aan een organisme nuttige nieuwe genen kunnen toevoegen
of sluimerende genen plotseling kunnen activeren. Maar is de willekeurige
injectie van genen van buiten de aarde een betere verklaring voor het
ontstaan van de ongelooflijke schoonheid, vindingrijkheid en verscheidenheid
van de huidige levensvormen dan de langzame accumulatie van willekeurige
genetische mutaties?
Volgens de theosofie is de stuwende kracht achter de evolutie
niet zozeer de instroming van organische stof vanuit de ruimte buiten
ons als wel de werking van niet-fysieke invloeden die werkzaam zijn
vanuit de innerlijke gebieden: de evolutie wordt geleid door
geestelijke, intelligente en half-intelligente krachten, die werkzaam
zijn vanuit gebieden boven het fysieke. Een toenemend aantal biologen
erkent dat, wil men de doelgerichtheid van de evolutie kunnen verklaren,
het noodzakelijk is een beroep te doen op een organiserend beginsel
of vermogen. Weinigen zijn echter bereid even ver te gaan als de negentiende
eeuwse naturalist A.R. Wallace, die meehielp de theorie van de natuurlijke
selectie te ontwikkelen, maar van Darwin verschilde doordat hij geloofde
dat menselijke wezens niet zouden hebben kunnen evolueren zonder de
leiding van hogere intelligenties.
Verre van te worden gekenmerkt door een langzame en gestage
vooruitgang, is de evolutie op aarde onderbroken geweest door het massaal
uitsterven van soorten en het plotseling verschijnen van nieuwe. Uit
de fossiele ‘kaart’ blijkt dat de eerste meercellige organismen
(of metazoa) volgens de conventionele datering omstreeks 600 miljoen
jaar geleden verschenen, maar het zijn er betrekkelijk weinig vergeleken
met de ongelooflijke plotselinge snelle verspreiding van dergelijke
organismen aan het begin van het Cambrium, 530 miljoen jaar geleden.
Sinds de ‘Cambrium-explosie’ is er in de dierenwereld geen
enkele nieuwe anatomische grondstructuur (of fyle) verschenen; in feite
is het aantal van ongeveer 49 afgenomen tot 28, en is er een algemene
tendens naar het toenemen van het aantal soorten, gebaseerd op een steeds
kleiner aantal fysieke grondstructuren. Er zijn nu bijvoorbeeld ongeveer
een miljoen soorten insekten, maar slechts drie grondvormen van geleedpotigen,
vergeleken met de meer dan twintig in het Midden-Cambrium. De oorzaak
van de Cambrium-explosie is niet op bevredigende wijze verklaard. Volgens
Hoyle en Wickramasinghe is die het gevolg van het feit dat de aarde
werd gebombardeerd door een zwerm kometen of brokstukken daarvan, die
niet alleen bacteriën en virussen maar ook de bevroren eieren van
metazoïsche wezens bevatten, die zich op grote kometen in enorme
waterachtige meren zouden hebben kunnen ontwikkelen.
De theosofie werpt een ander licht op dit onderwerp. Zij
zegt dat de bol waarop we leven de meest stoffelijke is van twaalf bollen,
die samen de aardse planeetketen vormen; de andere bollen bevinden zich
op meer etherische en geestelijke gebieden en zijn daarom voor ons niet
waarneembaar. De verschillende levensgolven of natuurrijken –
van de elementale tot de menselijke en geestelijke – vormen de
bollen van een planeetketen, en op elk hiervan belichamen de monaden
of bewustzijnscentra, die de levensgolven samenstellen, zich in geschikte
vormen en gaan door verschillende stadia van evolutionaire ontwikkeling.
Op elk van de bollen overheerst altijd één rijk, en de
meerderheid van de monaden daarvan belichamen zich op die bol. Elk natuurrijk
verblijft miljoenen jaren op een bol, en gaat tijdens elke belichaming
van een planeetketen zevenmaal door de hele reeks elkaar opvolgende
bollen heen. Wanneer een levensgolf een bol verlaat, laat ze haar verst
gevorderde vertegenwoordigers achter (waarnaar vaak wordt verwezen met
het Sanskriet woord sishta’s, dat ‘overgeblevenen’
betekent). Wanneer ze in de volgende ronde naar die bol terugkeert,
brengen de monaden deze etherische levenszaden of astrale worteltypen
weer tot ontwaken, en beginnen die te verstoffelijken en te differentiëren
in een verscheidenheid van stammen die eigen zijn aan de evolutie van
dat rijk.
De huidige of vierde ronde op aarde begon met de Laurentische
periode (die aan het Cambrium voorafging) ongeveer 640 miljoen (volgens
de theosofie 320 miljoen, GL 2:807-8, 813n) jaar geleden. De
verschijning 600 miljoen jaar geleden van metazoa en hun plotselinge
snelle verspreiding 530 miljoen jaar geleden, vloeide voort uit het
weer doen ontwaken van de astrale worteltypen door de monaden die van
de voorgaande bol op de onze arriveerden – hoewel hun aantal aanvankelijk
betrekkelijk gering was, nam dit snel toe naarmate de tijd voortschreed.
Vanaf het begin van de vierde ronde tot halverwege de planetaire levenscyclus,
zo’n 4,5 miljoen jaar geleden, was de evolutionaire tendens neerwaarts
in de stof gericht, wat een overvloed van nieuwe soorten tot gevolg
had die de grondpatronen tot ontwikkeling brachten die aan het begin
van de ronde in een verscheidenheid van gespecialiseerde vormen waren
geactiveerd. Het midden van de cyclus markeerde echter het begin van
de opgaande boog naar de geest, en voortaan zullen steeds meer dierlijke
monaden in nirvanische rust overgaan, daar ze niet in staat zijn in
voldoende mate langs psychologische en geestelijke lijnen te evolueren.
Het doel van de evolutie is de latente gaven en vermogens,
het sluimerend goddelijk potentieel dat in elke monade ligt besloten,
te ontplooien door steeds geschiktere voertuigen voor zelfexpressie
te vormen. Veranderingen binnen een soort vinden plaats als reactie
op zowel inwendige als omgevings-prikkels, en worden op het astrale
gebied opgebouwd tot ze zich als een plotselinge ‘mutatie’
op het fysieke gebied manifesteren. Wanneer voor de ontwikkeling van
een monade een nieuw type fysiek voertuig is vereist, wordt in een geschikt
prototype voorzien door de patronen uit voorafgaande evolutiecyclussen,
die liggen opgeslagen in het geheugenveld of astrale licht van de aarde
(wat Rupert Sheldrake het morfische veld van Gaia noemt). Als aan de
andere kant een bepaalde dieren- of plantensoort niet langer nodig is
als voertuig voor evolutionaire ervaring, belichamen de monaden zich
daar niet meer in, en verdwijnt ze tenslotte en sterft uit. Dit proces
kan versneld worden door veranderingen in de omgeving veroorzaakt door
natuurrampen als aardbevingen, vulkaan-uitbarstingen en inslagen van
kometen en asteroïden.
Het meest dramatische voorbeeld van het uitsterven van
soorten vond zo’n 245 miljoen (volgens de theosofie 46 miljoen)
jaar geleden plaats aan het einde van het Perm, toen 96 procent van
de zeediersoorten verdwenen. Een ander voorbeeld van het massaal uitsterven
van soorten vond plaats aan het einde van het Krijt, ongeveer 65 miljoen
(volgens de theosofie 9 miljoen ) jaar geleden; de helft van alle diersoorten
en alle dieren die meer dan circa 25 kilo wogen, waaronder de dinosaurussen,
verdwenen. De wetenschappelijke verklaring die het meeste wordt aangehangen
luidt dat de aarde door een asteroïde of komeet werd getroffen,
die een enorme stofwolk deed ontstaan die het zonlicht tegenhield en
tot ineenstorting van de voedselketen leidde. Maar de uitstervingen
begonnen lang vóór de veronderstelde inslag en sommige
soorten dinosaurussen overleefden een periode van wel een miljoen jaar
daarna. Een andere theorie brengt dit uitsterven in verband met de daling
van de hoeveelheid zuurstof in de atmosfeer aan het eind van het Krijt,
mogelijk als gevolg van vulkanische activiteit. Hoyle en Wickramasinghe
geloven dat er sprake was van een infectie met dodelijke virussen, aangezien
het uitsterven niet beperkt bleef tot grote dieren maar zich tot aan
de micro-organismen uitstrekte, en zich in alle natuurlijke woongebieden,
inclusief de zeebodem, voordeed. Wat de oorzaak of oorzaken hiervan
ook geweest moge zijn, dit uitsterven werd gevolgd door een plotselinge
snelle verspreiding en het gaan overheersen van de zoogdieren.
Hoyle en Wickramasinghe zeggen dat hun boek bedoeld is
als ‘toegang tot een ander landschap, waarvan de volgende generatie
of generaties het voorrecht zullen hebben het te verkennen’ (blz.
181). Maar hoewel ze het orthodoxe wetenschappelijke denken op vele
punten uitdagen en belangwekkende wegen naar verder onderzoek openen,
werken ze nog steeds binnen een materialistisch kader (hoewel Hoyle
in eerdere boeken stelt dat er in het heelal een allesoverheersende
intelligentie aan het werk is3). Interessant
is dat ze ook zeggen dat aangezien het boeddhisme leven en bewustzijn
als kosmische verschijnselen ziet, onontwarbaar met het heelal als geheel
verbonden, de oude boeddhistische tradities een passend kader bieden
om de wetenschap van haar resterende middeleeuwse ketens te bevrijden.
De Boeddha verliet dit leven met de volgende boodschap die, zeggen ze,
een uitstekende raad is voor toekomstige jonge wetenschappers en –
zou men eraan kunnen toevoegen – voor alle mensen:
Wees als lampen voor uzelf. Houd u vast
aan de lamp van de Waarheid. Neem uw toevlucht alleen tot de Waarheid.
Zie niet uit naar een toevlucht bij iemand anders dan uzelf. . . .
En zij die nu in mijn tijd of daarna aldus leven, zullen grootheid
bereiken indien zij verlangend zijn naar kennis.
– Mahaparinibbana Sutta, 2.33,
35
Noten
- J.M. Dent, Londen, 1993.
- De theosofie stelt de leeftijd van de huidige belichaming
van de aarde op dichter bij de 2 miljard jaar (De Geheime Leer
2:73). De door de wetenschap gebruikte radiometrische dateringsmethoden
gaan er vanuit dat radioactiviteit begon zodra de aarde vorm kreeg
en dat het tempo van radioactief verval altijd constant is geweest.
Theosofisch gezien is radioactiviteit een teken van het etherischer
worden van de materie en begon het op grote schaal pas ongeveer 4
1/2 miljoen jaar geleden, halverwege de levenscyclus van de aarde,
en dit proces zal met het verstrijken van de tijd steeds sneller gaan
(zie G. de Purucker, Studies in Occult Philosophy, blz. 20-1,
638-40; GL 1:481n, 2:164n). Daarvoor was de algemene tendens
verdichting van de materie – het tegenovergestelde van radioactiviteit.
- Zie The Intelligent Universe; besproken in
Sunrise, september/oktober 1987, blz. 141-50.