Ik en gij, atoom en zon, zijn één
Grace F. Knoche

 

De waarheid van het éénzijn die door de filosoof, dichter, mysticus en kunstenaar wordt ervaren, werd in de Oudheid door alle volken aangenomen; in onze tijd wordt ze erkend door een voorhoede van wetenschappers en door intuïtieve mensen onder het grote publiek die op zoek zijn naar het verband tussen het menselijk en het kosmisch handelen. Zolang de kringloop van geboorte en dood de families van de natuur instandhoudt, zet het leven zich voort, een eindeloze uitstroming van monadische deeltjes, godsvonken, levensatomen, elk gericht op het volbrengen van zijn evolutionaire bestemming.

En hoe staat het met onszelf – deels atomisch, deels menselijk, deels kosmisch? In onze diepste kern zijn we goden, met een kosmische visie en dimensie en met de melkweg als ons terrein van handelen. Ons gewone zelf van alledag is menselijk en bevindt zich in een tweevoudig strijdperk van keuzen, want onze ziel en ons denken kunnen heelallen omvatten en hemelse harmonieën horen, maar kunnen ook sluw en wreed zijn, dierlijker dan de dieren. En tenslotte zijn we atomisch – ons lichaam, tempel van de ziel, werktuig ten goede of ten kwade van onze gedachten, begeerten en wil. Onze eeuwenlange geschiedenis van keuzen heeft onvermijdelijk een indruk van gemengde aard achtergelaten op ons individuele karakter en daarom op de ziel van de mensheid.

Voor ieder gif bestaat een tegengif; maar we horen en zien zoveel over de schaduwkant van het gedrag van de mensen dat we geneigd zijn het vertrouwen, dat er ook een lichte kant is, te verliezen: de niet-bezongen daden van onzelfzuchtigheid en barmhartigheid van hen die werken in de plaats waar ze wonen en daar waar in de wereld problemen zijn. Hun volhardende energie is zichtbaar in subtiele veranderingen binnen het zakenleven, het werk in opvanghuizen, vernieuwingsgezinde scholen, zelfs in regeringskringen, ondanks de onverkwikkelijke gebeurtenissen die volop in het nieuws komen. Deze gedachten kwamen scherp onder de aandacht bij het lezen van de toespraak van Václav Havel, president van de Tsjechische Republiek, die hij hield toen hij op 4 juli 1994 de Liberty Medal in Amerika in ontvangst nam. We nemen die toespraak in haar geheel op (blz. 37); ze onthult bij zorgvuldige lezing het ene juweeltje na het andere voor wat betreft een gezonde kijk op de tweestrijd in de mens: ons opgaan in uiterlijkheden, wat zich in de toestand van onze wereld weerspiegelt, een diepe religiositeit en, niet in de laatste plaats, het heldere besef dat

we allerminst een louter toevallige afwijking zijn, een microscopische gril van een nietig stofje dat ergens in de eindeloze diepten van het universum rondtolt. Integendeel, we zijn op mysterieuze wijze verbonden met het hele universum, we zijn erin weerspiegeld, precies zoals de hele evolutie van het universum in ons is weerspiegeld.

Als het mogelijk was, zonder in zijn plicht jegens zijn land tekort te schieten, zou de auteur/toneelschrijver Havel, net als Marcus Aurelius, graag weer een gewoon burger zijn, vrij om ‘de waarheid te schrijven, zoals het een schrijver betaamt.’ Dat heeft hij sinds zijn jeugd onverschrokken gedaan, vaak met groot gevaar. Tenslotte bracht het hem verscheidene jaren in de gevangenis – schrijven werd hem volledig verboden, behalve één brief per week aan zijn vrouw. De pen kan wel aan banden worden gelegd, de stem tot zwijgen gebracht, maar de gedachten en ingevingen die we wensen te koesteren, kunnen niet worden uitgebannen. In de stilte van de nacht kan men ongestoord nadenken en misschien een kort moment van heldere visie ervaren dat de loop van een leven of een volk kan beïnvloeden; of ‘tijdens het werk ’s middags een ogenblik van het hoogste geluk, van oneindige vreugde’ beleven, ... ‘een moment van ultiem zelfbewustzijn, een uiterst verheffende toestand van de ziel, een totaal en volkomen harmonisch samensmelten van het bestaan met haar en de hele wereld.’1

Havels periode in de gevangenis was beslist geen verspilde tijd. Men voelt dat de toespraak in Philadelphia de neerslag vormt van zijn overpeinzingen in de cel over de paradox van de mens: diens opgaan in wereldse zaken, maar ondanks dat een onafgebroken streven naar vereenzelviging met ‘het wonder van het Zijn, het wonder van het heelal, . . . het wonder van ons eigen bestaan.’

Havel doet voorts de boeiende uitspraak dat de wetenschap, door ‘ideeën voort te brengen die haar in zekere zin in staat stellen boven haar eigen beperkingen uit te stijgen’, misschien wel ‘inspireert tot vernieuwing van [onze] verloren gegane integriteit . . .’ De nieuwe fysica heeft inderdaad meer dan voldoende ruimte om de filosofie van de onderlinge verbondenheid van ieder deeltje van de kosmos met elk ander en met het geheel in zich op te nemen. Fritjof Capra, David Bohm, Gary Zukav, Arthur Zajonc en een exclusief maar groeiend aantal anderen wijzen op het verband tussen de quantumtheorie en de mystieke ervaring van vereniging met het Ene – met God, het Onuitsprekelijke, het Onverwoordbare, het Naamloze – ieder brengt zijn visie over in een persoonlijke beeldspraak, want

de filosofische implicatie van de quantummechanica [is] dat alle dingen in ons universum (onszelf daarbij inbegrepen) die onafhankelijk van elkaar lijken te bestaan, eigenlijk onderdelen zijn van een allesomvattend organisch patroon en dat geen enkel onderdeel van dat patroon er ooit los van staat, noch van de andere onderdelen.2

Het onderwerp van onze onderlinge verbondenheid met de hele natuur op alle gebieden (van het goddelijke tot het fysieke) is vertrouwd voor de lezers van Sunrise, maar de omlijsting die Havel aan deze nieuwe/oude waarheid geeft, schenkt nieuw inzicht in de relatie van de mens met zichzelf en met zijn medemensen en, wat heel erg belangrijk is, met de plaats van het Goddelijke in de universele orde.3

Onze bestemming is inderdaad verstrengeld met die van zon, maan en sterren – als dat niet zo was, dan zou ons heelal en zijn rijkdom aan levende wezens een bespotting zijn. De tijd dat we geen rekening hielden met de uitwerking van onze gedachten en emoties op onze eigen toekomst, op het lot van onze planeet, het zonnestelsel en verder, is voor ons allang voorbij.

De laatste decennia voltrekt zich een krachtige accentverschuiving, die een geweldige mogelijkheid ten goede biedt als we individueel en collectief doordrongen raken van onze verantwoordelijkheid om bewust in het creatieve in plaats van het destructieve deel van ons wezen te leven. Om echter doeltreffend op een of ander terrein van dienstverlening te werken, is het nodig dat we geloven in ons doel; ook moeten we geloven in onze kracht, in onze hogere mogelijkheden, en dat we de wil hebben de koninklijke weg te gaan, de weg van volkomen trouw aan onszelf. Dit betekent trouw aan onze eigen waarheid, de waarheid die we wezenlijk zijn. Als wij mensen volledig vertrouwen zouden kunnen hebben in dit wonderbaarlijke feit, zouden we ons niet langer ontdaan voelen, vervreemd van de stralende aanwezigheid van onze goddelijke essentie.

Inderdaad, ik en gij, atoom en zon, zijn één.

 

Noten

  1. Letters to Olga: juni 1979 – september 1982, een uit het Tsjechisch (in het Engels) vertaalde selectie, met een Inleiding, door Paul Wilson, 1988, Brief 91, blz. 221.
  2. Gary Zukav, De dansende Woe Li meesters: Een overzicht van de nieuwe fysica, blz. 83.
  3. Zie ook Sunrise, nov./dec. 1987, blz. 216-9: ‘De mysterieuze drijfveer’ uit Havels toespraak bij het in ontvangst nemen van de Erasmusprijs op 13 november 1986 in Rotterdam; en sept./okt. 1992, blz. 188-190: ‘Zomerse Overpeinzingen’, gedachten die bij hem opkwamen na zijn ambtsaanvaarding in 1989.
 
Andere artikelen over broederschap
 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/april 1995

© 1995 Theosophical University Press Agency