Gedachten over de zon
Sarah Belle Dougherty

 

     Alles in de universele natuur herhaalt zich in structuur en werking. Het kleine weerspiegelt het grote, en het grote reproduceert zich in het kleine, want beide zijn in feite één.      — G. de Purucker, De Vier Heilige Jaargetijden, blz. 17


Vanuit ons standpunt gezien bevindt de mensheid zich halverwege tussen enerzijds de meest uitgestrekte kosmische structuur die we ons kunnen voorstellen, en anderzijds de kleinste deeltjes die zich verliezen in homogeniteit. Die middenpositie is normaal voor elk zelfbewust wezen dat zijn plaats in de omringende natuur analyseert, terwijl hij noodzakelijkerwijs is opgesloten in het centrum van een cirkel die wordt begrensd door de onvolkomenheden van zijn waarnemingen en bewustzijn. Tegelijkertijd kunnen we de betrekkelijkheid van tijd en ruimte erkennen en de mogelijkheid van het bewustzijn om uit te stijgen boven de beperkingen van onze zintuigen en het gewone bewustzijn.
     Analogie wordt reeds lang als een belangrijke sleutel beschouwd. Tussen de verschillende delen van het heelal bestaan overeenkomsten omdat alles in oorsprong één is en voortkomt uit de identieke onkenbare supergoddelijke bron die aan alle verschijnselen ten grondslag ligt. Innerlijk kunnen we onze oorsprong vinden in die bron, en opstijgen naar steeds universelere en uitgebreidere onbeschrijflijke sferen van ons zijn; of, als we naar buiten kijken, kunnen we via een oplopende schaal naar onze bron opklimmen langs eindeloze reeksen entiteiten die we helpen vormen en waarbij het kleinere consequent het grotere weerspiegelt.
     De overeenkomsten tussen de verschillende niveaus van het bestaan laten de eenheid zien die ten grondslag ligt aan zowel de diversiteit als de zich herhalende structuren van de natuur. Een veel gebruikte analogie stelt het atoom voor als een zonnestelsel in het klein en zijn elektronen als planeetjes die een baan beschrijven rond een protonische zon. Maar we kunnen evengoed het zonnestelsel beschouwen als een kosmisch atoom. Vanuit dit perspectief zijn de planeten enerzijds de stoffelijke bollen die we ons gewoonlijk voorstellen, en anderzijds kunnen ze vanuit een megagalactisch perspectief worden voorgesteld als transversale golven rond een centrale zon, zoals elektronen vanuit onze ververwijderde waarnemingsplaats als golven of ‘energievlekken’ verschijnen en zo de kosmische partikel/golfdualiteit aan ons voorleggen.
     En hoe staat het met de mensen als bewoners van zo’n planetair elektron? G. De Purucker zegt:

     We bevinden ons op zo’n kosmisch elektron, . . . Een enorme kosmische entiteit van supergalactische grootte kan, aan ons denkende, zich afvragen: ‘Kunnen zulke oneindig kleine wezens gedachten hebben zoals ik? Is hun bewustzijn vrij zoals het mijne? Kan het reiken tot in de peilloos diepe schoot van de dingen?’ Mijn antwoord is natuurlijk ja, omdat bewustzijn het hart van de dingen is, de essentie van de dingen; wanneer men zich verbindt met zuiver, puur bewustzijn, dan betreedt men het hart van het heelal, het hart dat niet op een bepaalde plaats is omdat het overal is; . . .       — Studies in Occult Philosophy, blz. 526

     De Purucker schrijft ook over het grenzeloze karakter van bewustzijn, zelfs bij wezens die een elektron hun thuis noemen. Hij zegt: ‘Het is heel goed mogelijk dat een elektron van een bepaalde soort een verder ontwikkeld bewustzijn bezit, individueel gesproken, dan dat wat in onze melkweg werkzaam is. . . . Zelfs op bepaalde elektronen die onze fysieke stof vormen, bevinden zich inderdaad entiteiten die even bewust zijn als wij, die goddelijke gedachten hebben en evenals wij mensen nadenken over het heelal’ (idem, blz. 525-6). Wat een geweldig panorama opent dit vóór ons!
     Door de analogie wat te wijzigen, kunnen we het zonnestelsel vergelijken met een cel, waarbij de zon te vergelijken is met de kern daarvan. Die analogie legt de nadruk erop dat het zonnestelsel een op zichzelf staand levend organisme is, eerder substantieel dan ‘grotendeels leeg’. Ongetwijfeld is de ruimte binnen het zonnestelsel vol met verschillende soorten materie en energie — plasma dat wordt voortgeblazen door de zonnewind, elektromagnetische velden en andere zonne-, planetaire- en kosmische straling. Deze sferische entiteit heeft ook een grens in de Oort-wolk met haar vele kometen in hun baan. Als we op kosmische schaal de onbeduidende duur van een mensenleven in aanmerking nemen en de moeilijkheid om correcte rechtstreekse waarnemingen te verkrijgen, is het moeilijk hypothesen te rechtvaardigen, vooral zulke willekeurige als de veronderstelling dat kosmische lichamen levenloos zijn en geen bewustzijn hebben. Wetenschappers hebben echter het zonnestelsel benaderd als een mechanisme en het uitsluitend verklaard vanuit een stoffelijk gezichtspunt.
     Dat zulke vooronderstellingen niet te rechtvaardigen zijn, wordt bevestigd door nieuwe ontdekkingen over het leven van cellen. Cellen zijn verre van eenvoudige organismen volgens publicaties van microbiologen als Lewis Thomas. Recente studies van levende bioweefsels — alomtegenwoordige kolonies, samengesteld uit een verscheidenheid van eencellige organismen — hebben aangetoond dat wanneer eencellige organismen zich samenvoegen tot een veelsoortige kolonie, zij zich specialiseren om iets tot stand te brengen dat wetenschappers vergelijken met een stad op grond van hun ingewikkeldheid en doelgerichte functiespecialisatie. Cellen veranderen onder die omstandigheden zelfs hun genetische structuur. Wetenschappers hadden aangenomen dat het celgedrag en de genetische structuur onder alle omstandigheden dezelfde zouden blijven, maar die kenmerken zijn niet aanwezig in monoculturen of bij afzonderlijke individuen. Als zelfs zulke ‘eenvoudige’ levende wezens blijk geven van zo’n complexiteit, hoeveel temeer zal dat dan het geval zijn met de kosmische wezens die we zo onvolkomen waarnemen?
     Indien we het zonnestelsel als een wezen zien, is de zon de kern ervan, het regulerende centrum van het leven. De zon wordt wel vergeleken met een hart dat levenskracht pompt door zijn stelsel zoals

het bloed in het menselijk lichaam circuleert; de zon trekt zich iedere keer even ritmisch samen als het menselijke hart. Maar in plaats van de omloop in een paar seconden te volbrengen, heeft het zonnebloed daarvoor tien zonnejaren nodig en een heel jaar om door zijn boezems en kamers te stromen, voordat het door de longen spoelt en dan doorgaat naar de grote aderen en slagaderen van het stelsel.
               – H. P. Blavatsky, De Geheime Leer 1:597

     Dit proces is de oorzaak van de zonnevlekkencyclus, die in lengte en intensiteit kan variëren en van invloed is op de aarde en haar bewoners.1 Blavatsky bouwt voort op deze analogie en citeert een oud commentaar dat zegt: ‘De zon is het hart van de zonnewereld (het zonnestelsel) en zijn brein is verborgen achter de (zichtbare) zon. Vandaar worden gewaarwordingen uitgezonden naar ieder zenuwcentrum van het grote lichaam, en de golven van de levensessentie vloeien in iedere slagader en ader . . . . De planeten vormen zijn ledematen en geven zijn ritme aan . . .’ (GL 1:596)
     Ze zegt verder dat het zonnestelsel ‘ademt, evenals de mens en ieder levend wezen, iedere plant en zelfs de mineralen op aarde doen, en zoals onze aardbol zelf iedere vierentwintig uur ademt.’ (GL 1:597). Deze uitspraken zijn niet slechts dichterlijke beeldspraak, maar verwijzen naar de innerlijke processen van kosmische wezens, belichaamde goden zoals wij en alle bewoners van de aarde dat zijn.
     Ieder wezen is multidimensionaal, heeft zijn oorsprong in supergoddelijke sferen en brengt zichzelf tot uitdrukking door geestelijke, mentale, psychische, astrale en fysieke activiteiten. De zichtbare planeten zijn de lichamen van levende wezens, de zetels van verschillende afzonderlijke karakteristieke zonne-energieën:

in het stoffelijk lichaam van de mens, en dat geldt in gelijke mate voor de monaden van zijn hele constitutie, heeft elk van de organen een taak te vervullen. Zoals er in ons lichaam een voortdurende circulatie plaatsvindt van de levensessentie, belichaamd in het bloed en de zenuwfluïden, zo is er ook in ons zonnestelsel een onophoudelijke en zeer krachtige uitwisseling van levensessenties, waarbij elke planeet een bijdrage levert aan elke andere planeet en aan de zon, . . .      — G. de Purucker, Bron van het Occultisme, blz. 171

     Die brandpunten van kosmische krachten bestaan op ieder gebied waarop een bepaald wezen werkzaam is. De aarde heeft zelf organen, brandpunten van de zonnekrachten die ze ontvangt via de leden van haar zonnefamilie, en de mensheid vormt een van de organen van de aarde.
     We weten dat ons bloed wordt gevormd door allerlei heel kleine levens die zich door het hele lichaam bewegen, maar wat circuleert er in het zonnestelsel? In zuiver stoffelijke zin zijn het atomaire en energetische substanties, maar op innerlijke gebieden omvat het al de talrijke soorten wezens die in het zonnestelsel bestaan, de levensrijken van de verschillende planeten. Die keren met tussenpozen naar de zon terug om te worden gezuiverd en verkwikt alvorens zich weer te belichamen op de planeet waar zij te gast zijn.

De circulaties van het heelal, voorzover het de zon betreft, zijn de wegen die de talloze scharen van monaden telkens weer volgen op weg naar hun bestemming. Deze elektromagnetische wegen brengen kosmische vitaliteit over die, evenals onze bloedstroom, ontelbare menigten van wezens met zich voeren. Alle wezens volgen die wegen, want het heelal is een levend organisme, voorzien van een netwerk van aderen en kosmische zenuwen, waarlangs alle rondtrekkende entiteiten komen en gaan.      — Id., blz. 171

     Als microkosmos van het zonnestelsel en de planeet, hebben ook wij circulaties van levens in ons wezen — levende substanties op innerlijke en uiterlijke niveaus. We zijn het thuis voor de ontelbare levens die onze verschillende lichamen opbouwen. We zien dat duidelijk bij de cellen in ons lichaam, maar gaan meestal voorbij aan de mentale ‘cellen’ die ons verstandelijke en gevoelsleven vormen — de levende gedachten en gevoelens die deel uitmaken van ons bewustzijn — laat staan onze geestelijke aspecten. Die elementale wezens circuleren door ons hele wezen, beïnvloeden ons en ze ondergaan onze invloed. Op soortgelijke manier circuleren wij regelmatig — als minuscule wezentjes die helpen de aarde en het zonnestelsel te vormen — door het zonnestelsel wanneer we niet op de aarde zijn belichaamd, al blijven we in het algemeen onbewust van dat mysterieuze deel van onze levenscyclus.
     Omdat atomen deel uitmaken van de cel, de cellen van de mens, de mensen van de planeet, de planeten van het zonnestelsel, en de zonnestelsels van de melkweg, weerspiegelt ieder de structuur van de andere en heeft deel aan de levenskracht, de substanties en het bewustzijn die hun plaats hebben in het grootste denkbare wezen, trapsgewijs doorgegeven via alle ertussenliggende hiërarchieën van levens. We spreken soms over een mens als een universum in het klein, maar beseffen toch weinig hoe waar het is dat we in potentie alles bevatten dat onze macrokosmische ouders in zich hebben. Nog minder realiseren we ons dat de zon en de planeten, en de cellen en bacteriën evengoed levende en bewuste wezens zijn als wij. Als zodanig kunnen ze alles ten goede beïnvloeden zoals ook wij dat kunnen: door onze wil te richten op die van de alomvattende goddelijke bron van het heelal.

 

Verwijzing:

  1. Zie ‘‘Verdwenen beschavingen’ van de mensheid’, door I.M. Oderberg.

 

Uit het tijdschrift Sunrise sept/okt 1997

© 1997 Theosophical University Press Agency