Gerard Croiset was een opmerkelijke Nederlandse paragnost. Hij ontwierp
een experiment, bekend als de ‘stoelproef’, waarbij hij
probeerde van tevoren de persoon te beschrijven die op een willekeurig
gekozen stoel zou gaan zitten tijdens een toekomstige openbare bijeenkomst,
zonder de aard of de plaats van die gebeurtenis te kennen. Bij één
zo’n proef zei Croiset dat de persoon die op de uitgekozen stoel
zou zitten een man zou zijn, 1,75 m lang, die zijn zwarte haar recht
naar achteren borstelde, een gouden tand in zijn onderkaak had, een
litteken op zijn grote teen, die zowel in de wetenschap als in de industrie
werkte en die een laboratoriumjas droeg waarop soms vlekken zaten van
een groenachtige chemische stof. Twee weken later vond de bijeenkomst
plaats (in Denver, Colorado) en de persoon die op de betrokken stoel
zat was een man die in elk opzicht paste bij de beschrijving van Croiset
op één na – in plaats van 1,75 m was hij 1,77 m.1
Croiset nam de stoelproef 25 jaar lang met opvallend succes. Een dergelijk
experiment roept de vraag op hoe vrij we eigenlijk zijn.
Er zijn drie hoofdstandpunten die we ten aanzien van de vrije wil kunnen
innemen: òf we hebben een volstrekt vrije wil, òf we hebben
helemaal geen vrije wil, òf we hebben een zekere mate van vrije
wil. Het idee dat we volstrekt vrij zijn is vergezocht, want er zijn
bepaalde voor de hand liggende beperkingen aan onze vrijheid: we zijn
niet vrij iets te doen waar we lichamelijk niet toe in staat zijn. We
kunnen bijvoorbeeld niet het verleden veranderen, onder water ademen,
of vliegen als een vogel. Naast deze fysieke beperkingen zijn er ook
psychologische beperkingen aan onze vrijheid: onze mentale gesteldheid
en onze talrijke gewoonten en instincten spelen een belangrijke rol
bij het bepalen van ons handelen. Sommige mensen zeggen misschien dat
al die restricties zo sterk zijn dat we er totaal geen controle over
hebben en helemaal geen vrije wil hebben. Dit extreme standpunt staat
bekend als fatalisme, voorbeschikking, of ‘sterk’ determinisme.
Volgens het fatalisme kunnen we niet iets anders kiezen dan de keuze
die we feitelijk maken; alles wat we doen is voorbestemd, en ons gevoel
vrij te zijn is een illusie. Het is niet mogelijk fatalisme te bewijzen,
maar het is ook niet mogelijk het te weerleggen, omdat een fatalist
zou zeggen dat wat we ook doen of zeggen om te proberen het fatalisme
te weerleggen, zelf door het lot is bepaald!
We kunnen onmogelijk ontkennen dat we soms onze zelfbeheersing verliezen
en voor een onweerstaanbare drang bezwijken; soms worden we door onbewuste
motieven en verlangens gedreven waarvan we zelfs niet weten dat we ze
hebben. Maar de meesten van ons hebben het gevoel dat we tenminste een
deel van de tijd zelf vrijelijk bepalen wat we doen en dat we tenminste
sommige impulsen kunnen weerstaan als we daar echt onze zinnen op zetten.
De opvatting dat ons handelen deels wordt bepaald door krachten buiten
onze macht en deels door onze eigen vrije wil noemt men soms ‘zwak’
determinisme.
Een vrije wil betekent dat ons zelfbewuste denkvermogen onze hersenen
en onze gedragingen kan beïnvloeden en beheersen. Experimenten
hebben aangetoond dat bepaalde gebieden van de hersenen worden geactiveerd
vlak voor we uit eigen wil een handeling verrichten. Maar waar komt
dat activeren vandaan? Volgens de orthodoxe wetenschappelijke theorie
over het denken zijn mentale toestanden gelijk aan hersentoestanden
– d.w.z. het denkvermogen is het brein. Dit zou betekenen dat
òf één deel van onze hersenen een ander deel activeert,
dat dan weer een ander deel activeert, enz., òf dat een bepaald
hersengebied spontaan wordt geactiveerd, zonder enige oorzaak; het is
moeilijk in te zien dat een van deze mogelijkheden een grondslag voor
een bewust zelf of vrije wil kan verschaffen.
De orthodoxe theorie over het denken heeft echter ook tegenstanders.
Een van hen is de eminente neuroloog en Nobelprijswinnaar Sir John Eccles,
die het officiële standpunt afdoet als ‘een bijgeloof dat
wordt gehuldigd door dogmatische materialisten’. Hij noemt zijn
alternatieve benadering dualistisch interactionisme: hij zegt
dat we een niet-materieel denkvermogen of zelf hebben dat inwerkt op
onze stoffelijke hersenen en onze handelingen bepaalt door geselecteerde
hersencellen te activeren.2 De bioloog
Rupert Sheldrake gaat een stap verder: hij herkent verscheidene
niet-materiële (of liever niet-fysieke) niveaus van onze
constitutie. Hij zegt dat de structuur van ons fysieke lichaam wordt
bepaald door morfogenetische velden, onze gewoonten door morfische gedragsvelden,
en onze gedachten en ideeën door mentale morfische velden; hij
oppert dat ons bewuste zelf misschien een nog hoger niveau is dat in
wisselwerking staat met de lagere velden en via deze met het stoffelijke
brein en het lichaam.3
De opvatting dat we op vele niveaus bestaande wezens zijn vinden we
terug in de mystieke en religieuze tradities van de wereld. Het christendom
bijvoorbeeld spreekt over lichaam, ziel en geest. De Vedanta van de
hindoes spreekt over vijf kosa’s of bewustzijnslagen;
en theosofie spreekt over zeven ‘beginselen’. Hoeveel niveaus
we precies willen onderscheiden is van ondergeschikt belang. Waar het
om gaat is dat we niet ons fysieke lichaam zijn; we hebben
een fysiek lichaam, dat het voertuig of instrument is door middel waarvan
ons werkelijke zelf ervaring in de stoffelijke wereld vergaart.
We hebben twee vormen van wil: een passieve of automatische wil, die
verband houdt met onze gewoonten en instincten, en een actieve of vrije
wil. De meeste lichaamsfuncties – zoals onze ademhaling, het kloppen
van het hart, de spijsvertering en groei – worden gewoonlijk onbewust
bestuurd door ons autonome zenuwstelsel, met andere woorden door onze
passieve wil. Onze passieve wil speelt ook een belangrijke rol bij het
bepalen van ons handelen, vooral wanneer we instinctmatig handelen,
zonder na te denken. Onze vrije wil daarentegen stelt ons in staat om
weloverwogen, doelgerichte handelingen te verrichten; het is een vorm
van zelfbewuste zelfbeschikking, en brengt morele verantwoordelijkheid
met zich mee.
Het is duidelijk dat onze keuzen en beslissingen sterk worden beïnvloed
door de patronen van gedachten, gevoelens en gedragingen die uit ons
verleden komen. Vanaf het ogenblik dat we worden geboren, beginnen we
bepaalde kenmerkende karaktertrekken te vertonen, die vervolgens in
de loop van ons leven worden ontwikkeld of gewijzigd wanneer we op omstandigheden
reageren en in wisselwerking staan met de mensen om ons heen –
deels passief en instinctief en deels actief en zelfbewust. Maar waar
komt ons grondkarakter vandaan? Er zijn drie denkbare antwoorden op
die vraag.
Materialisten zouden zeggen dat ons grondkarakter wordt bepaald door
de genen die we van onze ouders erven, en door de vraag welke van die
genen in ons lichaam worden geactiveerd. Vraagt men hun waarom we de
ouders hebben die we hebben en wat bepaalt welke genen actief en welke
recessief zijn, dan zouden ze kortom antwoorden: toeval. Maar
zich op toeval beroepen verklaart niets; in feite houdt het in dat er
geen verklaring is: de dingen zijn nu eenmaal zoals ze zijn. Pogingen
om de wonderen van het leven en het denken te herleiden tot willekeurige
fysisch-chemische wisselwerkingen zijn volkomen ontoereikend en onbevredigend.
Een tweede mogelijkheid is dat er een God is, een goddelijk wezen dat
een nieuwe mensenziel schept voor ieder kind dat geboren wordt. Als
God ons ons karakter geeft en de omstandigheden van onze geboorte bepaalt,
zou hij ook grote verantwoordelijkheid dragen voor alle daaropvolgende
gebeurtenissen in ons leven. Dat zou betekenen dat mensen lijden omdat
het Gods wil is dat ze moeten lijden. Een wezen dat tot zo’n wreedheid
en onrechtvaardigheid in staat is zou meer een harteloze demon dan een
‘god’ zijn. Een extreem voorbeeld van dit standpunt is te
vinden in de presbyteriaanse geloofsbelijdenis van Westminster [van
de Britse hervormde kerk] (3.6.016), die zegt: ‘Bij beschikking
van God en voor de openbaring van zijn glorie zijn sommige mensen en
engelen voorbestemd tot eeuwigdurend leven en anderen voorbeschikt tot
eeuwigdurende dood.’ Een weinig inspirerende leer!
Een derde mogelijkheid, de meest redelijke, is reïncarnatie. Volgens
deze zienswijze wordt onze ziel steeds opnieuw op aarde herboren, en
in elk leven oogsten we wat we in vorige levens hebben gezaaid, en zaaien
we wat we in toekomstige levens zullen oogsten. Er bestaat geen toeval
maar een web van oorzaak en gevolg, of karma, waarbij de gevolgen van
al onze gedachten en daden uiteindelijk op onszelf terugslaan, in dit
of in een toekomstig leven. Wanneer een ziel weer incarneert wordt ze
naar de ouders getrokken die haar een lichaam en de omgeving kunnen
bieden die het meest passen bij de neigingen die ze al bezit. In plaats
van onze karaktertrekken dus van onze ouders te erven, erven we in werkelijkheid
via onze ouders van onszelf – van ons eigen verleden.
De talloze oorzaken die we in vorige levens in gang hebben gezet, stuwen
ons onverbiddelijk naar de toekomst en beperken onze huidige vrijheid.
Dit verklaart waarom veel van wat we doen tamelijk voorspelbaar is en
waarom het soms mogelijk is flitsen van de toekomst op te vangen, zoals
bij de stoelproef. Men schat dat tussen 10 en 15% van de bevolking één
of meer paranormale ervaringen heeft gehad. Ongeveer 60% daarvan komt
voor in dromen, 30% neemt de vorm aan van een ingeving of voorgevoel
en de rest zijn hallucinaties of (spook)verschijningen. Meer dan de
helft van alle paranormale ervaringen betreft voorkennis – ze
brengen informatie over een gebeurtenis die nog niet heeft plaatsgevonden.
In één onderzoek naar ervaringen met voorkennis stelde
men vast dat er in ongeveer tweederde van de gevallen niet was geprobeerd
de gebeurtenis te voorkomen, hetzij omdat de ervaring was vergeten,
of omdat de betrokken persoon bang was belachelijk te worden gemaakt
als het voorgevoel onjuist zou blijken, of om andere reden. In 69% van
de gevallen waarin een poging werd gedaan om te vermijden wat was voorzien,
bleek het ingrijpen tenminste gedeeltelijk succes te hebben; in de andere
gevallen bleef ze zonder succes, gewoonlijk omdat de in de ervaring
overgebrachte informatie niet voldoende was om passende maatregelen
te kunnen nemen. In enkele gevallen hadden mensen die probeerden in
te grijpen het gevoel dat hun pogingen om te verhinderen dat iets zou
plaatshebben misschien in feite tot de gebeurtenis hadden bijgedragen.4
Het volgende verhaal – waarschijnlijk onwaar – wordt over
de Griekse tragedieschrijver Aeschylus verteld. Nadat hij uit zijn sterren
te weten was gekomen dat hij op een bepaald moment zou sterven door
een voorwerp dat op zijn hoofd zou vallen, vluchtte Aeschylus naar de
woestijn met de bedoeling dat hij daar zou blijven tot het noodlottige
moment voorbij was. Na op een ruime open plek te zijn gaan zitten, met
niets dan de blauwe hemel boven zich, voelde Aeschylus zich redelijk
veilig. Maar een grote arend, die een schildpad in zijn bek droeg, vloog
over en omdat die het kale hoofd van de dichter aanzag voor een rots,
liet hij de schildpad erop vallen om het schild te breken, waardoor
Aeschylus werd gedood en de voorspelling dat hij zou sterven door een
op zijn hoofd vallend voorwerp in vervulling ging!
Een ander tragisch – maar waar – verhaal gaat over de Franse
actrice Irene Muza, die eens deelnam aan een experiment waarbij ze onder
hypnose werd gebracht en haar werd gevraagd of ze haar toekomst kon
zien. Ze antwoordde: ‘Mijn carrière zal maar kort duren;
ik durf niet te zeggen wat mijn einde zal zijn – het zal vreselijk
zijn’. De proefnemers waren nogal van hun stuk gebracht en besloten
Muza niet te vertellen wat had plaatsgevonden. In plaats daarvan gaven
ze haar een posthypnotische suggestie om alles te vergeten wat ze had
gezegd. Een paar maanden later morste haar kapper per ongeluk wat spiritus
op een brandende kachel, met als gevolg dat het haar en de kleding van
Muza vlamvatten. Binnen een paar seconden was ze in vlammen gehuld en
enkele uren later stierf ze in het ziekenhuis.5
Tenslotte zijn er 19 gedocumenteerde gevallen van mensen die een voorgevoel
kregen van het zinken van de Titanic tijdens haar eerste reis in 1912.
Tot die 19 mensen behoorden verscheidene passagiers, van wie sommigen
aandacht schonken aan hun voorgevoelens en in leven bleven, terwijl
anderen deze negeerden en verdronken.
Het is vanzelfsprekend dat het verleden van ieder mens bepaalde soorten
toekomst waarschijnlijker maakt dan andere. Wijlen de natuurkundige
David Bohm gaf als commentaar:
Wanneer mensen over ongevallen dromen en op basis
daarvan niet het vliegtuig of het schip nemen, hebben ze niet de werkelijke
toekomst gezien. Het was alleen iets in het heden dat impliciet is
en bezig is om die toekomst te maken. De toekomst die zij zagen verschilde
in feite van de werkelijke toekomst omdat ze die veranderden. Daarom
denk ik . . . dat, als die verschijnselen bestaan, er een vooruitlopen
op de toekomst is in de impliciete orde in het heden. Zoals men vroeger
vaak zei, komende gebeurtenissen werpen hun schaduw in het heden.
De schaduwen ervan worden diep in de impliciete orde geworpen.
– geciteerd in The Holographic Universe,
blz. 212
Met ‘impliciete orde’ bedoelt Bohm een dieper, niet-gemanifesteerd
werkelijkheidsniveau; in sommige opzichten komt het overeen met wat
in de theosofische traditie bekendstaat als het astrale gebied of astrale
licht, dat bestaat uit een ijlere graad van energie-substantie die door
de hele ruimte is verspreid. In het astrale licht wordt een optekening
van alle gebeurtenissen uit het verleden bewaard en werpen toekomstige
gebeurtenissen hun schaduwen vooruit. H.P. Blavatsky zei dat de geboorte
en het lot van ieder kind ‘al in het astrale licht is geschetst
– niet als noodlot, maar alleen omdat de toekomst, evenals het
VERLEDEN, altijd leeft in het HEDEN’
(De Geheime Leer 1:136). We kunnen de toekomst opvatten als
iets vloeibaars, maar bezig zich te kristalliseren, en hoe meer ze nabijkomt,
des te meer ze een vaste vorm krijgt. Voor ingrijpende wereldgebeurtenissen
vindt de kristallisatie waarschijnlijk lang tevoren plaats, en zo ook
bij de belangrijkste gebeurtenissen in ons eigen leven, zoals een huwelijk,
ernstige ongevallen en de dood.
Wanneer we sterven, zien we een panoramisch visioen waarin alle gebeurtenissen
uit ons afgelopen leven vóór ons de revue passeren; we
zien onszelf zoals we werkelijk zijn, ‘niet geflatteerd, en vrij
van eigenwaan’, en begrijpen de volmaakte rechtvaardigheid van
alles wat ons is overkomen. Wanneer de periode van rust na de dood voorbij
is en het tijd is naar het leven op aarde terug te keren, ziet de reïncarnerende
ziel een ander visioen, ditmaal van het leven dat haar te wachten staat
en de oorzaken die ertoe hebben geleid; maar we zien alleen de grote
trekken en zijn vrij de bijzonderheden zelf in te vullen.
Al de ontelbare kleine keuzen die we hebben gedaan, leven na leven,
werken samen om een specifieke karmische stroom voort te brengen die
ons in een bepaalde richting voert. Dit is onze bestemming, maar het
is een door onszelf gemaakte bestemming, door onszelf voortgebracht,
gevormd door onze verlangens en gesmeed door onze wil. Er bestaat niet
zoiets als noodlot in de zin dat ons leven wordt bestuurd door krachten
van buitenaf waarbij wijzelf geen enkele rol hebben gespeeld om ze tot
stand te brengen. Iedere keer dat we denken, spreken of handelen, brengen
we voor onszelf oorzaken voort voor toekomstig geluk of leed. Iedere
laaghartige en zelfzuchtige gedachte of daad vertraagt onze evolutie
en iedere edele gedachte of onzelfzuchtige daad brengt die vooruit.
Als we toegeven aan alle impulsen of verlangens – hoe minderwaardig
ook – die in ons hoofd opkomen, geven we geen blijk van vrijheid,
maar van slaafsheid. Het kan een nuttige oefening zijn als het ware
een stapje terug te doen en gade te slaan hoe we in verschillende situaties
reageren, en ons dan eerlijk af te vragen welk deel van ons echt de
leiding had. De gewoontegroeven gaan diep en kunnen niet van de ene
op de andere dag worden uitgewist; het veranderen van ons gedrag is
daarom een geleidelijk proces. Maar de keus is aan ons of we proberen
onze lagere natuur te beheersen en om te vormen tot iets hogers, of
dat we toelaten erdoor te worden beheerst.
Zelfbewustzijn betekent letterlijk bewustzijn van ons eigen zelf, in
tegenstelling tot het niet-zelf – de wereld om ons heen, inclusief
andere zelven. In ons huidige ontwikkelingsstadium leidt dit vaak tot
de indruk dat we volledig afgescheiden en verschillend van anderen zijn.
Afgescheidenheid is de oorzaak van zelfzucht, en het misbruiken van
onze vrije wil uit zelfzucht en onwetendheid is de hoofdoorzaak van
de meeste problemen in de wereld. Maar afgescheidenheid is een illusie:
we zijn in feite meer zoiets als wervelingen of draaikolken in een rivier
– ieder van ons is uniek, maar onscheidbaar van de allesomvattende
stroming van de natuur. Zoals stoffelijke atomen voortdurend van het
ene naar het andere lichaam gaan, zo trekken onze gedachten en ideeën
van het ene naar het andere denkvermogen en verweven ons allemaal tot
één onderling afhankelijk geheel. We zijn in wezen één
mensheid en één wereld en daaruit volgt dat we zouden
moeten proberen onze vrijheid te gebruiken om ons leven te leiden in
harmonie met de natuur, op een manier waar anderen voordeel van hebben.
En hoe meer we onze geestelijke wil en onze edeler, altruïstische
eigenschappen ontwikkelen, hoe meer we onze bestemming zullen beheersen.
Noten
- Michael Talbot, The Holographic Universe,
HarperPerennial, 1991, blz. 207.
- Zie ‘John
Eccles over het denkvermogen en de hersenen’, Sunrise,
november/ december 1995.
- Zie ‘Rupert
Sheldrake: Een theosofische evaluatie’, delen 1 & 2,
Sunrise, november/december 1992 & januari/februari 1993.
- Richard S. Broughton, Parapsychology: The Controversial
Science, Ballantine Books, 1991, blz. 18-21.
- The Holographic Universe, blz. 210.