Volgens de heersende wetenschappelijke theorie betreffende het denkvermogen
bekend als de ‘identiteitstheorie’ – zijn mentale
toestanden identiek met de fysiochemische toestanden van de hersenen.
De hersenen worden beschouwd als een superingewikkelde computer waarin
materiële processen in de hersenschors op de een of andere manier
gedachten en gevoelens voortbrengen. Een aanhanger van deze materialistische
theorie, Daniel C. Dennett, zegt dat onze hersenen
een samengeflanste verzameling gespecialiseerde hersencircuits
bevatten die . . . met elkaar samenzweren om een . . . meer of minder
goed ontworpen virtuele machine voort te brengen . . . Door deze onafhankelijk
ontwikkelde specialistische organen aan elkaar te koppelen en daarmee
aan de zo ontstane eenheid enorm versterkte krachten toe te kennen,
verricht deze virtuele machine, deze ‘software’van het
brein, een soort intern politiek wonder. Ze schept een virtuele
kapitein over de bemanning . . .1
Deze ‘virtuele kapitein’ is wat wij normaliter beschouwen
als ons ‘zelf’, maar volgens Dennett is het eigenlijk alleen
maar een illusie, die teweeg wordt gebracht door de totale samengestelde
werkzaamheid van onze hersencircuits!
De eminente neurologische onderzoeker en Nobelprijswinnaar Sir John
Eccles verwerpt deze theorie met de bewering dat deze nooit verder gaat
dan vage algemeenheden; materialisten geloven dat de problemen zullen
worden opgelost wanneer we een vollediger wetenschappelijk inzicht omtrent
de hersenen hebben, misschien over honderden jaren, een geloof dat Eccles
ironisch ‘belovend materialisme’ noemt. Eccles meent dat
deze ‘povere en holle’ theorie geen verklaring kan geven
voor ‘het wonder en mysterie van het menselijke zelf met zijn
geestelijke waarden, zijn scheppingsvermogen en voor het feit dat ieder
van ons uniek is’.2 Hij bekritiseert
de identiteitstheorie omdat zij geen reële ruimte biedt voor menselijke
vrijheid. Uitgebreide experimentele studies hebben aangetoond dat de
mentale handelingen van aandacht en intentie de relevante gebieden van
de hersenschors activeren. Het voornemen zich te bewegen bijvoorbeeld,
brengt de prikkeling op gang van een stel zenuwcellen van het supplementaire
motorische gebied ongeveer 200 milliseconden voordat de voorgenomen
beweging plaatsvindt. Als het denkvermogen de hersenen is, zou dit betekenen
dat òf één deel van het brein een ander deel activeert,
dat vervolgens een ander deel activeert, enz., òf dat een bijzonder
gebied van het brein spontaan wordt geactiveerd zonder enige oorzaak,
en het is moeilijk te vatten hoe een van beide alternatieven een basis
zou kunnen bieden voor een vrije wil.
In de loop van verscheidene decennia, ten dele in samenwerking met
de wetenschapsfilosoof Sir Karl Popper, heeft Eccles een alternatieve
theorie voor het denkvermogen ontwikkeld, bekend als het dualistisch
interactionisme. Zijn fundamentele filosofische uitgangspunt is er één
waarmee theosofen het van ganser harte eens kunnen zijn:
Ik blijf van mening dat het menselijk mysterie op
ongelooflijke wijze wordt vernederd door het wetenschappelijk reductionisme
door in het belovend materialisme aanspraak te maken op een uiteindelijke
verklaring van heel de geestelijke wereld die uitgaat van patronen
van activiteit van zenuwcellen. Dit geloof moet, als een vorm van
bijgeloof worden beschouwd. . . . we moeten erkennen dat we evenzeer
geestelijke wezens zijn met een ziel die in een geestelijke wereld
bestaat, als materiële wezens met een lichaam en een stel hersenen
dat in een materiële wereld bestaat.3
Volgens Eccles hebben we een niet-materieel denkvermogen of zelf, dat
inwerkt op en wordt beïnvloed door onze materiële hersenen;
er is een mentale wereld naast de fysieke wereld en deze twee werken
op elkaar in. Eccles ontkent echter dat het denkvermogen een soort niet-fysieke
substantie is (zoals in het Cartesiaanse dualisme) en zegt dat het slechts
tot een andere wereld behoort.4 Maar tenzij
ons denkvermogen (en de wereld waarin het bestaat) een zuiver niets
is – in welk geval het niet zou bestaan – moet het samengesteld
zijn uit fijnere graden van energie-substantie. Onze innerlijke constitutie
zou verscheidene niet-fysieke niveaus kunnen omvatten. De bioloog Rupert
Sheldrake bijvoorbeeld, stelt voor dat ons stoffelijk lichaam wordt
georganiseerd door morfogenetische velden, onze gewoonten door morfische
gedragsvelden, en onze gedachten en denkbeelden door mentale morfische
velden. Hij oppert dat ons bewuste zelf wellicht een hoger niveau van
ons wezen is, dat interactief opereert met de lagere velden en via deze
met het fysieke brein en het lichaam. De theosofie voegt aan deze lijst
een aantal geestelijke en goddelijke niveaus toe, en beschrijft al de
verschillende ‘lagen’ van onze constitutie als verschillende
fasen van bewustzijn-substantie.
Tegenstanders van de zienswijze van Eccles betogen dat de interactie
tussen denkvermogen en brein inbreuk zou maken op de wet van behoud
van energie. In zijn laatste boek, How the Self Controls Its Brain*
[Hoe het zelf zijn hersenen bestuurt], toont Eccles, geholpen door de
quantumfysicus Friedrich Beck, aan dat de hersenactiviteit kan worden
verklaard zonder dat het behoud van energie geweld wordt aangedaan,
indien rekening wordt gehouden met de quantumfysica en de laatste ontdekkingen
aangaande de microstructuur van de neocortex. Eccles noemt de fundamentele
neurale eenheden van de cerebrale cortex [de hersenschors] dendronen,
en stelt dat elk van de 40 miljoen dendronen is verbonden met
een mentale eenheid of psychon, die een één geheel
vormende bewuste ervaring vertegenwoordigt. Bij bewuste handelingen
en gedachten werken psychonen in op dendronen en doen voor een ogenblik
de waarschijnlijkheid toenemen van het ‘vuren’ van geselecteerde
neuronen, terwijl bij waarneming het omgekeerde proces plaatsvindt.
Interactie tussen de psychonen zelf zou de eenheid van onze waarnemingen
en van de innerlijke wereld van ons denkvermogen kunnen verklaren.
Maar Eccles’ acceptatie van de standaardinterpretatie betreffende
het behoud van energie beperkt in werkelijkheid zijn theorie. Volgens
de eerste hoofdwet van de thermodynamica blijft de totale energie van
een gesloten systeem (d.i. een systeem dat geen materie of energie uitwisselt
met de omgeving) constant. Aangezien materialisten geloven dat slechts
de fysieke wereld bestaat en derhalve een gesloten systeem vormt, betogen
zij dat de hoeveelheid materie-energie daarin absoluut dezelfde moet
blijven. Daarentegen bestaat er volgens de theosofie een constante circulatie
van energie-substanties door de diverse gebieden of sferen van de werkelijkheid,
waarvan geen enkele een gesloten systeem vormt, en is het behoud van
materie-energie uitsluitend van toepassing op de oneindige natuur in
haar geheel. De orthodoxe quantumfysica erkent in feite wel dat er energie
kan worden geleend van het ‘quantumvacuüm’ mits deze
na een fractie van een seconde wordt teruggegeven. Bovendien hebben
in de laatste honderd jaar of daaromtrent een aantal fysici, ingenieurs
en uitvinders, te beginnen met Michael Faraday en Nicola Tesla, elektromagnetische
‘vrije-energie’-apparaten gebouwd, die meer energie schijnen
te produceren dan er nodig is om ze te laten lopen, door kennelijk op
grotere schaal te tappen uit de ‘nulpuntenergie van het vacuüm’
(of ‘energie van de hyperdimensionale ruimte’, zoals sommige
wetenschappers het noemen) – dat wil zeggen niet-materiële,
etherische energie.5 Sommige wetenschappers
geloven dat er van ‘koude fusie’ eenzelfde verklaring kan
worden gegeven.6
Eccles zegt dat men zich de interactie tussen hersenen en denkvermogen
‘kan voorstellen als een stroom van informatie, niet van energie.’7
Maar informatie moet worden overgebracht door een vorm van materie-energie,
en als het denkvermogen de waarschijnlijkheid van neurale gebeurtenissen
kan wijzigen is het aannemelijker dat het dit doet door middel van subtielere,
etherische soorten kracht of energie die op quantum- of subquantumniveau
werken. Eccles zegt dat zijn theorie gewone willekeurige handelingen
kan verklaren, maar dat ‘directere handelingen van de wil worden
belet door de wet van behoud van energie.’8
Dit is veelzeggend, want zelfs wanneer er geen sprake is van een meetbare
inbreuk op energiebehoud bij gewone mentale verschijnselen, gaat dit
misschien niet op bij bepaalde paranormale verschijnselen,
vooral psychokinese en materialisaties. Eccles neemt paranormale verschijnselen
echter niet serieus.9
Eccles is het in essentie eens met de neodarwinistische theorie dat
de evolutie wordt aangedreven door toevallige genetische mutaties gevolgd
door het uitwieden van ongeschikte variëteiten door natuurlijke
selectie, maar hij gelooft ook dat ‘er een goddelijke voorzienigheid
is buiten en boven de materialistische gebeurtenissen van de biologische
evolutie.’10 Hij aanvaardt dat zoogdieren
(zoals honden, katten, paarden en apen) en mogelijk vogels bewuste wezens
zijn die gevoelens en pijn ervaren, maar ontzegt bewuste ervaring aan
ongewervelde en ook aan lagere gewervelde dieren zoals vissen en zelfs
amfibieën en reptielen die, zegt hij, instinctmatige en aangeboren
reacties hebben, maar geen bewustheid of gevoel. Hij houdt vol dat de
mentale (of psychone) wereld en derhalve bewuste ervaringen ontstonden
bij de ontwikkeling van de complexe neocortex van het zoogdierbrein,
en dat de neocortex zich ontwikkelde door natuurlijke selectie, omdat
deze het mogelijk maakte dat de toegenomen complexiteit van zintuiglijke
input zich kon integreren en daarom de kans op overleven begunstigde.
Vervolgens
kwamen er met de evolutie van de hominiden [mensachtigen]
uiteindelijk hogere niveaus van bewuste ervaringen, en tenslotte in
Homo sapiens sapiens – zelfbewustzijn – dat de
unieke levenslange ervaring van ieder menselijk zelf
is, en dat we moeten beschouwen als een wonder buiten de darwinistische
evolutie.11
In de theosofie wordt gezegd dat, in plaats van dat de fysieke wereld
de mentale wereld doet ontstaan, de lagere gebieden zich ontwikkelen
vanuit hogere, meer geestelijke gebieden door een proces van emanatie,
differentiatie en verdichting, en dat al de verschillende gebieden en
de klassen van entiteiten die deze samenstellen en bewonen, manifestaties
zijn van bewustzijn – de ultieme werkelijkheid. In de woorden
van H.P. Blavatsky:
De Natuur in abstracte zin genomen kan niet
‘onbewust’ zijn, want ze is de uitstraling van en dus
(op het gemanifesteerde gebied) een aspect van het absolute
bewustzijn. Wie heeft de moed om aan planten en zelfs aan mineralen
een eigen bewustzijn te ontzeggen? Hij kan slechts zeggen
dat dit bewustzijn buiten zijn bevattingsvermogen ligt.12
Zo zijn niet alleen alle dieren bewust; ook planten hebben een primitieve
vorm van waarnemend, bewust bestaan, zoals verscheidene onderzoekers
hebben vastgesteld.13 Wat het minerale rijk
betreft, geloven ‘panpsychisten’ zoals B. Rensch en C. Birch
dat alle fysieke materie, waaronder atomen en subatomaire deeltjes,
een protobewustzijn bezit. Eccles verwerpt het panpsychisme omdat de
moderne fysica geen geheugen of identiteit voor elementaire deeltjes
erkent. De fysicus David Bohm geloofde evenwel dat niet alleen alle
vormen van materie leven in zich hebben en in zekere mate bewust zijn,
maar ook dat op diepere niveaus ieder deeltje van een bijzondere soort
te onderscheiden en uniek is in plaats van volledig identiek, zoals
in de orthodoxe fysica wordt aangenomen.14
Voorts heeft men geconstateerd dat nieuwe gesynthetiseerde chemische
verbindingen over de hele wereld sneller kristalliseren naarmate ze
vaker worden gemaakt – wat duidt op het bestaan van een soort
geheugen.15
Nog een zwak punt in de benadering van Eccles is zijn verknochtheid
aan de theorie van de aap als voorouder. De hominiden-familie omvat
niet alleen onze eigen soort, Homo sapiens, maar ook primitievere
(thans uitgestorven) menselijke vormen. Het oudste algemeen aanvaarde
hominidengeslacht is Australopithecus, die in zuidelijk Afrika
ongeveer 4,5 miljoen jaar geleden verscheen in het vroege Plioceen.
Sommige onderzoekers hebben geprobeerd een progressieve lijn van evolutionaire
opklimming op te sporen vanaf Australopithecus via Homo
habilis en Homo erectus tot aan de moderne mens, maar
een dergelijke simplistische interpretatie van de fossiele gegevens
wordt, zelfs in darwinistische kringen, heftig bestreden. De oorsprong
van de hominidenfamilie zelf is zelfs nog problematischer. De heersende
theorie luidt dat menselijke wezens en de moderne mensapen een gemeenschappelijke
voorouder hadden, waarvan wordt aangenomen dat deze nauw verwant was
aan de uitgestorven apen van het Mioceen, bekend als de dryopithecinen.
Maar zoals in de Encyclopaedia Britannica staat:
Wanneer precies de Hominidae als een afzonderlijke
en onafhankelijke lijn van evolutie werd afgesplitst van de antropoïde
apenfamilie (Pongidae) is niet met zekerheid te zeggen; het is in
feite nog steeds de belangrijkste hiaat in de fossiele gegevens van
de Hominidae.16
Overgangsvormen, die van de voorouderlijke apen naar hominiden leiden
(bijvoorbeeld onderscheiden door een rechtopgaande houding en tweebenige
voortbeweging) zijn niet gevonden en komt men slechts tegen in de fantastische
illustraties die populair-wetenschappelijke publikaties sieren. Bovendien
is er een overvloed aan bewijsmateriaal – in de vorm van stenen
gereedschap, graveerwerk in beenderen en skeletresten – dat er
al menselijke wezens van het moderne typen bestonden in het Plioceen,
het Mioceen en zelfs in het begin van het Tertiair, miljoenen jaren
vóór het vermeende tijdstip dat onze veronderstelde
aapachtige voorouders zijn verschenen! Het grootste deel van dit bewijsmateriaal
werd ontdekt door gerenommeerde wetenschappers in de 19e en het begin
van de 20ste eeuw, voordat de moderne afgeknotte tijdschaal van de menselijke
evolutie werd vastgesteld. Dit bewijsmateriaal17
wordt niet in moderne leerboeken vermeld, maar is begraven en vergeten.#
Een vergelijking van de kenmerken van het skelet en de spieren van
levende apen met die van mensen bewijst dat apen een ingewikkelder en
meer gespecialiseerde structuur hebben ontwikkeld, terwijl mensen een
primitieve zoogdierachtige eenvoud hebben behouden, waarbij alleen het
cerebro-spinale systeem, dat nodig is voor de manifestatie van zelfbewuste
intelligentie, in hoge mate is ontwikkeld. Ingeval apen en mensen van
een gemeenschappelijke voorouder afstamden, moet die voorouder van eenvoudiger
structuur zijn geweest dan de moderne apen. Het is van veel betekenis
dat, naar gelang we in de tijd teruggaan, er fossiele apen zijn aangetroffen
met eenvoudiger, mensachtiger kenmerken (bijvoorbeeld in het gebit,
de kaak en de schedel), terwijl de hominiden geen convergentie vertonen
in de richting van apen. Dus tenzij de hypothetische voorouderlijke
apen even eenvoudig van structuur waren als moderne mensen, wat geen
darwinist zou willen beweren, moet er sprake zijn geweest van een terugkeer
van gespecialiseerde naar eenvoudiger anatomische kenmerken na de afscheiding
van de hominidenlijn, en de wetenschap kent geen vergelijkbare gevallen
waarin zich dit heeft voorgedaan.
De Finse antropoloog dr. Björn Kurtén heeft een alternatieve
interpretatie van de fossielen voorgesteld die het orthodoxe darwinisme
ondersteboven keert. Hij stelt: ‘Het meest logische antwoord dat
door het fossielenmateriaal aan de hand wordt gedaan is dit: de hominiden
stammen niet van de apen af, maar de apen zijn misschien afstammelingen
van de hominiden.’18 Dit is verenigbaar
met de theosofische leer dat de mensapen in het Mioceen zijn ontstaan
uit de kruising van minder gevorderde menselijke (Atlantische) stammen
en een uitgestorven diersoort, waarvan de voorouders het produkt waren
van een overeenkomstige kruising in een veel vroegere periode. Wat de
ontdekte fossielen van primitievere hominiden betreft, deze kunnen,
in plaats van onze directe voorouders te zijn, samen met gevorderde
beschavingen hebben bestaan (sommige op thans verzonken eilanden en
continenten), evenals er tegenwoordig beschaafde en primitieve volken
gelijktijdig bestaan.
Eccles erkent tenminste dat de darwinistische evolutie geen verklaring
kan geven voor ons zelfbewuste denkvermogen:
Aangezien materialistische oplossingen geen verklaringen
kunnen geven van de uniciteit die we ervaren, ben ik gedwongen de
uniciteit van het zelf of de ziel toe te schrijven aan een bovennatuurlijke
geestelijke schepping. Om de verklaring in theologische termen uit
te drukken: elke ziel is een nieuwe goddelijke schepping die in de
groeiende foetus ergens tussen de conceptie en de geboorte wordt ingeplant.19
Ook de theosofie schrijft aan menselijke wezens een geestelijk ouderschap
toe, maar verwerpt het geloof dat ze werden geschapen door een bovennatuurlijke,
buitenkosmische, antropomorfe God. Indien de natuur oneindig is, kan
de goddelijkheid zich niet buiten de natuur bevinden, maar moet gelijktijdig
bestaan en ieder levensatoom doordringen. In het hart van iedere entiteit
is een geestelijke monade – een onsterfelijke vonk van goddelijkheid,
of centrum van leven-bewustzijn – die zich belichaamt in een oneindige
verscheidenheid aan vormen in een oneindige verscheidenheid aan werelden
in de loop van haar eeuwige evolutionaire ontwikkeling. De aarde is
slechts het laatste station op de evolutionaire reis van onze geestelijke
monaden. De eerste protomenselijke vormen op aarde waren kolossale,
etherische, niet-zelfbewuste wezens die langzaam materialiseerden, in
omvang afnamen, en de huidige menselijke gedaante aannamen. Toen deze
stoffelijke vormen de vereiste graad van complexiteit hadden bereikt,
kon het geleidelijke ontwaken en de ontplooiing van onze latente intellectuele
en geestelijke vermogens beginnen.20
Over wat er na de dood gebeurt, zegt Eccles:
we kunnen de dood van het lichaam en het brein beschouwen
als de ontbinding van ons dualistische bestaan. Hopelijk zal de bevrijde
ziel een andere toekomst aantreffen van nog diepere betekenis en verrukkelijker
ervaringen, misschien in een hernieuwd belichaamd bestaan . . . in
overeenstemming met de traditionele christelijke leer.21
Gelet op zijn geloof dat een nieuwe menselijke ziel wordt geschapen
voor ieder pasgeboren kind, zinspeelt Eccles hier vermoedelijk niet
op reïncarnatie op aarde. Maar als onze zielen iets van het verleden
moeten leren en evolutie ondergaan, schijnt het voor de hand te liggen
dat ze niet alleen moeten oogsten wat ze hebben gezaaid (in
overeenstemming met de wet van karma), maar ook moeten oogsten waar
ze hebben gezaaid, en op aarde moeten blijven incarneren totdat ze alle
lessen hebben geleerd die de aarde hen kan leren.
Dus hoewel Eccles erkent dat het denkvermogen betrekkelijk onafhankelijk
is van de hersenen en erdoorheen werkt in plaats van er identiek mee
te zijn, blijven zijn opvattingen beperkt door verscheidene materialistische
en theologische dogma’s. Desondanks is zijn poging om hoger te
reiken dan het wetenschappelijk materialisme en een geestelijker visie
te ontwikkelen verfrissend. Tegen het eind van zijn jongste boek schrijft
hij:
Ik geef hier uitdrukking aan mijn streven met diepe
nederigheid een zelf, mijzelf, te begrijpen als een wezen dat ervaring
opdoet. Ik bied het aan in de hoop dat wij menselijke zelven een herscheppend
geloof mogen ontdekken in de bedoeling en het grote belang van dit
prachtige avontuur dat aan elk van ons op deze heilzame aarde van
ons wordt geschonken, elk van ons met een prachtig brein, dat we kunnen
beheersen en gebruiken voor ons geheugen, genoegen en scheppingsvermogen
en met liefde voor andere menselijke zelven.22
Noten:
*Springer-Verlag, New York, 1994; 213 bladzijden, isbn
0-387-56290-7, gebonden.
# Zie ook: ‘Wil de echte
stamvader van de mens nu opstaan!’ (boekbespreking), Sunrise,
september/oktober 1995, blz. 139.
Verwijzingen:
- Consciousness Explained (1991),
blz. 228.
- How the Self Controls Its Brain
(1994), blz, 33, 176.
- Evolution of the Brain, Creation of the Self
(1989), blz. 241.
- How the Self Controls Its Brain, blz.
38.
- Zie R.C. Hoagland, The Monuments of Mars
(1992), blz. 370-4.
- Zie H. Fox, Cold Fusion Impact in the Enhanced
Energy Age (1992), hfdst. 11.
- How the Self Controls Its Brain,
blz. 9.
- Ibid., blz. 163.
- Evolution of the Brain, blz. 242.
- Ibid., blz. 239.
- How the Self Controls Its Brain,
blz. 139.
- De geheime leer 1:304n.
- Zie ‘Onze intelligente vrienden, de planten’,
John Van Mater jr., Sunrise, september/oktober 1987.
- Causality and Chance in Modern Physics
(1957), blz. 157; Science, Order & Creativity (met
F.D. Peat) (1989), blz. 210-11.
- Zie Rupert Sheldrake, The Presence of the Past
(1988), blz. 131.
- 15e editie (1985), 18:933.
- Zie Michael A. Cremo en Richard L. Thompson, Forbidden
Archeology (1993), 952 blz.; verkorte versie, The Hidden
History of the Human Race (1994). Zie ook De geheime leer
2:10, 768, 780-1, 812-3n, 842.
- Not from the Apes (1972), blz. 42.
- Evolution of the Brain, blz. 237.
- Zie G. de Purucker, Mens en evolutie (1982)
hfdst. 19, ‘Vergeten bladzijden uit de evolutie’; The
Esoteric Tradition (1940), hfdst. X, ‘Esoteric teachings
on the evolution of human and animal beings’.
- Evolution of the Brain, blz. 242.
- How the Self Controls Its Brain,
blz. 180-1.