Leven voor het welzijn van de mensheid is de eerste
stap. De zes verheven deugden in praktijk brengen is de tweede. –
H.P. Blavatsky
In het mahāyāna-boeddhisme vormen de verlichte geest en
de zes volmaaktheden (pāramitā’s) de toegangspoort
en het fundament van het boeddhaschap. Tsong-kha-pa (1357-1419), Tibets
grootste leraar, en stichter van de Gelukpa-school waarvan de dalai
lama’s het hoofd zijn, onderzoekt deze onderwerpen in het tweede
deel van de Lam rim chen mo (De grote verhandeling over de
stadia van het pad naar verlichting).1 Zoals
hij verklaart:
Tegenwoordig worden van de zes
volmaaktheden – die de centrale steunpilaar vormen van het pad
van zowel de soetra’s als de tantra’s – slechts
de stadia van de meditatieve stabilisatie in geringe mate beoefend,
maar de beoefening van de vijf andere volmaaktheden is verdwenen.
Daarom heb ik in verkorte vorm uitleg gegeven over de kernpunten van
de beoefening ervan, en iets over de manier om een zekere mate van
kennis erover te verwerven. – 2:223
In spiritualiteit verschilt de westerse wereld van de 21ste eeuw in
tenminste één opzicht weinig van die van het Tibet van
de 14de eeuw. De nadruk wordt gelegd op meditatie, en het publiek heeft
de neiging de andere volmaaktheden – vrijgevigheid, ethische discipline,
geduld, vreugdevolle volharding, en wijsheid – van ondergeschikt
belang te achten.
Als we dit tweede deel van de Lam rim lezen, moeten we het
denkbeeld van een ‘gedachtestroom’ voor ogen houden. Ieder
van ons is een gedachtestroom, en een golf van de Ene
gedachtestroom. Door onze talloze incarnaties als mens hebben onwetendheid,
overtuigingen, en handelingen die werden verricht omdat men het onware
als het ware beschouwde, niet alleen een barrière gevormd voor
het begrijpen van wat werkelijk waar is, maar hebben ook een kracht
van gewoonten gegenereerd die er de oorzaak van zijn dat we als slaapwandelaars
door het leven gaan. Om te ontwaken moeten we deze gewoonten en onjuiste
zienswijzen te boven komen. Terwijl het mahāyāna voorziet
in een methode die het mensen mogelijk maakt snel te veranderen, geeft
het daarbij ook belangrijke waarschuwingen. Wanneer een aspirant de
complexiteit van de menselijke constitutie beschouwt, zowel innerlijk
als uiterlijk, is het gemakkelijk te begrijpen waarom het snel afbreken
van de psychische en mentale gewoonten die in talrijke vroegere levens
zijn opgebouwd, vol gevaar is.
Mensen beoefenen voortdurend onbewust mantra’s, rituelen en visualisaties
door middel van wat ze zeggen, hun dagelijkse gewoonten en hun vermaak.
Hoe de kracht daarvan een langdurig gevolg kan teweegbrengen wordt bewezen
door het lijden dat we in ons leven ondervinden. Na het bereiken van
de verlichting concludeerde de boeddha dat lijden een deel is van het
leven, dat er aan dat lijden oorzaken ten grondslag liggen, dat die
oorzaken kunnen worden beëindigd, en dat er aldus aan het lijden
een einde kan komen. Tenslotte liet hij het pad zien om dit te bereiken
door juist inzicht, juist voornemen, juist spreken, juist handelen,
een juiste manier van leven, door juiste inspanning, juiste opmerkzaamheid
en juiste concentratie. Spirituele beoefening is de heroriëntatie
van een onbewuste manier van leven gedreven door onwetendheid naar een
opmerkzaam, bewust leven gedreven door het verlangen om de waarheid
te kennen.
De Vier Edele Waarheden betreffende het lijden en het opheffen daarvan
door middel van het Edele Achtvoudige Pad, vormen de basis van het boeddhistische
leven. Dit inzicht en deze beoefening leiden niet alleen tot een betere
dagelijkse manier van leven, maar ook tot de geest van verlichting en
de zes, zeven of tien volmaaktheden of verheven deugden: vrijgevigheid,
ethische discipline, geduld, vreugdevolle volharding, meditatieve stabilisatie,
en wijsheid. H.P. Blavatsky noemt er in de Stem
van de Stilte zeven: barmhartigheid of onsterfelijke liefde,
harmonie in woord en daad, geduld, gelijkmoedigheid ten opzichte van
genot en pijn, onverschrokken kracht, diepe contemplatie of meditatie,
en wijsheid.
De eerste helft van deel twee gaat over de verlichtingsgeest die in
de mahāyāna-traditie een [innerlijke] belofte is om [spiritueel]
te ontwaken om alle levende wezens te helpen die in onwetendheid en
lijden zijn verzonken. Tsong-kha-pa gaat nog een stap verder door te
zeggen:
Daarom gaat het er niet slechts om dat je de verlichtingsgeest
opwekt door alleen te denken: ‘Ik zal het boeddhaschap bereiken
ter wille van anderen’. Beter is om je op zo’n gedachte
te concentreren en de beslissing te nemen: ‘Ik zal niet afwijken
van dit voornemen om boeddhaschap te bereiken ter wille van alle wezens
totdat ik de verlichting bereik.’ –
2:67
Pratyekaboeddha’s zijn zij die boeddha’s worden ter wille
van zichzelf, terwijl de bodhisattva het boeddhaschap verzaakt om de
andere wezens te helpen om de verlichting te bereiken. In het hoofdstuk
‘Mededogen, toegangspoort tot het mahāyāna’
helpt Tsong-kha-pa ons dit moeilijke onderwerp te begrijpen:
Hoewel śrāvaka’s [discipelen]
en pratyekaboeddha’s een enorme liefde en mededogen
bezitten waarbij ze denken: ‘Konden alle wezens maar gelukkig
zijn en vrij zijn van lijden’, denken deze niet-mahāyānisten
niet: ‘Ik zal de verantwoordelijkheid op me nemen om
het lijden van alle levende wezens weg te nemen en hun geluk tot stand
te brengen.’ – 2:32-3
Hij illustreert dit punt door een citaat uit de Sūtra
met de Vragen van Sāgaramati en geeft er commentaar op:
Stel je voor, Sāgaramati, dat een gezinshoofd
of een koopman maar één zoon had, en dat deze zoon
aantrekkelijk was, en geliefd, vriendelijk en charmant. Stel je
voor dat omdat deze zoon jong en speels was, hij in een put vol
smerigheid terechtkwam. Toen zijn moeder en familie dit merkten,
schreeuwden ze het uit en klaagden en treurden, maar ze gingen niet
zelf de put in om hem te helpen. Toen echter de vader van de jongen
thuiskwam en zag dat zijn zoon in de put was terechtgekomen was
zijn enige gedachte om hem te redden, en zonder weerzin sprong hij
in de put vol smerigheid en trok hem eruit.
Om de betekenis aan te geven van de verschillende
onderdelen van de analogie: de put vol smerigheid vertegenwoordigt
de drie bestaansgebieden; het enige kind vertegenwoordigt de levende
wezens; de moeder en andere familieleden vertegenwoordigen de śrāvaka’s
en pratyekaboeddha’s die zien hoe wezens in het cyclische
bestaan vallen, die treuren en klagen, maar niet in staat zijn om
hen te redden. De koopman of het gezinshoofd vertegenwoordigt de bodhisattva.
Dit wil dus zeggen dat śrāvaka’s en pratyekaboeddha’s
het mededogen hebben zoals van een moeder voor haar geliefde enige
zoon die in een put is terechtgekomen. Neem daarom oprecht de beslissing
om, gebaseerd op mededogen, de verantwoordelijkheid op je te nemen
om alle wezens te verlossen. – 2:33
 |
Tsong-kha-pa
en discipelen ontvangen
een openbaring van Manjushri |
In het hoofdstuk getiteld ‘Het in stand houden van de geest van
verlichting’ geeft Tsong-kha-pa een waarschuwing:
Zich onthouden van de beweegredenen van śrāvaka’s
en pratyekaboeddha’s is de hoogste ethische discipline
van de bodhisattva’s, dus als bodhisattva’s deze onthouding
zouden verzwakken, zouden ze hun ethische discipline vernietigen.
– 2:73
De tweede helft van het boek gaat over de zes pāramitā’s.
Het kan niet anders of de lezer wordt tot een nieuwe manier van denken
en handelen gestimuleerd als hij over deze volmaaktheden leest, die
uit elkaar voortvloeien en direct zijn verbonden met de verlichtingsgeest
die zo nodig is voor de ontwikkeling van een bodhisattva. Tsong-kha-pa
geeft eerst een omschrijving van de volmaaktheden, en bespreekt vervolgens
elk ervan op meesterlijke wijze waarbij hij praktische suggesties geeft
voor het dagelijks leven. Hij legt uit dat de volmaaktheden een geleidelijke
ontwikkeling laten zien, en hoe elk afhankelijk is van de eraan voorafgaande
en tot de volgende leidt:
Als je vrijgevig bent zonder geïnteresseerd
te zijn in en gehecht te zijn aan rijkdommen, beoefen je ethische
discipline. Als je ethische regels volgt die je ervan weerhouden verkeerde
dingen te doen, verkrijg je geduld met degenen die je schade berokkenen.
Als je het geduld hebt waarin je niet ontmoedigd wordt door moeilijkheden,
zijn er weinig omstandigheden die aanleiding zullen geven tot het
verwerpen van deugdzaamheid, dus ben je in staat op vreugdevolle wijze
te volharden. Als je eenmaal dag en nacht op vreugdevolle wijze volhardt,
zul je meditatieve concentratie bereiken die de toepassing van je
aandacht voor deugdzame onderwerpen van meditatie vergemakkelijken.
Wanneer je geest zich in meditatief evenwicht bevindt, zul je de realiteit
exact kennen.
– 2:111
De Lam rim definieert de volmaaktheden op deze manier: de
Volmaaktheid van Vrijgevigheid
is de deugd van een vrijgevige houding, en de fysieke
en verbale handelingen die hierdoor worden ingegeven.
De volmaaktheid van vrijgevigheid tot voltooiing
te brengen is niet afhankelijk van het verwijderen van de armoede
van wezens door giften aan anderen. Anders zouden, omdat er nog steeds
veel behoeftige wezens over zijn, alle vroegere overwinnaars2
volmaakte vrijgevigheid niet hebben bereikt. Daarom zijn de fysieke
en verbale aspecten van vrijgevigheid niet het belangrijkste; het
belangrijkste is het mentale aspect.
– 2:114-5
Er zijn twee hoofdstukken over vrijgevigheid; het eerste, ‘De
Volmaaktheid van Vrijgevigheid’, gaat erover hoe men vrijgevigheid
kan beginnen te ontwikkelen, het geven van leringen, het geven van vrijheid
van angst, en hoe men materiële dingen kan weggeven. Dit leidt
naar een hoofdstuk genaamd ‘Hoe moet men geven’.
Tsong-kha-pa noemt de Volmaaktheid van Ethische Discipline ‘een
instelling van onthouding die je geest ertoe brengt zich af te keren
van het schaden van anderen en van de bronnen van zulke schade’
(2:143). De volgende Volmaaktheid, Geduld,
is (1) onverschilligheid ten aanzien van schade die
je wordt aangedaan, (2) het accepteren van lijden dat opkomt in je
gedachtestroom, en (3) zeker zijn van de leringen en dat vertrouwen
stevig handhaven. Er zijn drie groepen factoren die daarmee niet te
rijmen zijn: voor de eerste, vijandigheid; voor de tweede, vijandigheid
en de moed verliezen; en voor de derde, ongeloof en afkeer. Het vervolmaken
van geduld betekent dat je eenvoudig je conditionering voltooit tot
een bewustzijnstoestand waar je aan je boosheid en dergelijke een
einde hebt gemaakt. Het hangt er niet van af of alle levende wezens
vrij worden van ongedisciplineerd gedrag omdat je niet in staat zou
zijn dit te verwezenlijken, en omdat het om je doel te bereiken voldoende
is je eigen geest te disciplineren. – 2:152-3
Hij verklaart de Volmaaktheid van Vreugdevolle Volharding als volgt:
Wanneer je je op iets deugdzaams hebt geconcentreerd
is vreugdevolle volharding het enthousiasme daarvoor. . . . het is
een smetteloze bewustzijnstoestand die enthousiast is over het vermeerderen
van deugd en het werken voor het welzijn van levende wezens, samen
met de fysieke, verbale en mentale activiteit die door zo’n
bewustzijnstoestand wordt ingegeven. – 2:182
Ontwikkel een houding van onverzadigbaarheid terwijl
je denkt: ‘Het zich uitleven in zintuiglijke genoegens is als
het likken van honing van een scherp scheermes; het is de bron van
iets zoets, maar daardoor snijd je je in de tong. Als ik niet genoeg
kan krijgen van deze ervaring die groot lijden teweegbrengt ter wille
van slechts een klein en tijdelijk genoegen, wat voor betekenis heeft
dan het gevoel dat ik genoeg heb van het verzamelen van verdienste
en verheven wijsheid die een smetteloos, oneindig geluk teweegbrengen,
zowel onmiddellijk als op lange termijn? –
2:200
De Volmaaktheid van Meditatieve Stabilisatie
is een deugdzame, op één punt gerichte
bewustzijnstoestand die is gefixeerd op zijn onderwerp van meditatie
zonder te worden afgeleid door andere dingen. –
2:210
Over de Volmaaktheid van Wijsheid zegt hij:
In het algemeen is wijsheid het scherp onderscheiden
van de feitelijke staat van zijn van het te analyseren onderwerp,
maar in dit verband verwijst wijsheid naar vaardigheid in de vijf
onderwerpen van kennis, enz. De Niveaus van het bodhisattvaschap
verklaart:
Weet dat de wijsheid van de bodhisattva een grondige
analyse is van verschijnselen, die zich bezighoudt of heeft beziggehouden
met alles wat men moet weten, en die plaatsvindt door zich te concentreren
op de vijf onderwerpen van kennis – boeddhistische kennis,
grammatica, logica, technische vaardigheden, en geneeskunde. –
2:211-2
Tsong-kha-pa spreekt verder over het belang van deze Volmaaktheden:
Alle bodhisattva’s die boeddhaschap
zullen bereiken, doen dat door te vertrouwen op de zes volmaaktheden.
De Niveaus van het bodhisattvaschap verklaart dit met nadruk aan het
eind van zijn bespreking van elk van de zes volmaaktheden. Daarom
dienen deze zes volmaaktheden gekend te worden als het ene pad dat
werd en wordt gegaan door bodhisattva’s uit het verleden, het
heden en de toekomst. En omdat deze zes de grote oceaan van alle deugden
zijn, zijn ze de volmaakte kernpunten van beoefening.
– 2:223-4
Ieder hoofdstuk dat is gewijd aan de volmaaktheden bevat uitleg over
training en ontplooiing.
Tsong-kha-pa maakt in de Lam rim gebruik van een groot aantal
bronnen. Traditioneel moeten lama’s of studenten in religie over
hun onderwerpen debatteren op basis van de boeddhistische literatuur.
Dit materiaal werd goed begrepen door deze leraar, die op 17-jarige
leeftijd al werd erkend als een van de grootste leerlingen van het Tibetaanse
boeddhisme. Men vindt schitterend uitgedrukte gedachten in alle drie
de delen, maar deel twee gaat bijzonder diep in zijn inzichten en aanwijzingen
voor spirituele beoefening en het ontwikkelen van de geest van verlichting.
Weinig boeken geven op zo’n bekwame manier de essentie van het
spirituele leven weer door middel van praktische voorbeelden en geïnspireerde
spirituele aanwijzingen. Om de Lam rim te parafraseren: als
men het geluk heeft van een leven als mens met de gelegenheid om deze
dingen te bestuderen, dan dient men dit niet te verspillen. Neem de
tijd om deze schat aan juwelen te lezen.
Noten
- The Great Treatise on the Stages of the Path to
Enlightenment – Lam rim chen mo, Snow Lion Publications,
Ithaca, New York, 2004, isbn 1559391685, 295 blz., glossarium, bibliografie,
gebonden. Zie Sunrise mrt/apr 2002 voor een bespreking
van deel 1, en Sunrise herfst 2007 voor een bespreking
van deel 3.
- Overwinnaars zijn die volgelingen van Boeddha die
zichzelf hebben overwonnen.
|