Kom eens kijken! Theosofisch licht op de qabbalah
Sarah Belle Dougherty

 

Boekbespreking: Theosofie in de Qabbalah, Grace F. Knoche, Theosophical University Press Agency, Den Haag, verschijnt eind februari 2007, 191 blz., isbn 9789070328702, paperback, € 14,00.


De mystieke leringen van de Hebreeën dragen de kentekenen van de oude wijsheid-religie en komen overeen met de innerlijke leringen van de andere grote wereldreligies . . . Deze eenheid van essentie zou ons niet moeten verbazen wanneer we bedenken dat alle grote stelsels van denken en van onderzoek voortkomen uit eenzelfde bron: de broederschap van spiritueel hoogontwikkelde mensen en de innerlijke kern van ieder individu die identiek is met de kern van ieder ander wezen.
         – blz. 143

Wie zijn wij? Hoe is het universum ontstaan? Welke analogieën kunnen ons helpen de structuur en onderliggende verbanden ervan te begrijpen? Wat gebeurt er met ons bij het sterven? De esoterische wijsheid van de joden, die duizenden jaren mondeling en honderden jaren in geschreven vorm is doorgegeven, gaat diep in op deze vragen en levert karakteristieke en boeiende antwoorden. In Theosofie in de Qabbalah onderzoekt Grace F. Knoche enkele belangrijke filosofische onderwerpen daaruit in het licht van de hedendaagse theosofie, en probeert ze ‘uit het uitgebreide spectrum van qabbalistische literatuur die essentiële punten te distilleren die het stempel dragen van de archaïsche traditie’ (blz. vii). Haar heldere en tot nadenken stemmende onderzoek onthult tijdloze inzichten in een toegankelijke vorm.

Een hoofdthema van dit boek is het ontstaan en de innerlijke opbouw van de kosmos, en naar analogie ook van de mens. We verklaren tegenwoordig de geboorte van het heelal door te verwijzen naar de oerknal, of misschien naar God of goden die de kosmos vormgeven. De qabbalah behandelt dit vraagstuk door het beschrijven van emanatieprocessen. Haar meest bekende beeld is dat van een levensboom, gevormd uit tien sefiroth, dat ‘getallen’ of ‘emanaties’ betekent. ‘Deze sefiroth-boom is een symbool van de mens, van een atoom, ster, of elke andere hiërarchie. Hij geeft de qabbalistische manier weer om de reeks emanaties te beschrijven door middel waarvan het Ene, of de goddelijke monade van een wezen zich van binnenuit ontvouwt wanneer ze tot volledige belichaming komt’ (blz. 11).

Het manifestatieproces begint met drie ijle sluiers van niet-zijn: (1) ‘niet-iets-heid’ dat (2) het grenzeloze (’ein sof) of ruimte voortbrengt; hun vereniging brengt (3) het grenzeloze oorspronkelijke ongemanifesteerde licht voort. Omdat het oneindige en vormloze alleen door middel van analogieën kan worden aangeduid geeft de Zohar aan het grenzeloze namen zoals de Oude van de Ouden, Verborgene van de Verborgenen, Oudste van de Oudsten en Onbekende van alle Onbekenden.

De Zohar, de belangrijkste qabbalistische tekst, beschrijft het volgende stadium en zegt: ‘Toen de Onbekende van de Onbekenden zich wilde manifesteren begon hij door een punt voort te brengen: zolang dat lichtgevende punt niet uit zijn schoot was gekomen was de oneindige nog volledig onbekend en verspreidde geen licht’ (1:2a). Dit oorspronkelijke punt wordt met verschillende namen aangeduid: Sefirah (oorspronkelijke getal of emanatie), Kether (kroon), Witte Hoofd, Oude van Dagen of Macroprosopus (‘groot gezicht’, bron van alle ‘kleine gezichten’ of gemanifesteerde wezens).

Na te zijn samengetrokken tot een enkelvoudigheid zwelt het punt tot het ‘uitgezette of vloeiende punt’ om een tienvoudig universum voort te brengen, gevormd uit negen lagere sefiroth. De qabbalah geeft dit proces op veel manieren weer. Ze zegt bijvoorbeeld dat de eerste sefirah of Kether ‘uitzet en ‘een paleis’ maakt, dat wil zeggen, van binnenuit de volgende sefirah voortbrengt; hoewel die tweede sefirah een ‘paleis’ of ‘omhulsel’ of gewaad is voor de eerste sefirah, wordt deze zelf het ‘innerlijke licht’ voor de eropvolgende sefirah; . . .’ (blz. 18). Verscheidene hoofdstukken beschrijven de kenmerken van deze sefiroth, hun emanatie vanuit elkaar, hun onderlinge verbanden en groeperingen in triaden, paren, zuilen en twee ‘gezichten’. Zoals bij andere qabbalistische leringen is dit emanatiestelsel van toepassing op iedere entiteit: ‘Omdat de sefiroth-boom niet alleen betrekking heeft op de kosmos als geheel maar ook op ieder levend wezen, bevindt deze weg zich ook in ieder van ons’ (blz. 52).

Enkele hoofdstukken behandelen twee andere qabbalistische reeksen van emanaties vanuit het grenzeloze: de vier werelden of ‘olamim, en de vier Adams. ‘Olam betekent ‘verbergen of verstoppen’, ook een ‘verborgen tijd’ of bestaansperiode (het woord wordt vaak als ‘eeuwigheid’ vertaald, hoewel het van oudsher veeleer een lange periode dan tijd zonder einde betekende). In dit verband is een ‘olam ‘een wereld of toestand van zijn waarin mensen of andere entiteiten een bepaalde tijd doorbrengen en zo in de ruimte een aantal ervaringen hebben.’ Het lijkt op het hindoe-woord loka zoals dit in theosofische literatuur wordt gebruikt. De vier Adams vertegenwoordigen de bewustzijnskant van de manifestatie, zodat

wanneer ze vanuit het standpunt van de entiteiten worden bekeken die deze werelden of gebieden bewonen en bezielen, ze de Adams worden genoemd; wanneer ze worden beschouwd als de werelden waarop en waarin entiteiten zich ontwikkelen, worden ze de ‘olamim genoemd. Verder heeft ieder van de Adams zijn eigen sefiroth-levensboom waarin en door middel waarvan hij de tienvoudige eigenschappen van het bewustzijn ervaart.     – blz. 54

Elk van de vier ‘olamim is meer stoffelijk dan de eraan voorafgaande: de eerste bracht de tweede wereld voort als zijn omhulsel, de tweede bracht de derde wereld voort als zijn omhulsel, en de vierde (onze stoffelijke wereld, genaamd de wereld van omhulsels of schillen) is de drager of het omhulsel van al de overige. Deze bestaanssferen verhouden zich tot elkaar zoals onze spirituele, psychische en astraal-vitale aspecten elkaar wederzijds doordringen. In feite ‘heeft elk van de vier ‘olamim volgens de Zohar zijn plaats in de individuele mens en elk komt overeen met één van de vier basisbeginselen van de menselijke constitutie’ (blz. 57). Deze menselijke beginselen worden in dit nummer besproken in een fragment uit Theosofie in de Qabbalah, beginnend op blz. 10 van deze Sunrise.

In iedere wereld stelt een ontvouwde tienvoudige sefiroth-boom de levensrijken voor. Afhankelijk van of we de stoffelijke of bewustzijnkant als dominerend beschouwen, kunnen we de boom opvatten als afgeleid van een specifieke ‘olam, of we kunnen de ‘olam beschouwen als een weerspiegeling van de eigenschappen en de aard van zijn levensboom; want zoals Grace Knoche naar voren brengt: ‘we kunnen misschien even nauwkeurig zeggen dat elk van de vier sefiroth-bomen tenslotte zijn overeenkomstige ‘olam emaneert of ontwikkelt als zijn werkterrein gedurende de manifestatie’ (blz. 59).

Een ander bekend qabbalistisch onderwerp is dat van de archetypen; dit houdt in dat de zaden ‘van toekomstige werelden en mensheden besloten liggen in ’Adam Qadmon [de oorspronkelijke of Hemelse Adam], niet als fysieke elementen maar als spirituele energieën’ of tegenhangers (blz. 72). De Zohar zegt:

Toen dit laatste werk bijna gereed was, waren alle dingen in deze wereld, alle schepsels van het heelal, in welke eeuw ze ook zouden bestaan, voordat ze ooit deze wereld binnengingen, in hun ware vorm ten overstaan van God aanwezig.     – 3:61b

Dit klopt met het idee dat alles in de fysieke wereld ‘een hogere en verheven tegenhanger heeft in de hemelse sferen’ (blz. 28), een verband dat zelfs voor het menselijke lichaam waar is, want de Zohar zegt:

Zoals we in het alles-overkoepelende firmament sterren en planeten zien die verschillende figuren vormen die verborgen zaken en diepzinnige mysteries bevatten, evenzo zijn er op de huid die ons lichaam bedekt bepaalde figuren en lijnen die de planeten en sterren van ons lichaam zijn. Al deze tekens hebben een verborgen betekenis en trekken de aandacht van de wijze die het gezicht van een mens kan lezen.     – 2:76a

Het laatste hoofdstuk gaat over qabbalistische leringen over slaap, dromen, bewustzijnstoestanden na de dood, inwijding en het spirituele pad. Na de fysieke dood, die dertig dagen van tevoren aan de ziel wordt voorspeld, ziet de overledene een overzicht van zijn leven dat dan door engelen wordt opgeschreven waarna het verslag door de overledene wordt ondertekend. Na zuivering in de Hades-achtige She’ol en de vlammende Gehenna kleden zielen met voldoende verdienste zich in gewaden die zijn gemaakt van hun goede gedachten en daden:

Na de dood worden onze dagen geteld, en er moet tenminste een meerderheid van goede dagen zijn om op te stijgen naar de hogere sferen. Het gewaad waarin de ziel voor de Almachtige verschijnt wordt gevormd door die dagen en is magnifiek of het tegenovergestelde daarvan, afhankelijk van de kwaliteit van elke dag van het leven op aarde. Die dagen die door zonden zijn verspild, ontbreken en maken het gewaad onvolmaakt. Als er veel ontbreken, dan heeft de ziel in de andere wereld geen kleding. Bovendien wordt ze in Gehenna voor iedere ontbrekende dag vele dagen gestraft.     – blz. 130

Zodra de ziel opstijgt naar de Lagere Eden wordt haar geest of neshamah gezuiverd in een reinigende rivier van vuur alvorens ze de Hogere Eden of het Paradijs binnengaat, gekleed in een gewaad gemaakt van haar spirituele toewijding en oprechtheid.

Er is hier geen ruimte om nader in te gaan op andere boeiende onderwerpen die worden behandeld, zoals de symboliek van de Hemelse Adam, verdeeld in een hogere en een lagere, ‘waarbij de schedel, het haar, de ogen, oren, neusgaten, mond en baard, en ook de andere delen van de Oude van Dagen worden gebruikt om een beeld te geven van het tot manifestatie komen van de tienvoudige krachten van een sefiroth-boom vanuit de oneindigheid van ’ein sof’ (blz. 83).

Hoewel lang verborgen gehouden ten behoeve van de weinigen, heeft de joodse mystieke traditie niettemin een diepe uitwerking gehad op het Europese denken, niet alleen in het vroege christendom zelf, maar ook vanaf de middeleeuwen. In het midden van de vijftiende eeuw begon er een periode van 200 jaar van bijzonder intensieve qabbalistische invloed op denkers zoals Pica della Mirándola, Agrippa, Paracelsus, Van Helmont, Johann Reuchlin, Heinrich Khunrath, Athanasius Kircher en Jakob Böhme, later gevolgd door Francis Bacon, Kepler, Spinoza, Leibniz en Newton. Tegenwoordig hebben we het geluk makkelijk toegang te hebben tot veel qabbalistische teksten en denkrichtingen die daarover uitleg verschaffen. Theosofie in de Qabbalah biedt een scherpzinnige introductie tot deze belangrijke traditie.

 
Andere artikelen over de kabbala
 

Uit het tijdschrift Sunrise winter 2007

© 2006 Theosophical University Press Agency