Verzonken continenten & continentverschuiving
David Pratt

Online editie

Vertaling van: Sunken continents versus continental drift

isbn 978-90-70328-74-0, paperback, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever iets worden overgenomen.

© 2009  Theosophical University Press Agency,
Den Haag

E-boek 2010 PDF (2,5 MB)

 


Inhoud

Deel 1

Deel 2

Bijlagen   


 

Inleiding

Dat werelden (ook rassen) periodiek afwisselend door vuur (vulkanen en aardbevingen) en water worden vernietigd en hernieuwd, is een leer zo oud als de mens. . . . Al twee keer is het oppervlak van de aarde veranderd door vuur, en twee keer door water, sinds de mens erop verscheen. Zoals het land rust, vernieuwing, nieuwe krachten en een verandering van de bodem nodig heeft, heeft het water dat ook. Daaruit vloeit een periodieke herverdeling van land en water, verandering van klimaten, enz., voort, die alle worden teweeggebracht door geologische omwentelingen en tenslotte eindigen in een verandering van de aardas.
      – H.P. Blavatsky, De Geheime Leer, 2:825

In de tweede helft van de 19de eeuw, toen de bovenstaande passage werd geschreven, werd het denkbeeld van verzonken continenten door veel vooraanstaande geologen geaccepteerd. Dit bleef zo tot ver in de 20ste eeuw, hoewel de gedachte geleidelijk uit de mode begon te raken. Rond 1965 vond in de aardwetenschappen de ‘revolutie’ van de platentektoniek plaats. De platentektoniek ontkent resoluut dat grote landmassa’s zich kunnen verheffen van de bodem van de oceaan of tot op oceanische diepte kunnen verzinken.

Volgens de platentektoniek is de buitenste schil van de aarde, de lithosfeer, verdeeld in een aantal grote, starre, bewegende platen die aan hun grenzen op elkaar inwerken, waar ze samenkomen, uiteengaan of langs elkaar schuiven. Deze interacties zouden verantwoordelijk zijn voor het grootste deel van de seismische en vulkanische activiteit van de aarde. Platen die tegen elkaar botsen leiden tot het verrijzen van bergen, en waar platen uiteengaan breken continenten in stukken en ontstaan oceanen. De continenten rusten passief op de platen en drijven met hen mee, met een snelheid van een paar centimeter per jaar. Aan het eind van het perm, zo’n 250 miljoen jaar geleden,* zouden alle huidige continenten aaneengesloten zijn geweest in één supercontinent, Pangea, bestaande uit twee grote landmassa’s: Laurazië in het noorden en Gondwanaland in het zuiden. Pangea zou zijn begonnen uiteen te vallen in de vroege jura, wat tenslotte leidde tot de configuratie van oceanen en continenten zoals we die nu kennen.

*Alle data in dit boekje zijn officiële, ‘wetenschappelijke’ data. Voor de overeenkomstige theosofische data, zie Bijlage 1.

Er is gezegd dat ‘een hypothese die aantrekkelijk is vanwege haar eenheid en eenvoud als een filter werkt, waarbij men bevestigende gegevens gemakkelijk aanvaardt, maar de neiging heeft bewijsmateriaal dat niet lijkt te passen te verwerpen’. Sommige voorstanders van de platentektoniek hebben toegegeven dat er eind jaren 60 een ware hype ontstond, en dat aan de gegevens die niet in het nieuwe model pasten onvoldoende aandacht werd besteed, wat leidde tot een verontrustend dogmatisme. Volgens één criticus is de geologie ‘een slap mengsel van beschrijvend onderzoek en interpretatieve artikelen geworden waarbij de interpretatie bestaat uit het volgen van eenvoudige kookboekrecepten voor platentektoniek-begrippen . . . die met evenveel overtuiging worden toegepast als trigonometrische functies’.1 Een modern geologisch leerboek geeft toe dat ‘geologen, evenals andere mensen, vatbaar zijn voor rages’.2

V.A. Saull wees erop dat geen enkel wereldomvattend tektonisch model ooit als definitief moet worden beschouwd, omdat geologische en geofysische waarnemingen bijna altijd op alternatieve manieren kunnen worden verklaard. Hij zei ook dat zelfs als de platentektoniek onjuist is, ze moeilijk zou zijn te weerleggen en te vervangen, en wel om de volgende redenen: de processen die verantwoordelijk zouden zijn voor de platendynamiek zijn geworteld in gebieden van de aarde die zo slecht bekend zijn dat het moeilijk is om daarvoor een bepaald model te bewijzen of te weerleggen; de harde kern van het geloof in de platentektoniek wordt tegen rechtstreekse aanvallen beschermd door hulphypothesen die nog steeds worden ontwikkeld; en er wordt zo algemeen aangenomen dat het platenmodel juist is dat het lastig is om alternatieve interpretaties in de wetenschappelijke literatuur gepubliceerd te krijgen.3

In het eerste nummer van de New Concepts in Global Tectonics Newsletter, dat in december 1996 verscheen, schreven de redacteurs J.M. Dickins en D.R. Choi:

in de jaren 50 en 60 werd de nieuwe theorie van de platentektoniek door ‘geofysici’ (d.w.z. fysici) en vooral jonge geologen met weinig ervaring en weinig verstand van en respect voor de bestaande geologie naar voren geschoven. Hoewel de theorie simplistisch en feitelijk slecht onderbouwd was, werd ze als alomvattend afgeschilderd door haar aanhangers, die op een agressieve, intolerante, dogmatische en soms, helaas, onscrupuleuze manier te werk gingen. De meeste geologen, die vooral op lokale of regionale schaal kennis hadden opgedaan, voelden zich heel onzeker toen ze geconfronteerd werden met een nieuwe ‘universele’ theorie die over de wereld raasde en aantrekkelijk was omdat ze de geologie een prestige gaf dat sinds de 19de eeuw niet was geëvenaard.

Door haar ideologische invloed en kracht heeft de platentektoniek veel goed gefundeerde gegevens opzijgeschoven alsof ze nooit hadden bestaan, ze heeft veel onderzoeksterreinen belemmerd en ze heeft geleid tot de onderdrukking of manipulatie van gegevens die de theorie niet steunen. Na verloop van tijd is de werkwijze bekrompen, eentonig en afgestompt geworden: een catechismus die te vaak wordt herhaald. Naarmate nieuwe gegevens naar voren zijn gekomen, is er een groeiende scepsis over de theorie ontstaan.
      – www.ncgt.org

De platentektoniek heeft steeds meer kritiek te verduren gekregen naarmate de hoeveelheid anomalieën is toegenomen. Er wordt hierna aangetoond dat de theorie te kampen heeft met enkele fundamentele – en in feite fatale – problemen.

 

Platentektoniek – een mislukte revolutie

Bewegende platen?

Volgens het klassieke model van de platentektoniek bewegen lithosferische platen zich voort over een relatief plastische laag van gedeeltelijk gesmolten gesteente, bekend als de asthenosfeer. De lithosfeer, die bestaat uit de aardkorst en het bovenste deel van de mantel, zou onder de oceanen gemiddeld ongeveer 70 km dik zijn en onder de continenten 100 tot 250 km dik. Dit model wordt onderuitgehaald door de seismische tomografie, die driedimensionale beelden maakt van het binnenste van de aarde. Ze laat zien dat de oudste delen van de continenten diepe wortels hebben die zich tot een diepte van 400 tot 600 km uitstrekken, en dat daaronder de asthenosfeer meestal ontbreekt. Uit seismisch onderzoek blijkt dat er zelfs onder de oceanen geen ononderbroken asthenosfeer is, alleen asthenosferische lenzen die niet met elkaar verbonden zijn.

De korst en het bovenste deel van de mantel hebben een zeer complexe, onregelmatige structuur; ze worden door breuklijnen verdeeld in een mozaïek van afzonderlijke, tegen elkaar stotende blokken van verschillende vorm en omvang, en van uiteenlopende interne structuur en sterkte. N.I. Pavlenkova concludeert: ‘Dit betekent dat het bewegen van lithosferische platen over grote afstanden, als afzonderlijke starre lichamen, nauwelijks mogelijk is. Als we ook rekening houden met de afwezigheid van de asthenosfeer als één ononderbroken zone, dan schijnt zo’n beweging geheel onmogelijk te zijn.’1 Hoewel het denkbeeld van dunne lithosferische platen die zich duizenden kilometers over een wereldwijde asthenosfeer voortbewegen onhoudbaar is, blijven de meeste geologische leerboeken dit simplistische model verkondigen zonder één woord te reppen over de tekortkomingen ervan.

Afbeelding 1. Seismotomografische dwarsdoorsnede van de Noord-Amerikaanse kraton en de Noord-Atlantische Oceaan. De lithosfeer met hoge seismische snelheden (kouder), weergegeven door donkere kleuren, bevindt zich onder het Canadese schild tot een diepte van 250 tot 500 km.2 (Herdrukt met toestemming van de American Geophysical Union.)

Aanvankelijk beweerde men dat mantelconvectiestromingen die onder mid-oceanische ruggen omhoogkomen en onder oceaantroggen omlaaggaan, de drijvende kracht van de plaatbewegingen vormen. Platentektonici verwachtten dat de seismotomografie duidelijke bewijzen zou leveren voor een goed gestructureerd convectiecel-patroon, maar ze heeft in feite sterke aanwijzingen tegen het bestaan van grote plaat-aandrijvende convectiecellen in de mantel opgeleverd. De favoriete plaat-aandrijvende mechanismen op dit moment zijn hellingkrachten bij oceanische ruggen en trekkrachten bij subducerende platen, maar de toereikendheid ervan is zeer twijfelachtig. Het lijkt bijvoorbeeld ondenkbaar dat de gravitatiekrachten die werkzaam zijn op de hellingen van de Mid-Atlantische Rug, sterk genoeg zijn om de hele 120 brede Euraziatische ‘plaat’ te doen bewegen.

Er worden op dit moment 13 grote platen erkend, waarvan de grootte varieert van circa 400 bij 2500 km tot 10.000 bij 10.000 km, en ook een snel groeiend aantal microplaten (meer dan 100 tot nu toe). Plaatgrenzen worden voornamelijk op basis van aardbevingen en vulkanische activiteit vastgesteld. Een nauwe correspondentie tussen plaatranden en zones van aardbevingen en vulkanen valt dus te verwachten, en dit kan nauwelijks als een van de ‘successen’ van de platentektoniek worden beschouwd! Een groot probleem is dat verschillende ‘plaatgrenzen’ zuiver theoretisch zijn en niet lijken te bestaan, waaronder de noordwest-pacifische grens van de Grote-Oceaan-plaat, Noord-Amerikaanse plaat en Euraziatische plaat, de zuidelijke grens van de Filipijnse plaat, een deel van de zuidelijke grens van de Grote-Oceaan-plaat, en het grootste deel van de noordelijke en zuidelijke grenzen van de Zuid-Amerikaanse plaat.

 

Continentverschuiving

Uit geologisch veldonderzoek blijkt dat korstlagen onder bepaalde omstandigheden over een afstand van maximaal 200 km ten opzichte van elkaar kunnen worden geschoven. Maar de platentektoniek gaat veel verder en beweert dat hele continenten sinds het veronderstelde uiteenvallen van Pangea zich 7000 km of meer hebben verplaatst. Satellietmetingen van korstbewegingen zijn door sommige geologen bejubeld als bewijzen voor de platentektoniek. Deze metingen geven een indicatie van lokale en regionale spanningen in de korst, maar leveren geen bewijs voor de soort plaatbewegingen die door de platentektoniek wordt voorspeld tenzij de verwachte relatieve bewegingen tussen alle platen worden bevestigd. Maar uit veel van de resultaten blijkt geen duidelijk patroon; ze zijn verwarrend en tegenstrijdig, wat tot een veelheid van willekeurige aanpassingen van de platentheorie heeft geleid. De afstand tussen het midden van het centrale deel van de Zuid-Amerikaanse Andes en Japan of Hawaii, bijvoorbeeld, is min of meer constant, terwijl de platentektoniek voorspelt dat de afstand aanzienlijk zou moeten toenemen. Het extrapoleren van de huidige bewegingen van de aardkorst tot tientallen of honderden miljoenen jaren in het verleden of de toekomst is een bijzonder hachelijke zaak.

Een ‘overtuigend’ bewijs dat alle continenten ooit in één uitgestrekte landmassa verenigd waren, zou zijn dat ze als stukjes van een legpuzzel in elkaar kunnen worden gepast. Maar hoewel er veel reconstructies zijn gemaakt, is geen van deze in alle opzichten aanvaardbaar. De door een computer gegenereerde reconstructie van Bullard e.a., bijvoorbeeld, vertoont een aantal opvallende gebreken. Het hele Midden-Amerika en een groot deel van het zuiden van Mexico – een gebied van ongeveer 2.100.000 km2 – zijn weggelaten omdat ze Zuid-Amerika overlappen. De hele West-Indische archipel is ook weggelaten. In feite bevindt zich onder een groot deel van het Caribisch gebied oude continentale korst, en de totale oppervlakte daarvan, 300.000 km2, overlapt Afrika. Onder het Kaap Verde-Senegal Bekken ligt eveneens oude continentale korst, wat nog een overlapping van 800.000 km2 oplevert. Verschillende grote onderzeese structuren die een continentale oorsprong lijken te hebben worden ook genegeerd, waaronder de Faeröer-IJsland-Groenland-rug, Jan-Mayen-rug, Walvis-rug, Rio Grande-drempel en het Falkland-plateau.

Afbeelding 2. De Bullard-reconstructie. Deze afbeelding toont een aantal overlappingen en gapingen in het zwart, maar negeert andere overlappingen die meer dan 3 miljoen vierkante kilometer beslaan.3 (Herdrukt met toestemming van The Royal Society.)

Evenals in de Bullard-reconstructie wordt in de reconstructie van Smith & Hallam geprobeerd de continenten van Gondwanaland in elkaar te passen langs de 1 km dieptecontour van het continentaal plat. De Zuid-Orkneys en Zuid-Georgia zijn weggelaten, evenals Kerguelen in de Indische Oceaan, en er is een grote gaping ten westen van Australië. Door evenals bij andere reconstructies India te laten aansluiten met Australië, blijft er een overeenkomstige gaping in de westelijke Indische Oceaan. Dietz & Holden baseerden hun reconstructie op de 2 km dieptecontour, maar ook dan moeten ze het plateau van Florida en de Bahama’s weglaten, waarbij ze het bewijsmateriaal negeren dat dit van vóór het begin van de veronderstelde continentverschuiving dateert. In veel gebieden schijnt de grens tussen continentale en oceanische korst zich te bevinden op een oceaandiepte van 2 tot 4 (of meer) km, en op sommige plaatsen is de overgangszone tussen oceaan en continent enkele honderden kilometers breed. Dit betekent dat elke reconstructie die op willekeurig gekozen dieptecontouren is gebaseerd, niet deugt. Gezien de vrijheden die continentverschuivers zich hebben moeten veroorloven om de gewenste aaneensluiting van de continenten voor elkaar te krijgen, lijkt het erop dat hun computergegenereerde reconstructies waardeloos zijn.

Het verloop van de continentale contouren vertoont vaak zoveel overeenkomst dat veel kusten heel goed in elkaar kunnen worden gepast, hoewel ze nooit naast elkaar kunnen hebben gelegen. Oost-Australië past bijvoorbeeld goed in oostelijk Noord-Amerika, en er zijn ook opmerkelijke geologische en paleontologische overeenkomsten, waarschijnlijk veroorzaakt door de gelijksoortige tektonische achtergronden van de twee gebieden. De geologische overeenkomsten van tegenover elkaar liggende Atlantische kusten kunnen het gevolg zijn van het feit dat de gebieden tot dezelfde tektonische gordel hebben behoord, maar de verschillen – die zelden worden genoemd – zijn voldoende om aan te tonen dat de gebieden zich in ver uiteenliggende delen van de gordel bevonden. H.P. Blavatsky beschouwde de overeenkomsten in bepaalde perioden tussen de geologische structuur, fossielen en het zeeleven van de tegenover elkaar liggende kusten van de Atlantische Oceaan als bewijs dat ‘er in verre voorhistorische tijden een continent was dat zich uitstrekte van de kust van Venezuela over de Atlantische Oceaan tot de Canarische Eilanden en Noord-Afrika, en van Newfoundland bijna tot de kust van Frankrijk’.4

Een van de belangrijkste steunpilaren van continentverschuiving is het paleomagnetisme – de studie van het magnetisme van oude gesteenten en sedimenten. Voor elk continent kan het pad dat de pool schijnbaar heeft gevolgd worden bepaald, en deze paden worden in die zin geïnterpreteerd dat de continenten zich over grote afstanden hebben verplaatst. Paleomagnetisme is echter heel onbetrouwbaar en leidt vaak tot onlogische en tegenstrijdige resultaten. Paleomagnetische gegevens impliceren bijvoorbeeld dat tijdens het midden-krijt Azerbeidzjan en Japan zich op dezelfde plaats bevonden! Wanneer de afzonderlijke paleomagnetische posities van de pool op wereldkaarten worden uitgezet, in plaats van gemiddelden, is de spreiding enorm, en vaak breder dan de Atlantische Oceaan.

Een van de uitgangspunten van het paleomagnetisme is dat gesteenten de magnetisering behouden die ze verkrijgen op het moment dat ze worden gevormd. In werkelijkheid kan het magnetisme van gesteenten worden gewijzigd door later magnetisme, verwering, metamorfose, tektonische vervorming en scheikundige processen. Horizontale en verticale rotaties van aardkorstbrokken maken het beeld nog gecompliceerder. Een andere twijfelachtige veronderstelling is dat het aardmagnetische veld gedurende lange tijdperioden een eenvoudige dipool (noord-zuid) veld benadert dat langs de draai-as van de aarde is gericht. Indien er in het verleden stabiele magnetische anomalieën van dezelfde intensiteit zijn geweest als de huidige Oost-Aziatische anomalie (of nog iets intenser), dan zou dit de hypothese van een geocentrische axiale dipool ongeldig maken.

Het ontstaan van de Atlantische Oceaan zou in het krijt zijn begonnen door het uiteengaan van de Amerikaanse en Euraziatische platen. Maar aan de andere kant van de aardbol is het noordoosten van Eurazië verbonden met Noord-Amerika door het Bering-Tsjoektsjen-plat, waaronder zich precambrische continentale korst bevindt die van Alaska tot Siberië ononderbroken doorloopt. Geologisch vormen deze gebieden een eenheid, en het is niet realistisch om te veronderstellen dat ze vroeger door een oceaan van enkele duizenden kilometers breed waren gescheiden, die zich heeft gesloten als gevolg van het zich openen van de Atlantische Oceaan. Als er daar geen sutuur (verbindingsnaad) is, dan zou men er één moeten vinden in Eurazië of Noord-Amerika, maar zo’n sutuur schijnt er niet te zijn. Evenzo geeft de geologie aan dat er in ieder geval sinds het einde van het paleozoïcum een rechtstreekse tektonische verbinding is geweest tussen Europa en Afrika over de zones van Gibraltar en het Rifgebergte aan de ene kant, en Calabrië en Sicilië aan de andere kant, en dit weerlegt de bewering van de platentektoniek dat er in die periode een grote verschuiving tussen Europa en Afrika heeft plaatsgevonden.

India zou zich ergens tijdens het mesozoïcum van Antarctica hebben losgemaakt, en dan tot wel 9000 km naar het noordoosten zijn verschoven tijdens een periode van maximaal 200 miljoen jaar, totdat het uiteindelijk in het midden-tertiair met Azië botste, waarbij de Himålaya en de Tibetaanse hoogvlakte omhoog zouden zijn geduwd. Dat Azië een inkeping zou hebben gehad van ongeveer de juiste vorm en grootte en op precies de juiste plaats voor India om ‘aan te meren’ zou neerkomen op een opmerkelijk toeval. Er zijn echter sluitende geologische en paleontologische bewijzen dat India sinds het precambrium een onlosmakelijk deel van Azië is geweest. Indien de lange reis van India werkelijk had plaatsgevonden, zou het miljoenen jaren lang een geïsoleerd eiland-continent zijn geweest – voldoende tijd om een eigen onmiskenbare endemische fauna te ontwikkelen. In plaats daarvan geven de fauna’s van het mesozoïcum en tertiair echter aan dat India gedurende deze periode heel dicht bij Azië lag, en niet bij Australië en Antarctica. Het lijkt erop dat de zogenaamde ‘vlucht van India’ niet meer dan een vlucht van fantasie is!

Er wordt vaak beweerd dat de platentektoniek kan bijdragen om klimaatveranderingen en de geografische verspreiding van planten en dieren in het verleden te verklaren. Uitvoerige studies hebben echter aangetoond dat het verschuiven van de continenten hooguit plaatselijke of regionale klimaten in een bepaalde periode kan verklaren, maar nooit het wereldklimaat in dezelfde periode. A.A. Meyerhoff e.a. toonden in een gedetailleerd onderzoek aan dat de meeste grote biogeografische grenzen, gebaseerd op de geografische verspreiding van planten- en diersoorten, niet samenvallen met de gedeeltelijk door computers gegenereerde plaatgrenzen. Deze onderzoekers merken op: ‘Het is vreemd dat men zulke grote tegenstrijdigheden tussen de beweringen van de platentektoniek en de resultaten van veldonderzoek, die grenzen betreffen die zich over duizenden kilometers uitstrekken, naast zich neerlegt, in plaats van ze te erkennen en onderzoeken.’ Vóór hun studie door de Geological Society of America werd gepubliceerd, werd een groep afgestudeerden in de aardwetenschappen uitgenodigd om het manuscript te bestuderen. Ze raakten zeer verontrust door wat ze lazen, en gaven als commentaar: ‘Als de resultaten van deze wereldwijde studie van biodiversiteit door de tijd heen juist zijn, en ze worden heel overtuigend gepresenteerd, dan kan veel van wat ons over platentektoniek wordt geleerd beter ‘klinkklare onzin’ worden genoemd.’5

Het is onwetenschappelijk een paar overeenkomsten van diersoorten uit verschillende continenten die ooit aaneengesloten zouden zijn geweest te selecteren en het veel grotere aantal verschillen te negeren.6 De verspreiding van fossiele organismen is meer in overeenstemming met een model van de aarde zoals ze nu is dan met modellen met continentverschuiving. Een deel van het paleontologische bewijsmateriaal schijnt een afwisselend oprijzen en verzinken van verspreidingsroutes over land te vereisen en wel na het veronderstelde uiteenvallen van Pangea. De verspreiding van zoogdieren, bijvoorbeeld, geeft aan dat er geen rechtstreekse fysieke verbindingen tussen Europa en Noord-Amerika waren tijdens het late krijt en paleoceen, maar wijst op een tijdelijke verbinding met Europa in het eoceen. Enkele continentverschuivers hebben erkend dat er met tussenpozen landbruggen moeten zijn geweest na de veronderstelde scheiding van de continenten. Diverse oceaanruggen, -drempels en -plateaus kunnen als landbruggen hebben gediend, want van vele is bekend dat ze op verschillende tijdstippen in het verleden gedeeltelijk boven water lagen. Er zijn steeds meer aanwijzingen dat deze landbruggen deel uitmaakten van grotere vroegere landmassa’s in de huidige oceanen (zie hieronder).

De huidige verdeling van land en zee kenmerkt zich door een aantal opvallende regelmatigheden. Ten eerste, de continenten schijnen meestal driehoekig te zijn, met hun spitse uiteinden naar het zuiden gericht. Ten tweede, de Noordelijke IJszee is bijna volledig omringd door land, waarvan drie continenten zich naar het zuiden uitstrekken, terwijl het continent op de zuidpool omringd is door water, met drie oceanen die zich naar het noorden uitstrekken. Ten derde, de oceanen en continenten zijn antipodisch geordend – dat wil zeggen, als er op een bepaalde plaats van de aardbol land is, dan schijnt er meestal zee te zijn in het tegenoverliggende gebied aan de andere kant van de aardbol.

De Noordelijke IJszee ligt precies tegenover Antarctica; Noord-Amerika ligt precies tegenover de Indische Oceaan; Europa en Afrika liggen tegenover het centrale deel van de Grote Oceaan; Australië ligt tegenover de noordelijke Atlantische Oceaan; en de zuidelijke Atlantische Oceaan ligt – hoewel minder precies – tegenover de oostelijke helft van Azië.* Slechts 7% van het aardoppervlak voldoet niet aan de antipodische regel. Als de continenten langzaam over duizenden kilometers naar hun huidige posities waren verschoven, zou de antipodische verdeling van land en zee als zuiver toeval moeten worden beschouwd. De antipodische ligging van land en zee weerspiegelt het tetraëdrische plan van de aarde. Als één hoek van de tetraëder in Antarctica wordt geplaatst, aan de zuidpool, dan liggen de andere drie in drie grote blokken van zeer oude, archaïsche gesteenten op het noordelijk halfrond: het Canadese schild, het Scandinavische schild en het Siberische schild, en de drie ribben komen overeen met de drie ongeveer noord-zuid liggende lijnen die door de drie paren van continenten lopen: Noord- en Zuid-Amerika, Europa en Afrika, Azië en Australië.†

*Rupert Sheldrake vergelijkt de aarde met een zich ontwikkelend organisme, en zegt dat het bestaan van een oceaan aan de noordpool en een continent aan de zuidpool het gevolg van een morfogenetisch proces kan zijn: ‘Een dergelijke morfologische polarisatie van een bolvormig lichaam komt in de biologie veel voor, bijvoorbeeld bij de vorming van polen in bevruchte eieren’ (The Rebirth of Nature, Bantam, 1991, blz. 161).
† J.W. Gregory dacht dat in het laat-paleozoïcum de tetraëder de andere kant op wees, met één hoek aan de noordpool. In plaats van een ononderbroken zuidelijke oceaangordel die driehoekige stukken land van elkaar scheidde, was er toen een zuidelijke landgordel, ondersteund door drie op gelijke afstand liggende hoekstenen: de archaïsche blokken van Zuid-Amerika, Zuid-Afrika en Australië.

Afbeelding 3. De antipodische verdeling van land en zee.7 (Herdrukt met toestemming van de Royal Geographical Society.)

Een ander belangrijk feit is dat de punten waar drie ‘plaatgrenzen’ (d.w.z. seismische gordels) elkaar ontmoeten zeer nauw samenvallen met de hoekpunten van een icosaëder, dat, net als de tetraëder, een van de vijf regelmatige veelvlakken of platonische lichamen is. Ook dit zou een opmerkelijk toeval zijn als de vorm en grootte van ‘platen’ zoveel veranderden als de platentektoniek beweert.

Afbeelding 4. Belangrijke seismotektonische gordels/‘plaatgrenzen’ (streepjeslijnen) vergeleken met een icosaëder.8 (Herdrukt met toestemming van de American Geophysical Union.)

 

Zeebodemspreiding en subductie

Volgens de hypothese van de zeebodemspreiding ontstaat nieuwe oceanische korst bij mid-oceanische ruggen door het opwellen van gesmolten materiaal uit de aardmantel, en als het magma afkoelt verspreidt het zich zijwaarts aan beide kanten van die ruggen. De horizontaal bewegende platen zouden dan terugduiken in de mantel in diepzeetroggen of ‘subductiezones’.

De oceaanbodem vertoont helemaal niet de uniforme kenmerken die men zou verwachten bij een transportbandachtige spreiding. De mantel is asymmetrisch ten opzichte van de mid-oceanische ruggen en heeft een ingewikkelde mozaïekstructuur die niet afhankelijk is van de richting van de rug. N.C. Smoot & A.A. Meyerhoff hebben aangetoond dat op bijna alle gepubliceerde wereldkaarten de oceaanbodem doelbewust zo is getekend dat de voorspellingen van de platentektoniek-hypothese worden weerspiegeld, terwijl de meest nauwkeurige kaarten die nu beschikbaar zijn op grote schaal worden genegeerd omdat ze niet in overeenstemming zijn met de vooroordelen van de platentektoniek.9 Side-scanning-radarbeelden tonen aan dat de mid-oceanische ruggen doorsneden zijn door duizenden lange, lineaire scheuren, spleten en breuken evenwijdig aan de ruggen. Dit wijst er sterk op dat zich onder de ruggen op geringe diepte onderling verbonden magmakanalen bevinden waarin halfvloeibare lava horizontaal beweegt en parallel aan de ruggen in plaats van loodrecht daarop.

De oudst bekende gesteenten van de continenten zijn ongeveer 4 miljard jaar oud, terwijl volgens de platentektoniek geen enkel deel van de aardkorst op de oceaanbodem ouder zou zijn dan 200 miljoen jaar (jura). Dit wordt geciteerd als overtuigend bewijs dat de oceanische korst voortdurend wordt aangemaakt bij de mid-oceanische ruggen en wordt verslonden in subductiezones. Er is in feite overvloedig bewijsmateriaal tegen de veronderstelde jonge leeftijd van de oceaanbodem, maar geologische leerboeken hebben de neiging hierover te zwijgen.

De bij het Deep Sea Drilling Project betrokken wetenschappers waren kennelijk gemotiveerd door een sterk verlangen om de zeebodemspreiding te bevestigen. Ze hebben de indruk gewekt dat het gevonden basalt onder de verschillende sedimentlagen op de bodem van veel diepzeeboorgaten, de onderste laag (‘basement’) is van de oceanische korst, en dat zich daaronder geen oudere sedimenten bevinden. Maar in sommige gevallen zijn er duidelijke aanwijzingen dat het basalt een latere intrusie is in de bestaande sedimenten. In de oceanische korst moet tot op een veel grotere diepte – tot 5 km – worden geboord om te zien of de onderste laag van de oceanische korst trias-, paleozoïcum- of precambrium-sedimenten en/of granitische continentale gesteenten bevat in plaats van alleen uit basaltische gesteenten te bestaan.

De platentektoniek voorspelt dat de leeftijd van de oceanische korst systematisch moet toenemen met de afstand tot de toppen van de mid-oceanische ruggen. De data vertonen echter een grote spreiding. Op een zeeberg even ten westen van de top van de Oostpacifische Rug lopen de radiometrische dateringen uiteen van 2,4 tot 96 miljoen jaar. Hoewel er een algemene trend waarneembaar is van jongere sedimenten aan de top van de rug tot oudere sedimenten verder daarvandaan, is dit in feite te verwachten, want de top is het hoogste en meest actieve deel van de rug; oudere sedimenten liggen waarschijnlijk begraven onder jonger vulkanisch gesteente. De basaltlaag in de oceanische korst wijst erop dat er ooit magma over de hele oceaan stroomde, maar dat vulkanisme later werd beperkt tot een steeds smallere zone geconcentreerd rond de toppen van de ruggen. Deze magmastromen gingen gepaard met een geleidelijk verzakken van de korst in grote delen van de huidige oceanen, te beginnen in de jura.

Afbeelding 5. Een plot van de ouderdom van gesteenten (in miljoen jaren) versus de afstand (in kilometers) tot de top van de Mid-Atlantische Rug (Meyerhoff e.a., 1996a). (Herdrukt met toestemming van Kluwer Academic Publishers.)

De talloze vondsten in de Atlantische, Grote en Indische Oceaan van gesteenten die veel ouder dan 200 miljoen jaar zijn, en waarvan vele continentale kenmerken hebben, leveren sterk bewijs tegen de veronderstelde jonge leeftijd van de onderliggende korst. In het equatoriale segment van de Mid-Atlantische Rug zijn talrijke ondiep-water-gesteenten en continentale gesteenten met een ouderdom tot 3,74 miljard jaar aangetroffen. Bij het bestuderen van St. Peter en Paul’s Rocks op de top van de Mid-Atlantische Rug iets ten noorden van de evenaar kwam 835 miljoen jaar oud gesteente aan het licht, samen met andere gesteenten die 350, 450 en 2000 miljoen jaar oud zijn, terwijl de gesteenten volgens het model van de zeebodemspreiding 35 miljoen jaar oud hadden moeten zijn.

Stenen die naar boven zijn gehaald in het gebied van Bald Mountain net ten westen van de top van de Mid-Atlantische Rug op 45 NB bleken tussen 1690 en 1550 miljoen jaar oud te zijn. 75% van de rotsmonsters bestond uit gesteente van een continentaal type, en de wetenschappers die dit onderzoek verrichtten zeiden dat dit een ‘opmerkelijk verschijnsel’ was – zo opmerkelijk dat ze besloten die rotsen als ‘losgelaten door ijsbergen’ te classificeren en er geen verdere aandacht aan te besteden! Een andere manier om vondsten van ‘afwijkende’ rotsen te behandelen is door ze af te doen als ballast van schepen. Het gebied van Bald Mountain heeft echter een volume van ongeveer 80 km3, en het is niet erg waarschijnlijk dat de hele berg op een ijsberg werd meegevoerd of door een schip werd gedumpt! In een poging ‘onmogelijk’ oude gesteenten en ‘abnormaal’ ondiepe of oprijzende korst in bepaalde delen van de ruggen weg te redeneren, hebben enkele platentektonici het denkbeeld verzonnen dat ‘zich niet spreidende blokken’ tijdens het splijten van een continent kunnen worden achtergelaten, en dat de spreidingsas en de daarmee samenhangende transformbreuken van plaats tot plaats kunnen verspringen.

Grote steun voor de theorie van de zeebodemspreiding zou worden verschaft door ‘oceanische magnetische anomalieën’ – ongeveer evenwijdige strepen van afwisselend hoge en lage magnetische intensiteit die kenmerkend zijn voor ongeveer 70% van de mid-oceanische ruggen. Volgens de hypothese van de platentektoniek wordt het vloeibare basalt dat langs de mid-oceanische ruggen omhoogkomt, en zich horizontaal verspreidt en afkoelt, door het aardmagnetisch veld gemagnetiseerd. Stroken van hoge intensiteit zouden zijn gevormd tijdens perioden met een normale magnetische polariteit en stroken met een lage intensiteit gedurende perioden met een omgekeerde polariteit. Oceaanboringen hebben dit simplistische model echter ernstig ondermijnd.

Er is een verband gelegd tussen lineaire magnetische anomalieën aan beide kanten van een rug, in verschillende delen van de oceanen, en radiometrisch gedateerde magnetische gebeurtenissen aan land. De resultaten zijn gebruikt om kaarten te maken die laten zien hoe de leeftijd van de oceaanbodem gestaag toeneemt met de afstand tot de as van de rug. Zoals hierboven is aangegeven kan dit eenvoudige beeld alleen worden volgehouden door de mogelijkheid van oudere sedimenten onder de basaltische laag te verwerpen en talrijke gesteenten met een ‘afwijkende’ ouderdom te negeren. De gestelde correlaties zijn grotendeels kwalitatief en subjectief, en zijn daarom heel verdacht. Meer gedetailleerde, kwantitatieve analysen hebben aangetoond dat de correlaties heel zwak zijn. Een meer waarschijnlijke verklaring van de magnetische strepen is dat ze zijn veroorzaakt door breukgerelateerde rotsstroken met verschillende magnetische eigenschappen, en niets te maken hebben met zeebodemspreiding.

 
Afbeelding 6. Boven: Een theoretische weergave van oceanische magnetische anomalieën uit een leerboek.10 (Herdrukt met toestemming van The McGraw-Hill Companies.) Onder: Gemeten patronen van magnetische anomalieën in de Noord-Atlantische Oceaan.11 Ten noorden van IJsland liggen de lineaire anomalieën niet parallel aan de mid-oceanische rug maar onder een schuine hoek ten opzichte daarvan. De rug is met zwarte stippen (aardbevingscentra) aangegeven. (Herdrukt met toestemming van de American Geophysical Union.)

Een opmerkelijk feit wat betreft oceanische magnetische anomalieën is dat ze ongeveer concentrisch zijn ten opzichte van archaïsche continentale schilden (d.w.z. continentale kernen die meer dan 2,5 miljard jaar oud zijn). Dit houdt in dat de meeste oceanische magnetische anomalieën – in plaats van een in de afgelopen 200 miljoen jaar vastgelegd verslag te zijn van de zeebodemspreiding en omkeringen van het aardmagnetisch veld – plekken zijn van oude breuken, die gedeeltelijk werden gevormd tijdens het proterozoïcum en zich sindsdien hebben vernieuwd. De gegevens laten verder zien dat de archaïsche continentale kernen ongeveer dezelfde posities ten opzichte van elkaar hebben sinds hun vorming – wat volstrekt in strijd is met continentverschuiving.

Benioff-zones zijn aardbevingszones die beginnen in een oceaantrog en landinwaarts schuin naar beneden de aarde in gaan. In de platentektoniek worden deze diepgewortelde breukzones geïnterpreteerd als ‘subductiezones’, waar platen afdalen in de mantel. Ze worden meestal afgebeeld als 100 km dikke platen die of onder een constante hoek afdalen of geleidelijk ombuigen van een geringe hoek nabij het aardoppervlak tot een hoek van tussen 60 en 75. Geen van deze weergaven is juist. Benioff-zones bestaan vaak uit twee afzonderlijke delen: een bovenste zone met een gemiddelde helling van 33 die zich uitstrekt tot een diepte van 70 tot 400 km, en een lagere zone met een gemiddelde helling van 60 die zich uitstrekt tot een diepte van maximaal 700 km. De bovenste en onderste segmenten zijn soms over een horizontale afstand van 100 tot 200 km ten opzichte van elkaar verschoven, en in één geval 350 km. Bovendien is er meestal een scheiding tussen diepe en ondiepe aardbevingen; er bestaan heel weinig aardbevingen in de tussenliggende zone. Veel onderzoeken wijzen op zowel transversale als verticale discontinuïteiten en segmentering in Benioff-zones. Het bewijsmateriaal steunt dus niet het idee van een ononderbroken omlaaggaande plaat.

Afbeelding 7. Dwarsdoorsneden door de Peru-Chili-trog (links) en de Bonin-Honshu-boog (rechts), waarop epicentra van aardbevingen te zien zijn.12 (Herdrukt met toestemming van de Geological Society of America.)

 

Afbeelding 8. Verspreiding van aardbevingen loodrecht op de Andes (15-30 ZB).13 De aangegeven ‘subducerende plaat’ lijkt grotendeels het product te zijn van fantasie.

Platentektonici houden vol dat het volume van de aardkorst dat op mid-oceanische ruggen ontstaat even groot is als het volume dat door subductie verdwijnt. Maar terwijl op 80.000 km mid-oceanische ruggen nieuwe korst zou worden gevormd, bestaan er maar 30.500 km troggen. Zelfs als we de 9000 km ‘botsingszones’ erbij optellen, is dit getal nog maar de helft van dat van de ‘spreidingscentra’. Op twee kleine uitzonderingen na ontbreken Benioff-zones aan de rand van de Atlantische Oceaan, Indische Oceaan, Noordelijke IJszee en de zuidelijke oceanen. Vanuit het oosten, zuiden en westen zouden er platen naar Afrika toe bewegen, maar dit continent levert geen enkel bewijs voor het bestaan van subductiezones of pas gevormde bergketens. Antarctica is ook bijna volledig omringd door zogenaamde ‘spreidingsruggen’ zonder overeenkomstige subductiezones, maar het vertoont geen enkel teken dat het in elkaar wordt gedrukt. Er is geopperd dat Afrika en Antarctica op hun plaats blijven terwijl het omringende stelsel van ruggen zich van hen af beweegt, maar dit zou betekenen dat de rug die de ‘plaatgrens’ tussen Afrika en Antarctica markeert tegelijkertijd in tegengestelde richtingen beweegt!

Als er door subductie echt tot 13.000 kilometer van de lithosfeer was verdwenen in diepzeetroggen rondom de Grote Oceaan dan zouden enorme hoeveelheden oceanische sedimenten van de oceaanbodem moeten zijn afgeschraapt en zich hebben opgestapeld aan de landzijde van de troggen. De sedimenten in de troggen komen in het algemeen echter niet voor in de vereiste volumes, noch vertonen ze de verwachte mate van vervorming. Scholl & Marlow, die voorstander zijn van de platentektoniek, gaven toe dat ze ‘werkelijk verbijsterd’ waren ‘dat er in de troggen geen overduidelijke bewijzen zijn voor subductie of het afschrapen van sedimenten’.14 Platentektonici hebben hun toevlucht moeten nemen tot het zeer twijfelachtige idee dat niet-verharde diep-oceanische sedimenten vloeiend in een Benioff-zone kunnen glijden zonder daarbij enige duidelijke sporen achter te laten. Subductie langs de troggen van de Grote Oceaan wordt ook weersproken door het feit dat de Benioff-zone vaak 80 tot 150 km landinwaarts vanaf de trog ligt; door seismische profielen die aantonen dat de onderste, precambrische korst onder de pacifische troggen direct doorloopt zonder enige subductie; door het feit dat precambrische continentale structuren zich voortzetten in de oceaanbodem; en door bewijzen voor verzonken continentale korst onder de noordwestelijke en zuidoostelijke Grote Oceaan, waar nu diepzeevlakten en troggen liggen.

Afbeelding 9. Interpretatie van een seismisch profiel van de Java-trog.15 Eenheden I en II lijken precambrisch te zijn en de breuken wijzen op trekspanningen in plaats van samendrukking, terwijl de lagen van eenheid III relatief onverstoord blijven. De subducerende plaat lijkt te ontbreken!

 

Afbeelding 10. Veel oude tektonische trends (lineaire zones van geologische structuren) lopen dwars door de grens tussen continenten en oceaanbodems, en tonen daarbij geen respect voor de mobilistische theorieën van de platentektoniek.16 NPM = noord-pacifische megatrend; CPM = centraal-pacifische megatrend; F.Z. = fracture zone (breukzone).

Een alternatieve kijk op de Benioff-zones is dat ze erg oude breuken zijn die zijn ontstaan door het afkoelen en samentrekken van de aarde. Het feit dat het bovenste deel van de Benioff-zones onder een hoek van minder dan 45 helt en het onderste deel onder méér dan 45 wijst erop dat de lithosfeer onder druk en het lagere deel van de mantel onder spanning staat. Omdat een samentrekkende bol de neiging heeft om te breken langs grootcirkels, kan dit een verklaring bieden voor het feit dat zowel de seismotektonische gordel rondom de Grote Oceaan als de gordel van de Alpen en de Himalaya (Tethys-gordel)* bij benadering op grootcirkels liggen.

*De gordel van de Alpen en Himalaya strekt zich uit van de Middellandse Zee tot de Grote Oceaan, en is ook zichtbaar in Midden-Amerika. Sommige aardwetenschappers geloven dat deze ooit wereldomspannend was. Blavatsky zegt dat de Himalaya-gordel inderdaad de aardbol omcirkelt, of deze nu onder of boven water ligt (De Geheime Leer, 2:452vn).

 

Verwijzingen

Inleiding
1. Paul D. Lowman, in: Chatterjee & Hotton, 1992, blz. 3.
2. D. McGeary & C.C. Plummer, Physical Geology: Earth revealed, WCB, McGraw-Hill, 3de ed, 1998, blz. 97.
3. V.A. Saull, ‘Wanted: alternatives to plate tectonics’, Geology, deel 14, 1986, blz. 536.

Platentektoniek – een mislukte revolutie
1. N.I. Pavlenkova, in: Barto-Kyriakidis, 1990, deel 1, blz. 78.
2. S.P. Grand, Journal of Geophysical Research, deel 92, 1987, blz. 14065-14090.
3. E.C. Bullard e.a., Royal Society of London Philosophical Transactions, Series A, deel 258, 1965, blz. 41-51.
4. H.P. Blavatsky, De Geheime Leer, TUPA, 1988, 2:899.
5. Meyerhoff e.a., 1996b, blz. 3.
6. C.J. Smiley, ‘Paleofloras, faunas, and continental drift: some problem areas’, in: Chatterjee & Hotton, 1992, blz. 241-257.
7. J.W. Gregory, ‘The plan of the earth and its causes’, The Geographical Journal, deel 13, 1899, blz. 225-250.
8. A. Spilhaus, ‘Geo-art: plate tectonics and Platonic solids’, American Geophysical Union Transactions, deel 56, 1975, blz. 52-57.
9. N.C. Smoot & A.A. Meyerhoff, ‘Tectonic fabric of the Atlantic Ocean floor: speculation vs. reality’, Journal of Petroleum Geology, deel 18, 1995, blz. 207-222.
10. McGeary & Plummer, Physical Geology: Earth revealed, blz. 78.
11. A.A. Meyerhoff & H.A. Meyerhoff, ‘ ‘The new global tectonics’: age of linear magnetic anomalies of ocean basins’, American Association of Petroleum Geologists Bulletin, deel 56, 1972, blz. 337-359.
12. H. Benioff, ‘Orogenesis and deep crustal structure – additional evidence from seismology’, Geological Society of America Bulletin, deel 65, 1954, blz. 385-400.
13. R. Teisseyre e.a., ‘Focus distribution in South American deep-earthquake regions and their relation to geodynamic development’, Physics of the Earth and Planetary Interiors, deel 9, 1974, blz. 290-305.
14. D.W. Scholl & M.S. Marlow, in: C.F. Kahle (Ed.), Plate Tectonics – Assessments and Reassessments (Memoir 23), American Association of Petroleum Geologists, 1974, blz. 268.
15. D.R. Choi, ‘Plate subduction is not the cause for the great Indonesian earthquake on December 26, 2004’, New Concepts in Global Tectonics Newsletter, nr. 34, 2005, blz. 21-26.
16. D.R. Choi, ‘Deep earthquakes and deep-seated tectonic zones. Part 2: South America’, New Concepts in Global Tectonics Newsletter, nr. 24, 2002, blz. 2-7.

 


Naar Deel 2

Verzonken continenten & continentverschuiving, blz. 1-25

© 2009  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag