Inleiding
Dat werelden (ook rassen) periodiek afwisselend
door vuur (vulkanen en aardbevingen) en water worden vernietigd en
hernieuwd, is een leer zo oud als de mens. . . . Al twee keer is het
oppervlak van de aarde veranderd door vuur, en twee keer door water,
sinds de mens erop verscheen. Zoals het land rust, vernieuwing, nieuwe
krachten en een verandering van de bodem nodig heeft, heeft het water
dat ook. Daaruit vloeit een periodieke herverdeling van land en water,
verandering van klimaten, enz., voort, die alle worden teweeggebracht
door geologische omwentelingen en tenslotte eindigen in een verandering
van de aardas.
– H.P. Blavatsky, De Geheime
Leer, 2:825
In de tweede helft van de 19de eeuw, toen de bovenstaande passage werd
geschreven, werd het denkbeeld van verzonken continenten door veel vooraanstaande
geologen geaccepteerd. Dit bleef zo tot ver in de 20ste eeuw, hoewel
de gedachte geleidelijk uit de mode begon te raken. Rond 1965 vond in
de aardwetenschappen de ‘revolutie’ van de platentektoniek
plaats. De platentektoniek ontkent resoluut dat grote landmassa’s
zich kunnen verheffen van de bodem van de oceaan of tot op oceanische
diepte kunnen verzinken.
Volgens de platentektoniek is de buitenste schil van de aarde, de lithosfeer,
verdeeld in een aantal grote, starre, bewegende platen die aan hun grenzen
op elkaar inwerken, waar ze samenkomen, uiteengaan of langs elkaar schuiven.
Deze interacties zouden verantwoordelijk zijn voor het grootste deel
van de seismische en vulkanische activiteit van de aarde. Platen die
tegen elkaar botsen leiden tot het verrijzen van bergen, en waar platen
uiteengaan breken continenten in stukken en ontstaan oceanen. De continenten
rusten passief op de platen en drijven met hen mee, met een snelheid
van een paar centimeter per jaar. Aan het eind van het perm, zo’n
250 miljoen jaar geleden,* zouden alle huidige continenten aaneengesloten
zijn geweest in één supercontinent, Pangea, bestaande
uit twee grote landmassa’s: Laurazië in het noorden en Gondwanaland
in het zuiden. Pangea zou zijn begonnen uiteen te vallen in de vroege
jura, wat tenslotte leidde tot de configuratie van oceanen en continenten
zoals we die nu kennen.
*Alle data in dit boekje zijn officiële, ‘wetenschappelijke’
data. Voor de overeenkomstige theosofische data, zie Bijlage
1.
Er is gezegd dat ‘een hypothese die aantrekkelijk is vanwege
haar eenheid en eenvoud als een filter werkt, waarbij men bevestigende
gegevens gemakkelijk aanvaardt, maar de neiging heeft bewijsmateriaal
dat niet lijkt te passen te verwerpen’. Sommige voorstanders van
de platentektoniek hebben toegegeven dat er eind jaren 60 een ware hype
ontstond, en dat aan de gegevens die niet in het nieuwe model pasten
onvoldoende aandacht werd besteed, wat leidde tot een verontrustend
dogmatisme. Volgens één criticus is de geologie ‘een
slap mengsel van beschrijvend onderzoek en interpretatieve artikelen
geworden waarbij de interpretatie bestaat uit het volgen van eenvoudige
kookboekrecepten voor platentektoniek-begrippen . . . die met evenveel
overtuiging worden toegepast als trigonometrische functies’.1
Een modern geologisch leerboek geeft toe dat ‘geologen, evenals
andere mensen, vatbaar zijn voor rages’.2
V.A. Saull wees erop dat geen enkel wereldomvattend tektonisch model
ooit als definitief moet worden beschouwd, omdat geologische en geofysische
waarnemingen bijna altijd op alternatieve manieren kunnen worden verklaard.
Hij zei ook dat zelfs als de platentektoniek onjuist is, ze moeilijk
zou zijn te weerleggen en te vervangen, en wel om de volgende redenen:
de processen die verantwoordelijk zouden zijn voor de platendynamiek
zijn geworteld in gebieden van de aarde die zo slecht bekend zijn dat
het moeilijk is om daarvoor een bepaald model te bewijzen of te weerleggen;
de harde kern van het geloof in de platentektoniek wordt tegen rechtstreekse
aanvallen beschermd door hulphypothesen die nog steeds worden ontwikkeld;
en er wordt zo algemeen aangenomen dat het platenmodel juist is dat
het lastig is om alternatieve interpretaties in de wetenschappelijke
literatuur gepubliceerd te krijgen.3
In het eerste nummer van de New Concepts in Global Tectonics Newsletter,
dat in december 1996 verscheen, schreven de redacteurs J.M. Dickins
en D.R. Choi:
in de jaren 50 en 60 werd de nieuwe theorie van de
platentektoniek door ‘geofysici’ (d.w.z. fysici) en vooral
jonge geologen met weinig ervaring en weinig verstand van en respect
voor de bestaande geologie naar voren geschoven. Hoewel de theorie
simplistisch en feitelijk slecht onderbouwd was, werd ze als alomvattend
afgeschilderd door haar aanhangers, die op een agressieve, intolerante,
dogmatische en soms, helaas, onscrupuleuze manier te werk gingen.
De meeste geologen, die vooral op lokale of regionale schaal kennis
hadden opgedaan, voelden zich heel onzeker toen ze geconfronteerd
werden met een nieuwe ‘universele’ theorie die over de
wereld raasde en aantrekkelijk was omdat ze de geologie een prestige
gaf dat sinds de 19de eeuw niet was geëvenaard.
Door haar ideologische invloed en kracht heeft de
platentektoniek veel goed gefundeerde gegevens opzijgeschoven alsof
ze nooit hadden bestaan, ze heeft veel onderzoeksterreinen belemmerd
en ze heeft geleid tot de onderdrukking of manipulatie van gegevens
die de theorie niet steunen. Na verloop van tijd is de werkwijze bekrompen,
eentonig en afgestompt geworden: een catechismus die te vaak wordt
herhaald. Naarmate nieuwe gegevens naar voren zijn gekomen, is er
een groeiende scepsis over de theorie ontstaan.
– www.ncgt.org
De platentektoniek heeft steeds meer kritiek te verduren gekregen naarmate
de hoeveelheid anomalieën is toegenomen. Er wordt hierna aangetoond
dat de theorie te kampen heeft met enkele fundamentele – en in
feite fatale – problemen.
Platentektoniek – een
mislukte revolutie
Bewegende platen?
Volgens het klassieke model van de platentektoniek bewegen lithosferische
platen zich voort over een relatief plastische laag van gedeeltelijk
gesmolten gesteente, bekend als de asthenosfeer. De lithosfeer, die
bestaat uit de aardkorst en het bovenste deel van de mantel, zou onder
de oceanen gemiddeld ongeveer 70 km dik zijn en onder de continenten
100 tot 250 km dik. Dit model wordt onderuitgehaald door de seismische
tomografie, die driedimensionale beelden maakt van het binnenste van
de aarde. Ze laat zien dat de oudste delen van de continenten diepe
wortels hebben die zich tot een diepte van 400 tot 600 km uitstrekken,
en dat daaronder de asthenosfeer meestal ontbreekt. Uit seismisch onderzoek
blijkt dat er zelfs onder de oceanen geen ononderbroken asthenosfeer
is, alleen asthenosferische lenzen die niet met elkaar verbonden zijn.
De korst en het bovenste deel van de mantel hebben een zeer complexe,
onregelmatige structuur; ze worden door breuklijnen verdeeld in een
mozaïek van afzonderlijke, tegen elkaar stotende blokken van verschillende
vorm en omvang, en van uiteenlopende interne structuur en sterkte. N.I.
Pavlenkova concludeert: ‘Dit betekent dat het bewegen van lithosferische
platen over grote afstanden, als afzonderlijke starre lichamen, nauwelijks
mogelijk is. Als we ook rekening houden met de afwezigheid van de asthenosfeer
als één ononderbroken zone, dan schijnt zo’n beweging
geheel onmogelijk te zijn.’1 Hoewel
het denkbeeld van dunne lithosferische platen die zich duizenden kilometers
over een wereldwijde asthenosfeer voortbewegen onhoudbaar is, blijven
de meeste geologische leerboeken dit simplistische model verkondigen
zonder één woord te reppen over de tekortkomingen ervan.
 |
| Afbeelding 1. Seismotomografische
dwarsdoorsnede van de Noord-Amerikaanse kraton en de Noord-Atlantische
Oceaan. De lithosfeer met hoge seismische snelheden (kouder), weergegeven
door donkere kleuren, bevindt zich onder het Canadese schild tot
een diepte van 250 tot 500 km.2 (Herdrukt
met toestemming van de American Geophysical Union.) |
Aanvankelijk beweerde men dat mantelconvectiestromingen die onder mid-oceanische
ruggen omhoogkomen en onder oceaantroggen omlaaggaan, de drijvende kracht
van de plaatbewegingen vormen. Platentektonici verwachtten dat de seismotomografie
duidelijke bewijzen zou leveren voor een goed gestructureerd convectiecel-patroon,
maar ze heeft in feite sterke aanwijzingen tegen het bestaan
van grote plaat-aandrijvende convectiecellen in de mantel opgeleverd.
De favoriete plaat-aandrijvende mechanismen op dit moment zijn hellingkrachten
bij oceanische ruggen en trekkrachten bij subducerende platen, maar
de toereikendheid ervan is zeer twijfelachtig. Het lijkt bijvoorbeeld
ondenkbaar dat de gravitatiekrachten die werkzaam zijn op de hellingen
van de Mid-Atlantische Rug, sterk genoeg zijn om de hele 120¾ brede
Euraziatische ‘plaat’ te doen bewegen.
Er worden op dit moment 13 grote platen erkend, waarvan de grootte
varieert van circa 400 bij 2500 km tot 10.000 bij 10.000 km, en ook
een snel groeiend aantal microplaten (meer dan 100 tot nu toe). Plaatgrenzen
worden voornamelijk op basis van aardbevingen en vulkanische activiteit
vastgesteld. Een nauwe correspondentie tussen plaatranden en zones van
aardbevingen en vulkanen valt dus te verwachten, en dit kan nauwelijks
als een van de ‘successen’ van de platentektoniek worden
beschouwd! Een groot probleem is dat verschillende ‘plaatgrenzen’
zuiver theoretisch zijn en niet lijken te bestaan, waaronder de noordwest-pacifische
grens van de Grote-Oceaan-plaat, Noord-Amerikaanse plaat en Euraziatische
plaat, de zuidelijke grens van de Filipijnse plaat, een deel van de
zuidelijke grens van de Grote-Oceaan-plaat, en het grootste deel van
de noordelijke en zuidelijke grenzen van de Zuid-Amerikaanse plaat.
Continentverschuiving
Uit geologisch veldonderzoek blijkt dat korstlagen onder bepaalde omstandigheden
over een afstand van maximaal 200 km ten opzichte van elkaar kunnen
worden geschoven. Maar de platentektoniek gaat veel verder en beweert
dat hele continenten sinds het veronderstelde uiteenvallen van Pangea
zich 7000 km of meer hebben verplaatst. Satellietmetingen van korstbewegingen
zijn door sommige geologen bejubeld als bewijzen voor de platentektoniek.
Deze metingen geven een indicatie van lokale en regionale spanningen
in de korst, maar leveren geen bewijs voor de soort plaatbewegingen
die door de platentektoniek wordt voorspeld tenzij de verwachte relatieve
bewegingen tussen alle platen worden bevestigd. Maar uit veel
van de resultaten blijkt geen duidelijk patroon; ze zijn verwarrend
en tegenstrijdig, wat tot een veelheid van willekeurige aanpassingen
van de platentheorie heeft geleid. De afstand tussen het midden van
het centrale deel van de Zuid-Amerikaanse Andes en Japan of Hawaii,
bijvoorbeeld, is min of meer constant, terwijl de platentektoniek voorspelt
dat de afstand aanzienlijk zou moeten toenemen. Het extrapoleren van
de huidige bewegingen van de aardkorst tot tientallen of honderden miljoenen
jaren in het verleden of de toekomst is een bijzonder hachelijke zaak.
Een ‘overtuigend’ bewijs dat alle continenten ooit in één
uitgestrekte landmassa verenigd waren, zou zijn dat ze als stukjes van
een legpuzzel in elkaar kunnen worden gepast. Maar hoewel er veel reconstructies
zijn gemaakt, is geen van deze in alle opzichten aanvaardbaar. De door
een computer gegenereerde reconstructie van Bullard e.a., bijvoorbeeld,
vertoont een aantal opvallende gebreken. Het hele Midden-Amerika en
een groot deel van het zuiden van Mexico – een gebied van ongeveer
2.100.000 km2 – zijn weggelaten omdat
ze Zuid-Amerika overlappen. De hele West-Indische archipel is ook weggelaten.
In feite bevindt zich onder een groot deel van het Caribisch gebied
oude continentale korst, en de totale oppervlakte daarvan, 300.000 km2,
overlapt Afrika. Onder het Kaap Verde-Senegal Bekken ligt eveneens oude
continentale korst, wat nog een overlapping van 800.000 km2
oplevert. Verschillende grote onderzeese structuren die een continentale
oorsprong lijken te hebben worden ook genegeerd, waaronder de Faeröer-IJsland-Groenland-rug,
Jan-Mayen-rug, Walvis-rug, Rio Grande-drempel en het Falkland-plateau.

Afbeelding 2. De Bullard-reconstructie.
Deze afbeelding toont een aantal overlappingen en gapingen in het
zwart, maar negeert andere overlappingen die meer dan 3 miljoen vierkante
kilometer beslaan.3 (Herdrukt met toestemming
van The Royal Society.)
Evenals in de Bullard-reconstructie wordt in de reconstructie van Smith
& Hallam geprobeerd de continenten van Gondwanaland in elkaar te
passen langs de 1 km dieptecontour van het continentaal plat. De Zuid-Orkneys
en Zuid-Georgia zijn weggelaten, evenals Kerguelen in de Indische Oceaan,
en er is een grote gaping ten westen van Australië. Door evenals
bij andere reconstructies India te laten aansluiten met Australië,
blijft er een overeenkomstige gaping in de westelijke Indische Oceaan.
Dietz & Holden baseerden hun reconstructie op de 2 km dieptecontour,
maar ook dan moeten ze het plateau van Florida en de Bahama’s
weglaten, waarbij ze het bewijsmateriaal negeren dat dit van vóór
het begin van de veronderstelde continentverschuiving dateert. In veel
gebieden schijnt de grens tussen continentale en oceanische korst zich
te bevinden op een oceaandiepte van 2 tot 4 (of meer) km, en op sommige
plaatsen is de overgangszone tussen oceaan en continent enkele honderden
kilometers breed. Dit betekent dat elke reconstructie die op willekeurig
gekozen dieptecontouren is gebaseerd, niet deugt. Gezien de vrijheden
die continentverschuivers zich hebben moeten veroorloven om de gewenste
aaneensluiting van de continenten voor elkaar te krijgen, lijkt het
erop dat hun computergegenereerde reconstructies waardeloos zijn.
Het verloop van de continentale contouren vertoont vaak zoveel overeenkomst
dat veel kusten heel goed in elkaar kunnen worden gepast, hoewel ze
nooit naast elkaar kunnen hebben gelegen. Oost-Australië past bijvoorbeeld
goed in oostelijk Noord-Amerika, en er zijn ook opmerkelijke geologische
en paleontologische overeenkomsten, waarschijnlijk veroorzaakt door
de gelijksoortige tektonische achtergronden van de twee gebieden. De
geologische overeenkomsten van tegenover elkaar liggende Atlantische
kusten kunnen het gevolg zijn van het feit dat de gebieden tot dezelfde
tektonische gordel hebben behoord, maar de verschillen – die zelden
worden genoemd – zijn voldoende om aan te tonen dat de gebieden
zich in ver uiteenliggende delen van de gordel bevonden. H.P. Blavatsky
beschouwde de overeenkomsten in bepaalde perioden tussen de geologische
structuur, fossielen en het zeeleven van de tegenover elkaar liggende
kusten van de Atlantische Oceaan als bewijs dat ‘er in verre voorhistorische
tijden een continent was dat zich uitstrekte van de kust van Venezuela
over de Atlantische Oceaan tot de Canarische Eilanden en Noord-Afrika,
en van Newfoundland bijna tot de kust van Frankrijk’.4
Een van de belangrijkste steunpilaren van continentverschuiving is
het paleomagnetisme – de studie van het magnetisme van oude gesteenten
en sedimenten. Voor elk continent kan het pad dat de pool schijnbaar
heeft gevolgd worden bepaald, en deze paden worden in die zin geïnterpreteerd
dat de continenten zich over grote afstanden hebben verplaatst. Paleomagnetisme
is echter heel onbetrouwbaar en leidt vaak tot onlogische en tegenstrijdige
resultaten. Paleomagnetische gegevens impliceren bijvoorbeeld dat tijdens
het midden-krijt Azerbeidzjan en Japan zich op dezelfde plaats bevonden!
Wanneer de afzonderlijke paleomagnetische posities van de pool op wereldkaarten
worden uitgezet, in plaats van gemiddelden, is de spreiding enorm, en
vaak breder dan de Atlantische Oceaan.
Een van de uitgangspunten van het paleomagnetisme is dat gesteenten
de magnetisering behouden die ze verkrijgen op het moment dat ze worden
gevormd. In werkelijkheid kan het magnetisme van gesteenten worden gewijzigd
door later magnetisme, verwering, metamorfose, tektonische vervorming
en scheikundige processen. Horizontale en verticale rotaties van aardkorstbrokken
maken het beeld nog gecompliceerder. Een andere twijfelachtige veronderstelling
is dat het aardmagnetische veld gedurende lange tijdperioden een eenvoudige
dipool (noord-zuid) veld benadert dat langs de draai-as van de aarde
is gericht. Indien er in het verleden stabiele magnetische anomalieën
van dezelfde intensiteit zijn geweest als de huidige Oost-Aziatische
anomalie (of nog iets intenser), dan zou dit de hypothese van een geocentrische
axiale dipool ongeldig maken.
Het ontstaan van de Atlantische Oceaan zou in het krijt zijn begonnen
door het uiteengaan van de Amerikaanse en Euraziatische platen. Maar
aan de andere kant van de aardbol is het noordoosten van Eurazië
verbonden met Noord-Amerika door het Bering-Tsjoektsjen-plat, waaronder
zich precambrische continentale korst bevindt die van Alaska tot Siberië
ononderbroken doorloopt. Geologisch vormen deze gebieden een eenheid,
en het is niet realistisch om te veronderstellen dat ze vroeger door
een oceaan van enkele duizenden kilometers breed waren gescheiden, die
zich heeft gesloten als gevolg van het zich openen van de Atlantische
Oceaan. Als er daar geen sutuur (verbindingsnaad) is, dan zou men er
één moeten vinden in Eurazië of Noord-Amerika, maar
zo’n sutuur schijnt er niet te zijn. Evenzo geeft de geologie
aan dat er in ieder geval sinds het einde van het paleozoïcum een
rechtstreekse tektonische verbinding is geweest tussen Europa en Afrika
over de zones van Gibraltar en het Rifgebergte aan de ene kant, en Calabrië
en Sicilië aan de andere kant, en dit weerlegt de bewering van
de platentektoniek dat er in die periode een grote verschuiving tussen
Europa en Afrika heeft plaatsgevonden.
India zou zich ergens tijdens het mesozoïcum van Antarctica hebben
losgemaakt, en dan tot wel 9000 km naar het noordoosten zijn verschoven
tijdens een periode van maximaal 200 miljoen jaar, totdat het uiteindelijk
in het midden-tertiair met Azië botste, waarbij de Himålaya
en de Tibetaanse hoogvlakte omhoog zouden zijn geduwd. Dat Azië
een inkeping zou hebben gehad van ongeveer de juiste vorm en grootte
en op precies de juiste plaats voor India om ‘aan te meren’
zou neerkomen op een opmerkelijk toeval. Er zijn echter sluitende geologische
en paleontologische bewijzen dat India sinds het precambrium een onlosmakelijk
deel van Azië is geweest. Indien de lange reis van India werkelijk
had plaatsgevonden, zou het miljoenen jaren lang een geïsoleerd
eiland-continent zijn geweest – voldoende tijd om een eigen onmiskenbare
endemische fauna te ontwikkelen. In plaats daarvan geven de fauna’s
van het mesozoïcum en tertiair echter aan dat India gedurende deze
periode heel dicht bij Azië lag, en niet bij Australië en
Antarctica. Het lijkt erop dat de zogenaamde ‘vlucht van India’
niet meer dan een vlucht van fantasie is!
Er wordt vaak beweerd dat de platentektoniek kan bijdragen om klimaatveranderingen
en de geografische verspreiding van planten en dieren in het verleden
te verklaren. Uitvoerige studies hebben echter aangetoond dat het verschuiven
van de continenten hooguit plaatselijke of regionale
klimaten in een bepaalde periode kan verklaren, maar nooit het wereldklimaat
in dezelfde periode. A.A. Meyerhoff e.a. toonden in een gedetailleerd
onderzoek aan dat de meeste grote biogeografische grenzen, gebaseerd
op de geografische verspreiding van planten- en diersoorten, niet samenvallen
met de gedeeltelijk door computers gegenereerde plaatgrenzen. Deze onderzoekers
merken op: ‘Het is vreemd dat men zulke grote tegenstrijdigheden
tussen de beweringen van de platentektoniek en de resultaten van veldonderzoek,
die grenzen betreffen die zich over duizenden kilometers uitstrekken,
naast zich neerlegt, in plaats van ze te erkennen en onderzoeken.’
Vóór hun studie door de Geological Society of America
werd gepubliceerd, werd een groep afgestudeerden in de aardwetenschappen
uitgenodigd om het manuscript te bestuderen. Ze raakten zeer verontrust
door wat ze lazen, en gaven als commentaar: ‘Als de resultaten
van deze wereldwijde studie van biodiversiteit door de tijd heen juist
zijn, en ze worden heel overtuigend gepresenteerd, dan kan veel van
wat ons over platentektoniek wordt geleerd beter ‘klinkklare onzin’
worden genoemd.’5
Het is onwetenschappelijk een paar overeenkomsten van diersoorten uit
verschillende continenten die ooit aaneengesloten zouden zijn geweest
te selecteren en het veel grotere aantal verschillen te negeren.6
De verspreiding van fossiele organismen is meer in overeenstemming met
een model van de aarde zoals ze nu is dan met modellen met continentverschuiving.
Een deel van het paleontologische bewijsmateriaal schijnt een afwisselend
oprijzen en verzinken van verspreidingsroutes over land te vereisen
en wel na het veronderstelde uiteenvallen van Pangea. De verspreiding
van zoogdieren, bijvoorbeeld, geeft aan dat er geen rechtstreekse fysieke
verbindingen tussen Europa en Noord-Amerika waren tijdens het late krijt
en paleoceen, maar wijst op een tijdelijke verbinding met Europa in
het eoceen. Enkele continentverschuivers hebben erkend dat er met tussenpozen
landbruggen moeten zijn geweest na de veronderstelde scheiding van de
continenten. Diverse oceaanruggen, -drempels en -plateaus kunnen als
landbruggen hebben gediend, want van vele is bekend dat ze op verschillende
tijdstippen in het verleden gedeeltelijk boven water lagen. Er zijn
steeds meer aanwijzingen dat deze landbruggen deel uitmaakten van grotere
vroegere landmassa’s in de huidige oceanen (zie hieronder).
De huidige verdeling van land en zee kenmerkt zich door een aantal
opvallende regelmatigheden. Ten eerste, de continenten schijnen meestal
driehoekig te zijn, met hun spitse uiteinden naar het zuiden gericht.
Ten tweede, de Noordelijke IJszee is bijna volledig omringd door land,
waarvan drie continenten zich naar het zuiden uitstrekken, terwijl het
continent op de zuidpool omringd is door water, met drie oceanen die
zich naar het noorden uitstrekken. Ten derde, de oceanen en continenten
zijn antipodisch geordend – dat wil zeggen, als er op een bepaalde
plaats van de aardbol land is, dan schijnt er meestal zee te zijn in
het tegenoverliggende gebied aan de andere kant van de aardbol.
De Noordelijke IJszee ligt precies tegenover Antarctica; Noord-Amerika
ligt precies tegenover de Indische Oceaan; Europa en Afrika liggen tegenover
het centrale deel van de Grote Oceaan; Australië ligt tegenover
de noordelijke Atlantische Oceaan; en de zuidelijke Atlantische Oceaan
ligt – hoewel minder precies – tegenover de oostelijke helft
van Azië.* Slechts 7% van het aardoppervlak voldoet niet aan de
antipodische regel. Als de continenten langzaam over duizenden kilometers
naar hun huidige posities waren verschoven, zou de antipodische verdeling
van land en zee als zuiver toeval moeten worden beschouwd. De antipodische
ligging van land en zee weerspiegelt het tetraëdrische plan van
de aarde. Als één hoek van de tetraëder in Antarctica
wordt geplaatst, aan de zuidpool, dan liggen de andere drie in drie
grote blokken van zeer oude, archaïsche gesteenten op het noordelijk
halfrond: het Canadese schild, het Scandinavische schild en het Siberische
schild, en de drie ribben komen overeen met de drie ongeveer noord-zuid
liggende lijnen die door de drie paren van continenten lopen: Noord-
en Zuid-Amerika, Europa en Afrika, Azië en Australië.†
*Rupert Sheldrake vergelijkt de aarde met een zich ontwikkelend
organisme, en zegt dat het bestaan van een oceaan aan de noordpool en
een continent aan de zuidpool het gevolg van een morfogenetisch proces
kan zijn: ‘Een dergelijke morfologische polarisatie van een bolvormig
lichaam komt in de biologie veel voor, bijvoorbeeld bij de vorming van
polen in bevruchte eieren’ (The Rebirth of Nature, Bantam,
1991, blz. 161).
† J.W. Gregory dacht dat in het laat-paleozoïcum de tetraëder
de andere kant op wees, met één hoek aan de noordpool.
In plaats van een ononderbroken zuidelijke oceaangordel die driehoekige
stukken land van elkaar scheidde, was er toen een zuidelijke landgordel,
ondersteund door drie op gelijke afstand liggende hoekstenen: de archaïsche
blokken van Zuid-Amerika, Zuid-Afrika en Australië.
 |
| Afbeelding 3. De antipodische
verdeling van land en zee.7 (Herdrukt
met toestemming van de Royal Geographical Society.) |
Een ander belangrijk feit is dat de punten waar drie ‘plaatgrenzen’
(d.w.z. seismische gordels) elkaar ontmoeten zeer nauw samenvallen met
de hoekpunten van een icosaëder, dat, net als de tetraëder,
een van de vijf regelmatige veelvlakken of platonische lichamen is.
Ook dit zou een opmerkelijk toeval zijn als de vorm en grootte van ‘platen’
zoveel veranderden als de platentektoniek beweert.
|
| Afbeelding 4. Belangrijke seismotektonische
gordels/‘plaatgrenzen’ (streepjeslijnen) vergeleken
met een icosaëder.8 (Herdrukt met
toestemming van de American Geophysical Union.) |
Zeebodemspreiding en subductie
Volgens de hypothese van de zeebodemspreiding ontstaat nieuwe oceanische
korst bij mid-oceanische ruggen door het opwellen van gesmolten materiaal
uit de aardmantel, en als het magma afkoelt verspreidt het zich zijwaarts
aan beide kanten van die ruggen. De horizontaal bewegende platen zouden
dan terugduiken in de mantel in diepzeetroggen of ‘subductiezones’.
De oceaanbodem vertoont helemaal niet de uniforme kenmerken die men
zou verwachten bij een transportbandachtige spreiding. De mantel is
asymmetrisch ten opzichte van de mid-oceanische ruggen en heeft een
ingewikkelde mozaïekstructuur die niet afhankelijk is van de richting
van de rug. N.C. Smoot & A.A. Meyerhoff hebben aangetoond dat op
bijna alle gepubliceerde wereldkaarten de oceaanbodem doelbewust zo
is getekend dat de voorspellingen van de platentektoniek-hypothese worden
weerspiegeld, terwijl de meest nauwkeurige kaarten die nu beschikbaar
zijn op grote schaal worden genegeerd omdat ze niet in overeenstemming
zijn met de vooroordelen van de platentektoniek.9
Side-scanning-radarbeelden tonen aan dat de mid-oceanische ruggen doorsneden
zijn door duizenden lange, lineaire scheuren, spleten en breuken evenwijdig
aan de ruggen. Dit wijst er sterk op dat zich onder de ruggen op geringe
diepte onderling verbonden magmakanalen bevinden waarin halfvloeibare
lava horizontaal beweegt en parallel aan de ruggen in plaats
van loodrecht daarop.
De oudst bekende gesteenten van de continenten zijn ongeveer 4 miljard
jaar oud, terwijl volgens de platentektoniek geen enkel deel van de
aardkorst op de oceaanbodem ouder zou zijn dan 200 miljoen jaar (jura).
Dit wordt geciteerd als overtuigend bewijs dat de oceanische korst voortdurend
wordt aangemaakt bij de mid-oceanische ruggen en wordt verslonden in
subductiezones. Er is in feite overvloedig bewijsmateriaal tegen de
veronderstelde jonge leeftijd van de oceaanbodem, maar geologische leerboeken
hebben de neiging hierover te zwijgen.
De bij het Deep Sea Drilling Project betrokken wetenschappers waren
kennelijk gemotiveerd door een sterk verlangen om de zeebodemspreiding
te bevestigen. Ze hebben de indruk gewekt dat het gevonden basalt onder
de verschillende sedimentlagen op de bodem van veel diepzeeboorgaten,
de onderste laag (‘basement’) is van de oceanische korst,
en dat zich daaronder geen oudere sedimenten bevinden. Maar in sommige
gevallen zijn er duidelijke aanwijzingen dat het basalt een latere intrusie
is in de bestaande sedimenten. In de oceanische korst moet tot op een
veel grotere diepte – tot 5 km – worden geboord om te zien
of de onderste laag van de oceanische korst trias-, paleozoïcum-
of precambrium-sedimenten en/of granitische continentale gesteenten
bevat in plaats van alleen uit basaltische gesteenten te bestaan.
De platentektoniek voorspelt dat de leeftijd van de oceanische korst
systematisch moet toenemen met de afstand tot de toppen van de mid-oceanische
ruggen. De data vertonen echter een grote spreiding. Op een zeeberg
even ten westen van de top van de Oostpacifische Rug lopen de radiometrische
dateringen uiteen van 2,4 tot 96 miljoen jaar. Hoewel er een algemene
trend waarneembaar is van jongere sedimenten aan de top van de rug tot
oudere sedimenten verder daarvandaan, is dit in feite te verwachten,
want de top is het hoogste en meest actieve deel van de rug; oudere
sedimenten liggen waarschijnlijk begraven onder jonger vulkanisch gesteente.
De basaltlaag in de oceanische korst wijst erop dat er ooit magma over
de hele oceaan stroomde, maar dat vulkanisme later werd beperkt tot
een steeds smallere zone geconcentreerd rond de toppen van de ruggen.
Deze magmastromen gingen gepaard met een geleidelijk verzakken van de
korst in grote delen van de huidige oceanen, te beginnen in de jura.
 |
| Afbeelding 5. Een plot van de
ouderdom van gesteenten (in miljoen jaren) versus de afstand (in
kilometers) tot de top van de Mid-Atlantische Rug (Meyerhoff e.a.,
1996a). (Herdrukt met toestemming van Kluwer Academic Publishers.) |
De talloze vondsten in de Atlantische, Grote en Indische Oceaan van
gesteenten die veel ouder dan 200 miljoen jaar zijn, en waarvan vele
continentale kenmerken hebben, leveren sterk bewijs tegen de veronderstelde
jonge leeftijd van de onderliggende korst. In het equatoriale segment
van de Mid-Atlantische Rug zijn talrijke ondiep-water-gesteenten en
continentale gesteenten met een ouderdom tot 3,74 miljard jaar aangetroffen.
Bij het bestuderen van St. Peter en Paul’s Rocks op de top van
de Mid-Atlantische Rug iets ten noorden van de evenaar kwam 835 miljoen
jaar oud gesteente aan het licht, samen met andere gesteenten die 350,
450 en 2000 miljoen jaar oud zijn, terwijl de gesteenten volgens het
model van de zeebodemspreiding 35 miljoen jaar oud hadden moeten zijn.
Stenen die naar boven zijn gehaald in het gebied van Bald Mountain
net ten westen van de top van de Mid-Atlantische Rug op 45¾ NB bleken
tussen 1690 en 1550 miljoen jaar oud te zijn. 75% van de rotsmonsters
bestond uit gesteente van een continentaal type, en de wetenschappers
die dit onderzoek verrichtten zeiden dat dit een ‘opmerkelijk
verschijnsel’ was – zo opmerkelijk dat ze besloten die rotsen
als ‘losgelaten door ijsbergen’ te classificeren en er geen
verdere aandacht aan te besteden! Een andere manier om vondsten van
‘afwijkende’ rotsen te behandelen is door ze af te doen
als ballast van schepen. Het gebied van Bald Mountain heeft echter een
volume van ongeveer 80 km3, en het is niet
erg waarschijnlijk dat de hele berg op een ijsberg werd meegevoerd of
door een schip werd gedumpt! In een poging ‘onmogelijk’
oude gesteenten en ‘abnormaal’ ondiepe of oprijzende korst
in bepaalde delen van de ruggen weg te redeneren, hebben enkele platentektonici
het denkbeeld verzonnen dat ‘zich niet spreidende blokken’
tijdens het splijten van een continent kunnen worden achtergelaten,
en dat de spreidingsas en de daarmee samenhangende transformbreuken
van plaats tot plaats kunnen verspringen.
Grote steun voor de theorie van de zeebodemspreiding zou worden verschaft
door ‘oceanische magnetische anomalieën’ – ongeveer
evenwijdige strepen van afwisselend hoge en lage magnetische intensiteit
die kenmerkend zijn voor ongeveer 70% van de mid-oceanische ruggen.
Volgens de hypothese van de platentektoniek wordt het vloeibare basalt
dat langs de mid-oceanische ruggen omhoogkomt, en zich horizontaal verspreidt
en afkoelt, door het aardmagnetisch veld gemagnetiseerd. Stroken van
hoge intensiteit zouden zijn gevormd tijdens perioden met een normale
magnetische polariteit en stroken met een lage intensiteit gedurende
perioden met een omgekeerde polariteit. Oceaanboringen hebben dit simplistische
model echter ernstig ondermijnd.
Er is een verband gelegd tussen lineaire magnetische anomalieën
aan beide kanten van een rug, in verschillende delen van de oceanen,
en radiometrisch gedateerde magnetische gebeurtenissen aan land. De
resultaten zijn gebruikt om kaarten te maken die laten zien hoe de leeftijd
van de oceaanbodem gestaag toeneemt met de afstand tot de as van de
rug. Zoals hierboven is aangegeven kan dit eenvoudige beeld alleen worden
volgehouden door de mogelijkheid van oudere sedimenten onder de basaltische
laag te verwerpen en talrijke gesteenten met een ‘afwijkende’
ouderdom te negeren. De gestelde correlaties zijn grotendeels kwalitatief
en subjectief, en zijn daarom heel verdacht. Meer gedetailleerde, kwantitatieve
analysen hebben aangetoond dat de correlaties heel zwak zijn. Een meer
waarschijnlijke verklaring van de magnetische strepen is dat ze zijn
veroorzaakt door breukgerelateerde rotsstroken met verschillende magnetische
eigenschappen, en niets te maken hebben met zeebodemspreiding.
|
|
| |
| Afbeelding 6. Boven: Een theoretische
weergave van oceanische magnetische anomalieën uit een leerboek.10
(Herdrukt met toestemming van The McGraw-Hill Companies.) Onder:
Gemeten patronen van magnetische anomalieën in de Noord-Atlantische
Oceaan.11 Ten noorden van IJsland liggen
de lineaire anomalieën niet parallel aan de mid-oceanische
rug maar onder een schuine hoek ten opzichte daarvan. De rug is
met zwarte stippen (aardbevingscentra) aangegeven. (Herdrukt met
toestemming van de American Geophysical Union.) |
Een opmerkelijk feit wat betreft oceanische magnetische anomalieën
is dat ze ongeveer concentrisch zijn ten opzichte van archaïsche
continentale schilden (d.w.z. continentale kernen die meer dan 2,5 miljard
jaar oud zijn). Dit houdt in dat de meeste oceanische magnetische anomalieën
– in plaats van een in de afgelopen 200 miljoen jaar vastgelegd
verslag te zijn van de zeebodemspreiding en omkeringen van het aardmagnetisch
veld – plekken zijn van oude breuken, die gedeeltelijk werden
gevormd tijdens het proterozoïcum en zich sindsdien hebben vernieuwd.
De gegevens laten verder zien dat de archaïsche continentale kernen
ongeveer dezelfde posities ten opzichte van elkaar hebben sinds hun
vorming – wat volstrekt in strijd is met continentverschuiving.
Benioff-zones zijn aardbevingszones die beginnen in een oceaantrog
en landinwaarts schuin naar beneden de aarde in gaan. In de platentektoniek
worden deze diepgewortelde breukzones geïnterpreteerd als ‘subductiezones’,
waar platen afdalen in de mantel. Ze worden meestal afgebeeld als 100
km dikke platen die of onder een constante hoek afdalen of geleidelijk
ombuigen van een geringe hoek nabij het aardoppervlak tot een hoek van
tussen 60¾ en 75¾. Geen van deze weergaven is juist. Benioff-zones bestaan
vaak uit twee afzonderlijke delen: een bovenste zone met een gemiddelde
helling van 33¾ die zich uitstrekt tot een diepte van 70 tot 400 km,
en een lagere zone met een gemiddelde helling van 60¾ die zich uitstrekt
tot een diepte van maximaal 700 km. De bovenste en onderste segmenten
zijn soms over een horizontale afstand van 100 tot 200 km ten opzichte
van elkaar verschoven, en in één geval 350 km. Bovendien
is er meestal een scheiding tussen diepe en ondiepe aardbevingen; er
bestaan heel weinig aardbevingen in de tussenliggende zone. Veel onderzoeken
wijzen op zowel transversale als verticale discontinuïteiten en
segmentering in Benioff-zones. Het bewijsmateriaal steunt dus niet het
idee van een ononderbroken omlaaggaande plaat.
|
| Afbeelding 7. Dwarsdoorsneden
door de Peru-Chili-trog (links) en de Bonin-Honshu-boog (rechts),
waarop epicentra van aardbevingen te zien zijn.12
(Herdrukt met toestemming van de Geological Society of America.) |
 |
| Afbeelding 8. Verspreiding van
aardbevingen loodrecht op de Andes (15-30¾ ZB).13
De aangegeven ‘subducerende plaat’ lijkt grotendeels
het product te zijn van fantasie. |
Platentektonici houden vol dat het volume van de aardkorst dat op mid-oceanische
ruggen ontstaat even groot is als het volume dat door subductie verdwijnt.
Maar terwijl op 80.000 km mid-oceanische ruggen nieuwe korst zou worden
gevormd, bestaan er maar 30.500 km troggen. Zelfs als we de 9000 km
‘botsingszones’ erbij optellen, is dit getal nog maar de
helft van dat van de ‘spreidingscentra’. Op twee kleine
uitzonderingen na ontbreken Benioff-zones aan de rand van de Atlantische
Oceaan, Indische Oceaan, Noordelijke IJszee en de zuidelijke oceanen.
Vanuit het oosten, zuiden en westen zouden er platen naar Afrika toe
bewegen, maar dit continent levert geen enkel bewijs voor het bestaan
van subductiezones of pas gevormde bergketens. Antarctica is ook bijna
volledig omringd door zogenaamde ‘spreidingsruggen’ zonder
overeenkomstige subductiezones, maar het vertoont geen enkel teken dat
het in elkaar wordt gedrukt. Er is geopperd dat Afrika en Antarctica
op hun plaats blijven terwijl het omringende stelsel van ruggen zich
van hen af beweegt, maar dit zou betekenen dat de rug die de ‘plaatgrens’
tussen Afrika en Antarctica markeert tegelijkertijd in tegengestelde
richtingen beweegt!
Als er door subductie echt tot 13.000 kilometer van de lithosfeer was
verdwenen in diepzeetroggen rondom de Grote Oceaan dan zouden enorme
hoeveelheden oceanische sedimenten van de oceaanbodem moeten zijn afgeschraapt
en zich hebben opgestapeld aan de landzijde van de troggen. De sedimenten
in de troggen komen in het algemeen echter niet voor in de vereiste
volumes, noch vertonen ze de verwachte mate van vervorming. Scholl &
Marlow, die voorstander zijn van de platentektoniek, gaven toe dat ze
‘werkelijk verbijsterd’ waren ‘dat er in de troggen
geen overduidelijke bewijzen zijn voor subductie of het afschrapen van
sedimenten’.14 Platentektonici hebben
hun toevlucht moeten nemen tot het zeer twijfelachtige idee dat niet-verharde
diep-oceanische sedimenten vloeiend in een Benioff-zone kunnen glijden
zonder daarbij enige duidelijke sporen achter te laten. Subductie langs
de troggen van de Grote Oceaan wordt ook weersproken door het feit dat
de Benioff-zone vaak 80 tot 150 km landinwaarts vanaf de trog ligt;
door seismische profielen die aantonen dat de onderste, precambrische
korst onder de pacifische troggen direct doorloopt zonder enige subductie;
door het feit dat precambrische continentale structuren zich voortzetten
in de oceaanbodem; en door bewijzen voor verzonken continentale korst
onder de noordwestelijke en zuidoostelijke Grote Oceaan, waar nu diepzeevlakten
en troggen liggen.
 |
| Afbeelding 9. Interpretatie van
een seismisch profiel van de Java-trog.15
Eenheden I en II lijken precambrisch te zijn en de breuken wijzen
op trekspanningen in plaats van samendrukking, terwijl de lagen
van eenheid III relatief onverstoord blijven. De subducerende plaat
lijkt te ontbreken! |
 |
| Afbeelding 10. Veel oude tektonische
trends (lineaire zones van geologische structuren) lopen dwars door
de grens tussen continenten en oceaanbodems, en tonen daarbij geen
respect voor de mobilistische theorieën van de platentektoniek.16
NPM = noord-pacifische megatrend; CPM = centraal-pacifische megatrend;
F.Z. = fracture zone (breukzone). |
Een alternatieve kijk op de Benioff-zones is dat ze erg oude breuken
zijn die zijn ontstaan door het afkoelen en samentrekken van de aarde.
Het feit dat het bovenste deel van de Benioff-zones onder een hoek van
minder dan 45¾ helt en het onderste deel onder méér dan
45¾ wijst erop dat de lithosfeer onder druk en het lagere deel van de
mantel onder spanning staat. Omdat een samentrekkende bol de neiging
heeft om te breken langs grootcirkels, kan dit een verklaring bieden
voor het feit dat zowel de seismotektonische gordel rondom de Grote
Oceaan als de gordel van de Alpen en de Himalaya (Tethys-gordel)* bij
benadering op grootcirkels liggen.
*De gordel van de Alpen en Himalaya strekt zich uit van
de Middellandse Zee tot de Grote Oceaan, en is ook zichtbaar in Midden-Amerika.
Sommige aardwetenschappers geloven dat deze ooit wereldomspannend was.
Blavatsky zegt dat de Himalaya-gordel inderdaad de aardbol omcirkelt,
of deze nu onder of boven water ligt (De Geheime Leer, 2:452vn).
Verwijzingen
Inleiding
1. Paul D. Lowman, in: Chatterjee & Hotton,
1992, blz. 3.
2. D. McGeary & C.C. Plummer, Physical Geology: Earth revealed,
WCB, McGraw-Hill, 3de ed, 1998, blz. 97.
3. V.A. Saull, ‘Wanted: alternatives to plate tectonics’,
Geology, deel 14, 1986, blz. 536.
Platentektoniek – een mislukte revolutie
1. N.I. Pavlenkova, in: Barto-Kyriakidis, 1990,
deel 1, blz. 78.
2. S.P. Grand, Journal of Geophysical Research, deel 92, 1987,
blz. 14065-14090.
3. E.C. Bullard e.a., Royal Society of London Philosophical Transactions,
Series A, deel 258, 1965, blz. 41-51.
4. H.P. Blavatsky, De Geheime Leer, TUPA, 1988, 2:899.
5. Meyerhoff e.a., 1996b, blz. 3.
6. C.J. Smiley, ‘Paleofloras, faunas, and continental drift: some
problem areas’, in: Chatterjee & Hotton, 1992, blz. 241-257.
7. J.W. Gregory, ‘The plan of the earth and its causes’,
The Geographical Journal, deel 13, 1899, blz. 225-250.
8. A. Spilhaus, ‘Geo-art: plate tectonics and Platonic solids’,
American Geophysical Union Transactions, deel 56, 1975, blz.
52-57.
9. N.C. Smoot & A.A. Meyerhoff, ‘Tectonic fabric of the Atlantic
Ocean floor: speculation vs. reality’, Journal of Petroleum
Geology, deel 18, 1995, blz. 207-222.
10. McGeary & Plummer, Physical Geology: Earth revealed,
blz. 78.
11. A.A. Meyerhoff & H.A. Meyerhoff, ‘ ‘The new global
tectonics’: age of linear magnetic anomalies of ocean basins’,
American Association of Petroleum Geologists Bulletin, deel
56, 1972, blz. 337-359.
12. H. Benioff, ‘Orogenesis and deep crustal structure –
additional evidence from seismology’, Geological Society of
America Bulletin, deel 65, 1954, blz. 385-400.
13. R. Teisseyre e.a., ‘Focus distribution in South American deep-earthquake
regions and their relation to geodynamic development’, Physics
of the Earth and Planetary Interiors, deel 9, 1974, blz. 290-305.
14. D.W. Scholl & M.S. Marlow, in: C.F. Kahle (Ed.), Plate Tectonics
– Assessments and Reassessments (Memoir 23), American Association
of Petroleum Geologists, 1974, blz. 268.
15. D.R. Choi, ‘Plate subduction is not the cause for the great
Indonesian earthquake on December 26, 2004’, New Concepts
in Global Tectonics Newsletter, nr. 34, 2005, blz. 21-26.
16. D.R. Choi, ‘Deep earthquakes and deep-seated tectonic zones.
Part 2: South America’, New Concepts in Global Tectonics Newsletter,
nr. 24, 2002, blz. 2-7.
Naar
Deel 2
Verzonken
continenten & continentverschuiving, blz. 1-25
© 2009 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag