§ 18

Samenvatting van de wederzijdse standpunten

 

   De hele zaak is nu van beide kanten aan de lezer voorgelegd, en aan hem blijft de beslissing of de samenvatting ervan in ons voordeel uitvalt of niet. Als er in de Natuur zoiets als een lege ruimte, een vacuüm was, zou die overeenkomstig een fysische wet zijn ontstaan in het denkvermogen van hulpeloze bewonderaars van de ‘lichten’ van de wetenschap, die hun tijd doorbrengen met het bestrijden van elkaars leringen. Als ooit de theorie dat ‘twee lichten duisternis veroorzaken’ van toepassing was, dan is het in dit geval, waar de ene helft van de ‘lichten’ hun krachten en ‘bewegingsvormen’ aan de gelovigen opdringt, en de andere helft zelfs het bestaan ervan bestrijdt. ‘Ether, stof, energie’ – de heilige opzichzelfstaande drie-eenheid, de drie beginselen van de werkelijk onbekende god van de wetenschap, die door hen fysieke natuur wordt genoemd!
   De theologie wordt aangevallen en belachelijk gemaakt omdat zij gelooft in de vereniging van drie personen in één godheid – één God wat substantie, en drie personen wat individualiteit betreft; en men lacht ons uit om ons geloof in onbewezen en onbewijsbare leringen, in engelen en duivels, goden en geesten. En inderdaad behaalden de wetenschappers in de grote ‘strijd tussen religie en wetenschap’ een overwinning op de theologie dankzij het argument dat noch de identiteit van die substantie, noch de beweerde drievoudige individualiteit, na in de diepten van het theologische bewustzijn te zijn bedacht, uitgevonden en uitgewerkt, door enige wetenschappelijke inductieve redenering – en nog het minst door het getuigenis van onze zintuigen – kon worden bewezen. De godsdienst is ten dode opgeschreven, zegt men, omdat hij mysteriën verkondigt. Het mysterie is de ontkenning van het gezonde verstand, en wordt door de wetenschap verworpen. Volgens Tyndall is metafysica fictie, evenals poëzie. De wetenschapper neemt niets op goed geloof aan; hij verwerpt alles wat hem niet wordt bewezen, terwijl de theoloog alles blindelings aanvaardt. De theosoof en de occultist, die niets op goed geloof aannemen, zelfs geen exacte wetenschap, en de spiritist die het dogma ontkent maar gelooft in geesten en in onzichtbare maar machtige invloeden, delen in dezelfde minachting. Goed dan, we moeten nu voor de laatste keer onderzoeken of de exacte wetenschap niet op precies dezelfde manier handelt als de theosofie, het spiritisme en de theologie.
   In een boek van S. Laing, Modern Science and Modern Thought, dat wordt beschouwd als een standaardwerk over de wetenschap, en waarvan de schrijver volgens een prijzende recensie in de Times ‘met veel gezag en doeltreffendheid de ontzaglijke ontdekkingen van de wetenschap laat zien en haar talrijke overwinningen op de oude opvattingen, wanneer deze zo ondoordacht zijn haar conclusies te bestrijden’, leest men in hoofdstuk III, ‘Over de stof’, het volgende:
   ‘waaruit bestaat het stoffelijke heelal? ether, stof, energie’ . . . is het antwoord.
   Wij onderbreken nu en vragen: ‘Wat is ether?’ En Laing antwoordt in naam van de wetenschap:
   ‘Eigenlijk kennen we de ether uit geen enkele proefneming waarvan de zintuigen kennis kunnen nemen, maar het is een soort wiskundige substantie die wij wel moeten aannemen om de verschijnselen van licht en warmte te verklaren.’
   En wat is stof? Weet u er meer van dan over het ‘hypothetische’ agens, ether?
   ‘Strikt genomen is het waar, dat scheikundige onderzoekingen ons . . . niets rechtstreeks kunnen zeggen over de samenstelling van levende stof en . . . strikt genomen is het ook waar, dat we niets weten over de samenstelling van enig (stoffelijk) lichaam, zoals het is.’ (Lezing over protoplasma door Huxley.)
   En energie? U kunt toch wel de derde persoon van de drie-eenheid van uw stoffelijke heelal omschrijven?
   ‘de energie is dat wat ons alleen bekend is door haar gevolgen.’ (Boeken over natuurkunde.)
   Verklaart u dit alstublieft, want het is nogal vaag.
   ‘In de mechanica is er werkelijke en potentiële energie: werkelijk verrichte arbeid en het vermogen om die te verrichten. Wat de aard van de moleculaire energie of krachten betreft: de verschillende verschijnselen die de lichamen vertonen, bewijzen dat hun moleculen onder invloed staan van twee tegengestelde krachten – een die ertoe neigt ze naar elkaar toe te brengen en de andere ze te scheiden . . . de eerste kracht is moleculaire aantrekking, de tweede is toe te schrijven aan de vis viva of kinetische kracht’ . . . (Ganot, Physics.)
   Inderdaad, het is de aard van deze kinetische kracht, de vis viva die we wensen te kennen. Wat is die? . . .
   ‘Wij weten het niet!’ is het onveranderlijke antwoord. ‘Het is een lege schaduw van de verbeelding’, zegt Huxley in zijn Physical Basis of Life.
   Het hele bouwsel van de hedendaagse wetenschap is dus gefundeerd op een soort ‘wiskundige abstractie’, op een proteïsche ‘substantie die de zintuigen ontgaat’ (Dubois Reymond), en op gevolgen, de schimmige en bedrieglijke dwaallichtjes van iets, dat geheel onbekend is aan de wetenschap en buiten haar bereik ligt, ‘zelfbewegende’ atomen! Zelfbewegende zonnen, planeten en sterren! Maar wie of wat zijn dat dan allemaal, als ze zichzelf in beweging kunnen brengen? Waarom zouden jullie natuurkundigen dan lachen en onze ‘zelfbewegende archaeus’ bespotten? Het mysterie wordt door de wetenschap verworpen en geminacht en ‘het mysterie is het noodlot van de wetenschap’, zoals pater Félix terecht heeft gezegd . . . ‘De wetenschap kan er niet aan ontkomen!’ De woorden van de Franse prediker zijn de onze, en we halen ze aan in Isis Ontsluierd (zie Deel I, blz. 338-9, Engelse uitgave). Wie – vraagt hij – wie van u, wetenschappers:

   ‘. . . is in staat geweest het geheim te doorgronden van het vormen van een lichaam, van het voortbrengen van een enkel atoom? Wat is er, ik zal niet zeggen in het middelpunt van een zon, maar in het middelpunt van een atoom? Wie heeft de diepte die ligt in een zandkorrel, tot op de bodem gepeild? De zandkorrel, heren, is vierduizend jaar door de wetenschap bestudeerd; zij heeft die om en om gedraaid; zij ontbindt hem en deelt hem in; zij kwelt hem met haar proefnemingen; zij valt hem lastig met haar vragen om hem het laatste woord over zijn geheime samenstelling te ontrukken; zij vraagt hem met een onverzadigbare nieuwsgierigheid: ‘Zal ik u tot in het oneindige verdelen?’ Maar dan, terwijl ze boven deze diepte hangt, aarzelt de wetenschap, ze struikelt, ze voelt zich verblind, ze wordt duizelig en zegt in wanhoop: ik weet het niet.’
   ‘Maar als u zo fataal onbekend bent met de oorsprong en de verborgen natuur van een zandkorrel, hoe zou u dan een intuïtie kunnen hebben over het ontstaan van een enkel levend wezen? Waar komt in een levend wezen het leven vandaan? Waar begint het? Wat is het levensbeginsel?’1

   Ontkennen de wetenschappers al deze beschuldigingen? Helemaal niet, want hier is een bekentenis van Tyndall, die aantoont hoe machteloos de wetenschap is, zelfs over de wereld van de stof.

   ‘De eerste ordening van de atomen, waarvan alle verdere werkingen afhangen, gaat zelfs een krachtig vermogen zoals dat van de microscoop te boven.’ ‘Doordat het vraagstuk buitengewoon ingewikkeld is, moet het best geoefende verstand, de meest ontwikkelde en gedisciplineerde verbeelding, lang voordat met de waarneming rekening kan worden gehouden, zich verbijsterd terugtrekken van de beschouwing ervan. We zijn stomverbaasd en geen microscoop kan dat verhelpen, en we twijfelen niet alleen aan het vermogen van ons instrument, maar zelfs of wij zelf de verstandelijke elementen bezitten die ons ooit in staat zullen stellen greep te krijgen op de essentiële structuur van de natuurkrachten.’

   Dat er zo weinig over het stoffelijke heelal bekend is, wordt inderdaad al jaren vermoed op grond van wat deze wetenschappers zelf erkennen. En nu zijn er enkele materialisten die zelfs de ether – of hoe de wetenschap de oneindige substantie ook noemt, waarvan het noumenon door de boeddhisten svabhavat wordt genoemd – en ook de atomen opzij willen schuiven, die beide wegens hun oude filosofische en hun tegenwoordige christelijke en theologische associaties te gevaarlijk zijn. Vanaf de vroegste filosofen van wie de geschriften tot het nageslacht zijn gekomen, tot onze tegenwoordige tijd – die, hoewel ‘onzichtbare wezens’ in de Ruimte worden ontkend, toch nooit zo krankzinnig kan zijn om de een of andere soort plenum te ontkennen – was de volheid van het heelal een aanvaard geloof. En wat dit dan zou bevatten, komt men te weten van Hermes Trismegistus (in de knappe vertaling van Mw. Kingsford), die men laat zeggen:

   ‘Wat de leegte betreft . . . naar mijn mening bestaat deze niet, heeft ze nooit bestaan en zal ze nooit bestaan, want alle verschillende delen van het heelal zijn vol, zoals ook de aarde volledig en vol lichamen is, die in hoedanigheid en vorm verschillen en waarvan de soorten en grootten uiteenlopen, de ene groter, de andere kleiner, de ene dicht, de andere ijl. De grotere . . . worden gemakkelijk waargenomen; de kleinere . . . zijn moeilijk te zien of helemaal onzichtbaar. We kennen hun bestaan alleen door de gewaarwording van het gevoel – daarom ontkennen velen dat zulke wezens lichamen zijn, en beschouwen ze eenvoudig als ruimten2 – maar het is onmogelijk dat er zulke ruimten zijn. Want als er inderdaad iets buiten het heelal zou zijn . . . dan zou het een ruimte zijn die wordt ingenomen door intelligente wezens die overeenkomen met de godheid ervan (van het heelal) . . . Ik spreek over de genii, want ik meen dat ze bij ons wonen, en over de helden die boven ons wonen, tussen de aarde en de hoogste luchten, waarin geen wolken en geen stormen zijn’ (blz. 84).

   En ook wij ‘menen’ dat. Alleen zou, zoals wij al opmerkten, geen oosterse ingewijde spreken over sferen ‘boven ons, tussen de aarde en de luchten’, zelfs niet de hoogste, omdat er in het occulte spraakgebruik niet zo’n verdeling of maat bestaat, geen ‘boven’ en geen ‘beneden’, maar een eeuwig ‘binnen’, binnen twee andere binnens, of de gebieden van de subjectiviteit, die geleidelijk overgaan in die van de aardse objectiviteit – dit is voor de mens het laatste, zijn eigen gebied. Deze noodzakelijke uitleg kan hier worden beëindigd door de opvatting van de mystici in de hele wereld over dit bijzondere punt weer te geven met de woorden van Hermes:

   ‘Er zijn veel orden van goden; en in allen is er een intelligent deel. Men moet niet denken dat zij niet binnen het bereik van onze zintuigen komen; integendeel, we bemerken ze zelfs beter dan de goden die men zichtbaar noemt . . . Er zijn vervolgens goden die boven alle verschijningsvormen staan; na hen komen de goden met een spiritueel beginsel; deze goden zijn waarneembaar en manifesteren overeenkomstig hun tweevoudige oorsprong alle dingen op een waarneembare manier, waarbij elk van hen zijn ene werk door een ander laat verduidelijken3. Het hoogste wezen van de hemel of van alles wat onder deze naam wordt begrepen, is Zeus, want door de hemel geeft Zeus aan alle dingen leven. Het hoogste wezen van de zon is licht, want door de zonneschijf ontvangen we de weldaad van het licht. De zesendertig horoscopen van de vaste sterren hebben als hoogste wezen of vorst hem, van wie de naam Pantomorphos is, of ‘die alle vormen heeft’, omdat hij goddelijke vormen geeft aan verschillende soorten wezens. De zeven planeten of dwaalsterren hebben als hoogste geesten het geluk en het noodlot, die tijdens de voortdurende veranderingen en onophoudelijke bewegingen de eeuwige stabiliteit van de natuurwetten handhaven. De ether is het instrument of het middel waardoor alles wordt voortgebracht.’

   Dit is volkomen filosofisch en in overeenstemming met de geest van de oosterse esoterie: want alle krachten, zoals licht, warmte, elektriciteit, enz., worden – esoterisch – de ‘goden’ genoemd.
   Dit moet zo zijn, omdat de esoterische leringen in Egypte en India dezelfde waren. En daarom is de personificatie van fohat, die alle zich manifesterende natuurkrachten omvat, een gerechtvaardigd gevolg. Bovendien beginnen, zoals in het volgende Deel zal worden aangetoond, de werkelijke en occulte natuurkrachten pas nu bekend te worden – en zelfs in dit geval door de heterodoxe, niet door de orthodoxe wetenschap (zie ook § 10, De kracht van de toekomst), hoewel hun bestaan tenminste in één geval door een enorm aantal ontwikkelde mensen en zelfs door enkele officiële wetenschappers wordt bevestigd en bekrachtigd.
   Bovendien ziet de zin in Stanza 6, ‘Fohat zet de oorspronkelijke wereldkiemen of de verzameling van kosmische atomen en stof in beweging, sommige in de ene richting, andere in de andere, de tegengestelde richting’, er orthodox en wetenschappelijk genoeg uit. Want er is in elk geval één feit dat deze stelling ondersteunt en dat volledig door de wetenschap wordt erkend, en wel het volgende. De meteoorregens (die in november en augustus periodiek voorkomen) behoren tot een stelsel dat zich in een elliptische baan rond de zon beweegt. Het afelium van deze ring ligt 1732 miljoen mijl buiten de baan van Neptunus, het vlak ervan helt 64° 3´ ten opzichte van de baan van de aarde en de richting van de meteorenzwerm die zich langs deze baan beweegt, is tegengesteld aan die van de omwenteling van de aarde.
   Dit feit, dat pas in 1833 werd erkend, blijkt de moderne herontdekking te zijn van wat al in heel oude tijden bekend was. Fohat draait met zijn beide handen het ‘zaad’ en het ‘stremsel’ of de kosmische stof in tegengestelde richtingen; duidelijker gezegd, hij laat deeltjes in een heel verfijnde toestand draaien, en ook nevelvlekken.
   Buiten de grenzen van het zonnestelsel zijn het andere zonnen en vooral de geheimzinnige ‘centrale zon’ (de ‘verblijfplaats van de onzichtbare godheid’, zoals sommige eerwaarde heren die hebben genoemd), die de beweging en de richting van de lichamen bepalen. Die beweging dient ook om de homogene stof rondom en tussen de verschillende lichamen te differentiëren tot elementen en sub-elementen die op onze aarde onbekend zijn en die door de hedendaagse wetenschap worden beschouwd als afzonderlijke individuele elementen, terwijl ze alleen maar tijdelijke verschijningsvormen zijn, die met elke kleine cyclus in het manvantara veranderen; sommige esoterische boeken noemen ze ‘maskers van de kalpa’.
   In het occultisme is fohat de sleutel die de veelvormige symbolen en de respectievelijke allegorieën in de zogenaamde mythologie van elk volk opent en ontraadselt; hij verwijst naar de prachtige filosofie en het diepe inzicht in de mysteriën van de natuur, zowel in de Egyptische en Chaldeeuwse als in de Arische religies. Fohat, weergegeven in zijn ware karakter, bewijst hoever al deze voorhistorische volkeren waren gevorderd in de natuurwetenschappen die nu de natuurkundige en scheikundige tak van de natuurfilosofie worden genoemd. In India is fohat het wetenschappelijke aspect van Vishnu en van Indra; de laatstgenoemde is in de Rig Veda ouder en belangrijker dan zijn sektarische opvolger; terwijl fohat in Egypte bekend stond als Toum, die is voortgekomen uit Noot4, of Osiris in zijn hoedanigheid van een oergod, schepper van de hemel en van de wezens (zie het Dodenboek, hoofdstuk xvii). Want over Toum wordt gesproken als over de proteïsche god, die andere goden voortbrengt en zichzelf de vorm geeft die hij verkiest; de ‘meester van het leven’, ‘die aan de goden hun kracht geeft’ (hoofdstuk lxxix). Hij is de opzichter van de goden en degene ‘die geesten schept en deze vorm en leven geeft’; hij is ‘de noordenwind en de geest van het westen’; en tenslotte de ‘ondergaande zon van het leven’, of de vitale elektrische kracht die het lichaam bij de dood verlaat, en daarom smeekt de overledene dat Toum hem de adem uit zijn rechter neusgat (positieve elektriciteit) geeft, opdat hij in zijn tweede vorm kan leven. Zowel de hiërogliefe als de tekst van hoofdstuk lxii in het Dodenboek tonen aan dat Toum en fohat volkomen gelijk zijn. De eerste stelt een rechtopstaande man voor, met de hiërogliefe van de adem in zijn handen. Hij zegt:

   ‘Ik geef toegang tot het hoofd van An (Heliopolis), ik ben Toum. Ik steek het water over dat is gestort door Thot-Hapi, de heer van de horizon, en ben de verdeler van de aarde’ (fohat verdeelt de Ruimte en, met zijn zonen, de aarde in zeven gebieden) . . .
   . . . ‘Ik doorkruis de hemelen en ben de twee leeuwen. Ik ben Ra, ik ben Aam, ik at mijn erfgenaam5 . . . Ik glijd over de grond van het veld van Aanroo6, dat mij door de meester van grenzeloze eeuwigheid is gegeven. Ik ben de kiem van de eeuwigheid. Ik ben Toum, aan wie de eeuwigheid is gegeven . . .’

   Dit zijn dezelfde woorden die fohat in het XIe deel gebruikt en dezelfde titels die hem worden gegeven. In de Egyptische papyri vindt men de hele kosmogonie van de Geheime Leer, verspreid in afzonderlijke zinnen, zelfs in het Dodenboek. Op het getal zeven wordt daarin evenveel nadruk gelegd als in het Boek van Dzyan. ‘Men zegt dat het grote water (de Diepte of de Chaos) zeven ellen diep is’ – ‘ellen’ staat hier natuurlijk voor afdelingen, gebieden en beginselen. Daarin, ‘in de grote moeder, worden alle goden en de zeven groten geboren’. (Zie hoofdstuk cviii, 4, Dodenboek en Egyptian Pantheon.) Zowel fohat als Toum worden aangeroepen als de ‘groten van de zeven magische krachten’, die ‘de slang Apap’ of de stof ‘overwinnen’.
   Een onderzoeker van het occultisme moet zich echter niet laten misleiden door de manier van uitdrukken die men gewoonlijk in de vertalingen van de Hermetische boeken aantreft, en niet gaan geloven dat de oude Egyptenaren of Grieken evenals monniken in een gesprek elk moment over een opperwezen, god, de ‘ene vader en schepper van alles’, enz., spraken en daarnaar verwezen, zoals men op elke bladzijde van die vertalingen kan vinden. Inderdaad niets daarvan; en die teksten zijn niet de oorspronkelijke Egyptische teksten. Het zijn Griekse compilaties, waarvan de vroegste niet verder teruggaat dan de eerste tijd van het neoplatonisme. Geen enkel Hermetisch boek dat door Egyptenaren werd geschreven (zie het Dodenboek) zou over de ene universele god van de monotheïstische stelsels spreken; de ene absolute oorzaak van alles was in de gedachtewereld van de filosofen van het oude Egypte even onnoembaar en onuitsprekelijk als zij volgens Herbert Spencer voor eeuwig onkenbaar is. Wat de Egyptenaar in het algemeen betreft, zoals Maspero terecht opmerkt, telkens als hij ‘tot het begrip van de goddelijke eenheid kwam, was de god Eén nooit alleen maar ‘God’’. En Lepage Renouf merkte heel juist op, dat het woord nouter, nouti, ‘god’, bij de Egyptenaren altijd een soortnaam is gebleven en nooit een persoonlijk voornaamwoord is geworden. Elke god was bij hen de ‘ene levende en enige god’. Hun ‘monotheïsme was zuiver geografisch. Als de Egyptenaar van Memphis de eenheid van Phtah met uitsluiting van Ammon verkondigde, dan verkondigde de Egyptenaar van Thebe de eenheid van Ammon met uitsluiting van Phtah’, zoals wij nu in India zien gebeuren bij de Śaiva’s en de Vaishnava’s. ‘Ra, de ‘ene god’ in Heliopolis is niet dezelfde als Osiris, de ‘ene god’ in Abydos, en kan naast hem worden vereerd zonder door zijn buurman te worden geabsorbeerd. De ene god is slechts de god van de nome of de grote stad, noutir, noutti en sluit het bestaan van de ene god van die stad of van de aangrenzende nome niet uit. Kortom, als wij spreken over het Egyptische monotheïsme, moeten wij spreken over de goden ‘Eén’ van Egypte, en niet over de ene god.’ (Maspero, in de Guide au Musée de Boulak.) Aan dit bij uitstek Egyptische kenmerk zou de echtheid van de verschillende zogenaamde Hermetische boeken moeten worden getoetst; het ontbreekt volledig in de Griekse fragmenten die als zodanig bekendstaan. Dit bewijst dat een Griekse neoplatonische of zelfs een christelijke hand geen gering aandeel had in het bepalen van de eindvorm van zulke boeken. Natuurlijk is de fundamentele filosofie erin aanwezig, en op veel plaatsen onaangetast. Maar de stijl is veranderd en in een monotheïstische richting gladgestreken; evenveel en misschien meer dan die van de Hebreeuwse Genesis in de Griekse en Latijnse vertalingen ervan. Het kunnen Hermetische boeken zijn, maar geen boeken die door een van de twee Hermessen zijn geschreven – of beter gezegd door Thot (Hermes), de leidende intelligentie van het Heelal (zie het Dodenboek, hfst. xciv) of door Thot, zijn aardse incarnatie die Trismegistus wordt genoemd, van de steen van Rosette.
   Maar alles is twijfel, ontkenning, beeldenstorm en ruwe onverschilligheid in onze eeuw van honderden ‘ismen’ en geen religie. Elke afgod is verbrijzeld, behalve het gouden kalf.
   Helaas kan geen volk of kunnen geen volkeren aan hun karmische lot ontkomen, evenmin als eenheden en individuen. De geschiedenis zelf wordt door de zogenaamde geschiedkundigen even weinig scrupuleus behandeld als kennis van legenden. Hiervoor heeft Augustin Thierry amende honorable gemaakt, als men zijn biografen mag geloven. Hij betreurde het onjuiste beginsel dat hen allen (de zogenaamde geschiedschrijvers) op een dwaalspoor bracht en waardoor ieder de vrijheid nam de traditie te verbeteren, ‘die vox populi, die in negen van de tien gevallen vox Dei is’; en hij gaf tenslotte toe dat echte geschiedenis alleen in de legende is te vinden; want ‘de legende’, voegt hij eraan toe, ‘is levende overlevering en in drie van de vier gevallen is deze meer waar dan wat wij geschiedenis noemen’7.
   Terwijl de materialisten alles in het heelal ontkennen behalve de stof, proberen de archeologen de oudheid te verkleinen en elke aanspraak op oude wijsheid teniet te doen door met de chronologie te knoeien. Onze hedendaagse oriëntalisten en geschiedschrijvers zijn voor de oude geschiedenis wat de witte mieren zijn voor de gebouwen in India. Gevaarlijker nog dan die termieten zijn de hedendaagse archeologen – de ‘autoriteiten’ van de toekomst inzake de universele geschiedenis – die voor de geschiedenis van volkeren uit het verleden hetzelfde lot bereiden als dat van bepaalde gebouwen in tropische landen: ‘De geschiedenis zal ineenstorten en volledig uiteenvallen in de schoot van de twintigste eeuw, tot in haar fundamenten aangevreten door haar kroniekschrijvers’, zegt Michelet. Inderdaad zal zij tengevolge van hun gezamenlijke pogingen heel snel het lot delen van die ruïnesteden in de beide Amerika’s, die diep liggen begraven onder ondoordringbare maagdelijke wouden. Historische feiten zullen eveneens aan het oog onttrokken blijven door de onontwarbare wildernissen van hedendaagse hypothesen, ontkenningen en scepticisme. Maar gelukkig herhaalt de werkelijke geschiedenis zich, want ze verloopt evenals alle andere dingen, in cyclussen; en dode feiten en gebeurtenissen die opzettelijk in de zee van het hedendaagse scepticisme werden verdronken, zullen weer naar boven komen en aan de oppervlakte verschijnen . . .
   In ons Deel II zal juist het feit dat een boek met pretenties op filosofisch gebied, en dat een uiteenzetting van de diepzinnigste problemen inhoudt, moet beginnen met de evolutie van de mensheid terug te voeren tot wat men als bovennatuurlijke wezens – geesten – beschouwt, de meest kwaadwillige kritiek uitlokken. Degenen die geloven in de Geheime Leer en deze verdedigen, zullen echter de beschuldiging van waanzinnigheid en erger even filosofisch moeten verdragen als de schrijfster al jarenlang heeft gedaan. Telkens als een theosoof van krankzinnigheid wordt beschuldigd, zou hij moeten antwoorden met deze aanhaling uit de Lettres Persanes van Montesquieu: ‘Door hun krankzinnigengestichten zo ruim open te stellen voor hun veronderstelde krankzinnigen, proberen de mensen elkaar slechts te verzekeren dat zij niet zelf gek zijn.’

EINDE VAN DEEL 1

 

 

Noten:

  1. Père Félix de Notre Dame, Le Mystère et la Science, Conférences; Des Mousseaux, Hauts Phén. Magiques.
  2. Zie het werk van de cyclussen en hun periodieke terugkeer! Zij die ontkenden dat zulke ‘wezens’ (krachten) lichamen waren en ze ‘ruimten’ noemden, waren de prototypen van ons hedendaagse ‘op de wetenschap verzotte’ publiek en hun officiële leraren, die spreken over de natuurkrachten als over de onweegbare energie van de stof en de bewegingsvormen, en toch elektriciteit (bijvoorbeeld) beschouwen als even atomair als de stof zelf (Helmholtz). Inconsequentie en tegenstrijdigheid heersen evengoed in de officiële als in de heterodoxe wetenschap.
  3. ‘Hermes rekent hier tot de goden de waarneembare natuurkrachten, de elementen en de verschijnselen van het Heelal’, merkt Mw. A. Kingsford in een voetnoot terecht op. Hetzelfde wordt gezegd door de oosterse filosofie.
  4. ‘O, Toum, Toum! voortgekomen uit het grote (vrouwelijke), dat in de schoot van de wateren (de grote Diepte of Ruimte) is’ . . . ‘U, lichtend door de twee leeuwen’ (de tweevoudige kracht of het vermogen van de twee zonne-ogen, of de positieve en de negatieve elektrische krachten). Zie Dodenboek, III en Egyptian Pantheon, hoofdstuk ii.
  5. Een beeld dat de opeenvolging van goddelijke functies uitdrukt, de omzetting van de ene vorm in de andere, of de wisselwerking van krachten. Aam is de positieve elektrische kracht, die alle andere verslindt, evenals Saturnus doet met zijn nageslacht.
  6. Aanroo ligt in het gebied van Osiris, een veld dat in veertien stukken is verdeeld ‘omgeven door een ijzeren omheining, waarbinnen het graan van het leven zeven ellen hoog groeit’, de kāmaloka van de Egyptenaren. Alleen die doden die de namen van de deurwachters van de ‘zeven zalen’ kennen, zullen voor eeuwig tot amenti worden toegelaten; dat wil zeggen, zij die door de zeven rassen van elke ronde zijn gegaan – anders zullen zij rusten in de lagere velden; ‘en het stelt ook de zeven opeenvolgende devachans of loka’s voor’. In amenti wordt men zuivere geest voor de eeuwigheid (xxx, 4), terwijl in Aanroo ‘de ziel van de geest’ of de overledene iedere keer wordt verslonden door Uraeus – de slang, de zoon van de aarde (in een andere betekenis de oorspronkelijke levensbeginselen in de zon), d.w.z. het astrale lichaam van de overledene of de ‘elementaar’ vervaagt en verdwijnt in de ‘zoon van de aarde’, beperkte tijd. De ziel verlaat de velden van Aanroo en neemt op aarde elke door haar gewenste vorm aan. (Zie hoofdstuk xcix, Dodenboek.)
  7. Revue des Deux Mondes, 1865, blz. 157 en 158.

 


De Geheime Leer 1:743-52

© 1988 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag