Schepping van goddelijke wezens

volgens de exoterische verhalen

     In het Vishnu Purana – die ongetwijfeld de oudste van alle geschriften met die naam is – vinden wij, evenals in alle andere, dat Brahma als de mannelijke god, voor scheppingsdoeleinden ‘vier lichamen bekleed met drie eigenschappen1, aanneemt. Er wordt gezegd: ‘Op deze manier, Maitreya, zijn jyotsna (dageraad), ratri (nacht), ahan (dag) en sandhya (avondschemering) de vier lichamen van Brahma’ . . . (blz. 81, Deel I, vertaling van Wilson). Zoals Parasara verklaart: wanneer Brahma wenst de wereld opnieuw te scheppen en door zijn wil nakomelingen voort te brengen, in de viervoudige toestand (of de vier orden van wezens), genaamd goden (Dhyan-Chohans), demonen2 (d.i. meer stoffelijke deva’s), voorvaderen (pitri’s) en mensen, dan ‘verzamelt hij zijn gedachten als door yoga (yúyujè)’.
     Vreemd genoeg begint hij met het scheppen van DEMONEN, die dus voorrang krijgen boven de engelen of goden. Dit is geen tegenstrijdigheid en ook geen inconsequentie, maar heeft evenals al het overige een diepzinnige esoterische betekenis, volkomen duidelijk voor iemand die vrij is van christelijk theologisch vooroordeel. Wie voor ogen houdt dat het beginsel MAHAT of intellect, het ‘universele denkvermogen’ (letterlijk ‘het grote’), dat de esoterische filosofie de ‘gemanifesteerde alwetendheid’ noemt – het ‘eerste voortbrengsel’ van pradhana (oerstof) zoals het Vishnu Purana zegt, maar volgens het occultisme het eerste kosmische aspect van Parabrahm of het esoterische SAT, de universele ziel3 – aan de wortel van het ZELF-bewustzijn ligt, zal begrijpen waarom. De zogenaamde ‘demonen’ – die (esoterisch) het zelfbewuste en (intellectueel) actieve beginsel zijn – zijn om zo te zeggen de positieve polen van de schepping, en zijn dus het eerst voortgebracht. Dit is in het kort het proces, zoals het in de Purana’s allegorisch wordt verteld.
     ‘Nadat Brahma zijn denkvermogen in zichzelf had geconcentreerd en de eigenschap van duisternis zijn aangenomen lichaam had doordrongen, werden eerst de Asura’s voortgebracht, die tevoorschijn kwamen uit zijn dij; hierna werd dit lichaam verlaten en veranderd in NACHT.’ (Zie Afdeling II, ‘De gevallen engelen’.)
     Het gaat hier om twee belangrijke punten: (a) oorspronkelijk worden in de Rig Veda de ‘Asura’s’ voorgesteld als geestelijke, goddelijke wezens; hun etymologie wordt afgeleid van asu (adem), de ‘adem van god’, en zij betekenen hetzelfde als de hoogste geest of de Ahura van de Zoroastriërs. Pas later laat men ze voor theologische en dogmatische doeleinden uit Brahma’s dij tevoorschijn komen, en begon men hun naam af te leiden van de ontkennende letter a, en sura, god (zonnegodheden), dus niet-een-god, en werden zij de vijanden van de goden. Zonder uitzondering plaatsen alle oude theogonieën – van de Arische en de Egyptische tot die van Hesiodus – in de volgorde van de kosmogonische evolutie de nacht vóór de dag; zelfs Genesis, waar ‘duisternis was op de afgrond’ vóór ‘de eerste dag’. De reden hiervoor is dat elke kosmogonie – behalve in de Geheime Leer – begint met de zogenaamde ‘secundaire schepping’: het gemanifesteerde Heelal, waarvan de genesis moet beginnen met een duidelijke differentiatie tussen het eeuwige licht van de primaire schepping, waarvan het mysterie voor altijd ‘duisternis’ moet blijven voor het onderzoekende eindige bevattingsvermogen en verstand van de oningewijde, en de secundaire evolutie van de gemanifesteerde zichtbare natuur. De Veda bevat de hele filosofie van die scheiding zonder ooit goed door onze oriëntalisten te zijn verklaard, omdat zij die nooit hebben begrepen.
     Voortgaand met scheppen, neemt Brahma een andere vorm aan, die van de Dag, en schept hij uit zijn adem de goden, die de eigenschap van goedheid (passiviteit) verkrijgen4. In zijn volgende lichaam overheerste de eigenschap van grote passiviteit, die ook (negatieve) goedheid is, en uit de zijde van die persoonlijkheid kwamen de pitri’s, de voorvaderen van de mensen voort, omdat, zoals de tekst verklaart, ‘Brahma zich (tijdens het proces) als de vader van de wereld voelde5’. Dit is kriya-sakti, de geheimzinnige yoga-kracht, die elders wordt verklaard. Dit lichaam van Brahma werd, na te zijn afgeworpen, de sandhya (avondschemering), het interval tussen dag en nacht.
     Tenslotte nam Brahma zijn laatste vorm aan, doordrongen van de eigenschap van verdorvenheid, ‘en hieruit werden MENSEN voortgebracht, in wie verdorvenheid en hartstocht overheersen’. Nadat dit lichaam was afgeworpen, werd het de dageraad, of de morgenschemering – de schemering van de mensheid. Hier stelt Brahma esoterisch de pitri’s voor. Hij is collectief de pitar, ‘vader’.
     De ware esoterische betekenis van deze allegorie moet nu worden verklaard. Brahma symboliseert hier persoonlijk de gezamenlijke scheppers van de wereld en van de mensen – het heelal met al zijn talloze voortbrengselen van beweeglijke en (schijnbaar) onbeweeglijke dingen6. Hij is collectief de prajapati’s, de Heren van het Zijn; en de vier lichamen typeren de vier klassen van scheppende machten of Dhyan-Chohans, beschreven in de Toelichting die direct volgt op Stanza VII in Deel I. De hele filosofie van de zogenaamde ‘schepping’ van goed en kwaad in deze wereld en van de hele cyclus van manvantarische gevolgen daarvan, berust op het juiste begrip van deze vier lichamen van Brahma.
     De lezer zal nu in staat zijn de werkelijke esoterische betekenis te begrijpen van wat hierna volgt. Bovendien moet een belangrijk punt nog worden opgehelderd. Doordat de christelijke theologie willekeurig heeft vastgesteld en is overeengekomen dat satan met zijn gevallen engelen tot de eerste schepping behoorde en dat satan de eerstgeschapen, de wijste en de mooiste van Gods Aartsengelen was, was het woord gesproken en de grondtoon aangeslagen. Van nu af leidde men uit alle heidense geschriften dezelfde betekenis af en liet men zien dat ze alle demonisch waren; men beweerde en beweert dat de waarheid en de feiten uitsluitend behoren tot en beginnen bij het christendom. Zelfs de oriëntalisten en mythologen, van wie sommigen in het geheel geen christenen zijn, maar ‘ongelovigen’ of geleerden, betraden onbewust en alleen door de kracht van de associatie van denkbeelden en gewoonte, de theologische denkwereld. Zuiver brahmaanse overwegingen, gebaseerd op begeerte naar macht en eerzucht, lieten de grote massa onwetend van grote waarheden; en dezelfde oorzaken brachten de ingewijden onder de eerste christenen ertoe het stilzwijgen te bewaren, terwijl degenen die de waarheid nooit hadden gekend, de orde van de dingen vervormden, en de hiërarchie van de ‘engelen’ beoordeelden naar hun exoterische vorm. Evenals de Asura’s in het volksgeloof de opstandige lagere goden waren geworden, die de hogere bestreden, zo werd de hoogste Aartsengel, in werkelijkheid de Agathodaemon, de oudste goedgezinde logos, voor de theologie de ‘tegenstander’ of satan. Maar wordt dit gerechtvaardigd door de juiste interpretatie van een van de oude heilige geschriften? Het antwoord is: beslist niet. Zoals de mazdeïsche geschriften van de Zend-Avesta, de Vendidad en andere, de latere listige verwisseling van de goden in het hindoepantheon ongedaan maken en ontmaskeren, en door AHURA de Asura’s op hun rechtmatige plaats in de theogonie laten terugbrengen, zo rechtvaardigen de recente ontdekkingen van de Chaldeeuwse kleitabletten de goede naam van de eerste goddelijke emanaties. Dit is gemakkelijk te bewijzen. De christelijke engelenleer is rechtstreeks en uitsluitend ontleend aan die van de Farizeeën, die hun leringen uit Babylonië hadden meegebracht. De Sadduceeën, de werkelijke bewaarders van de wetten van Mozes, kenden geen engelen en verwierpen deze, en betwistten zelfs de onsterfelijkheid van de menselijke ziel (niet van de onpersoonlijke geest). In de bijbel zijn de enige ‘engelen’ waarover wordt gesproken, de ‘zonen van god’ die in Genesis vi worden genoemd (en die nu worden beschouwd als de nephilim, de gevallen engelen), en verschillende engelen in mensengedaante, de ‘boodschappers’ van de joodse god, van wie de eigen rang nauwkeuriger moet worden onderzocht dan tot dusver. (Zie hierboven, Stanza I, onderafdeling 2, 3 e.v., waar wordt aangetoond dat de eerste Akkadiërs Ea, wijsheid, dat noemden wat door de latere Chaldeeën en Semieten werd vervormd tot tiamat, tisalat en de thallath van Berosus, de vrouwelijke zeedraak, nu satan.) Werkelijk – ‘Hoe zijt gij gevallen (door de hand van de mens), o heldere ster en zoon van de morgen’!
     Wat zeggen ons de Babylonische ‘scheppings’-verhalen, zoals we die vinden op de Assyrische fragmenten van kleitabletten; dezelfde verhalen waarop de Farizeeën hun engelenleer baseerden? Vergelijk ‘Assyrian Discoveries’, blz. 398, door G. Smith en zijn ‘Chaldean Account of Genesis’, blz. 107. Het ‘kleitablet met de geschiedenis van de zeven boze goden of geesten’ geeft het volgende verhaal – wij drukken de belangrijkste passages cursief:
     1. In de eerste dagen de boze goden,
     2. de engelen, die in opstand waren, die in het lagere deel van de hemel
     3. waren geschapen,
     4. zij verrichtten hun kwade werk
     5. beramend met boosaardige hoofden . . . enz.
     Zo blijkt overduidelijk uit een heel gebleven fragment, zodat er geen twijfel kan zijn over de interpretatie, dat de ‘opstandige engelen’ waren geschapen in het lagere deel van de hemel, d.w.z. dat zij behoorden en behoren tot een stoffelijk evolutiegebied, hoewel dat, omdat het niet het gebied is waarvan wij door onze zintuigen kennis krijgen, in het algemeen voor ons onzichtbaar blijft en dus als subjectief wordt beschouwd. Hadden de gnostici het dan zo mis met hun bewering dat deze onze zichtbare wereld, en speciaal de aarde, was geschapen door lagere engelen, de mindere Elohim, van wie, zoals zij leerden, de god van Israël er een was? Deze gnostici stonden in tijd dichter bij de verslagen van de archaïsche Geheime Leer, en moeten er daarom meer van hebben geweten dan niet-ingewijde christenen, die honderden jaren later op zich namen om wat er gezegd was, om te werken en te verbeteren. Maar laten wij zien wat hetzelfde kleitablet verder zegt:
     7. Zij waren met hun zevenen (de boze goden) . . . (dan worden ze beschreven; de vierde is een ‘slang’, het fallische symbool van het vierde Ras bij de evolutie van de mens).
     15. Zij met hun zevenen, boodschappers van de god Anu, hun koning.
     Anu behoort tot de Chaldeeuwse drie-eenheid, en is in één aspect identiek met Sin, de ‘maan’. En de maan is in de Hebreeuwse Kabbala de Argha van het zaad van al het stoffelijke leven, en is kabbalistisch nog nauwer verbonden met Jehova, die evenals Anu beide geslachten heeft. Ze zijn beiden in de esoterie vertegenwoordigd en worden beschouwd uit een tweevoudig oogpunt: mannelijk of geestelijk, vrouwelijk of stoffelijk, of geest en stof, de twee vijandige beginselen. Daarom worden de ‘boodschappers van Anu’ (die Sin, de ‘maan’ is) in de verzen 28 tot 41 voorgesteld als tenslotte overweldigd door dezelfde Sin met de hulp van Bel (de zon) en Ishtar (Venus). De assyriologen beschouwen dit als een tegenstrijdigheid, maar in de esoterische leer is het eenvoudig metafysica.
     Er is meer dan één interpretatie, want er zijn zeven sleutels tot het mysterie van de val. Bovendien zijn er in de theologie twee ‘vallen’: de opstand van de Aartsengelen en hun ‘val’ en de ‘val’ van Adam en Eva. Zo worden zowel de lagere als de hogere hiërarchieën beschuldigd van een veronderstelde misdaad. Het woord ‘veronderstelde’ is de ware en juiste uitdrukking, want in beide gevallen is de beschuldiging gebaseerd op een onjuiste opvatting. Beide worden in het occultisme als karmische gevolgen beschouwd, en beide behoren tot de wet van de evolutie: verstandelijk en geestelijk aan de ene kant, stoffelijk en psychisch aan de andere. De ‘val’ is een universele allegorie. Daarin wordt aan het ene eind van de ladder van de evolutie de ‘opstand’ geplaatst, d.i. de werking van het differentiërende denkvermogen of bewustzijn op zijn verschillende gebieden, dat streeft naar vereniging met de stof; en aan het andere, het lagere eind, de opstand van de stof tegen de geest, of van handeling tegen geestelijke traagheid. En hier ligt de kiem van een dwaling die al meer dan 1800 jaar zo’n noodlottige uitwerking heeft gehad op het denkvermogen van de beschaafde wereld. In de oorspronkelijke allegorie is het de stof – dus de meer stoffelijke engelen – die werd beschouwd als de overwinnaar op de geest, of de Aartsengelen die op dit gebied vielen’. ‘Zij van het vlammende zwaard (of dierlijke hartstochten) hadden de geesten van de duisternis op de vlucht gedreven.’ Toch zijn het de laatstgenoemden die streden voor de oppermacht van de bewuste en goddelijke spiritualiteit op aarde en die faalden, doordat ze bezweken voor de macht van de stof. Maar in het theologische dogma zien wij het omgekeerde. Het is Michaël, ‘die is gelijk God’, de vertegenwoordiger van Jehova, die de leider is van de hemelse menigten – zoals Lucifer in de verbeelding van Milton de leider is van de helse menigten – die Satan overwint. Het is waar dat de aard van Michaël afhangt van die van zijn Schepper en Meester. Wie deze laatste is, kan men te weten komen door zorgvuldig de allegorie van de ‘oorlog in de hemel’ te bestuderen met behulp van de astronomische sleutel. Zoals Bentley aantoont, zijn de ‘oorlog van de titanen tegen de goden’ bij Hesiodus, en ook de oorlog van de Asura’s (of de Tarakamaya) tegen de deva’s in de puranische legende, behalve de namen, in alles identiek. De aspecten van de sterren tonen aan (Bentley neemt het jaar 945 v.Chr. als de dichtstbijzijnde datum voor zo’n conjunctie) dat ‘alle planeten, behalve Saturnus, aan dezelfde kant van de hemel stonden als de zon en de maan’ en dus zijn tegenstanders waren. En toch is het Saturnus of de joodse ‘maan-god’ die zegevierde, zowel volgens Hesiodus als Mozes – die geen van beiden werden begrepen. Zo werd de ware betekenis verwrongen.

 

Noten:

  1. Dit heeft in de esoterie rechtstreeks betrekking op de zeven beginselen van de gemanifesteerde Brahma, of het heelal, in dezelfde volgorde als in de mens. Exoterisch zijn het maar vier beginselen.
  2. Het woord demonen heeft een heel ruime betekenis, want het wordt toegepast op een groot aantal lagere – d.w.z. meer stoffelijke – geesten, of lagere goden, die zo worden genoemd omdat zij met de hogere ‘oorlog voeren’; maar het zijn geen duivels.
  3. Dezelfde volgorde van beginselen is er in de mens: atma (geest), buddhi (ziel), zijn voertuig, zoals de stof het vahan van de geest is, en manas (denkvermogen), het derde, of microkosmisch het vijfde. Op het gebied van de persoonlijkheid is manas het eerste.
  4. Zo zegt de Toelichting dat de uitspraak ‘overdag zijn de goden het machtigst, en ’s nachts de demonen’ zuiver allegorisch is.
  5. Dit zich voelen als dit, dat, of iets anders is de belangrijkste factor bij het voortbrengen van elke soort psychische of zelfs fysische verschijnselen. De woorden ‘wie tot deze berg zal zeggen: verhef u en val in de zee, en niet zal twijfelen . . . het zal hem ook geschieden’, zijn geen ijdele taal. Maar het woord ‘geloof’ moet worden vertaald met WIL. Geloof zonder wil is als een windmolen zonder wind – dus zonder gevolg.
  6. Hetzelfde denkbeeld treft men aan in de eerste vier hoofdstukken van Genesis, met hun ‘Heer’ en ‘God’, die de Elohim en de androgyne Eloha zijn.

De Geheime Leer 2:62-8

© 1988 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag