Inhoudsopgave   

 


Algemeen Congres van de Theosophical Society

Utrecht, Nederland – zondag 15 april 1951


 

Uit de ochtendsessie

Verslag van de leader

Meneer de voorzitter, afgevaardigden en vrienden: sinds enkele jaren is het mijn gewoonte om te weigeren plannen te maken voor wat ik ga zeggen of doen. Maar ik denk dat ik u een interessant verslag kan geven van mijn reis rond de wereld en van de manier waarop het werk sinds het heengaan van onze vorige chef, kolonel Conger, voortgang vond.

Vooraf echter zou ik de afgevaardigden van de verschillende nationale afdelingen willen bedanken voor hun komst en de organisatie van het congres. Het denkbeeld van een werkelijk doeltreffende en actieve samenwerking in onze geliefde Society is geen zinloze mythe. Nu we het punt halverwege deze eeuw zijn gepasseerd en aan de tweede helft beginnen is de tijd aangebroken om de stukjes waarheid die we in de afgelopen jaren hebben verzameld zó samen te smeden dat we een krachtig toonbeeld van handelen scheppen waardoor het werk van de theosofie en haar invloed in de wereld zullen worden voortgezet, niet alleen in deze eeuw, maar ook in vele toekomstige eeuwen.

Toen kolonel Conger leader werd, deed hij een belangrijke uitspraak, waarvan ik durf te zeggen dat maar heel weinig leden, zelfs van zijn staf en Kabinet, haar serieus namen, niet uit gebrek aan toewijding of waardering, maar omdat het zo’n eenvoudige uitspraak was dat ze in de dagelijkse routine aan de aandacht ontsnapte. Maar bij praktisch occultisme zijn juist de heel eenvoudige dingen het krachtigste. Die eenvoudige uitspraak was: ‘We moeten ons nu richten op het geven van theosofie in plaats van op het ontvangen van theosofie.’ Hij lichtte die uitspraak niet verder toe, maar was door zijn grote zelfopoffering een voorbeeld ervan.

Kolonel Conger gaf alles wat hij had, vanuit elk deel van zijn constitutie, aan het werk van de meesters. Tot zijn laatste ademtocht gaf hij zich volledig, zonder ook maar één moment aan zichzelf te denken. Voor hen die het voorrecht hadden met hem samen te werken, was hij een echte spirituele aristocraat. Ware aristocratie is niet iets hoogs hier boven ons (spreker wijst omhoog) en ongrijpbaars. Ware aristocratie is een eenvoudige zaak. Het is de zielengrootsheid die doorschijnt in de dagelijkse verantwoordelijkheden en werkzaamheden van ieder individu die onzelfzuchtig begaan is met het lot van zijn medemensen. En iedereen die hem kende of heeft ontmoet, weet dat hij meer dan wie ook die we hebben gekend, een schitterend voorbeeld was van wat een theosoof kan zijn.

Als ik het me goed herinner was het in de ochtend van 13 december vóór kolonel Conger opstond om met hulp van Larry Merkel en mij zijn gebruikelijke douche te nemen, dat hij ons aan zijn bed riep en zei zo spoedig mogelijk een vergadering bijeen te willen roepen. Dit verzoek was typerend voor van zijn manier van werken. We vroegen hem wat voor vergadering hij wenste. ‘Ik wil een vergadering met alle bewoners van het hoofdkwartier en dhr. Hart en ook een vertegenwoordiger van de Amerikaanse Afdeling als hij of zij beschikbaar is.’ We stelden geen vragen. We namen onmiddellijk met iedereen contact op en vroegen hen naar North Grand Avenue 75 te komen. Binnen drie kwartier was iedereen aanwezig, want dhr. Hart moest uit Covina komen. Toen we allemaal in zijn slaapkamer bijeen waren, vroeg hij me de aanwezige leden het doel van de bijeenkomst mee te delen. U kunt zich voorstellen hoe ik me voelde, want er was mij niets gezegd; en toen drong het plotseling tot me door dat hij misschien ’s nachts had nagedacht over een gesprek dat we de avond tevoren hadden gevoerd en ik vroeg hem: ‘Kolonel, wilt u soms dat ik de mensen vertel waar we het gisteravond over hadden?’

Hij antwoordde, ‘Ja.’

Ik zei, ‘Goed’, en ik vertelde het. Het ging om een gesprek over het werk dat we als heel gewoon hadden beschouwd en dat we regelmatig voerden: hoe de situatie in de wereld was, de plaats van de theosofie in de wereld en het werk dat in de verschillende nationale afdelingen werd verricht.

Kort gezegd, de uitkomst van die vergadering was dat iemand naar Europa zou moeten gaan. Ik had geen idee wie hij in gedachten had, want er werden geen namen genoemd. We wisten alleen dat er iemand naar Europa zou moeten gaan. Die onduidelijkheid bleef gedurende 13, 14 en een deel van 15 december bestaan, tot dhr. Merkel mij nogal bruusk bij de arm greep en zei: ‘Luister eens Jim, doe niet zo dwaas. De kolonel wil dat jij die reis maakt. Ga naar binnen en zeg dat je zal gaan.’ Ik aarzelde, maar ging naar binnen en zei: ‘Kolonel, Larry denkt dat u wilt dat ik die reis zal maken en dat ik moet zeggen dat ik daartoe bereid ben. Als dat zo is, ben ik natuurlijk bereid alles te doen wat u van me verlangt.’ Twee seconden bleef het volkomen stil. ‘Is dat uw wens, kolonel?’ ‘Wel, maak je gereed!’, antwoordde hij, en dus ging ik naar Europa en de wereld rond.

Dit typeert de manier waarop de kolonel met enkelen van ons werkte. Hij dwong onze intuïtie soms tot het uiterste te gaan, maar hij wist wat hij deed. Ik had nog ongeveer 24 uur om een hoop werk af te ronden. Omdat dhr. Merkel voor de kolonel moest zorgen, kwam het op mij en een of twee anderen aan om de tijdschriften gereed te maken en we moesten het drukken van een ervan die dag afkrijgen. Die nacht stond ik tot half één aan de pers in Covina, ging daarna terug, dicteerde een groot aantal brieven aan Mw. Knoche en gaf een aantal instructies over zaken die tot mijn verantwoordelijkheid behoorden, zodat iemand die kon overnemen en begon mijn koffers te pakken en verliet ’s ochtends om half vijf het huis om het vliegtuig te halen dat om zeven uur van het vliegveld van Los Angeles zou vertrekken.

Toen ik boven kwam om de kolonel gedag te zeggen, vroeg ik hem of hij nog aanwijzingen of richtlijnen had over wat ik moest doen. Hij zei alleen: ‘Zorg dat de onderneming slaagt.’ Ik antwoordde: ‘Dank u. Tot ziens.’

Ik zal u niet vervelen met alle details van die lange, nee niet lange, maar korte wereldreis van 8 weken, maar ik zal proberen om iets weer te geven van de sfeer van kolonel Conger en van de intensiteit en de kalmte waarmee hij de weg bereidde voor de toekomst.

Vlak voor Kerstmis vloog ik naar Londen, bracht enkele dagen door met de politierechter van Teesdale [Ben Koske], en ik vertrok Tweede Kerstdag, die men in Engeland Boxing Day noemt. Maar die paar dagen die ik in Teesdale doorbracht met de Teesdale-filosoof waren heel nuttig, want het was zo koud (het koudste weer in Engeland sinds 17 jaar) dat ik – omdat ik nooit warm werd, behalve aan de kant die naar het vuur was gekeerd – het voorrecht had om voor het vuur te mogen zorgen en veel kon nadenken nadat de anderen naar bed waren gegaan en alleen bij het vuur kon zitten.

Hoe dan ook, mijn werk begon in Engeland. Evenals elke andere afdeling heeft de Engelse afdeling in de loop van de theosofische geschiedenis zijn goede en slechte dagen gekend, maar eigenlijk waren er in geen van de nationale afdelingen echte problemen geweest. Maar gezien de enorme taak die voor ons ligt, was de kolonel zich ervan bewust dat hij de verantwoordelijkheid had om elke nationale afdeling te helpen om zogezegd orde op zaken te stellen, met het oog op de lange, zware opmars naar 1975 en verder. Ik moet heel voorzichtig zijn met wat ik zeg over deze verschillende nationale afdelingen!

Ruim twee jaar geleden vroeg kolonel Conger aan Grace Knoche om in de grote hal van het administratiegebouw in Covina een reeks lezingen te geven. Deze lezingenreeks over de heilige boeken van het oosten, door haar te interpreteren vanuit theosofisch standpunt, zou worden gevolgd door een korte reeks over de heilige boeken van het westen, de oorspronkelijk in het Grieks geschreven christelijke boeken, eveneens theosofisch geïnterpreteerd. Op de eerste bijeenkomst sprak kolonel Conger 45 minuten om de reeks in te leiden en de kern van zijn opmerkingen kan ik als volgt omschrijven: ‘Vrienden, ik zou willen dat u beseft dat in het verleden de gevaren voor het werk van de Theosophical Society van buitenaf kwamen. Maar die tijd is voorbij. In deze Theosophical Society hoeven we niet meer bang te zijn voor gevaren van buitenaf. Maar,’ zei hij, ‘de gevaren van nu en in de toekomst waarvoor we moeten waken, zijn de gevaren die het werk van binnenuit de Theosophical Society bedreigen.’

Dat was twee jaar geleden. Het kwam nogal als een schok, maar kolonel Conger kennende, wisten we dat hij geen zinloze uitspraken deed. Met deze grondtoon als gids werd het mijn taak om op mijn wereldreis het werk in de verschillende nationale afdelingen te bekijken bijgestaan door hun functionarissen, de sleutelfiguren, en hen op de hoogte te stellen van de verantwoordelijkheden die op de schouders rustten en nog rusten van iedere functionaris en van ieder lid van de Theosophical Society bij deze overgang van de neergaande boog van de eeuw naar de opgaande boog – de overgang van het ontvangen naar het geven van theosofie, en de overgang van een rustig, passief samenwerken met de wet van karma, waarin het werk van de Society halverwege de eeuw was verwikkeld, naar een actieve en dynamische benadering van het werk op de opgaande boog of evoluerende boog van de cyclus.

Als theosofie iets betekent, dan is het samenwerken met de natuur, zodat we ons, nu we het punt halverwege de eeuw naderen, niet langer in de positie bevinden die Judge, zelfs in zijn tijd, zo treffend omschreef, waarin we als vogels met open snavels wachten om te worden gevoerd. We kwamen voor de verantwoordelijkheid te staan – met ‘we’ bedoel ik ieder lid – om de theosofie die ons sinds 1875 is gegeven tot ons te nemen en haar, na verwerking en assimilatie, tot een deel van ons dagelijks leven te maken.

Vóór de dood van GdeP [Gottfried de Purucker] was het al duidelijk dat die tijd snel naderde. Hijzelf maakte na ongeveer 1939 geen verdere leringen meer bekend. Vanaf dat moment waren er geen nieuwe instructies van enig belang, zelfs niet in de Esoterische Sectie. En nu beginnen we als gevolg van kolonel Congers bestuur – dat hijzelf heel vaak een overgangsbestuur noemde – de uitwerking van een nieuwe overgang te voelen. Een voorbeeld van deze andere overgang die een aanvulling vormt op de grondslag waarop het toekomstige werk wordt gebouwd, is het publiceren van Dialogues of G. de Purucker [Dialogen van G. de Purucker], waarmee zoals u weet de KTMG-verslagen [Katherine Tingley Memorial Group] werden gedrukt en voor een breed publiek beschikbaar werden gemaakt. Op wat voor overgang wijst dit? Het betekent dat het esoterische exoterisch is geworden – dit is slechts één manier om het te zeggen – maar het betekent ook dat de esoterische kracht die door het werk van de Society en haar Esoterische Sectie stroomde, nu door de TS zelf stroomt. En diegenen van u die lang genoeg in de Society zijn geweest om te weten en te zien wat geloftekoorts is, zoals HPB het in De Sleutel tot de Theosofie noemt, weten dat een nieuw lid van de Theosophical Society dat in zijn hart oprechte aspiratie en ware toewijding aan het werk van de meesters heeft, bij het naderen en binnengaan van de kleinere en andere poorten van zuivering, ergere geloftekoorts, ergere pijn heeft ervaren, dan vele, vele leden van de Esoterische Sectie ondergingen. Dit is nog een teken van deze tijd.

Na deze achtergrondinformatie zal ik nu snel de verschillende nationale afdelingen doornemen. In Engeland ontving ik mijn eerste belangrijke aanwijzing van de kolonel, en vroeg hij me de Esoterische Sectie te sluiten in elk land waar ik kwam. Dat is gebeurd. In Engeland waren er geen ernstige interne problemen, behalve bij de zogenaamde verbroedering, de poging van zowel andere organisaties als van enkele van onze eigen leden om, wat aan de oppervlakte op samenwerking van de verschillende organisaties leek, tot stand te brengen. Niet met die gedachte in te stemmen lijkt op het eerste gezicht onbroederlijk, maar we moeten zorgvuldig waken over onze opvattingen over werkelijke broederschap. We kunnen veel aanwijzingen vinden in de woorden van de meesters zelf in De Mahatma Brieven aan A.P. Sinnett. Er schuilt gevaar in de plicht van een ander, en als we bijvoorbeeld onszelf als individu of als loge of als genootschap in de positie plaatsen waar we – en dat zou waarschijnlijk onbewust zijn – psychisch in verbinding komen te staan met een organisatie die niet de ware raja-yoga-geest volgt of toont die aan al ons theosofische werk ten grondslag ligt, dan zouden we al snel verzwakken, en zo verslapt en ondoeltreffend in ons eigen werk worden dat onze inspanningen tot niets zouden leiden. Er zijn niet voor niets drie belangrijke theosofische organisaties; absoluut niet. Het kan geen kwaad, al zouden het er drieëntwintig zijn. Maar het is verkeerd als deze Theosophical Society toestaat dat enig aspect van haar belangen en inspanningen in enig opzicht verwatert. Er ligt een heel belangrijke taak vóór ons. Engeland heeft zijn kleine probleem heel goed opgelost.

Van Engeland ging ik naar Zweden – ik stip slechts een paar punten aan. Zweden had ook geen echte problemen, maar een of twee punten wezen in lichte mate op wat een intern gevaar voor het werk zou kunnen worden, namelijk verstarring. Verstarring is altijd gevaarlijk en we hebben allemaal door de jaren heen voorbeelden gezien, of erover gelezen, waar hetzij een lid of een groep leden, verstarden in de benadering van KT [Katherine Tingley] en haar manier van doen, of in die van Judge of van GdeP en niet verder keken. Die benadering spreekt hen aan en iets anders is er niet. Ze ontzeggen zich de werkelijke waarde van wat HPB en Judge en alle andere leraren te bieden hebben. Ik ben naar groepen geweest – niet alleen Zweedse – waar de leden in feite bij elkaar zaten, niet in een KT-sfeer, maar in wat ze voor een KT-sfeer hielden, bijna letterlijk met gevouwen handen, alsof ze wachtten op het moment dat KT zou binnenkomen en hen zou zeggen wat ze moesten doen. Dat is niet goed. KT is heengegaan en haar fase in het werk is voorgoed voorbij. Het principe dat eraan ten grondslag lag kan terugkomen – is misschien nu gedeeltelijk teruggekomen – en zal nooit verloren gaan. Maar we moeten voor de theosofie proberen om in ons dagelijks leven alle vroegere fasen in ons op te nemen, vooral op dit moment van de eeuw. We moeten proberen om HPB, Judge, KT, GdeP en kolonel Conger in ons op te nemen. In Zweden zagen we, zoals het spreekwoord luidt, dat ze de stier bij de horens hebben gevat en dat ze goed werk verrichten.

Van Zweden reisde ik naar Duitsland. Broeder Saalfrank heeft in Duitsland voortreffelijk werk verricht. Ik was diep onder de indruk, niet alleen van zijn instelling, want men verwacht niet minder dan een goede instelling, maar de leden daar hebben over het algemeen, vooral in psychisch opzicht, geweldig werk verricht. Het Duitse volk – ik was natuurlijk alleen in West-Duitsland – de houding van het Duitse volk, dat dag in dag uit onder dezelfde omstandigheden van gebombardeerde en vernielde gebouwen werkte als waaronder u hier gedurende vele jaren moest werken, steeds in een geest en met een blik in de ogen van vertrouwen in de toekomst, al hadden ze natuurlijk zo nu en dan hun twijfels. In de Duitse afdeling vond ik geen ernstige moeilijkheden. Er was zo hier en daar enige twijfel (niet van grote betekenis), want een ander gevaar dat van binnenuit komt zijn twijfels die in het hart van trouwe leden ontstaan doordat een ander lid zaden van twijfel en achterdocht zaait, wat wijst op een volledig gebrek aan vertrouwen in de meesters. Zoals kolonel Conger meer dan eens zei: ‘De meesters staan heel dicht bij de Theosophical Society en hun ontgaat niets van wat er aan het hoofdkwartier of waar dan ook in de wereld plaatsvindt.’

Vanuit Duitsland ging ik naar Nederland. Ik ontmoette het Nederlandse bestuur op een gedenkwaardige bijeenkomst. In Nederland vond ik de beste en de ergste voorbeelden van theosofie in de praktijk. Gelukkig, zoals ik hen heb verteld, overtrof het beste het ergste zozeer dat er werkelijk geen reden tot zorg was. Ik zal daarover nog meer zeggen na de formele sluiting van dit congres, wanneer ik met de Nederlandse leden spreek. Ik heb voor hen een boodschap.
Vanuit Nederland keerde ik kort terug naar Londen en vloog daarna oostwaarts naar Australië. In Australië is er al 10 jaar een meningsverschil tussen twee groepen, die beide werkelijk oprecht toegewijd zijn aan theosofie – daarover bestond geen twijfel, en ik bedoel de juiste soort theosofie, geen pseudo-theosofie, maar echte theosofie. Maar in de loop van tien jaar tijd waren er ernstige persoonlijkheidsverschillen ontstaan. Ze maakten geen ruzie en hadden geen uiterlijke meningsverschillen, maar ze verhinderden de voortgang van het werk. Ze waren niet in staat de eenheid tot uitdrukking te brengen die bestaat in de verscheidenheid van persoonlijkheden. Maar ook daar hebben ze – nadat we eerst individuele gesprekken hadden gevoerd en daarna met de twee hoofdpersonen in die twee groepen bij elkaar – zelf besloten om samen te werken en sindsdien hebben ze prachtig werk verricht.

Daarna keerde ik terug naar de Verenigde Staten, maar ik zag geen kans om daar een rondreis te maken, hoewel ik wel de gelegenheid had om het sluiten van de Esoterische Sectie te voltooien. Ik kwam gelukkig precies een week vóór kolonel Conger een hartaanval kreeg terug – voldoende tijd om hem een korte samenvatting te geven van mijn bevindingen en van wat ik dacht dat er moest gebeuren; en hij wist, zoals wij allemaal, dat zijn tijd was gekomen om ons te verlaten. We voelden ons enorm gerustgesteld, toen hij op een dag zei: ‘Het einde van mijn reis zal niet pijnlijk zijn.’ En zo was het. Natuurlijk wist ik niet op welke dag of hoe dat einde zou komen. Maar drie nachten voordat hij overleed ging ik zoals gewoonlijk voor het slapengaan naar boven naar zijn kamer, en zei: ‘Kolonel, ik denk dat ik maar naar bed ga.’ Het was ongeveer half elf. ‘Kan ik nog iets voor u doen voor ik ga slapen?’

Hij zei, ‘Ja.’

Ik zei, ‘Kolonel, zeg het maar en ik zal mijn best doen het voor u te doen.’

Hij dacht even na, keek op en zei: ‘Maak de taak waaraan je bent begonnen helemaal af.’ Ik begreep het. Ik wenste hem goedenacht en vaarwel. De volgende ochtend kreeg hij een hartaanval, kwam drie dagen lang niet meer bij bewustzijn, en stierf. Zijn nagedachtenis zal in de Theosofische Beweging nooit vervagen, noch zullen de gevolgen van zijn grote offer worden uitgewist.

Nu wil ik u in het kort op de hoogte brengen van enkele feiten. Kolonel Conger, en ik noem hem opnieuw als degene die de weg bereidde voor de toekomst, riep me op een ochtend in september in Covina bij zich en zei: ‘Ik had vannacht een droom.’

Ik antwoordde, ‘O ja? Gaat u vertellen waar die over ging, kolonel?’

‘Dat was ik van plan.’

Ik zei, ‘Fantastisch, ik wil het graag horen.’

Hij zei, ‘De meester heeft me gezegd dat hier geen zinvol werk meer kan worden gedaan’ – hij bedoelde het hoofdkwartier in Covina.

‘Dank u, kolonel,’ antwoordde ik. ‘Wilt u Studley Hart spreken, als hij straks langs komt?’

‘Ja,’ was zijn antwoord. Hoe het verder ging is u meegedeeld: de kolonel stelde zelf een feitelijk verslag op in verband met de verhuizing. Het terrein met de gebouwen in Covina is verkocht. De drie gebouwen in de omgeving van Pasadena zijn gekocht. De woning van de leader is gekocht. Het Deodars-gebouw, waarin de andere stafleden van het hoofdkwartier zullen wonen, is gekocht en het pand is overgedragen. We zijn nu bezig met het laten aanleggen van een sprinklerinstallatie als brandbeveiliging. Deze installatie is rond 1 juni of iets vóór die tijd gereed, zodat de feitelijke verhuizing van de mensen naar het nieuwe huis niet later dan 1 juni zal plaatsvinden. Het gebouw voor de uitgeverij is ook gekocht, en de uitgeverij zal slechts van ongeveer een derde van de beschikbare ruimte in dat gebouw gebruikmaken. De rest van het gebouw wordt verhuurd, en daarvoor zullen we huur ontvangen. Om aan te geven hoe dat gebouw ons van dienst zal zijn: alleen al de huur die we van één van de huurders ontvangen, dekt de lopende kosten van het hele gebouw: de belasting en verzekeringskosten. De rest zal worden besteed aan theosofisch werk.

De machines van de uitgeverij zijn verhuisd naar het nieuwe gebouw; die verhuizing vond plaats nadat ik hierheen ben gekomen. Dat is de situatie wat de eigendommen betreft. Ik heb enkele foto’s bij me van de woning van de leader en van het Deodars-gebouw, die u tijdens de lunchpauze gerust kunt bekijken. Ze zullen hier voor u klaarliggen.

Er is nog iets dat ik wilde zeggen, maar ik kan er nu niet opkomen. Niettemin geef ik dit korte verslag zodat de aanwezige afgevaardigden bij hun overleg tenminste beschikken over beknopte informatie over het kader dat voor hen is gereedgemaakt waarbinnen ze over het toekomstige werk van de Society kunnen nadenken en van gedachten wisselen.

Vóór ik afsluit, zal ik u een verhaaltje over Utrecht vertellen. Toen ik hier de vorige keer was, gingen Fred Lindemans en ik naar dhr. Van Dishoeck voor een bespreking over boeken, en op de terugweg stopten we bij Hotel Pays-Bas om te lunchen. Omdat we een lange rit achter de rug hadden ging dhr. Lindemans even weg om zich op te frissen, en toen hij terugkwam bracht hij een kaart mee die werd verspreid, waarschijnlijk om de aandacht te vestigen op de jaarbeurs hier van 3-12 april, met een afbeelding van Hermes die zijn staf midden in Utrecht plant.

Kirby Van Mater overhandigt JAL de genoemde kaart.

Dit is de kaart. Ik kan niet zeggen waarom, maar toen Fred haar meebracht en aan mij gaf, werd ik erdoor geraakt en ik stopte haar in mijn koffer. Ze ging met mij de wereld rond en mee naar huis, en terug in Utrecht heb ik haar nog bij me en ik kan tegen de afgevaardigden alleen zeggen: Ze bevat een belangrijke gedachte. Als u de moeite wilt nemen om de staf van Hermes, en alles wat ze symbolisch vertegenwoordigt, vast te pakken en haar in uw besprekingen op dit congres stevig plant, dan zal – denk ik – dat waarvoor de staf van Hermes staat door de hele wereld heen stralen. Onze geliefde Theosophical Society en haar werk zullen dan hun volwaardige plaats in de wereld innemen, hun rechtmatige plicht tegenover onze medemensen en de mensheid vervullen, en onze beschaving helpen om met de juiste theosofische impuls vooruit te gaan.

Dank u zeer.


 

Uit de middagsessie

Boodschap aan het congres

Meneer de voorzitter, afgevaardigden voor dit congres, en vrienden:

Ik heb zitten luisteren en ik zal u eerlijk zeggen dat u een ogenblik geduld met me zal moeten hebben, want ik ben te ontroerd om te spreken. Niettemin moet ik u bedanken voor deze uiting van vertrouwen en loyaliteit, en het is mijn karma om haar aan te nemen – niet voor mijzelf – maar voor de meesters, en voor het werk waarvoor ze zoveel moeite hebben gedaan om het aan ons duidelijk te maken en ons te helpen het te doen. We weten dat die uit de geschiedenis bekende figuren zoals Saint-Martin, St. Germain en alle filosofen uit de Middeleeuwen, die door de Grote Loge waren aangeraakt, al eeuwenlang op hun eigen manier en in hun eigen tijd pogingen deden om hun medemensen te helpen. Hun motief was niet slechts het zaaien van zaden, maar ze hoopten datgene te kunnen doen wat de mensen kennis en begrip zou geven, waardoor ze zichzelf, als eenheden in de beschaving waarin ze leefden, vooruit zouden kunnen helpen.

Maar vóór Mw. Blavatsky in 1875 de Theosophical Society stichtte is niet een van die pogingen geslaagd. Waarom slaagde die poging wel? Kunnen we zeggen dat dit kwam doordat ze een groep van volmaakte theosofen, volmaakte voorbeelden van de theosofie om zich heen had, die daaraan de impuls gaven om tot in deze eeuw voort te duren? Ik ben bang dat we aan die gedachte maar weinig geloof kunnen hechten. Maar wat gebeurde er in 1875 werkelijk? Tot die tijd moesten die andere vertegenwoordigers van de waarheid, evenals meester Jezus tweeduizend jaar geleden, in gelijkenissen, in paradoxen spreken, behalve tot hun leerlingen. Zoals meester Jezus zei: aan u verklaar ik de mysteriën – aan zijn leerlingen. Een van de redenen waarom die vroegere pogingen mislukten, was omdat de werkelijke, esoterische waarheden die de grondslag vormen voor de exoterische uitspraken van die figuren, niet openbaar konden worden gemaakt, en hun volgelingen hadden een eed van geheimhouding afgelegd.

Daarnaast was er de heersende mening, die ervoor zorgde dat wanneer iemand werkelijk een esoterische waarheid in het openbaar uitsprak, hij òf op de brandstapel werd gedood, òf in een kerker werd geworpen òf andere soortgelijke martelingen onderging. Zo zien we in ruwe schets hoe de beschaving zich door die vervlogen eeuwen heen ontwikkelde: in één opzicht blind, maar met hier en daar een raam dat de ziel van een individu vertegenwoordigt waardoor enig innerlijk licht straalde.

Toen HPB de Theosophical Society oprichtte, was, zoals we allemaal weten, haar eerste taak het schrijven van Isis Ontsluierd, dat in werkelijkheid een oefenterrein, in zekere zin een oefenschool was – als we het vanuit een breder perspectief bekijken – een oefenschool die de meester gebruikte om hun instrument, HPB, voor te bereiden en te helpen een goed ontvangtoestel te worden voor de boodschap die ze exoterisch aan de wereld wilden brengen. Toen die taak gereed was, gaven ze haar opdracht De Geheime Leer te schrijven. Dit betekende dat aan het grote publiek enkele esoterische waarheden werden gepresenteerd die nooit eerder waren bekendgemaakt. Vanaf de tijd van Christus tot 1875 kon een leraar of filosoof niet meer opheldering vinden over de structuur van de natuur, over de constitutie van de mens, en over de invloedsfeer waarin wij als mensen moeten werken wanneer we ons karakter willen verbeteren – dan wat in de brieven van Paulus wordt aangeduid als lichaam, ziel en geest: de drievoudige verdeling van onze constitutie. Vóór de tijd van HPB was niemand exoterisch verder gegaan dan dat, en zij gaf, zoals u weet, in De Geheime Leer aan de wereld het denkbeeld van de zeven beginselen van de mens, van de zeven beginselen van alles. Zo kregen die mensen de kans – en op dat moment was het in feite niet meer dan een kans – om de mogelijkheid te overwegen hun karakter in een ruimere werkingssfeer, zowel innerlijk als uiterlijk, te verbeteren.

De mensen die lid van de Theosophical Society werden, hadden niet alleen de kans maar ook de verantwoordelijkheid op zich genomen, om die waarheden en feiten van de natuur te bestuderen, ze in zich op te nemen en zich ervan bewust te worden wat het betekent om deze te ontvangen. Deze werden in de loop van de jaren door de ene na de andere leider verder uitgewerkt tot GdeP kwam. Zijn belangrijkste taak was het schrijven van een omvangrijke en veelomvattende toelichting op De Geheime Leer. Alles wat GdeP heeft geschreven, behalve misschien zijn Levensvragen, kan als een toelichting worden gezien op de basisgedachten van De Geheime Leer. In zijn toespraken tot zijn esoterische leerlingen ging hij voorbij de grenzen van De Geheime Leer – die grenzen waren er omdat de meesters en HPB bepaalde sleutels niet in De Geheime Leer hadden opgenomen.

We naderden echter snel het punt in deze eeuw – waarover ik vanochtend sprak – waarop een overgang tot stand moest komen. Die overgang hield als volgende stap in dat het esoterische, het extra materiaal dat sinds de tijd van HPB esoterisch was geweest, exoterisch te maken en exoterisch te laten worden. Wat gebeurt er als zoiets plaatsvindt? We kunnen geen moment denken dat we passief kunnen toekijken en op de oude voet kunnen verdergaan, of dat het op ons leven en de levens van de hele mensheid geen invloed heeft, want dat is wél zo. De verantwoordelijkheid die wanneer dat gebeurt op de schouders van een theosoof valt, is veel groter dan de mantel die op de schouders van een lid van de TS viel in de tijd van HPB. Het betekent eenvoudig dit: dat de grote kracht van de Witte Loge, die tot deze tijd slechts aan een beperkt aantal leden was voorbehouden, nu vrijkomt voor ieder lid van de TS. Begrijp me niet verkeerd: ik wil hiermee niet zeggen dat de Theosophical Society nu de Esoterische Sectie is. De huidige Theosophical Society is de Theosophical Society. Ik wil graag het volgende zeggen en een onderscheid maken. De Esoterische Sectie is niet de Esoterische School; de Esoterische School bestond al lang vóór de Theosophical Society werd opgericht. De Esoterische Sectie werd in 1888 door HPB gevormd en werd niets meer of minder dan een oefenterrein voor aspirerende leden van de TS die ernaar verlangden om zelfbewust hun karakter te verbeteren, en aan die leerlingen werd iets meer gegeven, werden enkele mysteries uitgelegd.

Maar er schuilt een grootse en heel bemoedigende aanwijzing in het feit dat de cyclussen van richting zijn veranderd; en het karma van nu vereist dat de kracht die naar de Esoterische Sectie stroomde nu door de Society zelf stroomt. Niets gebeurt toevallig of omdat deze, die of een andere leider besluit het te doen of het zegt. Het gebeurt door karma, en omdat de mensheid het zelf heeft opgeroepen. Er was deze aanwijzing en het was mogelijk omdat het aantal en de kwaliteit van de leden van deze Theosophical Society voldoende waren, en de meesters vonden haar een voldoende toereikend voertuig waardoorheen de logekracht naar de mensheid, naar onze medemensen, kan stromen. Niemand anders dan onze medemensen hebben erom gevraagd; en we mogen onze taak nu niet laten mislukken.

Met deze algemene opmerkingen wil ik tegen de afgevaardigden, afzonderlijk en collectief zeggen: uw aanwezigheid hier en uw deelname aan dit Algemene Congres geeft – in elk geval voor mij – een historisch punt aan in de ontwikkeling van de Theosophical Society zoals we nooit eerder hebben gekend. Er zijn geen uiterlijke richtlijnen uit het verleden die ons nu kunnen leiden. Maar er is een richtlijn die we wél hebben en dat is het ingeboren vermogen van ieder individu en het ingeboren vermogen van ieder lid van de TS dat door de aspiratie van zijn hart, zelfbewust heeft besloten om van zichzelf een beter mens te maken en een betere helper van de mensheid.

Het lidmaatschap van deze Society is niet iets om licht op te vatten. Ik betreur het dat bijna overal tegen mensen die om informatie vragen wordt gezegd: ‘Het is niet moeilijk om u bij de Theosophical Society aan te sluiten. U hoeft alleen maar het beginsel van universele broederschap te onderschrijven. Er is geen vaste contributie. Word lid.’ Het spijt me, maar ik denk dat dit een grote vergissing is. Ik wil daarmee niemand bekritiseren, omdat we uit ervaring leren, want ik heb keer op keer hetzelfde gedaan, tot ik inzag wat een schade ik daarmee aan die belangstellende toebracht. Toen hield ik ermee op. Dit is een heilige zaak, dames en heren. Dit is niet zomaar een broederlijke organisatie, het gaat ons om broederschap, het oorspronkelijke programma van de meesters. Dat moeten we niet uit het oog verliezen. En wanneer we onze vinger dopen in de krachtstroom van de meesters die door deze TS stroomt, heeft dat een wezenlijke invloed op ons; de katalytische kracht van hun inspanningen en energie zal het modderige water van onze ziel in die mate in beroering brengen dat we bijna tot alles bereid zijn. Godzijdank – want hoe zouden we anders kunnen leren?

Daarom heb ik u afgevaardigden niets nieuws te zeggen – niemand kan iets nieuws zeggen; alleen door ervaring en lijden ontdekken we iets opnieuw – maar ik zeg u, afgevaardigden, probeer als u naar huis terugkeert uw leden te helpen inzien dat ze een individuele verantwoordelijkheid hebben in het doel dat de meesters nastreven. Dit samenwerkingsverband is heel belangrijk. In de Theosophical Society en in de geschiedenis van de beweging is de kans om actief deel te nemen nog nooit zo groot geweest voor elk lid dat de theosofische zaak ter harte neemt. Ik bedoel niet om als een kip zonder kop rond te rennen en druk, druk, druk te zijn omdat dat niet altijd de beste manier van werken is. Soms doen we er veel beter aan als we rustig gaan zitten en alleen maar goede gedachten hebben – en daarmee bedoel ik niet naar het puntje van uw neus staren en mediteren, maar de plicht vervullen die voor u ligt en goede gedachten hebben. De kracht van eenvoudige spirituele energie die voortkomt uit het menselijk hart wordt toegevoegd aan het reservoir van spirituele kracht waarvan de meesters gebruikmaken en ze kunnen niet méér gebruiken dan we daarheen zenden. Wanneer deze kracht zo groot is dat ze op het uiterlijke gebied doorbreekt, hebben we geen idee van de resultaten die door de gemiddelde mens worden voortgebracht en ontvangen.

Ik zal u een verhaaltje vertellen over een man die stierf, naar de hemel ging en door Petrus aan de poort welkom werd geheten. Hij zei, ‘Kom binnen, Jan. Ik verwachtte je al.’

‘O, werkelijk?’ vroeg hij.

‘Ja. Ik zal je onmiddellijk naar je nieuwe woning brengen’, was het antwoord.

‘Dat is heel fijn, dank u wel.’ En ze wandelden door de gouden straten en Jan zag de prachtige villa’s en woningen aan beide kanten van de straat, en was vol verbazing, en hij zei tegen Petrus: ‘U heeft hier beslist een aantal leuke huizen staan. Ze zijn werkelijk prachtig.’

‘Ja, zei Petrus, ‘enkele van onze mensen wonen hier goed. Ze hebben mooie woningen.’ Zo liepen ze door straat na straat, en Jan bleef zich verbazen, maar de huizen en villa’s werden iets minder opvallend, iets kleiner. Ze liepen verder en hij was nog steeds vol verbazing. Maar na enige tijd begonnen de huizen er wat vervallen uit te zien, en Jan zei tegen Petrus, ‘Deze woningen zijn lang niet zo mooi als die we daarginds zagen. Hoe komt dat?’

‘O, we hebben hier allerlei soorten. Het hangt er maar net van af’, antwoordde Petrus, en ze bleven doorlopen, maar na enige tijd werden ze erg bouwvallig, en Jan werd een beetje bezorgd en zei tegen Petrus: ‘Ho, wacht eens even. Waar breng je me naartoe?’

‘Hoezo? Ik breng je naar je nieuwe woning’, antwoordde Petrus.

‘Ja, maar ik wil graag een van die huizen hebben waar we eerder voorbijkwamen.’

‘Nog even geduld, we zijn bijna bij jouw huis.’ Ze gingen de hoek om en kwamen bij een plaats waar niet meer dan een paar stokken overeind stonden met een dak erboven, en daarin stond een oude, kapotte stoel en een bed. Hij zei: ‘Dit is jouw woning Jan.’

Jan schrok en zei: ‘O nee! Deze wil ik niet. Ik wil iets beters. Waarom is er voor mij niet een van die andere huizen? Ik hoef niet een van die grote huizen te hebben; een van die leuke kleine huizen zou al goed zijn.’

Daarop antwoordde Petrus, ‘Het spijt me heel erg Jan, maar dit is het enige wat je naar ons hierboven hebt gezonden om je huis mee te bouwen.’ [Er wordt gelachen in de zaal]

Zoals u ziet bevat dit een zuiver occulte waarheid. We hebben jarenlang onze theosofie bestudeerd, enkelen van ons vele, vele jaren, en we lezen deze dingen, praten erover, vertellen onze vrienden erover, maar soms vraag ik me af of we ze werkelijk geloven. Ik betrap mezelf er regelmatig op, dat geef ik openlijk toe. Ik heb in de loop van dit ene leven maar weinig geleerd, maar de waarheid is dat wij als theosofen, die beweren vertrouwen te hebben in de meesters en te geloven dat zij de mensheid helpen en willen helpen – natuurlijk doen we dat ook, want anders zou de Society allang zijn mislukt – maar leveren we genoeg van die spirituele kracht, dat spirituele levenswater, voor hun reservoir van spirituele energie, wat het enige middel is waarmee ze de mensheid kunnen helpen?

De goden zij dank dat enkelen die ons zijn voorgegaan, zelfs vóór de Society werd gevormd, het er beter vanaf hebben gebracht dan Jan, en heel wat naar ‘boven’ gezonden, zodat ze daar over een reservoir beschikken. Maar als we, nu we aan onze opgang beginnen na het keerpunt, niet alleen van de eeuw – want vergeet niet dat er nog meer cyclussen bij dit belangrijke, historische punt in de geschiedenis van de mensheid betrokken zijn – niet doorgaan met het verschaffen van steeds meer spiritueel water voor dat reservoir, dan schieten we tekort. Als individuele theosofen is het onze taak om zo te leven en onze theosofie zo in praktijk te brengen dat we dag in dag uit, al is het slechts een druppeltje, onze bijdrage naar de meesters omhoog sturen voor hun zaak – en dat, vrienden, is iets innerlijks. Misschien draagt de arme weduwe die nauwelijks genoeg te eten heeft en die een postzegel naar het hoofdkwartier zendt, meer spirituele waarde bij voor haar medemensen dan de man die $50.000 schenkt uit een portefeuille waaruit nog eens $50.000 puilt. Ik wil de man die een groot bedrag schenkt niet kleineren, maar ik probeer alleen de waarde van een werkelijk spirituele gedachte en daad aan te geven.

En nu, afgevaardigden, wil ik deze gelegenheid aangrijpen om u te bedanken. En meneer de voorzitter, u wil ik uit het diepst van mijn hart bedanken voor de manier waarop u op deze dag uw taak voor het Kabinet en de leden heeft vervuld, en ik wens dat de goden u allen bijstaan.


James A. Long – Tourverslagen 1951

Theosophical University Press Agency online editie

© 2008 Theosophical University Press Agency. Online-editie, isbn 978-90-70328-64-1.