Kabbala. (Zie Qabbâlâh).

         Kali-Yuga. (Zie Yuga).

         Kalpa. (Sanskriet). Dit woord komt van de wortel kl.rip, die 'geordend zijn' betekent; vandaar een 'tijdsperiode' of 'tijdcyclus'. Soms verstaat men onder een Kalpa de duur van een mahâ-manvantara - of grote manvantara - waarna de bollen van een planeetketen niet meer een 'verduistering' of een rusttoestand ingaan, zoals periodiek het geval is, maar volledig sterven. Een Kalpa wordt ook een 'Dag van Brahmâ' genoemd, en de duur hiervan is 4.320.000.000 jaar. Zeven ronden vormen een Dag van Brahmâ of een planetaire manvantara.
         Zeven planetaire manvantara's (of planetaire cyclussen, die elk uit zeven ronden bestaan) vormen één zonnekalpa (of zonnemanvantara), of zeven 'Dagen van Brahmâ' - een week van Brahmâ.
         De moeite die veel Westerse bestudeerders hebben om dit woord te begrijpen, schuilt in het feit dat het onvermijdelijk een vage term is, omdat het niet uitsluitend op de duur van één tijdsperiode van toepassing is. Evenals het Nederlandse woord 'eeuw' of 'tijdperk' kan het woord kalpa voor vele verschillende cyclussen worden gebruikt. We kennen ook de mahâ-kalpa of 'grote kalpa', welke naam vaak wordt gegeven aan het onmetelijke tiJdperk waaruit een volledige zonnemanvantara of een volledige zonnepralaya bestaat.

         Kâma. (Sanskriet). Het woord Kâma betekent 'begeerte'. Het is het vierde substantie-beginsel in de samengestelde constitutie van de mens. Kâma is de stuwende of drijvende kracht in de menselijke constitutie; per se is het kleurloos, goed noch slecht; het is dit alleen door het gebruik dat het verstand en de ziel ervan maken. Het is de zetel van de levende elektrische impulsen, wensen en aspiraties, beschouwd vanuit hun energie-aspect. Hoewel er zowel een goddelijk als een duivels Kâma bestaat wordt dit woord echter gewoonlijk en ten onrechte beperkt tot bijna uitsluitend kwade begeerten.

         Kâma-Loka. (Sanskriet). Een samengesteld woord dat kan worden vertaald als 'begeertewereld', wat vrij nauwkeurig is, hoewel het weinig zegt. Het is een half-stoffelijk gebied of beter wereld of rijk, dat subjectief en voor menselijke wezens in de regel onzichtbaar is en dat onze stoffelijke bol omgeeft en ook insluit. Het is de woon- of verblijfplaats van de astrale vormen van dode mensen en van andere dode wezens - het rijk van de Kâma-rûpa's of begeertelichamen van gestorvenen. 'Het is de Hades', zoals H. P. Blavatsky zegt, 'van de oude Grieken, en de Amenti van de Egyptenaren, het land van de Stille Schaduwen.'
         Het is in dit Kâma-loka dat de 'tweede dood' plaatsvindt, waarna het bevrijde hogere tweetal van de mens die was devachan binnengaat. De hoogste gebieden van Kâma-loka gaan onmerkbaar over in de laagste gebieden of rijken van devachan; en omgekeerd gaan de grofste en laagste gebieden van Kâma-loka onmerkbaar over in de hoogste gebieden van avîchi (zie aldaar).
         Wanneer het stoffelijk lichaam bij de dood uiteenvalt, blijven de astrale elementen van de geëxcarneerde entiteit in Kâma-loka of de 'schaduw-wereld' en zijn nog steeds verbonden met dezelfde vitale centra die er kracht aan geven, als tijdens het stoffelijk bestaan; en hier vinden bepaalde processen plaats. De lagere menselijke ziel, die is bezoedeld met aardse gedachten en lagere instincten, kan niet gemakkelijk uit Kâma-loka opstijgen, omdat ze onrein en zwaar is en bijgevolg omlaag is gericht. In Kâma-loka vinden de processen plaats van de scheiding tussen de monade en het Kâma-rûpisch spook of de schim; en wanneer deze scheiding zich heeft voltrokken, wat de hierboven genoemde 'tweede dood' is, ontvangt de monade de reïncarnerende ego in haar schoot, waarin deze zijn lange rustperiode van geluk en herstel zal genieten. Is daarentegen de entiteit in Kâma-loka zo bezwaard door het kwaad, en wordt ze zo sterk tot de aardse gebieden aangetrokken dat de monade niet bij machte is de reïncarnerende ego aan het kâma-rûpa te onttrekken, dan zinkt dit met zijn bezoedelde 'ziel' steeds dieper weg en zal misschien zelfs avîchi ingaan. Als de monadische invloed erin slaagt, wat meestal het geval is, de 'tweede dood' tot stand te brengen, dan wordt het kâma-rûpa niets anders dan een schim of een kâma-rûpisch spook en gaat onmiddellijk tot ontbinding over om tenslotte te verdwijnen, terwijl zijn samenstellende levensatomen alle de weg volgen waartoe ze worden aangetrokken.

         Kâma-rûpa. (Sanskriet). Een samengesteld woord dat 'begeerte-lichaam' betekent. Het is dat deel van de innerlijke constitutie van de mens waarin de verschillende begeerten, neigingen, haat- en liefdegevoelens - kortom, de verschillende mentale en psychische krachten zetelen of daarmee onafscheidelijk verbonden zijn. Na de dood wordt dit het voertuig in de astrale werelden van de hogere beginselen van de mens die was. Maar deze hogere beginselen zijn zich niettemin nauwelijks van dit feit bewust, omdat het verbreken van de gouden levensdraad op het moment van de stoffelijke dood de zich bewuste persoonlijke entiteit in een barmhartige toestand van verdoving en onbewustheid dompelt, waarin ze kortere of langere tijd blijft, afhankelijk van haar geestelijke of stoffelijke eigenschappen. Hoe geestelijker de mens was, hoe langer de periode van barmhartige onbewustheid duurt en omgekeerd.
         Zoals elders herhaaldelijk is opgemerkt, treedt na de dood de zogenaamde 'tweede dood' in, waarbij zich de scheiding voltrekt tussen het onsterfelijke deel van het tweede of tussenliggende tweetal en de lagere delen van dit tweetal, welke laatste als het Kâma-rûpa achterblijven in de etherische of hogere astrale sferen die zich tussen de devachanische en aardse gebieden bevinden. Mettertijd verdwijnt dit Kâma-rûpa op zijn beurt en vervolgen zijn levensatomen bij deze ontbinding hun verschillende, nooit eindigende omzwervingen.
         Het is dit Kâma-rûpa waarover de legenden en verhalen uit de verschillende oude wereldgodsdiensten of filosofieën spreken als de 'schim', en dat in het Westen gewoonlijk 'spook' of 'geest' wordt genoemd. Kortom, het vertegenwoordigt alle sterfelijke elementen van de menselijke ziel. Het Kâma-rûpa is een nauwkeurig astraal duplicaat, zowel in voorkomen als in optreden, van de gestorven mens; het is zijn eidolon (zie aldaar) of 'evenbeeld'. (Zie Tweede Dood).

         Kâra.na-S´arîra. (Sanskriet). Een woordverbinding die 'oorzaak-lichaam' of 'oorzakelijk lichaam' (zie aldaar) betekent, het instrument of beginsel of oorzakelijk element in de menselijke constitutie en bijgevolg in de constitutie van iedere andere zich wederbelichamende entiteit, dat niet alleen de reproduktie in belichaamde vorm van zo'n entiteit teweegbrengt, maar eveneens haar evolutie tijdens een manvantara door middel van een oneindige reeks van wederbelichamingen. (Zie Kâra.nopâdhi en Oorzakelijk lichaam).

         Kâra.nopâdhi. (Sanskriet).Een samengesteld woord dat 'oorzakelijk werktuig' of 'werktuiglijke oorzaak' betekent in de lange reeks van wederbelichamingen waaraan menselijke en andere zich wederbelichamende entiteiten onderworpen zijn. Upâdhi, het tweede deel van deze woordverbinding, wordt vaak vertaald met 'voertuig'; maar hoewel deze definitie voor algemene doeleinden nauwkeurig genoeg is, drukt ze niet de wezenlijke betekenis van het woord uit, die eerder 'vermomming' is, of bepaalde natuurlijke eigenschappen of aangeboren kenmerken waarvan wordt aangenomen dat ze vermommingen, bekleedsels of maskers zijn, waarin en waardoor de geestelijke monade van de mens werkt, en op aarde en ongetwijfeld op de andere bollen van de planeetketen de herhaalde manifestaties van bepaalde functies en vermogens van deze monade teweegbrengt; en die verder nauw zijn verbonden met de omzwervingen van de monade door de verschillende sferen en rijken van de zonne-kosmos. In één bepaalde betekenis van het woord kan Kâra.nopâdhi daarom bijna op één lijn worden gesteld met de gedachten die zijn uiteengezet onder de term mâyâ (zie aldaar), of de bedrieglijke vermommingen waardoor de geest werkt, of beter, waardoor geestelijke monadische entiteiten wer ken en zich manifesteren.
         De betekenis van Kâra.nopâdhi is tweeledig, zoals in het kort is vermeld onder de term 'oorzakelijk lichaam'. De eerste en meest gemakkelijke betekenis van deze term geeft aan dat de oorzaak die de wederbelichaming teweegbrengt avidyâ is, niet-weten, eerder dan onwetendheid; want wanneer een zich wederbelichamende entiteit door herhaalde wederbelichamingen in de stoffelijke gebieden zich uit de knellende boeien van deze laatste heeft bevrijd en tot zelfbewuste erkenning van haar eigen goddelijke vermogens is gekomen, ontdoet zij zich daarmee van de ketenen of vermommingen van mâyâ en wordt wat een Jîvanmukta (zie aldaar) wordt genoemd. Alleen onvolmaakte zielen, of in het algemeen gesproken, monadische zielen worden door de cyclische werkingen en wetten van de natuur genoodzaakt de herhaalde wederbelichamingen op aarde en elders te ondergaan om de lessen in zelfoverwinning en beheersing van alle gebieden van de natuur te leren. Naarmate men aan wijsheid en kennis wint en zich dus steeds meer bewust wordt van het gevoel van verbondenheid met al wat is, met andere woorden, hoe meer men gelijk wordt aan zijn goddelijk-geestelijke tegenhanger, hoe minder men onderhevig is aan avidyâ. Het zijn in zekere zin de zaden van kâma-manas die, achtergebleven in het weefsel of het wezen van de re;ncarnerende entiteit, werken als het kâra.na, als de reproducerende of werktuiglijke oorzaak van de reïncarnaties van een dergelijk wezen op aarde.
         Hoewel de werking van het hogere Kâra.nopâdhi overeenkomt met die van het lagere Kâra.nopâdhi, of het zojuist beschreven Kâra.na-s´arîra, behoort het niettemin tot het geestelijkintellectuele deel van de constitutie van de mens en vormt de in de geestelijke monade inherente reproduktieve energie, die haar na de zonnepralaya doet terugkeren tot nieuwe werkzaamheden en een nieuwe reeks van belichamingen, beginnend bij de dageraad van de zonnemanvantara die op de zojuist beëindigde zonnepralaya volgt. Deze laatste Kâra.nopâdhi of Kâra.na-s´arîra houdt daarom rechtstreeks verband met het element-beginsel in de constitutie van de mens dat buddhi wordt genoemd - een sluier als het ware voor het aangezicht of om het wezen van de monadische essentie, ongeveer zoals Prak.riti Purusha omgeeft, of Pradhâna Brahman, of zoals Mûlaprakriti de sluier of vermomming of s´akti van Parabrahman is en dit omgeeft. Daarom komt bij de mens dit Kâra.nopâdhi of oorzakelijk masker of voertuig in algemene zin overeen met buddhi-manas of de geestelijke ziel, waarin de geestelijke monade werkt en zich openbaart.
         Terloops moet worden opgemerkt dat de leer aangaande de functies en werkingen van buddhi in de menselijke constitutie uiterst diepzinnig is, omdat in buddhi de oorzakelijke impulsen of prikkels liggen die de opbouw van de constitutie van de mens tot stand brengen en die, wanneer deze is voltooid en de mens een zevenvoudige entiteit is geworden, zich doen kennen als de verschillende lagen of eigenschappen van het aurisch ei (zie aldaar). Het Kâra.na- s´arîra, het Kâra.nopâdhi, of het oorzakelijk lichaam, tenslotte, is de als voertuig dienende vorm of lichaamsvorm, voortgebracht door de werking van wat mystiek gesproken misschien wel het meest mysterieuze beginsel of element in de constitutie is, niet alleen van de mens, maar ook van het heelal - het zeer mysterieuze geestelijke bîja (zie aldaar). Van het Kâra.nopâdhi, het Kâra.na-s´arîra, of het oorzakelijk lichaam, wordt met geringe verschillen in betekenis in verscheidene werken over de Hindoese wijsbegeerte een verklaring gegeven; maar al die werken moeten worden bestudeerd in het licht van de grote Wijsheid-Leer van archaïsche tijden, de Esoterische Theosofie. De bestudeerder loopt anders alle kans op een dwaalspoor te geraken. Ik zou hier nog aan toe willen voegen dat de Sushuptitoestand, die van de diepe droomloze slaap, die een algehele ongevoeligheid van het menselijk bewustzijn voor alle indrukken van buitenaf met zich brengt, een stadium van bewustzijn is waar de adept doorheen moet, en in zijn gevoel bewust doorheen moet, voor hij de hoogste toestand van Samâdhi, de Turîya-toestand, bereikt. Volgens de Vedânta-filosofie is de Turîya (wat 'vierde' betekent) de vierde bewustzijnstoestand die de volledige adept zelfbewust kan ingaan en waarin hij één wordt met het kosmische Brahman. De Vedântisten spreken van het Ânandamaya-kos´a, dat ze omschrijven als het binnenste omhulsel, lichaam of voertuig dat het âtmisch bewustzijn omgeeft. Zo zien we dat het Ânandamaya-kos´a en het Kâra.na- s´arîra of Kâra.nopâdhi en het buddhi in samenhang met de manasische ego, praktisch identiek zijn.
         De schrijver heeft zich enige moeite gegeven om de verschillende fasen van het occulte en esoterische theosofische denken die in dit artikel worden gegeven, uiteen te zetten en in het kort te ontwikkelen, omdat er over de aard, de kenmerken en de functies van het Kâra.na- s´arîra of oorzakelijk lichaam vele en verschillende misverstanden en misvattingen bestaan.

         Karman. (Sanskriet). Dit is een-zelfstandig naamwoord, afgeleid van de wortel k.ri die 'doen', 'maken', betekent. Letterlijk betekent karman 'doende', 'makende'; handeling. Maar wanneer het in filosofische zin wordt gebruikt heeft het een technische betekenis, die in het Nederlands het best met het woord 'gevolg' kan worden vertaald. De gedachte is deze:
         Als iemand handelt, handelt hij van binnenuit; hij handelt door zijn eigen energie, die hij van nature bezit, in meerdere of mindere mate te verbruiken. Dit verbruik van energie, deze uitstorting van energie, oefent invloed uit op het omringende milieu, de natuur om ons heen, en zal daarin een onmiddellijke of misschien een vertraagde reactie of terugslag oproepen. Met andere woorden, de natuur reageert op die invloed; en de combinatie van deze twee - de energie die op de natuur inwerkt en de natuur die reageert op de invloed van deze energie - is wat karman wordt genoemd, een combinatie van de twee factoren. Karman is, met andere woorden, in wezen een keten van oorzaken die oneindig ver in het verleden teruggaat en daarom noodzakelijkerwijs bestemd is zich oneindig ver in de toekomst uit te strekken. Het is onontkoombaar, want het is in de universele natuur, die oneindig en dus overal en tijdeloos is; en vroeg of laat zal de reactie onvermijdelijk worden gevoeld door de entiteit die haar opriep.
         Het is een zeer oude leer, die we bij alle godsdiensten en filosofieën aantreffen, en die sinds de herleving van de wetenschappelijke studie in het Westen een van de grondstellingen van de moderne geordende kennis is geworden. Als we een steen in een vijver gooien, veroorzaakt dit rimpelingen in het water en deze rimpelingen verspreiden zich en raken tenslotte de oever van de vijver; de rimpelingen, zo zegt de wetenschap ons, worden in trillingen omgezet die zich tot in het oneindige voortzetten. Maar op iedere stap in dit natuurlijke proces volgt een overeenkomstige reactie van elk van de myriaden atomaire deeltjes die door de zich verspreidende energie worden beïnvloed.
         Enerzijds is karman in geen enkel opzicht fatalisme; anderzijds is het evenmin wat algemeen bekend is als 'toeval'. Het is in wezen een leer van de vrije wil, want de entiteit die het initiatief neemt tot een beweging of een handeling - of die van geestelijke, mentale, psychologische, fysieke, of andere aard is - is daarna natuurlijk verantwoordelijk voor de gevolgen en resultaten die eruit voortvloeien en die vroeg of laat terugslaan op de dader of de eerste oorzaak.
         Daar alles in elkaar grijpt en met al het andere is verbonden en vermengd, en niets en niemand voor zichzelf alleen kan leven worden andere entiteiten noodzakelijkerwijs in meerdere of mindere mate beïnvloed door oorzaken of bewegingen die door een bepaalde entiteit worden teweeggebracht; maar dergelijke uitwerkingen of gevolgen oefenen op andere entiteiten dan de oorspronkelijke veroorzaker slechts indirect een moreel dwingende kracht uit, 'moreel' in de ware zin van het woord.
         Een voorbeeld hiervan zien we in wat de theosoof bedoelt als hij over 'familie-karman' spreekt, in tegenstelling met iemands eigen individuele karman; of over 'nationaal karman', de reeks gevolgen voor de natie waar hij deel van uitmaakt; of ook het raskarman, dat betrekking heeft op het ras waar de mens een integrerend deel van is. Men kan niet zeggen dat karman 'straft' of 'beloont' in de gebruikelijke betekenis van deze woorden. Het werkt volstrekt rechtvaardig, want als deel van de werkingen van de natuur zelf kan alle karmische werking uiteindelijk worden teruggevoerd tot het kosmische hart van harmonie of, wat hetzelfde is, tot zuiver bewustzijn-geest. De leer is buitengewoon bemoedigend voor de mens, daar hij zijn eigen lot kan scheppen en dat inderdaad ook moet doen. Hij kan, al naar hij wil, zijn lot vormen of misvormen; en door mee te werken met de grote energieën die aan de natuur zelf ten grondslag liggen, brengt hij zich daarmee in overeenstemming en in harmonie en wordt zo een medewerker van de natuur, zoals de goden dat zijn.

         (Zie Planeetketen).

         Keten van Hermes. Onder de oude Grieken bestond een mystieke overlevering van een keten van levende wezens, waarvan het ene einde de godheden in hun verschillende graden of stadia van goddelijk gezag en goddelijke werkzaamheid omvatte, en waarvan het andere einde in benedenwaartse richting liep via lagere goden, helden en wijzen naar de gewone mens en naar de wezens onder de mens. Iedere schakel van deze levende keten van wezens inspireerde en onderrichtte de keten daaronder om op deze wijze van schakel naar schakel, tot aan het einde van deze wonderlijke levende keten, liefde, wijsheid en kennis omtrent de geheimen van het heelal over te dragen en door te geven, wat bij de mensheid kunsten en wetenschappen, tot gevolg had, die voor het menselijk leven en de beschaving noodzakelijk zijn. Dit kreeg de mystieke naam van 'Keten van Hermes' of 'Gouden Keten'.
         In de oude mysteriën werden de leer van het bestaan en de aard van de Keten van Hermes volledig verklaard; het is een ware leer omdat ze een duidelijke, heldere en betrouwbare voorstelling geeft van de ware en feitelijke werkingen van de natuur. Min of meer zwakke en verdraaide kopieën van de leer van deze Keten van Hermes of Gouden Keten of Opeenvolging van Leraren werden door verschillende latere formele en exoterische sekten overgenomen, zoals de Christelijke Kerk, waarin de leer de 'Apostolische Successie' werd genoemd. In alle grote mysteriescholen in de oudheid kwam deze opvolging van leraren voor, waarbij ieder van hen het licht aan zijn opvolger doorgaf zoals hij dat zelf van zijn voorganger had ontvangen; en zolang deze overdracht van het licht een werkelijkheid was, betekende ze een reusachtige geestelijke weldaad voor de mensheid. Daarom bestonden en bloeiden al deze bewegingen en deden ze veel goeds in de wereld. Deze leraren waren de boodschappers voor de mens uit de grote Loge van de Meesters van Wijsheid en Mededogen. (Zie onder Guru-Paramparâ).

         Khe-Chara. (Sanskriet). 'Ether-ganger', soms ook weergegeven met 'Hemel-wandelaar'. De naam die in de mystieke en filosofische literatuur van Hindoestan wordt gebruikt ter aanduiding van een van de Siddhi's of psychogeestelijke krachten die vergevorderde yogins of ingewijden bezitten. Het is in feite niet anders dan wat in Tibet Hpho-wa (zie aldaar) wordt genoemd, het projecteren van het Mâyâvi-rûpa (zie aldaar) naar een deel van het aardoppervlak of zelfs nog verder, en wel uit eigen wil.

         Klimmende Boog. Soms de Lichtende Boog genoemd. Deze term, zoals die in het theosofisch Occultisme wordt gebruikt, betekent de opwaartse gang van de levensgolven of levensstromen van evoluerende monaden langs, op en door de bollen van de keten van een hemellichaam, de aardketen inbegrepen. Ieder hemellichaam (ook de aarde) maakt deel uit van een beperkte reeks of groep van bollen. Deze bollen bestaan op verschillende kosmische gebieden in een opklimmende reeks. Tijdens een manvantara van zo'n keten cirkelen of wentelen de levensgolven of levensstromen in periodieke golven of impulsen om deze bollen heen. De opgang vanaf de stoffelijke bol wordt de Klimmende Boog genoemd; de neergang door de meer geestelijke en etherische bollen heen naar de stoffelijke bol, de dalende boog. (Zie onder Planeetketen).

         Kosmisch Leven. Alle grote godsdiensten en filosofieën uit het verleden en ook alle oude wetenschappen, onderwezen het bestaan van innerlijke, onzichtbare, ongrijpbare, maar oorzakelijke gebieden, als basis en achtergrond van deze verschillende stelsels. Alle zien onze stoffelijke wereld slechts als het uiterlijke gewaad, de uiterlijke sluier of schil, van andere innerlijke, bezielde, levende en oorzakelijke werelden, die te zamen het Kosmisch Leven belichamen. Dit Kosmisch Leven is niet een persoon, niet een geïndividualiseerde entiteit. Het is volkomen anders dan een dergelijke louter menselijke voorstelling, omdat het oneindig en grenzeloos is, zonder begin en einde en even veelomvattend als de oneindigheid en de eeuwigheid. Het Kosmisch Leven is in feite de Uiteindelijke Werkelijkheid achter en in al wat is.
         Alle vormen van energie en materie in onze wereld zijn eigenlijk niet anders dan verschillende en ontelbare manifestaties van het Kosmisch Leven dat uit een werkelijk oneindig grote verscheidenheid bestaat. Het Kosmisch Leven is daarom, zoals gezegd, de Werkelijkheid achter alle eindeloos geschakeerde scharen van entiteiten en dingen. Maar deze Werkelijkheid is geen persoonlijke of geïndividualiseerde Godheid. Ze is precies wat de theosofie haar noemt: het Grenzeloze, en in haar totaliteit onbegrensd Leven-Substantie-Bewustzijn.

         Kosmos. Kosmos is een Grieks woord dat 'ordening' betekent. Het was dat wat geordend en bijeengehouden werd volgens de regels van de harmonie, de ordening van het heelal. Kosmos is daarom praktisch verwisselbaar met heelal. Men moet goed begrijpen dat, wanneer in de Esoterische Wijsbegeerte de begrippen Kosmos en heelal worden gebruikt, hiermee bovenal het inwonende Grenzeloze Leven wordt aangeduid, dat zich openbaart in zijn ontelbare entiteiten en vormen, die de verbazingwekkende afwisseling en eenheid in verscheidenheid voortbrengen die we om ons heen waarnemen. Wanneer een theosoof over de 'Kosmos' of het 'heelal' spreekt, doelt hij beslist niet alleen op de stoffelijke sfeer of wereld of dwarsdoorsnede van het Grenzeloze Al waarin wij mensen leven, maar meer in het bijzonder op de onzichtbare werelden, gebieden en sferen die worden bewoond door talloze scharen van bezielde of levende wezens.

         K.rita-Yuga of Satya-Yuga. (Zie Yuga).

         Kshattriya. (Sanskriet). De krijger, de bestuurder, de koning, de prins, kortom de ambtelijk wereld, enz.; de tweede van de vier sociale en politieke rangen o klassen van de oude beschavingen van Hindoestan in het Vedische tijdperk. (Zie Brâhma.na, Vais´ya, S´ûdra).

         Kumâra's. (Sanskriet). (Zie Agnishwiatta's).

         Kumbhaka. (Sanskriet). Een uiterst gevaarlijke oefening die tot het ha.tha-yoga stelsel behoort. Ze bestaat uit het inhouden van de adem door de mond te sluiten en de neusgaten dicht te houden met de vingers van de rechterhand. Degenen die deze ademhalingsoefeningen, van welke aard ook, trachten uit te voeren zonder de deskundige leiding van een werkelijke adept, stellen zich aan een zeer groot fysiologisch gevaar bloot; de beoefening ervan is, tenminste in de eerste paar graden, aan alle chela's van werkelijk occulte of esoterische scholen volstrekt verboden. De chela van een werkelijke Meester van Wijsheid zal er geen behoefte aan hebben deze ha.tha-yoga te beoefenen, behalve in zeldzame gevallen en om buitengewone redenen, want al wat de esoterische training beoogt, is het ontplooien van de vermogens en krachten van de innerlijke god en niet het verwerven van onbeduidende en vaak misleidende vermogens van lagere orde, die nu en dan door het volgen van de fysiologische en fysieke ha.tha-yoga oefeningen worden verkregen.

         Ku.n.dalinî of Ku.n.dalinî-S´akti. (Sanskriet). Een term waarvan de wezenlijke betekenis 'rondgaande' of 'draaiende' of 'spiraalvormige' of 'kronkelende' werking, of beter, energie is, en die een verborgen kracht aanduidt in de menselijke constitutie. Ku.n.dalinî-S´akti is een uitvloeisel van een van de elementaire krachten van de natuur. Bij de mens werkt het in en door zijn aurisch ei (zie aldaar) en uit zich in een voortdurende werking in vele van de meest vertrouwde verschijnselen uit het bestaan, zelfs als de mens er zich niet bewust van is. In zijn hogere aspect is Ku.n.dalinî een vermogen of kracht die draaiende of rondgaande wegen volgt en daarbij gedachten en krachten meevoert of overbrengt die uit de hogere triade voortkomen. In abstracte zin is het bij de mens natuurlijk een van de fundamentele energieën of hoedanigheden van de prâ.na's. Gebrekkige of onverstandige pogingen om in te grijpen m zijn normale werking in het menselijk lichaam kunnen gemakkelijk leiden tot krankzinnigheid of tot kwaadaardige of slopende ziekten.


    Occulte Woordentolk , blz. 79-91

    © 1981  Theosophical University Press Agency
    Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag